Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:4932

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
24-11-2015
Datum publicatie
08-12-2015
Zaaknummer
200.164.062/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontheffing van het gezag.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 266 (oud)
Burgerlijk Wetboek Boek 1 268
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 24 november 2015

Zaaknummer: 200.164.062/ 01

Zaaknummer eerste aanleg: C/13/568203 / FA RK 14-5004

in de zaak in hoger beroep van:

1 [de moeder]

2. [de vader] ,

beiden wonende te [woonplaats] ,

appellanten,

advocaat: mr. U.J. van der Veldt te Amsterdam,

tegen

Raad voor de Kinderbescherming Amsterdam,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Partijen worden hierna respectievelijk de moeder, de vader (gezamenlijk ook wel: de ouders) en de Raad genoemd.

1.2.

De ouders zijn op 4 februari 2015 in hoger beroep gekomen van de beschikking van

5 november 2014 van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank), met kenmerk C/13/568203 / FA RK 14-5004.

1.3.

De zaak is op 21 september 2015 ter terechtzitting behandeld.

1.4.

Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

- mevrouw H. Uyanik, vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming, locatie Amsterdam (hierna: de Raad);

- de gezinsmanager van de gecertificeerde instelling William Schrikker Jeugdbescherming (hierna: de GI).

1.5.

De moeder en de pleegouders zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

2 De feiten

2.1.

Uit het huwelijk van de moeder en de heer [x] is [in] 2004 geboren de minderjarige [y] (hierna: [de minderjarige] ). Dit huwelijk is op 5 januari 2005 ontbonden.

2.2.

Bij beschikking van de rechtbank te Amsterdam van 19 januari 2005 is de ontkenning van het vaderschap van de heer [x] gegrond verklaard.

2.3.

Op 26 april 2007 heeft de vader [de minderjarige] erkend en sindsdien luidt haar geslachtsnaam [achternaam vader] . De ouders zijn [in] 2007 met elkaar gehuwd, als gevolg waarvan zij per die datum van rechtswege gezamenlijk met het gezag over [de minderjarige] zijn belast.

2.4.

Bij beschikking van de rechtbank van 30 september 2008 is [de minderjarige] onder toezicht gesteld van Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam (BJAA, thans JBRA), uit te voeren door de GI. Deze maatregel is sedertdien telkens verlengd.

2.5.

[de minderjarige] is op 2 december 2011 uit huis geplaatst met een machtiging van de kinderrechter. Deze maatregel is sedertdien telkens verlengd. [de minderjarige] woont sinds 1 augustus 2013 in het huidige pleeggezin.

2.6.

De moeder heeft twee kinderen uit een eerdere relatie, [kind a] , geboren [in] 1996, en [kind b] , geboren [in] 1998. Zij zijn in juli 2011 uit huis geplaatst. [kind a] is inmiddels meerderjarig en woont weer thuis.

3 Het geschil in hoger beroep

3.1.

Bij de bestreden beschikking zijn de ouders ontheven van het gezag over [de minderjarige] en is JBRA belast met de voogdij over [de minderjarige] , uit te voeren door de GI.

3.2.

De ouders verzoeken de bestreden beschikking te vernietigen.

4 Beoordeling van het hoger beroep

4.1.

Nu het inleidend verzoekschrift in deze zaak is ingediend op 17 maart 2014, dus vóór 1 januari 2015, is op grond van artikel 28, lid 1, van de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek op de beoordeling van het daarin opgenomen verzoek het recht van toepassing, zoals dat gold vóór 1 januari 2015.

Op grond van het bepaalde in artikel 1:266 (oud) van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan, mits het belang van het kind zich daartegen niet verzet, een ouder van het gezag over een of meer van zijn kinderen worden ontheven op de grond dat die ouder ongeschikt of onmachtig is zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen.

In het geval een ouder zich verzet tegen de ontheffing over een of meer van zijn kinderen, kan op grond van artikel 1:268, lid 2, aanhef en onder a, (oud) BW, ontheffing worden uitgesproken, indien na een ondertoezichtstelling van ten minste zes maanden blijkt, of na een uithuisplaatsing krachtens het bepaalde in artikel 1:261 (oud) BW van meer dan een jaar en zes maanden gegronde vrees bestaat, dat deze maatregel – door de ongeschiktheid of onmacht van een ouder om zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen – onvoldoende is om de dreiging als bedoeld in artikel 1:254 (oud) BW af te wenden. Ter beantwoording door het hof ligt voor of aan deze voorwaarden is voldaan.

4.2.

De ouders zijn van mening dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor een gedwongen ontheffing van het gezag over [de minderjarige] en voeren hiertoe het volgende aan.

De ouders betwisten dat zij ongeschikt en onmachtig zijn hun plicht tot verzorging en opvoeding van [de minderjarige] te vervullen. Zij stellen dat zij wel degelijk in staat zijn om [de minderjarige] voldoende zekerheid en structuur te bieden en om haar met behulp van de gezinsmanager aan te sturen en te begeleiden. De ouders erkennen dat [de minderjarige] emotionele schade heeft opgelopen, maar zij betwisten dat dit een gevolg is van de thuissituatie voorafgaand aan de uithuisplaatsing. Dit is veeleer een gevolg van het handelen van de betrokken hulpverlening, waardoor [de minderjarige] achtereenvolgens in drie verschillende pleeggezinnen heeft moeten verblijven. De ouders menen bovendien dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan het verzoek van de ouders om te komen tot het benoemen van een onafhankelijke deskundige op grond van artikel 810a, lid 2, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), zodat de rapportage van deze deskundige mede kan leiden tot een beslissing in onderhavige zaak.

4.3.

De Raad voert aan dat de opvoedsituatie bij de ouders thuis lange tijd zorgelijk is geweest. Ondanks de inzet van intensieve hulpverlening namen de zorgen niet af. Hoewel [de minderjarige] aangaf door ouders te worden geslagen, ontkennen de ouders tot op heden [de minderjarige] te hebben mishandeld. [de minderjarige] is een kwetsbaar en beschadigd meisje met een reactieve hechtingsstoornis en een posttraumatische stressstoornis (PTSS). In het huidige pleeggezin ervaart zij rust, stabiliteit en veiligheid. Het is voor [de minderjarige] van groot belang dat deze plaatsing wordt voortgezet, zodat zij zich veilig kan hechten.

De Raad is de aangewezen instelling om te onderzoeken in hoeverre een ontheffing van het gezag geïndiceerd is. De Raad verwacht niet dat een nader deskundigenonderzoek tot een andere uitkomst zal leiden en acht een deskundigenonderzoek zoals door de ouders is verzocht dan ook niet nodig.

4.4.

Het hof overweegt als volgt. Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is het volgende gebleken. Het gezin van [de minderjarige] heeft vanaf 2008 diverse vormen van hulpverlening ontvangen om verbetering aan te brengen in de zeer zorgelijke opvoedsituatie. De moeder heeft lichamelijke klachten als gevolg van de vele spanningen, de ouders hebben verschillende ideeën over de opvoeding en de moeder voelt zich door de vader niet gesteund. Er is sprake van financiële problematiek – de ouders hebben een bewindvoerder –, en er zijn heftige ruzies waarbij veel wordt geschreeuwd. Tijdens een gesprek in het kader van Signs of Safety geven de ouders aan dat zij [de minderjarige] niet meer slaan. Naderhand heeft [de minderjarige] bij de gezinsmanager aangegeven dat zij regelmatig door haar moeder met de hand of met een slipper wordt geslagen, dat zij in haar buik wordt geschopt en dat aan haar haren wordt getrokken. [de minderjarige] is daarop met spoed uit huis geplaatst. Nadat [de minderjarige] aanvankelijk in een crisispleeggezin is geplaatst, zijn de beide daaropvolgende plaatsingen in een perspectief biedend pleeggezin door de pleeggezinnen beëindigd vanwege probleemgedrag van [de minderjarige] .

4.5.

Eerst nadat de gezinsmanager de ouders een daartoe strekkende schriftelijke aanwijzing heeft gegeven, hebben zij toestemming gegeven voor een onderzoek naar de achterliggende oorzaken van de problematiek van [de minderjarige] . Zij is in 2013 door het Regionaal Centrum voor Kinder- en Jeugdpsychiatrie (RCKJP) gediagnostiseerd met een reactieve hechtingsstoornis en PTSS. Bij [de minderjarige] is sprake van hoog oplopende internaliserende en externaliserende gedragsproblematiek en zij laat signalen zien die duiden op een bijzonder kwetsbaar meisje met een ernstig beschadigd gevoel van basisveiligheid en vertrouwen in de beschikbaarheid van anderen. Dit leidt tot diepgewortelde angsten, nachtmerries, herbelevingen, fors acting-out gedrag en een ernstig emotie-regulatieprobleem. Daarbij functioneert [de minderjarige] op laagbegaafd niveau (TIQ 76) en mogelijk is er sprake van dyscalculie.

4.6.

Het hof stelt op grond van het voorgaande vast dat het, ondanks de intensieve begeleiding van het gezin, niet is gelukt om de ouders de verantwoordelijkheid voor de zorg en opvoeding van [de minderjarige] weer te laten dragen. De ouders zijn niet in staat gebleken een veilige en stabiele opvoedsituatie voor [de minderjarige] te creëren. Gelet op de bij [de minderjarige] gediagnosticeerde PTSS en haar uitlatingen over het geweld in de thuissituatie en de opmerking van de ouders dienaangaande, acht het hof het zeer waarschijnlijk dat bij de opvoeding van [de minderjarige] met enige regelmaat geweld is gebruikt. De ouders blijven dit evenwel hardnekkig ontkennen. Dit, in onderlinge samenhang bezien met de overige zorgen over de opvoedkundige kwaliteiten en de beperkte leerbaarheid van de ouders, leidt het hof tot de conclusie dat de ouders ongeschikt of onmachtig zijn hun plicht tot verzorging en opvoeding van [de minderjarige] te vervullen.

4.7.

Daarbij komt dat voldoende aannemelijk is geworden dat de maatregel van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van [de minderjarige] onvoldoende is om de dreiging als bedoeld in artikel 1:254 (oud) BW af te wenden. [de minderjarige] verblijft inmiddels bijna vijf jaar in het huidige pleeggezin. Zij ontwikkelt zich goed en zij is aan de pleegmoeder gehecht. Aan het belang van [de minderjarige] bij duidelijkheid over haar opvoedperspectief en bij stabiliteit en continuïteit in haar opvoedingssituatie in het pleeggezin dient met het oog op de verdere ontwikkeling van [de minderjarige] zwaarwegende betekenis te worden toegekend. Dat belang weegt zwaarder dan het belang van de ouders bij afwijzing van het verzoek tot ontheffing. [de minderjarige] is inmiddels elf jaar en zal zich, naarmate zij ouder wordt, steeds meer bewust worden van de jaarlijks terugkerende verlengingen. Een jaarlijkse verlenging van de maatregel van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing zal derhalve steeds weer onzekerheid over haar toekomstperspectief meebrengen. Hiermee wordt niet tegemoetgekomen aan haar belang als hiervoor omschreven. Uit het voorgaande volgt tevens dat het belang van [de minderjarige] zich niet tegen de ontheffing verzet. Aan de voorwaarden voor ontheffing van de ouders van het gezag over [de minderjarige] is derhalve voldaan.

4.8.

De ouders hebben verzocht een deskundigenonderzoek te gelasten, doch zij hebben daarbij niet aangegeven waarop dat onderzoek zich, gelet op de reeds voorliggende gegevens, zou dienen te richten. Nu op grond van de voorliggende gegevens het oordeel is dat het perspectief van [de minderjarige] niet meer bij de ouders ligt en bovendien het belang van [de minderjarige] zich tegen een nader onderzoek verzet, dient dat deskundigenonderzoek achterwege te blijven. De rechtbank is op goede gronden voorbij gegaan aan het verzoek van de ouders om de behandeling van de zaak aan te houden voor een deskundigenonderzoek.

4.9.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

5 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep.

Deze beschikking is gegeven door mr. H.A. van den Berg, mr. M. Wigleven en mr. J. Kok in tegenwoordigheid van mr. M. Broek-Hartenberg als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 24 november 2015.