Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:4936

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
24-11-2015
Datum publicatie
01-12-2015
Zaaknummer
200.166.564/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gezag, kinderalimentatie, gemeentelijke schuldhulpverlening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 24 november 2015

Zaaknummer: 200.166.564/ 01

Zaaknummer eerste aanleg: C/13/560835 / FA RK 14/1692

in de zaak in hoger beroep van:

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. C.J.P. Liefting te Amstelveen,

tegen

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellant in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. L. van Wassenberg te Amstelveen.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Partijen worden hierna respectievelijk de vrouw en de man genoemd.

1.2.

De vrouw is op 17 maart 2015 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 24 december 2014 van de rechtbank Amsterdam, met kenmerk C/13/560835 / FA RK 14/1692.

1.3.

De man heeft op 26 mei 2015 een verweerschrift ingediend en heeft daarbij incidenteel hoger beroep ingesteld.

1.4.

De vrouw heeft op 23 juni 2015 en 6 juli 2015 nadere stukken ingediend.

1.5.

De man heeft op 28 augustus 2015 nadere stukken ingediend.

1.6.

De zaak is op 9 september 2015 ter terechtzitting behandeld.

1.7.

Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

- de man, bijgestaan door zijn advocaat.

- de heer A. Witting, vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming, regio Amsterdam, locatie Amsterdam (hierna: de Raad).

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn [in] 2002 gehuwd. Hun huwelijk is op 4 september 2013 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 15 mei 2013 in de registers van de burgerlijke stand. Partijen zijn de ouders van […] ( [kind a] ), geboren [in] 1999, [kind b] , geboren [in] 2002 en […] ( [kind c] ), geboren [in] 2007 (hierna ook: de kinderen).

2.2.

De kinderen zijn bij beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kinderrechter) van 12 september 2011 onder toezicht gesteld voor de duur van een jaar, nadat zij voorlopig onder toezicht waren gesteld. De ondertoezichtstelling is vervolgens met een jaar verlengd. Bij beschikking van 27 augustus 2013 is het verzoek tot een verdere verlenging van de ondertoezichtstelling afgewezen.

2.3.

In het kader van hun ondertoezichtstelling zijn de kinderen uit huis geplaatst voor verblijf in respectievelijk een netwerkpleeggezin, de Bascule (intern) en een crisispleeggezin. Het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen is afgewezen bij beschikking van 20 juni 2012.

De kinderen verblijven sinds 14 juni 2012 bij de man.

2.4.

De man is vanaf 11 januari 2012 tot en met 26 augustus 2013 in behandeling geweest bij de Bascule. Er heeft intern een klinische gezinsbehandeling plaatsgevonden bij de Bascule, eerst gedurende twee weken alleen met de man en vervolgens acht weken samen met de kinderen.

2.5.

Bij beschikking van de rechtbank Amsterdam van 15 mei 2013 is de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de man bepaald. Bij beschikking van dit hof van 10 december 2013 is in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken bepaald dat de kinderen bij de vrouw verblijven eenmaal per veertien dagen van vrijdag 17.00 uur tot zondag 17.00 uur, in de zomervakantie gedurende een week, en zowel in de voorjaars- als de herfstvakantie op de navolgende wijze:

- indien het omgangsweekend in het begin van de vakantie valt, verblijven de kinderen aansluitend tot dinsdag om 17.00 uur bij de vrouw;

- indien het omgangsweekend aan het einde van de vakantie valt, verblijven de kinderen vanaf de donderdag daaraan voorafgaand om 10.00 uur bij de vrouw.

Het hof heeft, voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.

2.6.

Ten aanzien van de vrouw is het volgende gebleken.

Zij is geboren [in] 1970. Zij is alleenstaand.

Zij ontvangt een WAO-uitkering. Haar fiscaal loon bedroeg in 2013 volgens de jaaropgaaf € 19.668,-. Met ingang van 14 februari 2014 wordt door de Belastingdienst beslag gelegd op haar uitkering. Na aftrek van dat beslag (van € 57,- per maand) bedraagt haar uitkering € 1.097,- netto per maand.

Haar huur bedraagt € 613,- per maand.

Aan premie voor een zorgverzekering betaalt zij € 183,- per maand. Zij ontvangt € 63,- per maand aan zorgtoeslag.

Zij heeft een schuldenlast van rond € 36.000,-.

2.7.

Ten aanzien van de man is het volgende gebleken.

Hij is geboren [in] 1970. Hij vormt samen met de kinderen een eenoudergezin.

3 Het geschil in hoger beroep

3.1.

Bij de bestreden beschikking is de man belast met het eenhoofdig gezag over de kinderen en is bepaald dat de vrouw een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen zal betalen van € 50,- per maand met ingang van 1 januari 2015.

3.2.

De vrouw verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, af te wijzen het verzoek van de man hem met het eenhoofdig gezag te belasten en een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen vast te stellen, althans een zodanige beslissing te nemen als het hof juist zal achten.

3.3.

De man verzoekt het door de vrouw verzochte af te wijzen. In incidenteel hoger beroep verzoekt hij, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, te bepalen dat de vrouw een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen zal voldoen van € 50,- per maand met ingang van 4 september 2013, dan wel 10 december 2013, dan wel de datum van indiening van het inleidend verzoek.

4 Beoordeling van het hoger beroep

gezag

4.1.

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek kan de rechtbank het gezamenlijk gezag, bedoeld in de artikelen 251a, eerste lid, 252, eerste lid, 253q, vijfde lid, of 277, eerste lid, op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of een van hen beëindigen, indien nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Een dergelijk verzoek kan worden toegewezen indien er een onaanvaardbaar risico is dat het kind bij voortduring van het gezamenlijk gezag klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of indien wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

Volgens vaste jurisprudentie brengt het ontbreken van een goede communicatie tussen de ouders niet zonder meer mee dat in het belang van het kind het gezag aan één van de ouders moet worden toegekend. Wel is voor gezamenlijk gezag vereist dat de ouders daadwerkelijk in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over hun kind in gezamenlijk overleg kunnen nemen, althans tenminste in staat zijn afspraken te maken over situaties die zich rond hun kind kunnen voordoen zodanig dat het kind niet klem of verloren raakt tussen de ouders.

4.2.

De vrouw heeft - kort gezegd - betoogd dat partijen al enige tijd in staat zijn beslissingen over de kinderen in gezamenlijk overleg te nemen en dat de communicatie tussen hen niet tot problemen leidt. De man heeft dat betoog gemotiveerd betwist.

4.3.

De Raad heeft geadviseerd de bestreden beschikking op dit punt te bekrachtigen en voert daartoe het navolgende aan. In het verleden zijn de kinderen blootgesteld aan de heftige strijd tussen de ouders, hetgeen bij de kinderen diepe sporen heeft achtergelaten. Sinds het verblijf bij de man gaat het beter met de kinderen, maar het risico dat de ouders hun onderlinge strijd hervatten, is nog altijd aanwezig, hetgeen wordt bevestigd door de door de man aangehaalde incidenten. De beslissing van de rechtbank biedt de kinderen rust en voorkomt dat zij klem raken tussen de ouders.

4.4.

Het hof overweegt als volgt.

Uit de stukken is gebleken dat de ouders na de echtscheiding een langdurige strijd hebben gevoerd en dat zij daarmee de kinderen aanzienlijk hebben belast. De Bascule heeft geconstateerd dat bij de kinderen sprake is van zeer ernstige problemen, veroorzaakt door gezinsproblematiek en zogenaamde kindfactoren, en dat zij met het oog daarop behoefte hebben aan veel rust en duidelijkheid.

Anders dan de vrouw stelt, blijkt uit de stukken dat de ouders ook gedurende de ondertoezichtstelling niet, althans onvoldoende in staat zijn geweest beslissingen over de kinderen in gezamenlijk overleg te nemen. Uit het verslag ‘Evaluatie (gezins)voogdij’ (productie 6 hoger beroep) blijkt dat de ouders het niet eens konden worden over de schoolkeuze van [kind a] , waardoor hij niet tijdig kon worden ingeschreven voor een middelbare school. Verder blijkt uit het verslag ‘Verloop ots gezin [achternaam man] ’ (productie A 19 eerste aanleg) dat de vrouw niet wilde meewerken aan een nieuwe paspoortaanvraag voor de kinderen. Daarnaast heeft de man genoegzaam onderbouwd dat de ouders het niet eens konden worden over de aanmelding van [kind b] bij een voetbalclub.

Uit het verhandelde ter zitting in hoger beroep is gebleken dat in de periode na de bestreden beschikking tussen de ouders meer rust is ontstaan, dat de communicatie tussen hen is verbeterd en dat de vrouw wordt betrokken bij beslissingen van de man over de kinderen. Het hof acht aannemelijk dat die positieve ontwikkeling verband houdt met het feit dat de ouders niet langer gezamenlijk beslissingen over de kinderen behoeven te nemen. Gezien de ernstige conflicten tussen de ouders in het verleden is het hof met de Raad van oordeel dat, indien zij weer gezamenlijk met het gezag worden belast, het risico bestaat dat de strijd tussen hen zal worden hervat, dat dan sprake zal zijn van een onaanvaardbaar risico dat de kinderen klem tussen de ouders zullen raken en dat niet te verwachten is dat daarin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen.

Op grond van het voorgaande dient de bestreden beschikking in zoverre te worden bekrachtigd en gaat het hof voorbij aan het verzoek van de vrouw de zaak aan te houden en partijen in de tussenliggende periode tijdelijk met het gezamenlijk gezag te belasten.

bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen

4.5.

Partijen zijn onder meer verdeeld over de draagkracht van de vrouw. De vrouw heeft kort gezegd - betoogd dat bij haar de draagkracht ontbreekt tot het voldoen van een onderhoudsbijdrage. De man heeft daartegen verweer gevoerd.

4.6.

De vrouw heeft op zichzelf geen bezwaar gemaakt tegen de door de man verzochte ingangsdatum van 4 september 2013, zodat het hof haar draagkracht met ingang van die datum zal beoordelen. Het hof zal daarbij uitgaan van het fiscaal loon van de vrouw in 2013 en van de uitkering die zij, na aftrek van het beslag door de Belastingdienst, met ingang van 14 februari 2014 ontvangt.

Op grond daarvan, alsmede de overige onder 2.6 vermelde gegevens, kan de vrouw, zowel in de periode vóór als na 14 februari 2014, bij voldoening van een onderhoudsbijdrage niet meer in de noodzakelijke kosten van bestaan voorzien, althans houdt zij van haar inkomen na vermindering van de lasten minder dan 90% van de voor haar geldende bijstandsnorm over. Daarmee dient de slotsom te zijn dat bij de vrouw iedere draagkracht ontbreekt, zodat er geen onderhoudsbijdrage ten laste van de vrouw kan worden vastgesteld. Naar het oordeel van het hof zal die situatie evenzeer gelden als de vrouw, zoals zij stelt, wordt toegelaten tot de “gemeentelijke schuldhulpverlening”. De vrouw heeft stukken overgelegd waaruit blijkt dat zij door tussenkomst van een gemeentelijke schuldhulpinstelling tracht tot een sanering van haar schuldenlast te komen. Dit alles leidt ertoe dat het verzoek van de man tot het vaststellen van een onderhoudsbijdrage wordt afgewezen.

Gezien het voorgaande ziet het hof geen aanleiding in te gaan op hetgeen partijen ten aanzien van de behoefte van de kinderen hebben aangevoerd. De stelling van de man dat de behoefte van de kinderen dient te worden vastgesteld om discussies daarover in de toekomst te voorkomen, acht het hof in dat verband onvoldoende.

4.7.

Ter zitting in hoger beroep heeft de vrouw verklaard dat de onderhoudsbijdragen die reeds door haar zijn betaald, althans op haar zijn verhaald niet behoeven te worden terugbetaald. Het hof zal dienovereenkomstig beslissen.

4.8.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

5 Beslissing

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor wat betreft de daarin vastgestelde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen en, in zoverre opnieuw rechtdoende:

wijst af het verzoek van de man tot het vaststellen van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen;

bepaalt dat de bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen die reeds door de vrouw zijn betaald, althans op haar zijn verhaald niet behoeven te worden terugbetaald;

bekrachtigt de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, voor het overige;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. R.G. Kemmers, H.A. van den Berg en J. Louwinger-Rijk in tegenwoordigheid van mr. B.J. Voerman als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 24 november 2015.