Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:4940

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
24-11-2015
Datum publicatie
08-12-2015
Zaaknummer
200.169.805/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2015:1037, Overig
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zelf teweeg gebracht inkomensverlies, voor herstel vatbaar inkomensverlies, prejudiciële vragen Hoge Raad, kindgebonden budget, alleenstaande ouderkop.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 24 november 2015

Zaaknummer: 200.169.805/01

Zaaknummer eerste aanleg: C14/155298 / FA RK 14-1320

Beschikking van de meervoudige familiekamer

in de zaak in hoger beroep van:

[de man] ,

wonende te [woonplaats a] ,

appellant,

advocaat: mr. A.L. Cohen te Amstelveen,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats b] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. J.J.C. Engels te Heerhugowaard.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Partijen worden hierna respectievelijk de man en de vrouw genoemd.

1.2.

De man is op 13 mei 2015 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 18 februari 2015 van de rechtbank Noord-Holland, met kenmerk C14/155298 / FA RK 14-1320.

1.3.

De man heeft op 18 september 2015 een aanvullend appelschrift ingediend.

1.4.

De vrouw heeft op 22 september 2015 een verweerschrift ingediend.

1.5.

De zaak is op 28 september 2015 ter terechtzitting behandeld.

1.6.

Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- de advocaat van de vrouw.

1.7.

De vrouw is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

1.8.

Na te noemen minderjarige [kind 1] is in de gelegenheid gesteld om schriftelijk zijn mening kenbaar te maken. Hij heeft hier geen gebruik van gemaakt.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn [in] 1996 gehuwd. Hun huwelijk is op 25 mei 2011 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 2 februari 2011 in de registers van de burgerlijke stand. Uit hun huwelijk zijn geboren [x] (hierna: [kind 1] ) [in] 1998 en [y] (hierna: [kind 2] ) [in] 2001 (hierna tezamen: de kinderen). Partijen zijn gezamenlijk belast met het gezag over de kinderen.

2.2.

Bij de echtscheidingsbeschikking van 2 februari 2011 van de rechtbank Amsterdam is een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen bepaald van € 592,50 per kind per maand en is het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een bedrag aan partneralimentatie afgewezen.

2.3.

Bij beschikking van 26 juni 2013 van de rechtbank Amsterdam is het verzoek van de man tot verlaging van de bij beschikking van 2 februari 2011 vastgestelde bijdrage in de kosten van de kinderen afgewezen en is, met wijziging van de beschikking van 2 februari 2011 in zoverre, bepaald dat de man met ingang van 13 juni 2012 € 1.850,- per maand zal betalen aan de vrouw als uitkering tot haar levensonderhoud.

Bij beschikking van 25 februari 2014 van dit hof is voornoemde beschikking vernietigd en is, met dienovereenkomstige wijziging van de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 2 februari 2011, een door de man met ingang van 13 juni 2012 tot 12 februari 2013 te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen bepaald van € 600,- per kind per maand en met ingang van 12 februari 2013 van € 534,50 per kind per maand en is een door de man met ingang van 13 juni 2012 tot 1 augustus 2012 te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw bepaald van € 1.422,- per maand, met ingang van 1 augustus 2012 tot 12 februari 2013 van € 610,- per maand en met ingang van 12 februari 2013 van € 1.737,- per maand.

2.4.

Bij vonnis in kort geding van 11 augustus 2015 van de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam is, voor zover thans van belang, bepaald dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats voorlopig bij de man zullen hebben, is een voorlopige zorgregeling bepaald en is de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen met ingang van 1 augustus 2015 op nihil gesteld, totdat de bodemrechter anders beslist.

Het hof heeft, voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.

2.5.

Ten aanzien van de man is het volgende gebleken.

Hij is geboren [in] 1969. Hij vormt samen met zijn partner, mevrouw [z] , haar dochter en de kinderen van partijen een gezin.

Zijn partner ontving tot 31 januari 2014 een WW-uitkering van € 2.291,- bruto per vier weken, exclusief vakantietoeslag.

Hij was tot 1 oktober 2014 werkzaam in loondienst bij [naam bedrijf] (hierna: [bedrijf] ).

Met ingang van 1 oktober 2014 ontvangt de man een WW-uitkering. Volgens de betaalspecificaties over juni, juli, augustus en september 2015 bedraagt zijn uitkering respectievelijk € 2.582,-, € 2.586,-, € 2.592,- en € 2.592,- bruto per vier weken.

In verband met de hypothecaire lening gevestigd op de door de man en zijn partner bewoonde woning betalen zij € 454,- per maand aan rente. Aan premie voor een levensverzekering die verband houdt met de hypothecaire lening betaalt de man € 21,- per maand. De andere eigenaars- en woonlasten bedragen € 155,- per maand, inclusief de door de man en zijn partner te betalen precariobelasting van € 60,- per maand.

Aan premie voor een zorgverzekering betaalt hij, zo stelt de man in zijn appelschrift, € 93,- per maand.

2.6.

Ten aanzien van de vrouw is het volgende gebleken.

Zij is geboren [in] 1963. Zij is alleenstaand.

Zij ontvangt een arbeidsongeschiktheidsuitkering van € 1.495,- bruto per maand.

Aan huur en enige servicekosten betaalt zij € 600,- per maand. De huurtoeslag bedroeg in 2014 € 297,- per maand.

Aan premie voor een zorgverzekering betaalt zij € 170,- per maand. De zorgtoeslag bedroeg in 2014 € 72,- per maand.

Zij ontving in 2014 een kindgebonden budget van € 168,- per maand.

3 Het geschil in hoger beroep

3.1.

Bij de bestreden beschikking is, met wijziging van de beschikking van 25 februari 2014 van dit hof in zoverre, een door de man met ingang van 1 januari 2015 te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen bepaald van € 335,- per kind per maand. Voorts is, met wijziging van de beschikking van 25 februari 2014 van dit hof, een door de man met ingang van 1 januari 2015 te betalen uitkering tot het levensonderhoud van de vrouw bepaald van € 1.792,- per maand.

3.2.

De man verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking en met wijziging van de beschikking van 25 februari 2014 van dit hof, een door hem met ingang van 1 oktober 2014 te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen te bepalen van € 226,- per kind per maand en met ingang van 1 januari 2015 van € 181,- per maand, althans een zodanige kinderbijdrage te bepalen als het hof juist acht en een door de man met ingang van 1 oktober 2014 te betalen uitkering tot het levensonderhoud van de vrouw te bepalen van € 108,- per maand en met ingang van 1 januari 2015 van € 274,-. De man verzoekt subsidiair, voor het geval het hof zou vaststellen dat de man ter zake van het ontslag een verwijt kan worden gemaakt en wordt uitgegaan van zijn inkomen voorafgaand aan het ontslag, een door hem met ingang van 1 oktober 2014 te betalen kinderbijdrage vast te stellen van € 335,- per kind per maand en een partnerbijdrage van € 416,- per maand, althans zodanige onderhoudsbijdragen vast te stellen als het hof juist acht.

Bij aanvullend appelschrift heeft de man verzocht om, met vernietiging van de bestreden beschikking en met wijziging van de beschikking van 25 februari 2014 van dit hof, de door hem te betalen kinder- en partnerbijdrage met ingang van 26 mei 2015, althans 1 augustus 2015, op nihil te stellen, zolang de kinderen, of een van hen, hun hoofdverblijfplaats bij de man hebben.

3.3.

De vrouw verzoekt de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep, dan wel het door de man verzochte af te wijzen en – naar het hof begrijpt – de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4 Beoordeling van het hoger beroep

4.1.

Aan de orde is de door de man te betalen bijdrage in de kosten van de verzorging en opvoeding van de kinderen en de door de man te betalen uitkering tot het levensonderhoud van de vrouw. Tussen partijen is de draagkracht van de man in geschil. De door de rechtbank vastgestelde behoefte van de kinderen van in totaal € 1.242,- per maand en de aanvullende behoefte van de vrouw van € 1.792,- per maand zijn in hoger beroep niet aan de orde gesteld, en staan derhalve vast.

4.2.

Het hof overweegt dat de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam bij vonnis in kort geding van 11 augustus 2015 het hoofdverblijf van de kinderen voorlopig bij de man heeft bepaald, een voorlopige zorgregeling heeft bepaald en de door man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen met ingang van 1 augustus 2015 voorlopig op nihil heeft gesteld, totdat de bodemrechter anders beslist. Daar komt bij dat ten aanzien van het kindgebonden budget en de alleenstaande ouderkop kort geleden prejudiciële vragen zijn gesteld aan de Hoge Raad, welke inmiddels op 9 oktober 2015 door de Hoge Raad zijn beantwoord (ECLI:NL:HR:2015:3011). Zoals het hof ter zitting in hoger beroep aan partijen heeft voorgelegd, zal het hof in afwachting van een definitieve beslissing van de rechtbank omtrent de hoofdverblijfplaats van de kinderen en de zorgregeling en in afwachting van het antwoord op de prejudiciële vragen aan de Hoge Raad, thans slechts de door de man te betalen voorlopige partneralimentatie beoordelen en de beslissing ten aanzien van de definitieve door de man te betalen bijdrage in de kosten van de kinderen en de uitkering tot het levensonderhoud van de vrouw aanhouden.

4.3.

De man is in de eerste plaats van mening dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zijn inkomensverlies in de periode van 1 oktober 2014 tot 1 januari 2015 voor herstel vatbaar is. De man stelt dat hij zich ten volle inspant om zijn verdiencapaciteit te benutten, maar dat dit tot op heden tevergeefs is geweest. Volgens de man is sprake van een slechte arbeidsmarkt, in het bijzonder voor 45-plussers, en wordt hij niet of nauwelijks uitgenodigd voor een sollicitatiegesprek. De man ontvangt thans een WW-uitkering die vele malen lager is dan zijn salaris bij [bedrijf] en het inkomen van zijn partner is geheel weggevallen. In het kader van zijn WW-uitkering wordt de man verplicht om te solliciteren en wordt hij ook gecontroleerd. De man overweegt om een eigen bedrijf op te starten. De rechtbank heeft volgens de man voorts ten onrechte niet vastgesteld dat hem ter zake van het ontslag bij [bedrijf] geen verwijt kan worden gemaakt. De man stelt dat de verhouding met zijn leidinggevende niet goed was, dat hij aan zichzelf op enig moment een voorschot heeft uitgekeerd, hetgeen al vaker was gebeurd en ook wel bij andere werknemers was geschied, en dat zijn leidinggevende de man daarop heeft geschorst en gedreigd heeft met ontslag. Volgens de man is vervolgens een regeling met [bedrijf] getroffen. Het ontslag van de man was dan ook niet verwijtbaar en ook het UWV heeft het ontslag van de man als niet verwijtbaar aangemerkt.

De vrouw heeft de stellingen van de man betwist.

4.4.

Het hof overweegt als volgt. Uitgangspunt is dat het bij de bepaling van de draagkracht van de onderhoudsplichtige niet alleen aankomt op het inkomen dat hij verwerft, maar ook op het inkomen dat hij geacht kan worden zich redelijkerwijs in de naaste toekomst te verwerven. Het kan voorkomen dat de onderhoudsplichtige een verwijt kan worden gemaakt, omdat hij door zijn gedragingen een vermindering van zijn inkomen teweeg heeft gebracht. Of een vermindering van het inkomen bij het bepalen van de draagkracht buiten beschouwing moet blijven, zal in de eerste plaats afhangen van de vraag of hij redelijkerwijs in staat moet worden geacht zich - binnen afzienbare tijd - opnieuw het oude inkomen te verwerven en of dit ook van hem gevergd kan worden.

Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting in hoger beroep blijkt dat het dienstverband van de man bij [bedrijf] met ingang van 1 oktober 2014 is beëindigd. Uit de beëindigingsovereenkomst van 3 juni 2014 leidt het hof af dat de beëindiging van het dienstverband niet aan de man toe te rekenen is. Voorts blijkt uit de overeenkomst dat de man en [bedrijf] een regeling hebben getroffen die onder meer inhoudt dat de man tot 1 oktober 2014 volledig is vrijgesteld van werk, dat hij tot 1 oktober 2014 volledig krijgt doorbetaald en dat de kosten voor de door de man gevolgde MBA-opleiding voor rekening van [bedrijf] blijven. De man heeft onvoldoende weersproken gesteld dat de echtscheiding en de aangiftes van de vrouw jegens de man effect hebben gehad op zijn functioneren bij [bedrijf] . De man heeft voorts, onweersproken, gesteld dat de verhouding tussen hem en zijn leidinggevende verstoord was en dat herstel van de arbeidsverhouding niet mogelijk was, dat zijn leidinggevende hem voorafgaand aan de beëindiging van het dienstverband al twee jaar lang ongefundeerde slechte beoordelingen had gegeven en dat de manager van zijn leidinggevende daarentegen wel tevreden was over de man en het ook mogelijk heeft gemaakt dat de man, op kosten van [bedrijf] , een MBA-opleiding kon volgen. Onder voornoemde omstandigheden is het hof evenals de rechtbank van oordeel dat de man niet het verwijt treft dat hij zijn inkomensvermindering zelf teweeg heeft gebracht.

Vervolgens dient te worden beoordeeld in hoeverre het inkomensverlies van de man voor herstel vatbaar is. Uit de stukken blijkt dat de man in mei 2014 op de hoogte is gesteld van het voornemen van [bedrijf] om zijn dienstverband te beëindigen en dat hij sindsdien veelvuldig, en op uiteenlopende vacatures, heeft gesolliciteerd. De man heeft ter onderbouwing daarvan een door hem opgesteld document met sollicitaties in het geding gebracht, alsmede een uitdraai van het UWV met sollicitaties. De man is een aantal keren uitgenodigd voor een sollicitatiegesprek maar zijn pogingen zijn tot op heden zonder resultaat gebleven. Het hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat de man zich tot op heden voldoende heeft ingespannen om een soortgelijke functie als zijn functie bij [bedrijf] , of een functie op een lager niveau, te vinden om zo te kunnen blijven voldoen aan zijn onderhoudsverplichtingen jegens de vrouw en de kinderen. Ondanks deze inspanningen is het de man na anderhalf jaar evenwel nog steeds niet gelukt om het inkomen te verwerven dat hij had ten tijde van de beëindiging van zijn dienstverband bij [bedrijf] . Bij deze stand van zaken, en met inachtneming van de leeftijd van de man en de slechte situatie op de arbeidsmarkt, is naar het oordeel van het hof voldoende komen vast te staan dat de man redelijkerwijze niet in staat kan worden geacht om zijn oorspronkelijke inkomen bij [bedrijf] te verwerven en kan dit ook niet van hem worden gevergd. Het inkomensverlies van de man is dan ook naar het oordeel van het hof als niet voor herstel vatbaar aan te merken.

Uit het voorgaande vloeit voort dat het hof bij de voorlopige bepaling van de draagkracht van de man ten aanzien van zijn inkomen uitgaat van de door hem te ontvangen WW-uitkering.

4.5.

Bij de voorlopige bepaling van de draagkracht van de man gaat het hof uit van de feiten en omstandigheden zoals weergegeven onder 2.5. Zoals hiervoor overwogen onder 4.4. neemt het hof de door de man te ontvangen WW-uitkering in aanmerking. Nu de partner van de man geacht wordt in haar eigen levensonderhoud te voorzien, houdt het hof rekening met de helft van de hypotheeklasten van € 454,- per maand en de helft van de overige eigenaars- en woonlasten van € 155,- per maand. Aangezien het hoofdverblijf van de kinderen voorlopig bij de man is bepaald en er thans een voorlopige zorgregeling geldt waarbij de kinderen in de weekenden waarin zij niet voetballen van vrijdagavond tot zondagavond bij de vrouw verblijven, acht het hof het redelijk om met betrekking tot de kosten van de kinderen de uit de thans geldende aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatienormen voortvloeiende regeling ten aanzien van de zorgkorting naar analogie toe te passen. Op grond hiervan houdt het hof aan de zijde van de man in redelijkheid rekening met 75% van de kosten van de kinderen, hetgeen neerkomt op een bedrag van € 932,- per maand. Tenslotte wordt rekening gehouden met de norm voor een alleenstaande en een draagkrachtpercentage van 60.

4.6.

Nu de vrouw de onderbouwde stelling van de man ter zitting in hoger beroep - dat hij tot augustus 2015 heeft voldaan aan zijn onderhoudsverplichtingen jegens de vrouw en de kinderen - onvoldoende heeft weersproken, zal het hof ten aanzien van de voorlopige door de man te betalen partnerbijdrage 1 augustus 2015 als ingangsdatum hanteren. Gelet op hetgeen onder 4.4. is overwogen zal het hof ten aanzien van de definitieve door de man te betalen onderhoudsbijdragen 1 oktober 2014 als ingangsdatum hanteren.

4.7.

Op grond van de feiten en omstandigheden die hiervoor zijn vermeld en van hetgeen hiervoor is overwogen, heeft de man, naar het voorlopig oordeel van het hof, geen draagkracht om met ingang van 1 augustus 2015 een uitkering tot het levensonderhoud van de vrouw te betalen.

4.8.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

5 Beslissing

Het hof:

stelt, voorlopig, totdat hierover nader door het hof zal zijn beslist, de door de man met ingang van 1 augustus 2015 te betalen uitkering tot het levensonderhoud van de vrouw op nihil;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van de door de man met ingang van 1 oktober 2014 te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen en de uitkering tot het levensonderhoud van de vrouw aan tot de pro forma zitting van zondag 24 januari 2016;

verzoekt partijen zich voor de genoemde pro forma datum uit te laten over de uitkomsten van de procedures rond de (definitieve) vaststelling van de zorgregeling en de hoofdverblijfplaats van de kinderen;

verzoekt partijen zich voor de genoemde pro forma datum uit te laten over de gevolgen voor onderhavige zaak van de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 9 oktober 2015, zoals omschreven onder 4.2;

verzoekt partijen zich daarbij uit te laten over de gewenste voortzetting van de procedure.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.F.G.H. Beckers, H.A. van den Berg en I.M. Dölle in tegenwoordigheid van mr. S.E. Harenberg als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 24 november 2015.