Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:4962

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
26-11-2015
Datum publicatie
01-12-2015
Zaaknummer
23-003033-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van verlengde invoer van cocaïne. De verdachte heeft zich wel schuldig gemaakt aan het plegen van voorbereidingshandelingen om samen met een ander cocaïne verder te vervoeren binnen Nederland.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-003033-15

datum uitspraak: 26 november 2015

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 8 juli 2015 in de strafzaak onder parketnummer 15-820267-15 tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1995,

adres: [adres] ,

thans gedetineerd in P.I. Overijssel, P.I.V. HvB Zwolle te Zwolle.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 12 november 2015 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in hoger beroep door het gerechtshof toegelaten wijziging is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

Primair:

zij in of omstreeks de periode 10 maart tot en met 15 maart 2015 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, en/of Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander een/of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, althans aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, althans bevattende een (ander) middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

Subsidiair:

zij in of omstreeks de periode van 10 maart 2015 tot en met 15 maart 2015 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, en/of Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van ongeveer 8013,5 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, althans bevattende een (ander) middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, voor te bereiden en/of te bevorderen,

- een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of,

- zich (daartoe) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft verschaft en/of

- ( daartoe) voorwerpen, stoffen, gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan zij wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit,

immers, heeft/hebben zij, verdachte, en/of haar mededader(s):

- ( Een) koffer(s) meegenomen naar Schiphol en/of

- een vliegticket (naar Aruba) aangenomen en/of gebruikt en/of getoond zodat zij rechtmatig op de airside en/of het beveiligde gebied van de luchthaven Schiphol kon(den) betreden en/of verblijven en/of

- ( meermalen) met elkaar en/of met ((een) contactperso(o)n(en) van) opdrachtgever(s) contact gehad en/of gelegd en/of onderhouden (telkens) (onder meer) om informatie door te geven en/of te ontvangen en/of instructies en/of aanwijzingen/foto(‘s) te ontvangen

- de koerier ontmoet op de airside en/of de koffer (waar volgens haar de verdovende middelen in zaten) (in een toiletruimte) verwisseld met een koffer en/of

- vervolgens met die koffer de airside/beveiligde gebied van de luchthaven Schiphol verlaten.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Vrijspraak

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep gesteld dat de verdachte van het primair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. De raadsman heeft daarbij onder meer benadrukt dat de handelingen van de verdachte die op 15 maart 2015 na 8.30 uur hebben plaatsgevonden niet meer kunnen strekken tot het verdere vervoer en de overdracht van de binnen het grondgebied van Nederland gebrachte cocaïne, omdat de bewuste partij cocaïne op dat tijdstip door de douane is aangetroffen.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd dat het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen en in dat verband erop gewezen dat uit het dossier kan blijken dat de verdachte al op 11 maart 2015 wist wat er op 15 maart 2015 stond te gebeuren en dat het om cocaïne zou gaan.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Vooropgesteld wordt dat van verlengde invoer van cocaïne in beginsel alleen sprake kan zijn indien en voor zover de binnen het grondgebied van Nederland gebrachte cocaïne nog niet strafvorderlijk in beslag is genomen. Handelingen die worden verricht nadat de cocaïne in beslag genomen is, kunnen immers per definitie niet meer strekken tot het verdere vervoer en de overdracht van die binnen het grondgebied van Nederland gebrachte cocaïne (HR 17 maart 1998, NJ 1998/515).

Uit het dossier volgt dat medeverdachte [medeverdachte 1] op 15 maart 2015 te 8.28 uur op Schiphol is aangehouden en dat aansluitend – dus omstreeks 8.30 uur – de door haar meegevoerde cocaïne in beslag is genomen (p. 55 e.v.).

De verdachte heeft verklaard dat zij ermee heeft ingestemd samen met de medeverdachte [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ) een hoeveelheid cocaïne af te halen op Schiphol. Op 15 maart 2015 had zij ‘rond 8 uur, half negen’ contact met [medeverdachte 2] , waarna deze haar is komen ophalen en een taxi heeft gebeld. Na 7 tot 8 minuten arriveerde de taxi, waarna de verdachte en [medeverdachte 2] in die taxi naar Schiphol zijn gereden (p. 143 e.v.).

Gelet op de verklaring van de verdachte, waarvan de inhoud niet door andere stukken uit het dossier of de door [medeverdachte 2] op de terechtzitting als getuige afgelegde verklaring wordt weerlegd, kan niet worden uitgesloten dat de verdachte pas na de inbeslagname van de verdovende middelen door [medeverdachte 2] is opgehaald en in de richting van Schiphol is getogen.

De gedragingen van de verdachte die hebben plaatsgevonden voordat de partij cocaïne in beslag werd genomen, waarbij in het bijzonder wordt gedoeld op het instemmen met het afhalen van de verdovende middelen, acht het hof niet van een dusdanig gewicht dat reeds op grond daarvan geconcludeerd kan worden dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de verlengde invoer van die middelen.

Dit betekent dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het haar primair ten laste gelegde.

Verweer met betrekking tot voorbereidingshandelingen

De raadsman heeft daarnaast bepleit dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de subsidiair ten laste gelegde voorbereidingshandelingen op de voet van artikel 10A Opiumwet (hierna: OPW).

Het hof overweegt als volgt.

De Hoge Raad heeft onder meer in het arrest van 29 maart 2011 (ECLI:NL:HR:BP:3862) uiteengezet dat de voorbereiding of bevordering van een misdrijf als bedoeld in het derde of vierde lid van artikel 10 OPW in artikel 10A, eerste lid, OPW als zelfstandig delict strafbaar is gesteld. Voor de verwezenlijking van dat delict is niet vereist dat van de handelingen reeds bekend is ter voorbereiding of bevordering van welk concreet misdrijf (als bedoeld in het derde of vierde lid van artikel 10) deze dienen. Indien de voorbereidings- of bevorderingshandelingen wel gericht zijn op een misdrijf dat in de voorstelling van de verdachte concrete vormen heeft aangenomen, ontneemt het enkele feit dat de voorbereidingshandelingen niet meer kunnen dienen om het begaan van juist dat concrete misdrijf voor te bereiden of te bevorderen omdat inmiddels ingetreden omstandigheden aan de verwezenlijking van dat misdrijf in de weg staan, aan die handelingen niet hun zelfstandig strafbaar karakter. Dat geldt ook als met die voorbereidings- of bevorderingshandelingen een begin is gemaakt, nadat die verhinderende omstandigheid zich heeft voorgedaan, aldus de Hoge Raad.

Hieruit volgt dat dit verweer van de raadsman doel mist, daarom wordt het verworpen.

De raadsman heeft tenslotte betoogd dat geenszins aannemelijk is geworden dat de verdachte enige rol heeft gespeeld in de voorbereiding van het subsidiair ten laste gelegde feit en in het bijzonder niet dat zij daaraan een zodanig wezenlijke bijdrage heeft geleverd dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking (naar het hof begrijpt: met [medeverdachte 2] ). Het opzet en het handelen van de verdachte was volgens de raadsman slechts erop gericht op Schiphol te doen voorkomen dat zij en [medeverdachte 2] een stel vormden.

Deze tot vrijspraak strekkende verweren worden weerlegd door de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij in of omstreeks de periode van 11 maart 2015 tot en met 15 maart 2015 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, en Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk vervoeren en binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne voor te bereiden en te bevorderen,

- zich daartoe gelegenheid en middelen en inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft verschaft en

- daartoe voorwerpen voorhanden heeft gehad, waarvan zij wist dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit,

immers, hebben zij, verdachte en haar mededader:

- koffers meegenomen naar Schiphol en

- een vliegticket naar Aruba aangenomen, gebruikt en getoond, zodat zij rechtmatig op de airside en het beveiligde gebied van de luchthaven Schiphol konden betreden en verblijven en

- met elkaar en met een contactpersoon contact gehad om informatie door te geven en te ontvangen en instructies en aanwijzingen te ontvangen en

- de koerier ontmoet op de airside en de koffer (waar volgens hen de verdovende middelen in zaten) in een toiletruimte verwisseld met een koffer en

- vervolgens met die koffer de airside van de luchthaven Schiphol verlaten.


Hetgeen subsidiair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het aanwenden van een rechtsmiddel zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het subsidiair bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het subsidiair bewezen verklaarde levert op:

om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, door:

- zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit te verschaffen en

- voorwerpen voorhanden te hebben, waarvan zij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het primair bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde – het thans primair ten laste gelegde – veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 27 maanden waarvan 9 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht en onder het stellen van bijzondere voorwaarden, te weten het naleven van een meldplicht bij Reclassering Nederland, het volgen van een cursus Cognitieve Vaardigheden en het ondergaan van een behandeling bij forensisch psychiatrische polikliniek De Waag.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte en heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van voorbereidingshandelingen om samen met een ander cocaïne verder te vervoeren binnen Nederland.

De verspreiding van en handel in cocaïne wordt zowel direct als indirect in verband gebracht met vele vormen van criminaliteit en overlast, waaronder de door verslaafden aan deze stof gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof. Het is een feit van algemene bekendheid dat de handel in cocaïne uitermate winstgevend is, en dat in het bijzonder de grensoverschrijdende handel zowel in de invoer- als de uitvoerlanden daardoor tot maatschappelijke problemen leidt.

Op een feit als het onderhavige kan in beginsel niet anders worden gereageerd dan met oplegging van een gevangenisstraf.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 3 november 2015 is zij eerder, maar niet voor soortgelijke strafbare feiten, onherroepelijk veroordeeld. Terzake van een van die veroordelingen liep zij ten tijde van het thans bewezen feit nog in een proeftijd van een in voorwaardelijke vorm opgelegde jeugddetentie van 2 weken. Dat dit haar niet heeft weerhouden om opnieuw in de fout te gaan, wordt in haar nadeel meegewogen.

Het hof heeft kennisgenomen van het rapport van reclasseringswerker [naam] , verbonden aan Reclassering Nederland, van 21 april 2015. Daarin wordt, vanwege gesignaleerde problemen op verschillende leefgebieden, geadviseerd de verdachte te verplichten tot naleving van de bijzondere voorwaarden, zoals die door de rechtbank ook zijn gesteld.

Het hof heeft daarnaast acht geslagen op het door de verdediging overgelegde psychologisch rapport van [deskundige] van 24 juli 2015. Daarin is vermeld dat de verdachte zwakbegaafd is en kampt met een depressieve stoornis. Zij is impulsief, beïnvloedbaar en gericht op directe behoeftebevrediging. Een contact met een psycholoog wordt aangeraden om depressieve klachten van de verdachte te reduceren. Daarnaast wordt geïndiceerd geacht dat zij een sociale vaardigheidstraining/assertiviteitstraining volgt om te leren “nee” te zeggen en haar weerbaarder te maken.

Het hof vindt in de zojuist gememoreerde persoonlijke omstandigheden van de verdachte en haar jeugdige leeftijd (ten tijde van het plegen van het haar verweten feit was de verdachte negentien jaar en zes maanden oud) aanleiding de op te leggen vrijheidsstraf deels in voorwaardelijke vorm te gieten en daaraan de bijzondere voorwaarden te koppelen die de reclassering heeft geadviseerd. Gelet op de tijd die met het door de reclassering in te zetten traject gemoeid zal zijn, zal het hof daarbij een proeftijd van drie jaren bepalen.

Het hof acht, alles afwegende, een (deels voorwaardelijke) gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden, met daaraan gekoppeld de na te noemen bijzondere voorwaarden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 10a van de Opiumwet en de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d en 47 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart het primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte subsidiair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het subsidiair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 5 (vijf) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of ten behoeve van het vaststellen van haar identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich na haar detentie zal melden bij Reclassering Nederland, zolang en zo frequent als de reclassering dit noodzakelijk acht.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich dient te laten onderzoeken en zich, indien geïndiceerd, op ambulante basis dient te laten behandelen bij de forensisch psychiatrische polikliniek De Waag te Amsterdam, dan wel bij een soortgelijke ambulante forensische zorginstelling, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij de veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die haar in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde deelneemt aan een cursus Cognitieve Vaardigheden (GI-RN), dan wel een soortgelijke door de reclassering aan te wijzen cursus.

Geeft Reclassering Nederland opdracht toezicht te houden op naleving van de gestelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan de duur van de gevangenisstraf.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. E.N. van der Spoel, mr. W.M.C. Tilleman en mr. J.J.I. de Jong, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Schoutsen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 26 november 2015.

De griffier is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.