Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:5067

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
27-11-2015
Datum publicatie
11-12-2015
Zaaknummer
23-003634-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ter beschikking stellen bankrekening. Vrijspraak oplichting en opzetheling. bewezenverklaring schuldheling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Parketnummer: 23-003634-14

Datum uitspraak: 27 november 2015

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 4 september 2014 in de strafzaak onder parketnummer 13-525589-09 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Indonesië) op [geboortedag] 1981,

adres: [adres 1].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

13 november 2015 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

primair:
zij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 20 juni 2009 tot en met 14 augustus 2009 te Amsterdam en/of Utrecht en/of Rotterdam en/of Nieuwegein en/of Delft en/of Leiden en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen (telkens) door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,

a. a) [slachtoffer 1] en/of

b) [slachtoffer 2] en/of

c) [slachtoffer 3] en/of

d) [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] en/of

e) [slachtoffer 6] en/of

f) [slachtoffer 7]

(telkens)

heeft/hebben bewogen tot de afgifte van

a. a) een geldbedrag van 2.250 euro en/of

b) een geldbedrag van 2.250 euro en/of

c) een geldbedrag van 2.250 euro en/of

d) een geldbedrag van 2.250 euro en/of

e) een geldbedrag van 2.250 euro en/of

f) een geldbedrag van 1.500 euro,

in elk geval van enig goed, hebbende verdachte en/of haar mededader(s) (telkens) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid

a. a) op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode 20 juni 2009 tot en met 29 juni 2009 op de internetsite www.marktplaats.nl een advertentie geplaatst waarin zij, verdachte, en/of haar mededader(s) een woning in Amsterdam (gelegen aan de [adres 2]) te huur aanbo(o)d(en) en/of in die advertentie zich voorde(e)d(en) als de rechtmatige eigena(a)r(en)/verhuurder(s) van die woning en/of (nadat voornoemde [slachtoffer 1] per telefoon had gereageerd op die advertentie) voornoemde [slachtoffer 1] voornoemde woning (gelegen aan de [adres 2]) heeft/hebben laten bezichtigen, waarna voornoemde [slachtoffer 1] een (huur)contract heeft getekend en/of waarna voornoemde [slachtoffer 1] een geldbedrag van 2.250 euro op rekeningnummer [rekeningnummer] ten name van [verdachte] heeft gestort en/of

b) op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode 20 juni 2009 tot en met 29 juni 2009 op de internetsite www.marktplaats.nl een advertentie geplaatst waarin zij, verdachte, en/of haar mededader(s) een woning in Amsterdam (gelegen aan de [adres 2]) te huur aanbo(o)d(en) voor 750 euro per maand en/of een eenmalige waarborgsom van 1.500 euro en/of in die advertentie zich voorde(e)d(en) als de rechtmatige eigena(a)r(en)/verhuurder(s) van die woning en/of waarbij verdachte en/of haar mededader(s) gebruik maakte(n) van de (valse) naam [verdachte] en/of (nadat voornoemde [slachtoffer 2] per telefoon had gereageerd op die advertentie) voornoemde [slachtoffer 2] voornoemde woning (gelegen aan de [adres 2]) heeft/hebben laten bezichtigen, waarna voornoemde [slachtoffer 2] een (huur)contract heeft getekend en/of waarna voornoemde [slachtoffer 2] een geldbedrag van 2.250 euro op rekeningnummer [rekeningnummer] ten name van [verdachte] heeft gestort en/of

c) op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode 20 juni 2009 tot en met 29 juni 2009 op de internetsite www.marktplaats.nl een advertentie geplaatst waarin zij, verdachte, en/of haar mededader(s) een woning in Amsterdam (gelegen aan de [adres 2]) te huur aanbo(o)d(en) voor 750 euro per maand en/of een eenmalige waarborgsom van 1.500 euro en/of in die advertentie zich voorde(e)d(en) als de rechtmatige eigena(a)r(en)/verhuurder(s) van die woning en/of waarbij verdachte en/of haar mededader(s) gebruik maakte(n) van de (valse) naam [verdachte] en/of (nadat voornoemde [slachtoffer 3] per telefoon had gereageerd op die advertentie) voornoemde [slachtoffer 3] voornoemde woning (gelegen aan de [adres 2]) heeft/hebben laten bezichtigen, waarna voornoemde [slachtoffer 3] een (huur)contract heeft getekend en/of waarna voornoemde [slachtoffer 3] een geldbedrag van 2.250 euro op rekeningnummer [rekeningnummer] ten name van [verdachte] heeft gestort en/of

d) op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode 20 juni 2009 tot en met 29 juni 2009 op de internetsite www.marktplaats.nl een advertentie geplaatst waarin zij, verdachte, en/of haar mededader(s) een woning in Amsterdam (gelegen aan de [adres 2]) te huur aanbo(o)d(en) voor 750 euro per maand en/of een eenmalige waarborgsom van 1.500 euro en/of in die advertentie zich voorde(e)d(en) als de rechtmatige eigena(a)r(en)/verhuurder(s) van die woning en/of waarbij verdachte en/of haar mededader(s) gebruik maakte(n) van de (valse) naam [verdachte] en/of (nadat voornoemde [slachtoffer 4] per telefoon had gereageerd op die advertentie) voornoemde [slachtoffer 4] voornoemde woning (gelegen aan de [adres 2]) heeft/hebben laten bezichtigen, waarna voornoemde [slachtoffer 4] een (huur)contract heeft getekend en/of waarna voornoemde [slachtoffer 4] en/of de vader van [slachtoffer 4] ([slachtoffer 5]) een geldbedrag van 2.250 euro op rekeningnummer [rekeningnummer] ten name van [verdachte] heeft gestort en/of

e) op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode 20 juni 2009 tot en met 1 juli 2009 op de internetsite www.woningzoeken.nl een advertentie geplaatst waarin zij, verdachte, en/of haar mededader(s) een woning in Amsterdam (gelegen aan de [adres 2]) te huur aanbo(o)d(en) en/of in die advertentie zich voorde(e)d(en) als de rechtmatige eigena(a)r(en)/verhuurder(s) van die woning en/of waarbij verdachte en/of haar mededader(s) gebruik maakte(n) van de (valse) naam [verdachte] en/of (nadat voornoemde [slachtoffer 6] per telefoon had gereageerd op die advertentie) voornoemde [slachtoffer 6] voornoemde woning (gelegen aan de [adres 2]) heeft/hebben laten bezichtigen, waarna voornoemde [slachtoffer 6] een (huur)contract heeft getekend waarbij een huurprijs van 750 euro per maand en/of een eenmalige waarborgsom van 1.500 euro overeen was gekomen en/of waarna voornoemde [slachtoffer 6] een geldbedrag van 2.250 euro op rekeningnummer [rekeningnummer] ten name van [verdachte] heeft gestort en/of

f) op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode 20 juni 2009 tot en met 29 juni 2009 op de internetsite www.marktplaats.nl een advertentie geplaatst waarin zij, verdachte, en/of haar mededader(s) een woning in Amsterdam (gelegen aan de [adres 2]) te huur aanbo(o)d(en) en/of in die advertentie zich voorde(e)d(en) als de rechtmatige eigena(a)r(en)/verhuurder(s) van die woning en/of waarbij verdachte en/of haar mededader(s) gebruik maakte(n) van de (valse) naam [verdachte] en/of (nadat voornoemde [slachtoffer 7] per telefoon had gereageerd op die advertentie) voornoemde [slachtoffer 7] voornoemde woning (gelegen aan de [adres 2]) heeft/hebben laten bezichtigen, waarna voornoemde [slachtoffer 7] een (huur)contract heeft getekend en/of waarbij een eenmalige borg van 1.500 euro overeen was gekomen en/of waarna voornoemde [slachtoffer 7] een geldbedrag van 1.500 euro op rekeningnummer [rekeningnummer] ten name van [verdachte] heeft gestort,

waardoor voornoemde [slachtoffer 1] en/of voornoemde [slachtoffer 2] en/of voornoemde [slachtoffer 3] en/of voornoemde [slachtoffer 4] en/of voornoemde [slachtoffer 5] en/of voornoemde [slachtoffer 6] en/of voornoemde [slachtoffer 7] (telkens) werd(en) bewogen tot bovenomschreven afgifte(n);

subsidiair:
zij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 20 juni 2009 tot en met 14 augustus 2009 te Amsterdam en/of Utrecht en/of Rotterdam en/of Nieuwegein en/of Delft en/of Leiden en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

a. a) een geldbedrag van 2.250 euro (toebehorende aan [slachtoffer 1]) en/of

b) een geldbedrag van 2.250 euro (toebehorende aan [slachtoffer 2]) en/of

c) een geldbedrag van 2.250 euro (toebehorende aan [slachtoffer 3]) en/of

d) een geldbedrag van 2.250 euro (toebehorende aan [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5]) en/of e) een geldbedrag van 2.250 euro (toebehorende aan [slachtoffer 6]) en/of

f) een geldbedrag van 1.500 euro (toebehorende aan [slachtoffer 7]),

in elk geval een of meer geldbedrag(en) heeft/hebben verworven, en/of voorhanden heeft/hebben gehad, terwijl zij, verdachte en/of haar mededader(s) ten tijde van de verwerving en/of het voorhanden krijgen wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat het (een) door oplichting in elk geval (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

meer subsidiair:
zij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 20 juni 2009 tot en met 1 augustus 2009 te Amsterdam en/of Utrecht en/of Rotterdam en/of Nieuwegein en/of Delft en/of Leiden en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van een voorwerp, te weten

a. a) een geldbedrag van 2.250 euro (toebehorende aan [slachtoffer 1]) en/of

b) een geldbedrag van 2.250 euro (toebehorende aan [slachtoffer 2]) en/of

c) een geldbedrag van 2.250 euro (toebehorende aan [slachtoffer 3]) en/of

d) een geldbedrag van 2.250 euro (toebehorende aan [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5]) en/of e) een geldbedrag van 2.250 euro (toebehorende aan [slachtoffer 6]) en/of

f) een geldbedrag van 1.500 euro (toebehorende aan [slachtoffer 7]), in elk geval een of meer geldbedrag(en), de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft/hebben verborgen en/of verhuld, althans heeft/hebben verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op een of meer voorwerp(en), te weten voornoemd(e) geldbedrag(en), was/waren of wie bovenomschreven voorwerp(en), te weten voornoemd(e) geldbedrag(en), voorhanden had(den), terwijl zij, verdachte en/of haar mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit oplichting, in elk geval uit enig misdrijf.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de rechtbank.

Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard dient te worden in de vervolging van de verdachte. De raadsvrouw heeft daartoe aangevoerd dat sprake is van willekeur. Immers, de verdachte is wel vervolgd, terwijl de vervolging van anderen die achter de oplichting van potentiële huurders lijken te hebben gezeten en daarmee een veel grotere rol hebben vervuld dan de verdachte, achterwege is gebleven.

De advocaat-generaal heeft betwist dat er sprake is van willekeur. Het is aan het Openbaar Ministerie om een afweging te maken of wordt overgegaan tot vervolging en de vervolging tegen drie anderen, genaamd [betrokkene 1], [betrokkene 2] en [betrokkene 3], werd om verschillende redenen niet opportuun geacht. Dat is geen reden om het Openbaar Ministerie in deze zaak niet-ontvankelijk te verklaren.

Het hof overweegt dienaangaande het volgende.

In artikel 167, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, is aan het Openbaar Ministerie de bevoegdheid toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. De beslissing om tot vervolging over te gaan, leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing. Slechts in uitzonderlijke gevallen is plaats voor een niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde, voor zover hier van belang met het verbod van willekeur, om de reden dat geen redelijk handelend lid van het Openbaar Ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn.

Uit de ter terechtzitting gedane mededelingen van de advocaat-generaal leidt het hof af dat aan de beslissing van het Openbaar Ministerie om de verdachte wel en [betrokkene 1], [betrokkene 2] en [betrokkene 3] niet te vervolgen een als toen gemaakte afweging ten grondslag heeft gelegen, die kort ter terechtzitting is toegelicht. Hoewel daarin een niet voor ieder aanstonds begrijpelijke keuze is gemaakt, levert dit onvoldoende grond op voor het uitspreken van de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. Het betreft immers niet een vervolgingsbeslissing die geen redelijk handelend lid van het Openbaar Ministerie heeft kunnen nemen. Uitzonderlijke omstandigheden die in dit geval tot een ander oordeel zouden moeten leiden, zijn niet aannemelijk geworden.

Deelvrijspraken

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte primair ten laste is gelegd, zodat de verdachte hiervan zal worden vrijgesproken.

Uit het dossier is niet gebleken dat de verdachte betrokken is geweest bij de uiteindelijke oplichting van de aangevers. De aangevers geven allen te kennen dat zij (telefonisch) contact hebben gehad met een man en dat de rondleiding in het huis aan de [adres 2] te Amsterdam ook is gegeven door een man. De verdachte heeft voorts verklaard dat zij enkel op verzoek van twee (mannelijke) ex-collega’s een bankrekening heeft geopend en deze aan hen ter beschikking heeft gesteld. Het hof is dan ook met de advocaat-generaal en de raadsvrouw van oordeel dat de verdachte van het primair ten laste gelegde medeplegen van oplichting dient te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van de subsidiair ten laste gelegde opzetheling overweegt het hof het volgende. Op de door de verdachte geopende bankrekening zijn geldbedragen afkomstig uit misdrijf gestort. Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting kan echter niet worden vastgesteld dat de verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van deze geldbedragen wist dat deze geldbedragen van misdrijf afkomstig waren. Dat sprake is geweest van opzetheling van de geldbedragen kan dus niet wettig en overtuigend worden bewezen, zodat de verdachte eveneens van de subsidiair ten laste gelegde opzetheling dient te worden vrijgesproken.

Bewijsoverweging en bewezenverklaring

De raadsvrouw van de verdachte heeft voorts ter terechtzitting in hoger beroep - voor zover hier van belang - vrijspraak bepleit van de subsidiair tevens ten laste gelegde schuldheling om de in de pleitnota vermelde redenen.

Het hof overweegt ten aanzien van de subsidiair ten laste gelegde schuldheling het volgende.

De verdachte heeft op verzoek van ex-collega’s uit een gokhal in Utrecht, te weten [betrokkene 1] en [betrokkene 2], in Rotterdam een bankrekening geopend en de bijbehorende bankpas met pincode aan hen overhandigd. Op deze bankrekening zijn geldbedragen bijgeschreven die afkomstig zijn uit misdrijf. Degenen die het geld overmaakten, zijn immers vanuit de wens een huis te huren opgelicht. Gezien het feit dat deze bankrekening op naam stond van de verdachte, had de verdachte naar het oordeel van het hof de beschikking over de naar deze rekening overgemaakte geldbedragen. Het lag immers in haar macht inzicht te verkrijgen in die rekening en geldbedragen van die rekening over te maken of op te nemen. Dat zij zelf kennelijk niet (meer) over een bankpas voor de betreffende bankrekening beschikte, maakt dit niet anders. Zij had zich immers als rekeninghouder kunnen identificeren bij de bank en zo geld van die rekening kunnen opnemen. Aldus heeft de verdachte de van misdrijf afkomstige geldbedragen voorhanden gehad.

Bij de politie heeft de verdachte in haar derde verhoor verklaard dat zij wist dat [betrokkene 1] en [betrokkene 2] ‘in weed deden’ en dat zij dacht dat zij haar rekening wellicht daarvoor zouden gebruiken. Zij had schulden en hoopte zodoende dat zij ‘lekker wat kon meepakken’. Deze verklaring geeft op het eerste gezicht te denken, maar kan – zoals door de verdediging betoogd - ook worden verstaan als dat deze is afgelegd ‘ter redenering achteraf’, en niet zozeer vanuit de wetenschap die de verdachte tevoren bij het ter beschikking stellen van haar bankrekening bekend was. Vast staat naar het oordeel van het hof wél dat de verdachte heeft gehandeld zonder dat zij enige navraag bij haar ex-collega’s heeft gedaan over waarom zij haar bankrekening wilden gebruiken en wat zij ermee zouden doen. Daarmee is de verdachte tekort geschoten in haar onderzoeksplicht en heeft de verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig gehandeld. De verdachte had derhalve redelijkerwijs moeten vermoeden dat zij haar bankrekening zouden gebruiken voor illegale doeleinden en dat dus crimineel geld op die rekening zou worden gestort of naar dat bankrekeningnummer zou worden overgemaakt.

In zoverre worden de namens de verdachte gevoerde verweren verworpen.

Met de raadsvrouw is het hof van oordeel dat er onvoldoende bewijs is om vast te stellen dat de verdachte hierbij nauw en bewust heeft samengewerkt met anderen, zodat zij van het ten laste gelegde medeplegen zal worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij op tijdstippen in de periode van 20 juni 2009 tot en met 1 augustus 2009 in Nederland voorwerpen, te weten:

a. a) een geldbedrag van 2.250 euro (toebehorende aan [slachtoffer 1]) en

b) een geldbedrag van 2.250 euro (toebehorende aan [slachtoffer 2]) en

c) een geldbedrag van 2.250 euro (toebehorende aan [slachtoffer 3]) en

d) een geldbedrag van 2.250 euro (toebehorende aan [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5]) en

e) een geldbedrag van 2.250 euro (toebehorende aan [slachtoffer 6]) en

f) een geldbedrag van 1.500 euro (toebehorende aan [slachtoffer 7]),

voorhanden heeft gehad, terwijl zij, verdachte, ten tijde van het voorhanden krijgen redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat die geldbedragen door misdrijf verkregen goederen betroffen.

Hetgeen subsidiair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het aanwenden van een rechtsmiddel zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

Schuldheling, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg meer subsidiair bewezen verklaarde medeplegen van witwassen veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van € 1.000, subsidiair 20 dagen hechtenis, met een proeftijd van 2 jaren.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor de subsidiair ten laste gelegde opzetheling zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis.

Het hof heeft in hoger beroep in het kader van de vraag of en zo ja welke straf moet worden opgelegd gelet op de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan schuldheling, doordat zij zonder enige navraag haar bankrekening aan anderen ter beschikking heeft gesteld. Die rekening is gebruikt voor gelden die met de oplichting van anderen zijn verkregen. Door aldus te handelen heeft de verdachte het plegen van strafbare feiten door anderen gefaciliteerd.

Vanwege dergelijk handelen is in beginsel de oplegging van een taakstraf aangewezen. De onderhavige zaak heeft zich evenwel een fors aantal jaren geleden afgespeeld, in de zomer van 2009, en het hof wil aannemen dat de verdachte zich toen in een kwetsbare en lastige periode bevond en dat zij thans aan haar leven een andere wending heeft weten te geven, met inbegrip van een ander sociaal netwerk. Zij is niet meer met justitie in aanraking geweest en zij heeft de politie de gegevens verschaft van degenen van wie zij zegt dat zij haar om de bankrekening hebben gevraagd.

Gelet op het tijdsverloop, op hetgeen ter terechtzitting in hoger beroep omtrent de persoon van de verdachte naar voren is gebracht en mede gelet op het feit dat geen andere verdachten in de onderhavige zaak zijn vervolgd, acht het hof het raadzaam te bepalen dat haar geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 8]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 2.250. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

De behandeling van de vordering en daarbij de beantwoording van de vraag in hoeverre sprake is van schade die rechtstreeks door het bewezen verklaarde handelen van de verdachte is veroorzaakt levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. De benadeelde partij kan daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en zij kan haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 2.250. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

De behandeling van de vordering en daarbij de beantwoording van de vraag in hoeverre sprake is van schade die rechtstreeks door het bewezen verklaarde handelen van de verdachte is veroorzaakt levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. De benadeelde partij kan daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en zij kan haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Beslag

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep medegedeeld dat het, mede gelet op de ter terechtzitting gegeven toelichting van de verdediging, een kennelijke misslag betreft dat de zaktelefoon (nummer 5) op de beslaglijst terecht is gekomen. Het hof zal hierop derhalve geen beslissing nemen.

De overige op de beslaglijst vermelde goederen behoren toe aan enkele aangevers. Daarvan zal het hof de teruggave aan de betreffende aangevers gelasten.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Bepaalt dat ter zake van het bewezen verklaarde geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Gelast de teruggave aan A.M.G. [slachtoffer 2] van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

1) Akte (Goednummer: [nummer 1]);

2) Bankbescheiden (Goednummer: [nummer 2]);

3) Papier: e-mail correspondentie (Goednummer: [nummer 3]).

Gelast de teruggave aan [slachtoffer 3] van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

4) Akte: huurovereenkomst (Goednummer: [nummer 4]) .

Gelast de teruggave aan [slachtoffer 1] van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

6) Waardepapier: huurovereenkomst (Goednummer: [nummer 5]).

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 8]

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 8] in de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Vordering van de benadeelde partij A.M.G. [slachtoffer 2]

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 2] in de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat de benadeelde partijen en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. D.J.M.W. Paridaens, mr. J.W.H.G. Loyson en mr. B.A.A. Postma, in tegenwoordigheid van mr. N. de Visser, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

27 november 2015.

Mr. D.J.M.W. Paridaens is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

[.....]

[.....]

[.....]

[.....]

[.....]

[.....]

[.....]

[.....]

[.....]

[.....]

[.....]

[.....][.....][.....]

[.....][.....][.....]

[.....][.....][.....]

[.....]

[.....][.....][.....]

[.....]

[.....][.....]

[.....][.....][.....][.....]

[.....].