Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:4921

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
24-11-2015
Datum publicatie
30-11-2015
Zaaknummer
200.163.650/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appartementsrecht. Partij die het pand heeft gesplitst en appartementen heeft verkocht, bezit zelf nog meerderheid in de vergadering van eigenaars. Kopers van appartementsrechten, tevens leden van de VvE hebben klachten over de opleveringstoestand van (de gemeenschappelijke delen van) het pand. Zij hebben daarover een dagvaardingsprocedure aangespannen tegen de verkoopster. De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen. Thans wensen zij en het bestuur van de VvE dat de VvE zich voegt dan wel tussenkomt in de procedure in hoger beroep en de kosten van de procedure in eerste aanleg en hoger beroep op zich neemt. Verzoek tot vernietiging van het afwijzende besluit van de vergadering van eigenaars en verzoek tot vervangende machtiging aan het bestuur tot procederen en het dragen van de kosten van die procedure. Terughoudende toetsing. Misbruik van meerderheidspositie in de VvE door verkoopster. Verzoeken zijn toewijsbaar, doch alleen wat betreft het hoger beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/2371
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.163.650/01

zaaknummer rechtbank Amsterdam : 3553300\EA VERZ 14-1064

beschikking van de meervoudige burgerlijke kamer van 24 november 2015

inzake

de stichting

WONINGSTICHTING ROCHDALE,

gevestigd te Amsterdam,

appellante, tevens incidenteel geïntimeerde,

advocaat: mr. R.N.E. Visser te Amsterdam,

tegen

1 [geïntimeerde sub 1] ,

2. [geïntimeerde sub 2],

3. [geïntimeerde sub 3],

4. [geïntimeerde sub 4],

5. [geïntimeerde sub 5],

6. [geïntimeerde sub 6],

7. [geïntimeerde sub 7],

8. [geïntimeerde sub 8],

9. [geïntimeerde sub 9],

10. [geïntimeerde sub 10],

11. [geïntimeerde sub 11],

12. [geïntimeerde sub 12],

13. [geïntimeerde sub 13],

alle(n) wonende respectievelijk gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerden, tevens incidenteel appellanten,

advocaat: mr. G.I. Beij te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna Rochdale en geïntimeerden genoemd. Geïntimeerde sub 13 afzonderlijk wordt ook het bestuur van de VvE genoemd.

Rochdale is bij verzoekschrift, ontvangen ter griffie van het hof op 28 januari 2015, onder aanvoering van vier grieven en aanbieding van bewijs in hoger beroep gekomen van de beschikking die de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter) onder bovengenoemd zaaknummer op 16 januari 2015 heeft gegeven. Het beroepschrift strekt, zakelijk weergegeven, ertoe dat het hof, uitvoerbaar bij voorraad, de genoemde beschikking zal vernietigen en alsnog de geïntimeerden niet ontvankelijk zal verklaren in hun verzoeken, althans die verzoeken zal afwijzen, met beslissing over de proceskosten.

Op 3 april 2015 is ter griffie van het hof een verweerschrift in hoger beroep, tevens houdende incidenteel beroep van geïntimeerden ingekomen, inhoudende het verzoek de beschikking waarvan beroep te vernietigen voor zover daarbij de VvE niet ontvankelijk is verklaard in de inleidende verzoeken en die beschikking voor het overige te bekrachtigen, met beslissing over de proceskosten.

Op 4 juni 2015 is ter griffie van het hof een verweerschrift in incidenteel hoger beroep van Rochdale binnengekomen, waarin Rochdale concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring in het incidenteel beroep dan wel afwijzing daarvan.

De mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft plaatsgevonden op 24 september 2015. Bij die gelegenheid hebben geïntimeerden nog producties in het geding gebracht. Namens partijen hebben hun hiervoor genoemde advocaten het woord gevoerd aan de hand van aan het hof overgelegde aantekeningen. Partijen hebben inlichtingen verschaft.

Vervolgens is de behandeling van de zaak gesloten. Uitspraak is bepaald op heden.

2 Feiten

De kantonrechter heeft in de bestreden beslissing onder 1.1 tot en met 1.7 een aantal feiten als in deze zaak vaststaand aangemerkt. Daarover bestaat geen geschil, zodat ook het hof daarvan zal uitgaan. Die feiten behelzen, samengevat en waar nodig aangevuld met feiten die in hoger beroep als gesteld en niet (voldoende) betwist zijn komen vast te staan, het volgende.

i. Geïntimeerden 1 tot en met 12 zijn eigenaren van appartementen deel uitmakend

van het gebouw op het adres [adres] . Zij zijn van rechtswege lid van de Vereniging van Eigenaars (VvE).

ii. Het gebouw is in 2007 in appartementen gesplitst door Rochdale, die thans nog

een meerderheid van de appartementen (ongeveer 30) bezit.

iii. Tussen geïntimeerden en Rochdale is al jarenlang discussie over de vraag of het

appartementencomplex bij en na de splitsing voldeed aan de daaraan te stellen

eisen, waaronder de eisen als vastgelegd in het toepasselijke convenant splitsing

en verkoop sociale huurwoningen 2002-2007 (verder het convenant).

iv. Met betrekking tot de thans in hoger beroep nog relevante kwestie ter zake van de staat waarin het appartementencomplex is opgeleverd en de vraag voor wiens rekening de daarmee gemoeide kosten komen (Rochdale of de VvE), hebben geïntimeerden 1 tot en met 12 (samen met een inmiddels verhuisde appartementseigenaar) een bodemprocedure tegen Rochdale bij de rechtbank aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 21 oktober 2014.

v. In de vergadering van de VvE van 30 september 2014 is het voorstel in stemming gebracht om de VvE als procespartij te laten deelnemen in deze bodemprocedure en om de al door verzoekers 1 tot en met 10 in dat kader gemaakte kosten voor rekening van de VvE te brengen.

vi. Rochdale heeft als enige tegengestemd, waardoor dit voorstel is verworpen.

vii. Bij vonnis van 22 juli 2015 heeft de rechtbank in de bodemprocedure de vorderingen van geïntimeerden 1 tot en met 12 integraal afgewezen op grond van de overweging dat van handelen of nalaten van Rochdale in strijd met het convenant of gedane toezeggingen niet was gebleken en geen grond bestaat Rochdale aansprakelijk te houden voor in het verleden ontstane tekorten in het reservefonds van de VvE. Geïntimeerden 1 tot en met 12 zijn van dat vonnis tijdig in hoger beroep gegaan. Bij incidentele conclusie van 15 december 2015 heeft de VvE, met als advocaat mr. Beij voornoemd, gevorderd te mogen tussenkomen in het geding tussen geïntimeerden 1 tot en met 12 en Rochdale, althans zich daarin aan de zijde van geïntimeerden 1 tot en met 12 te mogen voegen.

3 Beoordeling

3.1

In het inleidend verzoekschrift hebben geïntimeerden 1 tot en met 12 en de VvE de kantonrechter verzocht - voor zover thans nog van belang - de besluiten van de vergadering van de VvE van 30 september 2014 te vernietigen en hen te machtigen de door hen reeds gemaakte advocaatkosten in verband met de bodemprocedure (€ 7.264,24) ten laste van de VvE te brengen en het bestuur van de VvE te machtigen om als procespartij deel te nemen aan de bodemprocedure en daarin de nodige rechts- en proceshandelingen te verrichten en de advocaatkosten en overige kosten daarvoor te voldoen.

3.2

Bij de bestreden beslissing heeft de kantonrechter de VvE niet ontvankelijk verklaard in de gedane verzoeken en die verzoeken voor het overige toegewezen, met dien verstande dat de gevraagde machtigingen steeds zijn verleend aan het bestuur van de VvE. Rochdale komt in hoger beroep op tegen de toewijzing, geïntimeerden tegen de niet-ontvankelijkverklaring.

3.3

Het hof ziet aanleiding het incidentele hoger beroep als eerste te behandelen.

3.4

Naar het oordeel van het hof heeft de kantonrechter terecht de gedane verzoeken aldus opgevat, dat werd bedoeld dat alle gevraagde machtigingen, dus niet alleen die tot het meeprocederen, maar ook die tot het voor rekening van de VvE brengen van alle aan de bodemprocedure verbonden kosten, moesten worden verleend aan het bestuur van de VvE. Een dergelijke machtiging dient op grond van het bepaalde in artikel 5:121 lid 1 BW echter te worden verzocht door degene (de eigenaar, de VvE of een van haar organen) die de medewerking van de andere partij behoeft. In dit geval is dat het bestuur van de VvE. Aan de mogelijkheid een dergelijk verzoek aan de kantonrechter te doen doet niet af dat het bestuur zelf geen rechtspersoonlijkheid bezit. Ter terechtzitting in hoger beroep was (een vertegenwoordiger van) het bestuur van de VvE aanwezig, die verklaarde dat de gedane verzoeken de instemming van het bestuur hadden. Het hof begrijpt de gedane verzoeken derhalve als te zijn gedaan door geïntimeerden 1 tot en met 12 en het bestuur van de VvE. Rochdale wordt hierdoor niet in haar gerechtvaardigde belangen geschaad. In de kop van deze beschikking is met het voorgaande reeds rekening gehouden.

3.5

Wanneer het inleidend verzoekschrift op de hiervoor bedoelde wijze wordt opgevat bestaat geen grond voor de door de kantonrechter uitgesproken niet-ontvankelijkverklaring. Het bestuur heeft immers geen toestemming van de vergadering van eigenaars nodig voor het indienen van een verzoek als het onderhavige. Het incidentele hoger beroep heeft in zoverre dus succes.

3.6

Met haar eerste grief betoogt Rochdale dat geïntimeerden niet ontvankelijk moeten worden verklaard in hun verzoek tot vernietiging van de besluiten van de vergadering van de VvE van 30 september 2014, omdat een dergelijk verzoek moet worden gedaan tegen de VvE en niet tegen een andere appartementseigenaar. Dit betoog strandt op het feit dat artikel 5:130 BW niet rept van een vordering tot vernietiging, maar van een verzoek. Een verzoekschrift is niet tegen een specifieke wederpartij gericht. Niet in geschil is dat alle betrokken partijen, de VvE (vertegenwoordigd door het bestuur) en alle appartementseigenaren (die voor de zittingen zijn opgeroepen), bij de onderhavige procedure zijn betrokken. Derhalve valt niet in te zien waarom in deze procedure niet op het verzoek tot vernietiging zou kunnen worden beslist. De eerste principale grief faalt.

3.7

De kantonrechter heeft geoordeeld dat de besluiten van 30 september 2014 moeten worden vernietigd, omdat Rochdale door als eigenaar van de meerderheid van de appartementsrechten in de VvE tegen de desbetreffende voorstellen te stemmen handelt in strijd met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 2:8 BW wordt geëist, omdat zij haar feitelijke zeggenschap in de VvE gebruikt om besluiten tegen te houden die zij niet in haar belang acht als splitsende partij en verkoper van de appartementen en aldus alleen haar eigen belang behartigt, terwijl de vraag welk deel van de onderhoudskosten nog voor rekening van Rochdale kan worden gebracht wel degelijk de hele VvE aangaat. Tegen dit oordeel richt zich de tweede grief van Rochdale.

3.8

In het kader van de tweede grief betoogt Rochdale dat de kantonrechter bij zijn oordeel dat Rochdale heeft gehandeld in strijd met de redelijkheid en billijkheid, een onjuist - want te licht - criterium heeft gehanteerd. Voorts voert zij aan dat de bodemprocedure betrekking heeft op een geschil tussen de individuele kopers en Rochdale en niet tussen de VvE als zodanig en Rochdale. Zij wijst erop dat het voor rekening van de VvE laten komen van de kosten van de procedure tot het merkwaardige resultaat zou leiden dat Rochdale ook als zij wint nog een substantieel deel van de kosten van die procedure moet dragen. Zij betoogt ten slotte dat ze niet heeft tegengestemd om haar eigen belangen als splitsende en verkopende partij veilig te stellen, maar omdat zij meent dat aan de verplichtingen uit het convenant is voldaan.

3.9

De rechter past terughoudendheid bij de beoordeling of een orgaan van een rechtspersoon bij het nemen van een besluit alle in aanmerking komende belangen naar redelijkheid en billijkheid heeft afgewogen en daarbij de nodige zorgvuldigheid in acht heeft genomen. De daarbij aan te leggen toets is of het orgaan in redelijkheid en billijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen.

3.10

Met inachtneming van het voorgaande overweegt het hof als volgt. Tot nu toe is de VvE nog niet betrokken geweest bij de bodemprocedure. De procedure werd tot nu toe gevoerd tussen de individuele kopers (geïntimeerden 1 tot en met 12) en Rochdale. De vorderingen waren met name, zo begrijpt het hof uit de overgelegde stukken, gebaseerd op de inhoud van de koopovereenkomsten met betrekking tot de appartementen. Gelet daarop valt niet in te zien waarom het in strijd met de redelijkheid en billijkheid zou zijn dat Rochdale weigert aan de kosten van het voeren van deze procedure tegen haarzelf meer bij te dragen dan het bedrag van een eventuele kostenveroordeling bij gebleken ongelijk.

3.11

Anders ligt de kwestie in het hoger beroep van die bodemprocedure. Als de VvE wordt toegestaan in de procedure tussen te komen of zich te voegen, zal dat haar de mogelijkheid bieden voor haar eigen belangen op te komen. Terecht heeft de kantonrechter namelijk overwogen dat de vraag of de VvE als geheel alle kosten van de onderhoudsgebreken aan het appartementencomplex moet dragen dan wel Rochdale als splitsende partij verplicht is de kosten van sommige daarvan als enige te dragen, de gehele VvE aangaat. Het hof wijst in dit verband nog in het bijzonder op de belangen van appartementseigenaren die ná geïntimeerden 1 tot 12 een appartement hebben gekocht en geen eisende partij zijn in de bodemprocedure. Met de kantonrechter is het hof tevens van oordeel dat Rochdale misbruik heeft gemaakt van haar meerderheidspositie in de vergadering van eigenaars door te weigeren toe te staan dat de VvE op deze manier voor haar eigen belangen opkomt. Rochdale had in redelijkheid behoren toe te staan dat de VvE in hoger beroep zich zou voegen of zou tussenkomen en (dus ook:) de daaraan verbonden kosten voor haar rekening zou nemen. Ook voor het hoger beroep geldt echter dat niet valt in te zien waarom de VvE de juridische kosten van de individuele kopers zou moeten dragen, die immers met name opkomen voor hun eigen recht op grond van de koopovereenkomst. Van de totale in het hoger beroep van de bodemprocedure aan de zijde van de kopers en de VvE te maken juridische kosten (waaronder de inschakeling van mr. Beij) moet de helft worden geacht betrekking te hebben op het geding tussen de VvE en Rochdale. Die helft behoort voor rekening van de VvE te kunnen worden gebracht.

3.12

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de tweede grief van Rochdale gedeeltelijk succes heeft. De besluiten van 30 september 2014 houden stand voor zover die betrekking hebben op de weigering de tot nu toe door geïntimeerden 1 tot en met 12 gemaakte advocaatkosten en meer dan de helft van de kosten van het hoger beroep voor rekening van de VvE te brengen.

3.13

De derde grief van Rochdale bestrijdt de door de kantonrechter gegeven machtigingen. Rochdale beroept zich ten eerste op hetgeen zij in het kader van de voorafgaande grieven heeft aangevoerd en stelt zich voorts op het standpunt dat artikel 5:121 BW geen grondslag biedt voor een machtiging aan het bestuur van de VvE om namens de VvE als procespartij deel te nemen aan de bodemprocedure tegen Rochdale, de aan die procedure verbonden kosten te voldoen en de door geïntimeerden 1 tot en met 12 in verband met de bodemprocedure reeds gemaakte advocaatkosten te vergoeden.

3.14

Voor zover de bezwaren van Rochdale zich richten tegen de machtiging de reeds door geïntimeerden 1 tot en met 12 gemaakte advocaatkosten te vergoeden slagen zij op grond van hetgeen hiervoor is overwogen onder 3.10. Hetzelfde geldt voor de machtiging met betrekking tot de aan geïntimeerden 1 tot en met 12 toe te rekenen kosten van het hoger beroep in de bodemprocedure; hiervoor wordt verwezen naar het onder 3.11 overwogene. Niet kan worden gezegd dat de desbetreffende weigeringen van Rochdale redelijke grond ontberen.

3.15

Het hof vermag niet in te zien waarom het bestuur van de VvE op grond van artikel 5:121 BW geen vervangende machtiging zou kunnen vragen om te kunnen procederen wanneer de benodigde toestemming van de vergadering van eigenaars niet wordt verkregen. Artikel 5:121 BW ziet immers op feitelijke handelingen en rechtshandelingen. Uit de machtiging om te procederen vloeit logischerwijs voort dat de VvE de aan dat procederen verbonden kosten dient te dragen. Zo nodig zou de machtiging om die kosten te voldoen ook kunnen worden beschouwd als een toepassing van het tweede lid van artikel 5:121 BW. In zoverre heeft de derde grief van Rochdale dus geen succes.

3.16

De vierde grief van Rochdale ziet op de kosten van dit geding in eerste aanleg en principaal hoger beroep. Uit hetgeen hiervoor is overwogen vloeit voort dat partijen over en weer in het ongelijk worden gesteld. Dit brengt mee dat het redelijk is de kosten van het geding in eerste aanleg en hoger beroep, inclusief die van het incidenteel hoger beroep, te compenseren.

4 Beslissing

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking, voor zover het betreft de beslissingen onder de eerste drie gedachtestreepjes en het vijfde gedachtestreepje van het dictum;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

vernietigt de omstreden besluiten van 30 december 2014 behalve voor zover die betrekking hebben op het weigeren van de vergoeding van de door geïntimeerden 1 tot en met 12 reeds gemaakte advocaatkosten tot een bedrag van € 7.264,24;

machtigt het bestuur van de VvE om namens de VvE als procespartij deel te nemen in de hiervoor bedoelde bodemprocedure tegen Rochdale en daartoe alle benodigde rechts- en proceshandelingen te verrichten en de helft van de advocaatkosten en de overige kosten van die procedure te voldoen;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige;

compenseert de kosten van het geding in eerste aanleg en het principaal en incidenteel hoger beroep aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

verklaart voormelde machtigingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. D.J. van der Kwaak, J.C.W. Rang en J.E. Molenaar en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 24 november 2015.