Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:5009

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
13-11-2015
Datum publicatie
07-12-2015
Zaaknummer
23-002310-13
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2017:42, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

medeplegen wederrechtelijke vrijheidsberoving door niet te hulp te schieten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-002310-13

datum uitspraak: 13 november 2015

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 24 april 2013 in de strafzaak onder parketnummer 13-654059-12 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Suriname) op [geboortedag] 1942,

adres: [adres 1].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 23 mei 2014 en 30 oktober 2015 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

zij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 4 augustus 2011 tot en met 6 augustus 2011 in de gemeente Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk één of meer personen, genaamd [slachtoffer], wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, immers heeft/hebben zij, verdachte en/of (één of meer) van haar mededader(s),

- die [slachtoffer] mee genomen naar een woning (gelegen aan de [adres 2]) en/of

- die [slachtoffer] in de slaapkamer neergezet en/of tegen die [slachtoffer] (dreigend) gezegd dat zij 12.000 Euro aan hem, verdachte, moet betalen en/of

- die [slachtoffer] (met kracht) op een bed geduwd en/of

- de armen en/of benen en/of voeten van die [slachtoffer] (met kracht) vastgebonden en/of (vervolgens) vastgebonden gehouden en/of

- de kleding van die [slachtoffer] kapot geknipt en/of uitgetrokken en/of die [slachtoffer] gedeeltelijk ontbloot en/of

- de mond van die [slachtoffer] met tape afgeplakt en/of

- die [slachtoffer] gedurende een (langere) periode geen eten en/of drinken gegeven en/of

- die [slachtoffer] meermalen (terwijl de handen en/of benen en/of voeten van die [slachtoffer] waren vastgebonden) naar en van de toilet gedragen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof komt tot een andere bewezenverklaring.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De raadsvrouw heeft betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging. Dit verweer berust op de laatste twee “pijlers” die door de raadsman van de medeverdachte [medeverdachte] zijn aangevoerd, die zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang tot niet-ontvankelijkheid moeten leiden, althans tot bewijsuitsluiting, dan wel tot strafvermindering.

De tweede pijler ziet op de doorzoekingen in de woning van verdachte op 6 en 8 augustus 2011. Deze zijn onrechtmatig omdat de woning op beide dagen is doorzocht zonder machtiging van de rechter-commissaris, zonder dat de rechter-commissaris daarbij aanwezig was en zonder dat zijn komst werd afgewacht.

De derde pijler ziet op de aan zedenwetgeving gerelateerde aanwijzingen van het Openbaar Ministerie. Deze zijn ten onrechte ten aanzien van het informatieve gesprek, de auditieve registratie van de aangifte en het verhoor [naam 1] en het verstrekken van de aangifte aan aangeefster niet nageleefd, aldus de raadsvrouw.

De tweede pijler

Het onderzoek op 6 augustus 2011

Artikel 96, eerste lid, Sv, luidt als volgt:

In geval van ontdekking op heterdaad van een strafbaar feit of in geval van verdenking

van een misdrijf omschreven in artikel 67, eerste lid, is de opsporingsambtenaar

bevoegd de daarvoor vatbare voorwerpen in beslag te nemen en daartoe elke plaats te

betreden.

Op 6 augustus 2011 had de politie [slachtoffer] vastgebonden en in half ontklede toestand in de woning aan de

[adres 2] te Amsterdam aangetroffen. [slachtoffer] verklaarde ter plaatse dat zij daar tot dat moment

drie dagen vastgebonden had gezeten en dat zij daar in die periode was verkracht. Deze strafbare feiten

werden dan ook op heterdaad ontdekt. Dat het forensische onderzoek ongeveer drie uren na de

ontdekking van de strafbare feiten plaatsvond, kennelijk omdat de komst van in forensisch onderzoek

gespecialiseerde collega’s moest worden afgewacht, betekent niet dat ten tijde van dat forensische

onderzoek geen sprake meer was van een heterdaad-situatie. Bovendien was in elk geval sprake van een

verdenking van strafbare feiten als bedoeld in artikel 67, eerste lid, Sv naar welk artikel 96, eerste lid, Sv

mede verwijst. De politie was dan ook op grond van artikel 96, eerste lid, Sv bevoegd de woning te

betreden om daarvoor vatbare voorwerpen in beslag te nemen.

Ter beantwoording van de vraag of sprake is geweest van een in artikel 96, eerste lid, Sv bedoeld

onderzoek of van een doorzoeking maakt de rechtspraak in navolging van de

wetsgeschiedenis onderscheid

“tussen het betreden van de desbetreffende plaats, het aldaar zoekend rondkijken en het inbeslagnemen van voor de hand liggende voorwerpen enerzijds, en het doorzoeken van die plaats anderzijds. Tot dit laatste is in een geval als het onderhavige – waarin het gaat om een woning – ingevolge art 97 Sv uitsluitend de rechtercommissaris of in bepaalde gevallen de officier van justitie of de hulpofficier van justitie, gemachtigd door de rechter-commissaris, bevoegd” (HR 21 december 2010, NJ2O1 1, 24, r.o. 2.3).

Aan de hand van de inhoud van het dossier moet blijken of het op 6 augustus 2011 in de woning

verrichte onderzoek meer heeft omvat dan “zoekend rondkijken en het inbeslagnemen van voor de hand

liggende voorwerpen”.

Het hof is met de rechtbank van oordeel dat uit het proces-verbaal van bevindingen van 19 augustus 2011

waarin het op 6 augustus 2011 verrichte onderzoek is gerelateerd (p. 183-186 van het dossier) niet blijkt van handelingen die verder gaan dan “zoekend rondkijken”. Uit dit proces-verbaal blijkt dat de

voorwerpen die de politie heeft veilig gesteld en inbeslaggenomen “voor de hand” lagen.

Er is derhalve geen sprake geweest van een doorzoeking zoals door de raadsman gesteld.

Het hof concludeert voorts dat niet is gebleken dat bij het op 6 augustus 2011 verrichte

onderzoek de in artikel 96, eerste lid, Sv gegeven bevoegdheid is overschreden.

De doorzoeking op 8 augustus 2011


Het proces-verbaal van bevindingen van 10 augustus 2011 (p. 35-36 van het dossier) houdt

onder meer het volgende in:

- In het recherche onderzoek m. b. t. een wederrechtelijke

vrijheidsberoving/gijzeling/verkrachting (Projectnaam 13 Academie), is door mij

(hulpofficier van Justitie) een bijzondere schriftelijke machtiging verstrekt aan de opsporingsambtenaar [verbalisant 1] om de woning ter aanhouding van de verdachte te betreden, desnoods tegen diens wil en deze woning te doorzoeken ter aanhouding. E.e.a. na overleg met en in opdracht van de (piket) Officier van Justitie Mr. [OvJ]. De verdachte [verdachte] verleende ons mondelinge toestemming om de woning te betreden ter aanhouding van haar zoon (verdachte [medeverdachte]) en te doorzoeken.

- [Volgt aantreffen en aanhouden van de verdachte [medeverdachte]]

- Inbeslagname goederen

Aan de poot van het bed in de slaapkamer van de verdachte op de grond lag een band, met daaraan aan 1 zijde geopende handboeien. Verder zijn in de woning in beslag genomen een handtas, met daarin het paspoort van het slachtoffer/aangever en 3 mobiele telefoons/gsm’s, waaronder 2 gsm’s van het slachtoffer/aangever.

Onderzoek in woning

Voorafgaande aan het onderzoek naar de hiervoor gerelateerde goederen is door mij verbalisant (verbalisant [verbalisant 2]) aan de verdachte [verdachte] toestemming gevraagd en verkregen (mondeling) om de woning te doorzoeken. Daarbij is het doel van de doorzoeking aan verdachte [verdachte] meegedeeld.

Het hof stelt met de rechtbank op grond van dit proces-verbaal vast dat de politie beschikte over een

machtiging als bedoeld in artikel 55a, eerste lid, Sv (een machtiging tot doorzoeking ter aanhouding), maar dat zij van deze machtiging geen gebruik heeft gemaakt, omdat [verdachte] toestemming gaf “om de woning ter aanhouding van haar zoon (verdachte [medeverdachte]) te betreden en te doorzoeken”.

Ná de aanhouding van de verdachte [medeverdachte] gaf deze machtiging noch deze toestemming een basis voor (verdere) doorzoeking. Uit het proces-verbaal, met name de daarin opgesomde volgorde van handelingen, volgt echter dat de politie ná de aanhouding van [medeverdachte], maar vóór het onderzoek naar de later inbeslaggenomen goederen aan [verdachte] (opnieuw) om toestemming voor doorzoeking ter inbeslagneming heeft gevraagd én dat [verdachte] deze toestemming heeft gegeven.

Dat [verdachte] later heeft verklaard dat zij geen toestemming heeft gegeven maakt dit niet anders.

Het hof is dan ook van oordeel dat noch ten aanzien van het onderzoek op 6 augustus 2011 noch

ten aanzien van de doorzoeking op 8 augustus 2011 sprake is geweest van een vormverzuim.

De derde pijler

Informatief gesprek

Op grond van de Aanwijzing opsporing en vervolging inzake seksueel misbruik (Stcrt. 2010, nr. 19123) (de Aanwijzing) dient in zedenzaken altijd een informatief gesprek te worden gevoerd met een aangever, tenzij dit vanwege een acute situatie niet mogelijk is.
Het hof stelt vast dat in strijd met de Aanwijzing geen informatief gesprek met aangeefster [slachtoffer] heeft plaatsgevonden. In zoverre is sprake van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek in de zin van art. 359a Sv. Vervolgens dient te worden beoordeeld welke gevolgen op dit verzuim zouden moeten volgen.

In de Aanwijzing is omtrent het informatieve gesprek het volgende opgenomen:

“Duidelijk wordt gemaakt dat het informatief gesprek het startsein kan zijn voor opsporing en vervolging. Voorts dient er voldoende zicht te zijn op de eventuele strafbaarheid en vervolgbaarheid (kansen voor opsporing en vervolging) en de hulpbehoefte. De melder wordt tevens geïnformeerd omtrent de eerste mogelijkheden tot een civielrechtelijke aanpak en maatschappelijke hulpverleningsaspecten, al dan niet in combinatie met een strafrechtelijke aanpak. Een adequate verwijzing naar deskundige instanties maakt deel uit van het informatieproces richting melder. Na het informatieve gesprek krijgt betrokkene in principe bedenktijd over het wel/niet doen van aangifte.”

Op grond hiervan is het hof van oordeel dat het voorschrift in het belang van de aangever, en niet in het belang van de verdachte, is opgesteld. Gelet hierop is de verdachte door de schending hiervan niet in zijn belangen geschaad. Het hof volstaat dan ook met de constatering van het vormverzuim.

Geen auditieve registratie van de aangifte

Op grond van de Aanwijzing auditief en audiovisueel registreren van verhoren van aangevers, getuigen en verdachten (Stcrt. 2010, nr. 11885) is auditieve registratie van alle verhoren van verdachten en geplande verhoren van getuigen en aangevers verplicht indien de strafbedreiging 12 jaar of meer bedraagt. Blijkens laatstgenoemde Aanwijzing dient een registratie twee doelen, te weten de waarheidsvinding en de voorkoming van discussie over hetgeen in de processen-verbaal is neergelegd. Het verweer van de raadsman komt erop neer dat de verdediging de betrouwbaarheid van de aangifte niet heeft kunnen toetsen.

Het hof stelt met de rechtbank stelt vast dat de aangifte in strijd met de Aanwijzing niet is geregistreerd zodat van een verzuim in het voorbereidend onderzoek sprake is. Dit verzuim is niet meer te herstellen.

Nu uit de processen-verbaal van de politie blijkt dat de politie in de veronderstelling was dat de verhoren werden opgenomen, maar achteraf gebleken is dat dit door technische problemen was mislukt, is van een bewuste of grove veronachtzaming van de belangen van verdachte geen sprake. Voor een niet-ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie is dan ook geen plaats.

Het belang van registratie is onder meer gelegen in de controlemogelijkheid achteraf. Gecontroleerd moet kunnen worden of de aangifte goed is weergegeven en of het verhoor overeenkomstig de regels is verlopen. Dit is een groot belang juist in zedenzaken waar een aangifte meestal cruciale betekenis heeft en vaak het enige rechtstreekse bewijs is.

Naar het oordeel van het hof is het achterwege gebleven zijn van registratie van de aangifte in voldoende mate gecompenseerd.

Aangeefster heeft namelijk op 18 augustus 2011 een tweede verklaring afgelegd en deze is wel geregistreerd en, op verzoek van de raadsman, woordelijk uitgewerkt. Dat deze verklaring, zonder bijstand van een tolk, in het Engels is afgenomen betekent, anders dan de raadsman stelt, geen schending van de Aanwijzing bijstand van tolken en vertalers in het opsporingsonderzoek in strafzaken. Slechts in het geval de verbalisant een tolk noodzakelijk acht, wordt deze ingeschakeld. Zowel aangeefster als verbalisant Van der Vaart hebben aangegeven elkaar in het Engels goed te hebben begrepen en geen van beiden heeft bezwaar gemaakt tegen het gebruik van de Engelse taal. De verbalisant heeft de bijstand van een tolk kennelijk niet noodzakelijk geacht.

Daarnaast heeft de raadsman de betrouwbaarheid van aangeefster kunnen toetsen bij de rechter-commissaris.

Het hof acht derhalve de ernst van het verzuim en het mogelijke nadeel dat de verdachte hierdoor heeft geleden niet zodanig dat dit tot enige gevolg moet leiden, zodat het enkel blijft bij de constatering van voornoemd verzuim.

Het verstrekken van twee verklaringen aan aangeefster

Gebleken is dat aangeefster, nadat zij haar tweede verklaring had afgelegd op 18 augustus 2011, beschikte over afschriften van de twee door haar afgelegde verklaringen, te weten haar aangifte en voornoemde op 18 augustus 2011 afgelegde verklaring.

Blijkens de Aanwijzing opsporing en vervolging inzake seksueel misbruik, mag tot en met de terechtzitting geen afschrift van de aangifte of de getuigenverklaring worden verstrekt. Het hof stelt vast dat dit wel is gebeurd en dat aangeefster heeft beschikt over de genoemde verklaringen. Dit is een onherstelbaar vormverzuim. Het belang dat het geschonden voorschrift dient, is onder meer gelegen in de mogelijkheid van toetsing van de betrouwbaarheid van een aangifte of verklaring. Dit is een groot belang juist in zedenzaken waar de verklaring van een aangever meestal cruciale betekenis heeft en vaak het enige rechtstreekse bewijs is.

Het hof is echter van oordeel dat niet aannemelijk is dat aangeefster haar verklaring bij de rechter-commissaris heeft gebaseerd op haar eerdere verklaring en de aangifte, nu de afschriften daarvan Nederlandse teksten betreffen en aangeefster de Nederlandse taal niet tot nauwelijks machtig is. Dat aangeefster heeft verklaard dat zij 30 tot 40 procent van de teksten heeft vertaald met behulp van Google-Translate maakt dit niet anders, nu algemeen bekend is dat de kwaliteit van dergelijke vertalingen in het algemeen erg slecht is. Dit wordt ondersteund door het feit dat, zoals ook door de verdediging betoogd, aangeefster op ondergeschikte punten wisselend verklaart.

Het hof acht derhalve de ernst van het verzuim en het mogelijke nadeel dat de verdachte hierdoor heeft geleden niet zodanig dat dit tot enige gevolg moet leiden, zodat het enkel blijft bij de constatering van voornoemd verzuim.

Conclusie ten aanzien van de ontvankelijkheid

Het hof concludeert met de rechtbank dat de pijlers afzonderlijk en tezamen niet kunnen leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie althans tot bewijsuitsluiting dan wel tot enig ander rechtsgevolg Het beroep wordt dan ook verworpen.

Bewijsoverwegingen

De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat geen sprake is van medeplegen. Ten eerste ontbreekt het subjectieve element, de opzet, en ten tweede heeft de verdachte geen wezenlijke bijdrage geleverd. Op grond hiervan moet de verdachte worden vrijgesproken, aldus de raadsvrouw.

Feiten en omstandigheden

Het hof gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen uit van de volgende feiten en omstandigheden.


Op donderdag 4 augustus 2011 werd het slachtoffer [slachtoffer] gebeld door een man die zei dat hij een escort wilde. [slachtoffer] sprak met de man af in de [adres 3] te Amsterdam.1 De verdachte [medeverdachte] had deze man - [naam 2] - gevraagd om [slachtoffer] te bellen, zodat [medeverdachte] haar kon spreken. [medeverdachte] vroeg [naam 2] aan [slachtoffer] te vragen om naar de [adres 3] te komen. [medeverdachte] wilde namelijk geld van [slachtoffer], maar [slachtoffer] ontweek hem. [medeverdachte] had [naam 2] verteld dat [slachtoffer] achterliep met de huur en dat dit de spuigaten uitliep.2

Toen [slachtoffer] op 4 augustus 2011 het pand in de Utrechtsestraat binnenging, zag zij dat [medeverdachte] ook aanwezig was. [medeverdachte] nam haar tas af. [slachtoffer] probeerde de tas, met daarin haar twee telefoons, terug te pakken, maar dat lukte niet. [medeverdachte] ging met de tas naar zijn woning - [adres 2] te Amsterdam - en [slachtoffer] ging met hem mee, omdat [medeverdachte] haar tas had.3

In de woning van [medeverdachte] was ook zijn moeder aanwezig.4 [medeverdachte] en zijn moeder, de verdachte [verdachte], woonden met zijn tweeën in deze woning.5 [medeverdachte] zette [slachtoffer] in zijn slaapkamer. [medeverdachte] zei tegen [slachtoffer] dat zij hem € 12.000,- moest betalen.6

Dit bedrag betrof een huurschuld. [medeverdachte] vond dat [slachtoffer] moest meebetalen aan de huur van de woning.7 [slachtoffer] zei tegen [medeverdachte] dat zij hem niets verschuldigd was. Daarop werd [medeverdachte] agressief. Hij duwde [slachtoffer] op het bed. [medeverdachte] bond de handen van [slachtoffer] stevig vast.

[medeverdachte] bond ook de voeten van [slachtoffer] vast en plakte haar mond af met tape.8 [slachtoffer] werd zo drie dagen vastgebonden gehouden en kreeg in die periode niets te eten of te drinken van [medeverdachte] en [verdachte].9

[verdachte] kwam rond middernacht van de eerste dag naar de slaapkamer van [medeverdachte]. Zij zag en herkende [slachtoffer], maar deed helemaal niets. [verdachte] zei tegen [slachtoffer] dat [slachtoffer] hier vanwege het geld zat en dat [slachtoffer] hem gewoon het geld moest geven dat [medeverdachte] wilde hebben.10

De volgende ochtend deed [medeverdachte] zijn krantenwijk. De woning was afgesloten en [slachtoffer] hoorde [verdachte] in de slaapkamer naast die van [medeverdachte]. [slachtoffer] probeerde los te komen, maar dat lukte haar niet. Toen [medeverdachte] terugkwam, probeerde hij [slachtoffer] in haar mond te kussen. [slachtoffer] hield haar mond dicht. Nadat [medeverdachte] de woning had verlaten, kwam [verdachte] de slaapkamer binnen en vroeg aan [slachtoffer] waarom zij de zaak zo ingewikkeld maakte. [verdachte] zei tegen [slachtoffer]: “Geef gewoon het geld dat je geven moet”.11

Als [slachtoffer] moest plassen, droeg [medeverdachte] haar naar de wc. Hij veegde haar af en maakte haar broek open en dicht. [medeverdachte] knipte de bodystocking van [slachtoffer] open, omdat [slachtoffer] anders moeilijk kon plassen. [medeverdachte] knipte ook de mouwen van het jasje van [slachtoffer].12

Op zaterdag hoorde [slachtoffer] muziek van buiten. [slachtoffer] liep naar het raam en opende met haar hoofd en haar handen de gordijnen. [slachtoffer] zag mensen op straat. Toen kwamen er twee politieagenten langs.13

De verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 6] werden op zaterdag 6 augustus 2011 aangesproken door omstanders die hen wezen op perceel [adres 2] één hoog te Amsterdam, alwaar een vastgebonden vrouw voor het raam stond. Zij zagen inderdaad een vrouw staan voor het rechter raamkozijn aan de uiterste rechterzijde. Het bovenlichaam van de vrouw was ontkleed en zij hield haar armen achter zich. Toen de vrouw, naar later bleek [slachtoffer], de agenten in de gaten had, draaide zij zich om en liet zij haar handen zien die achter haar rug vastgebonden zaten. De verbalisanten vroegen haar via gebaren of zij wilde dat zij naar boven kwamen en [slachtoffer] knikte met haar hoofd.14

Links van het raam stond een raam open en daaruit zagen de verbalisanten de medeverdachte [verdachte] hangen.15 [slachtoffer] hoorde de agenten tegen [verdachte] zeggen dat zij de deur moest openen. [verdachte] stond in een andere kamer. [slachtoffer] ging snel op het bed zitten. [verdachte] kwam de slaapkamer binnen, vroeg aan

[slachtoffer] wat zij aan het doen was en deed het gordijn weer goed.16

De verbalisant [verbalisant 3] liep via het halletje, waar [verdachte] stond, naar de kamer waar de vastgebonden vrouw was. [verbalisant 3] trof haar zittend op de grond aan met haar armen gebonden op haar rug. De vrouw had een ontbloot bovenlichaam en haar mouwloze hemdje bleek om haar middel te zitten. De vrouw had een spijkerbroek aan, maar die hing op haar dijen. Haar achterwerk en genitaliën waren ontbloot. Om haar polsen heen zat materiaal dat leek op afgeknipte mouwen en daarover heen zat een tiewrap waarmee zij vastgebonden zat achter haar rug. Om haar onderbenen zat ook een tiewrap. [slachtoffer] verklaarde tegenover verbalisant Vast dat zij drie dagen vastgebonden had gezeten en dat zij verkracht was. [slachtoffer]

werd door de GG en GD overgebracht naar het Onze Lieve Vrouwen Gasthuis te Amsterdam.17

De verbalisanten die [slachtoffer] dezelfde dag in het Onze Lieve Vrouwen Gasthuis bezochten, zagen dat de dienstdoende broeder stukjes brood in [slachtoffer]’s mond deed, dat [slachtoffer] uitgedroogde lippen en vellen aan haar mond had en dat in de arm van [slachtoffer] een infuus was ingebracht.18

Op 6 augustus 2011 werd [slachtoffer] gezien door een arts/arts assistent van het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis. Deze nam forse excoriaties aan de polsen, gezwollen handen en drukpijn onder de knieën waar.19 Op 26 augustus 2011 onderzocht dezelfde medicus [slachtoffer] opnieuw. Hij nam daarbij drukpijn aan het rechter onderbeen, diffuse drukpijn aan de gehele voet en een contusie/forse kneuzing aan het rechter onderbeen waar.20

Nadere overwegingen

Ten aanzien van de bruikbaarheid van de aangifte en de geloofwaardigheid van [slachtoffer]

Het hof gebruikt voor het bewijs de aangifte ondanks het ten aanzien daarvan geconstateerde verzuim, nu het hof de aangifte betrouwbaar acht, niet alleen op grond van de onderlinge consistentie op belangrijke onderdelen in vergelijking met de door aangeefster [slachtoffer] afgelegde tweede verklaring (waarbij zij ten tijde van de 2e verklaring nog niet beschikte over de tekst van de aangifte, deze is haar pas later verstrekt) en haar verklaring bij de rechter-commissaris, maar ook vanwege het feit dat deze verklaringen op belangrijke onderdelen worden gesteund door andere bewijsmiddelen.

Het hof acht net als de rechtbank het door de verdediging geschetste alternatieve scenario ongeloofwaardig. Daarentegen acht het hof de verklaringen van [slachtoffer] geloofwaardig. Daartoe wijst het hof erop dat [medeverdachte] zijn vriend [naam 2] heeft ingeschakeld om [slachtoffer] onder valse voorwendselen naar de Utrechtsestraat te lokken. Zulk gedrag valt niet te rijmen met de door [medeverdachte] beweerde goede relatie tussen hem en [slachtoffer]. Bovendien volgt uit de verklaring van [naam 2] dat [medeverdachte] geld van [slachtoffer] wilde, hetgeen de verklaringen van [slachtoffer] ondersteunt. Weliswaar heeft [medeverdachte] ter terechtzitting in eerste aanleg ontkend dat hij [naam 2] heeft gevraagd om een afspraak met [slachtoffer] te maken, maar naar het oordeel van het hof is niet aannemelijk geworden dat [naam 2], die zichzelf als vriend van [medeverdachte] beschouwt en die door [medeverdachte] nog steeds als vriend wordt gezien, een reden had om hierover een onjuiste verklaring af te leggen.

Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft [medeverdachte] verklaard dat hij - vanaf een afstand - heeft toegekeken hoe eerst [slachtoffer] in een ambulance werd afgevoerd, en enige tijd later [verdachte] in een politieauto. Gezien het standpunt van de verdachte dat [slachtoffer] zijn vriendin was, en gezien het feit dat [verdachte] zijn moeder is, met wie hij destijds in een huis woonde, is het hof met de rechtbank van oordeel dat het voor de hand had gelegen dat hij direct zou hebben geïnformeerd wat er aan de hand was, of toch in elk geval contact met ziekenhuizen of met de politie zou hebben opgenomen om te achterhalen wat er met zijn vriendin en met zijn moeder was gebeurd. De verdachte heeft geen aannemelijk verklaring waarom hij dit heeft nagelaten, hij de woning niet meer is binnengegaan en in plaats daarvan die avond het verjaardagsfeest van een vriendin zou hebben bezocht. Daarbij komt dat de verdachte geen aannemelijke verklaring heeft gegeven waarom hij aangeefster voor zijn vertrek niet geheel heeft losgemaakt, maar in plaats daarvan bepaalde bindingen wel en bepaalde bindingen niet heeft losgemaakt. Een en ander tast de geloofwaardigheid van zijn verklaringen verder aan.

Ook de wijze waarop het slachtoffer [slachtoffer] op 6 augustus 2011 de aandacht van de verbalisanten heeft getrokken en de staat waarin zij op dat moment verkeerde, dragen bij aan de ongeloofwaardigheid van de verklaringen van [medeverdachte] en bieden ondersteuning aan de verklaringen van [slachtoffer]. Een en ander wijst er immers allerminst op dat [slachtoffer] zich vrijwillig in de woning bevond en dat zij met haar goedkeuren was vastgebonden en vrijwillig seks heeft gehad.

Dat in de periode van 4 tot en 6 augustus 2011 met en naar de gsm’s van [slachtoffer] is gebeld en dat met de gsm van [slachtoffer] sms-berichten zijn verstuurd, waarbij eenmaal een zendmast in Amsterdam Oost is aangestraald, is niet onverenigbaar met de verklaringen van [slachtoffer] en doen dan ook geen afbreuk aan de geloofwaardigheid van haar verklaringen. Hierbij neemt het hof in aanmerking dat de verdachte [medeverdachte] de tas met daarin de telefoons van [slachtoffer] had afgepakt en dat de telefoons buiten de tas op verschillende plekken in de woonkamer zijn aangetroffen21,.zodat het zeer wel mogelijk is dat verdachte of een ander dan aangeefster de telefoon buiten de woning heeft gebracht en buiten de woning heeft gebruikt.

Dat de aangeefster een van haar telefoons heeft gebruikt acht het hof onaannemelijk, nu zij vrijwel steeds in de slaapkamer en in geboeide toestand heeft verbleven en slechts onder begeleiding van de verdachte een aantal malen naar de wc is gegaan.

De rol van de verdachte

Het hof is met de rechtbank van oordeel dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte het wederrechtelijk van de vrijheid beroofd houden opzettelijk heeft medegepleegd.

In de eerste plaats volgt dit uit de aangifte, waarin is beschreven dat [verdachte], - kort gezegd - steeds in de woning bij [slachtoffer] bleef als de verdachte [medeverdachte] de woning verliet, dat ook [verdachte] er meermalen bij [slachtoffer] op heeft aangedrongen te betalen, dat [verdachte] de gordijnen weer sloot toen [slachtoffer] de verbalisanten had gewaarschuwd en dat [verdachte] aanvankelijk heeft geweigerd om de deur te openen voor de politie. Aldus is er sprake van een nauwe en bewuste samenwerking.

In de tweede plaats is niet aannemelijk geworden dat [verdachte] pas op 6 augustus 2011 in de woning kwam en de aanwezigheid van [slachtoffer] op geen moment zou hebben gemerkt. Het hof wijst erop dat volgens de buurman van [adres 4] op het adres [adres 2] een oudere vrouw met haar zoon woonde, althans met een man van wie die buurman dacht dat hij haar zoon was. Mede gelet op de peilgegevens van de telefoon van de [verdachte], die in de periode van 4 tot en met 6 augustus, telefoonpalen in de omgeving van de [adres 2] aanstraalde, is het niet aannemelijk geworden dat [verdachte] in die periode niet in de woning aan de [adres 2] te Amsterdam aanwezig was. Uit het proces-verbaal van belgedrag en zendmasten van 6 augustus 2012 blijkt immers dat het gsm-nummer van [verdachte] op 4, 5 en 6 augustus 2011 alleen maar geregistreerd werd door de zendmasten aan de Vijzelstraat en het Rembrandtplein te Amsterdam.22 Het adres [adres 2] is gelegen in de directe omgeving van deze paallokaties.23 Het hof acht het niet aannemelijk dat [verdachte], zoals zij eerder heeft verklaard, slechts om te bellen met haar mobiele telefoon aanwezig is geweest in de woning en vervolgens weer is vertrokken.

Het is verder komen vast te staan dat de slaapkamer van de medeverdachte [verdachte] in de woning direct grensde aan de slaapkamer van de verdachte, waarin aangeefster zich gedurende de bewezen te achten periode ook bevond. Gebleken is dat [verdachte] toen aangeefster de politie waarschuwde, in die kamer verbleef, nu zij immers via het raam van die kamer met de politie heeft gecommuniceerd. Gelet op de zeer dichte nabijheid van [verdachte] bij de kamer waar aangeefster verbleef, is het niet aannemelijk geworden dat zij niets van het gebeurde heeft gemerkt, te meer gelet op de wc-bezoeken van aangeefster, waarbij de verdachte [medeverdachte] aangeefster van de slaapkamer naar de wc droeg.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij in de periode van 4 augustus 2011 tot en met 6 augustus 2011 in de gemeente Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk [slachtoffer], wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd gehouden, immers heeft/hebben zij, verdachte en/of haar mededader,

- die [slachtoffer] in de slaapkamer van een woning (gelegen aan de [adres 2]) neergezet en tegen die

[slachtoffer] gezegd dat zij 12.000 Euro aan hem, verdachte, moet betalen en

- die [slachtoffer] op een bed geduwd en

- de armen en benen en voeten van die [slachtoffer] vastgebonden en vastgebonden gehouden en

- de kleding van die [slachtoffer] kapot geknipt en uitgetrokken en die [slachtoffer] gedeeltelijk ontbloot en

- de mond van die [slachtoffer] met tape afgeplakt en

- die [slachtoffer] gedurende een periode geen eten en drinken gegeven en

- die [slachtoffer] meermalen terwijl de handen en benen en voeten van die [slachtoffer] waren vastgebonden naar en van de toilet gedragen.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroofd houden.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft met haar zoon het slachtoffer [slachtoffer] wederrechtelijk van haar vrijheid beroofd gehouden. Zij heeft [slachtoffer] gedurende drie dagen in de hulpeloze en vernederende toestand, waarin haar zoon [slachtoffer] had gebracht, gehouden, met het doel haar te dwingen mee te betalen aan een huurschuld. Het slachtoffer heeft zich slechts aan deze situatie weten te ontworstelen door in half ontklede toestand en terwijl zij was vastgebonden de aandacht van toevallige voorbijgangers te trekken. Hoewel haar zoon de initiatiefnemer was, heeft de verdachte een belangrijke bijdrage geleverd door op [slachtoffer] te letten als haar zoon het huis had verlaten, [slachtoffer] niet te hulp te schieten terwijl zij wist dat [slachtoffer] in een erbarmelijke toestand verkeerde, en door [slachtoffer] geen eten en drinken te geven. Dit is een zeer ernstig feit dat getuigt van totale respectloosheid jegens het slachtoffer. De verdachte heeft hiermee een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van [slachtoffer]. Het hof rekent dit de verdachte zwaar aan.

Een geheel voorwaardelijke straf of een taakstraf, zoals door de raadsvrouw verzocht, doet naar het oordeel van het hof geen recht aan de ernst van het feit. Het hof acht, alles afwegende, een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 47 en 282 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. N.A. Schimmel, mr. E. Mijnsberge en mr. E.N. van der Spoel, in tegenwoordigheid van

mr. A.S. Metgod, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

13 november 2015.

De oudste raadsheer en de griffier zijn buiten staat het arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

[....]

1 [....]

2 [....]

3 [....]

4 [....]

5 [....]

6 [....]

7 [....]

8 [....]

9 [....]

10 [....]

11 [....]

12 [....]

13 [....]

14 [....]

15 [....]

16 [....]

17 [....]

18 [....]

19 [....]

20 [....]

21 [....]

22 [....]

23 [....]