Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:4916

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
24-11-2015
Datum publicatie
02-03-2016
Zaaknummer
200.154.461/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussen woningstichting en dier statutaire directeur is een schikking getroffen inzake een meningsverschil over de betekenis van een pensioentoezegging in de arbeidsovereenkomst van die directeur. Geen reden om geen uitvoering aan de schikking te geven. Met name ook niet de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector, nu de gewezen directeur geen beëindigingsuitkering vordert.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2016-0235
AR 2016/621
PJ 2016/63

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.154.461/01

zaak-/rolnummer rechtbank (Noord-Holland) : 2367747 \ CV EXPL 13-3837

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 24 november 2015

inzake

de stichting WONINGSTICHTING VAN ALCKMAER VOOR WONEN,

gevestigd te Alkmaar,

appellante,

advocaat: mr. A.J. van der Veen-Janz te Alkmaar,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonend te [woonplaats] (N-H),

geïntimeerde,

advocaat: mr. O.F. Blom te Nieuwegein.

Partijen worden hierna respectievelijk “de Stichting” en “ [geïntimeerde] ” genoemd.

1 Het geding in hoger beroep

Bij dagvaarding van 11 juli 2014 is de Stichting in hoger beroep gekomen van het op 14 mei 2014 onder bovenstaand zaak-/rolnummer uitgesproken tussenvonnis van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Alkmaar (hierna: de kantonrechter), gewezen tussen [geïntimeerde] als eiseres en de Stichting als gedaagde.

Partijen hebben na het aanbrengen van de zaak de volgende stukken gewisseld:

- memorie van grieven,

- memorie van antwoord.

Ter terechtzitting van 18 maart 2015 hebben partijen de zaak door hun bovenvermelde advocaten doen bepleiten. Daarbij hebben deze gebruik gemaakt van pleitnotities, die zij hebben overgelegd.

Ten slotte is arrest gevraagd.

De Stichting heeft geconcludeerd dat het hof het tussenvonnis van de kantonrechter zal vernietigen en de vorderingen van [geïntimeerde] alsnog zal afwijzen, althans (naar het hof begrijpt) de beslissing in het tussenvonnis van de kantonrechter om een deskundige te benoemen zal vernietigen en het geding naar de kantonrechter zal terugwijzen, met aanwijzingen hoe de kantonrechter de zaak verder dient te behandelen en te beslissen, met veroordeling van [geïntimeerde] , uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten van de procedure in eerste aanleg en in hoger beroep.

[geïntimeerde] heeft tot afwijzing geconcludeerd van het door de Stichting in hoger beroep gevorderde. Zij heeft voorts verzocht dat het hof de zaak aan zich zal houden en bij arrest uitvoerbaar bij voorraad, primair, de Stichting zal veroordelen tot hetgeen [geïntimeerde] in eerste aanleg heeft gevorderd, subsidiair, de Stichting zal veroordelen tot betaling van € 400.000,- en tot betaling van de over de jaren 2010 tot en met 2013 verschuldigde tranches ter grootte van jaarlijks € 33.800,-, een en ander te vermeerderen met de wettelijke verhoging (van 50%) van artikel 7:625 BW indien en voor zover het bedrag als achterstallig loon zal worden uitgekeerd, en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van verschuldigdheid van elk bedrag (de berekeningsdatum) tot aan de dag van de feitelijke voldoening, meer subsidiair, het vonnis waarvan beroep, zo nodig onder verbetering en aanvulling van gronden, zal bekrachtigen en de zaak zal terugwijzen naar de kantonrechter, een en ander met veroordeling van de Stichting in de kosten van de procedure zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, waaronder de kosten van het door de kantonrechter bij tussenvonnis van 18 december 2013 verworpen bevoegdheidsincident en de Stichting zal veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten te begroten op de voet van het rapport BGK-Integraal 2013 zoals aangepast in augustus 2014.

Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs aangeboden van hun stellingen.

2 Feiten

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder het kopje “De feiten”, onder 1 tot en met 12, een aantal feiten als in deze zaak vaststaand aangemerkt. De juistheid daarvan is niet in geschil, zodat ook het hof die feiten tot uitgangspunt neemt.

3 Beoordeling

3.1.

Het gaat in deze zaak, voor zover in hoger beroep van belang, om het volgende.

3.1.1.

[geïntimeerde] , geboren op 4 augustus 1957, is met ingang van 1 januari 1999 in dienst getreden als statutair directeur bij (de rechtsvoorgangster van) de Stichting. Artikel 6 van de tussen de Stichting en [geïntimeerde] gesloten arbeidsovereenkomst d.d. 5 juli 2000 bepaalt onder meer:

6.1 De statutair directeur neemt deel aan de bij de corporatie geldende (vroeg)pensioenregeling van de Stichting Pensioenfonds Woningcorporaties (SPW). (...)

6.5

De corporatie treft bij de SPW een voorziening die aan de statutair directeur op de richtleeftijd van 60 jaar een (vroeg)pensioenuitkering garandeert van 70% van haar laatstgenoten loon.”

3.1.2.

[geïntimeerde] en (de Raad van Commissarissen van) de Stichting verschillen van mening over de betekenis van de pensioentoezegging in artikel 6.5 van de arbeidsovereenkomst. Op verschillende momenten zijn hierover op verzoek van partijen adviezen door derden uitgebracht en is tussen partijen hierover overleg gevoerd.

3.1.3.

Op 8 november 2011 heeft Deloitte Belastingadviseurs in een memo gericht aan [geïntimeerde] en de Raad van Commissarissen van de Stichting naar aanleiding van een bespreking op 2 november 2011 geschreven, voor zover van belang:

Besproken is dat er overeenstemming is bereikt tussen de RvC en [geïntimeerde] [d.w.z. de Raad van Commissarissen van de Stichting respectievelijk [geïntimeerde] , toevoeging hof]. De discussie over de uitleg van de pensioenrechten van [geïntimeerde] heeft geresulteerd in een compromis. Het voorstel van de RvC zoals verwoord in het memo van Deloitte van 23 juni 2011 is geaccepteerd door [geïntimeerde] . De bespreking is belegd om de vervolgstappen af te spreken en eventuele onduidelijkheden weg te nemen. Besproken is het volgende:

1. Beschikbaar bedrag

De systematiek van het compromis bestaat erin dat er eenmalig een bedrag van € 400.000 ter beschikking wordt gesteld per ultimo 2010 en vervolgens over de periode van 2010 tot 1 augustus 2017 of zoveel eerder de dienstbetrekking mocht eindigen, jaarlijks een bedrag ter beschikking wordt gesteld. Middels een cafetaria-systeem kan [geïntimeerde] de aanwen[d]ing van de beschikbare bedragen bepalen, waarbij uiteraard de fiscale grenzen in acht zullen moeten worden genomen. (...)

Aldus luidt de afspraak dat naast het reguliere salaris, pensioen, (m.n. SPW), bonus, auto of welke arbeidsbeloning dan ook, gedurende de resterende diensttijd van [geïntimeerde] een bedrag ter beschikking komt als bovenbedoeld dat als volgt is overeengekomen:

Totaalbedrag 948.544

Af: veronderstelde reguliere SPW-premies 291.543

Totaal 657.001

Van dit totaalbedrag komt aldus € 400.000 ineens ter beschikking en de resterende € 257.001 wordt inverdiend van 1 januari 2010 tot en met juli 2017 (7 jaar + 7 maanden = 91 maanden, € 33.890,- per volledig jaar).

2. Resterende keuzes

a. Het volgende is nog niet definitief overeengekomen:

Moment. Zonder dat het expliciet aan de orde is gekomen, is er min of meer impliciet van uit gegaan dat de genoemde bedragen steeds aan het einde van het betrokken jaar ter beschikking worden gesteld. Actie: alsnog expliciet overeen komen.

Behandeling 2010 en 2011. De berekeningen zijn gebaseerd op de situatie per einde 2010. Inmiddels is het einde 2011. (...) De vraag is of er over het deel dat aan 2010 is toe te rekenen (...) nog rente moet worden berekend. Actie: overeen komen.

b. Vormgeving.

Langere tijd is stilgestaan bij de fiscale mogelijkheden en grenzen. In grote lijnen is de wens uitgesproken om als eerste zoveel mogelijk gebruik te maken van de ruimte die de SPW-pensioenregeling biedt, vervolgens wellicht af te storten bij een andere verzekeraar of gebruik te maken van de levensloopregeling en tot slot het resterende deel als belastbaar loon uit te keren.

Besloten is om in dit kader een pensioenspecialist te raadplegen. [X] zal collega [Y] vragen (...).”

3.1.4.

Eind 2011 heeft Deloitte Belastingadviseurs aan de Stichting een concept tekst voor een “Aanvullende arbeidsovereenkomst” toegestuurd. Partijen hebben deze conceptovereenkomst niet ondertekend.

3.1.5.

In een vergadering van 11 december 2012 heeft de Raad van Commissarissen van de Stichting besloten ervan uit te gaan dat [geïntimeerde] tot haar 65-ste jaar zou doorwerken en om aan [geïntimeerde] geen compensatie te geven voor de periode voorafgaand aan haar indiensttreding, alsmede een in 2011 genomen voorziening ter dekking van de pensioenverplichting jegens [geïntimeerde] vrij te laten vallen. Voor deze besluiten werd de volgende motivering gegeven (notulen vergadering pagina 3):

4. Pensioen SD EH

Wat meespeelt in de overweging van de RvC over het pensioen van de SD EH [d.w.z. [geïntimeerde] , toevoeging hof] is de maatschappelijke discussie en nieuwe regelgeving m.b.t. onder meer de beloning van bestuurders. Ook speelt de mogelijke negatieve media aandacht een rol bij de besluitvorming van de RvC. Reputatie risico met alle gevolgen van dien, voor zowel de De Corporatie, de bestuurder alsmede de leden van de RvC.

3.1.6.

Bij vaststellingsovereenkomst van 11 april 2013 zijn partijen overeengekomen dat de arbeidsovereenkomst op initiatief van de Stichting per 31 december 2013 met wederzijds goedvinden zal eindigen en dat de Stichting [geïntimeerde] wegens gederfd en/of te derven loon zal compenseren door betaling van een vergoeding van € 75.000,- bruto. [geïntimeerde] heeft haar functie vervuld tot medio april 2013. In artikel 6 van deze vaststellingsovereenkomst is met betrekking tot het pensioen van [geïntimeerde] bepaald:

6. PENSIOEN

Tot aan de Beëindigingdatum zal de pensioenopbouw worden voortgezet. Afwikkeling van de voor Werkneemster geldende pensioenregeling zal overeenkomstig de pensioenregeling en de pensioenwetgeving plaatsvinden. Partijen hebben een geschil over de uitleg en de omvang van de pensioentoezegging zoals gedaan in artikel 6 van de arbeidsovereenkomst d.d. 5 juli 2000. Partijen laten die discussie helemaal buiten deze Vaststellingsovereenkomst. Werkneemster heeft aldus het recht om ten aanzien van (de uitleg en omvang van de pensioentoezegging in) artikel 6 van de arbeidsovereenkomst de rechter te adiëren. In dat verband rust op Werkgever een verplichting om mee te werken aan het verstrekken van alle gegevens/inlichtingen die nodig zijn voor een juiste beoordeling van de pensioenclaim van Werkneemster (plicht tot ‘disclosure’), waarbij de inlichtingen niet zijn beperkt tot adjectieven, nadere omschrijvingen etc.

3.2.

[geïntimeerde] heeft de Stichting gedagvaard en gevorderd dat deze zal worden veroordeeld om aan haar € 385.900,- ter beschikking te stellen ter zake van vroegpensioen en € 1.306.000,- ter zake van het levenslange ouderdomspensioen, op fiscaal acceptabele wijze door [geïntimeerde] aan te wenden, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van artikel 7:625 BW over deze bedragen voor zover zij als achterstallig loon worden uitgekeerd en met wettelijke rente. Aan deze vordering heeft [geïntimeerde] , kort weergegeven, ten grondslag gelegd dat de Stichting op grond van artikel 6 van de arbeidsovereenkomst van 5 juli 2000 gehouden is een aanvullende pensioenvoorziening voor [geïntimeerde] af te sluiten, resulterend in een vroegpensioenuitkering van 70% van het laatstelijk genoten loon alsmede een levenslange pensioenuitkering op diezelfde basis. De regeling van de Stichting Pensioenfonds voor de Woningbouwcorporaties (hierna: SPW) is echter gebleken daarvoor niet voldoende op te leveren. Een berekening wijst uit dat de geldbedragen die zij vordert moeten worden gestort om de toegezegde pensioenvoorziening alsnog te verkrijgen, rekening houdende met de pensioenaanspraken die voortvloeien uit de regeling bij SPW waarbij [geïntimeerde] is aangesloten.

3.3.

De Stichting heeft tegen de vordering verweer gevoerd. Bij het bestreden vonnis heeft de kantonrechter onder 20 tot en met 22 als volgt overwogen:

20. Dat zo zijnde overweegt de kantonrechter als volgt. Teneinde een voortdurend debat van partijen zoals van 2002 tot heden gevoerd, niet verder te laten uitwaaieren en ook om proceseconomische redenen, zal verder worden uitgegaan van de conceptovereenkomst van 8 november 2011. Daarbij zij aangetekend dat afgezien van principale juridische verweren die in het vooroverwogene al zijn besproken, geen overwegende inhoudelijke bezwaren van de zijde van de stichting, afgezien van reputatieschade, naar voren zijn gebracht.

Dit betekent dat uitgaande van die overeenkomst een fiscalist, die de fiscale consequenties, conform voorbehoud zoals de stichting heeft gemaakt ter zake de fiscale toelaatbaarheid, zal worden benoemd.

21. Partijen worden uit proceseconomisch oogpunt uitdrukkelijk in de gelegenheid gesteld om van deze tussenbeslissing in appèl te gaan.

22. Mochten partijen daarvan afzien, dan zal in overleg met partijen een deskundige worden benoemd. Partijen mogen zich dan bij akte uitlaten over het aantal en het specialisme van de te benoemen deskundige(n) en over de aan de deskundige(en) voor te leggen vragen. Indien partijen zich wensen uit te laten over de persoon van de te benoemen deskundige(n) dienen zij daarbij aan te geven over welke deskundige(n) zij het eens zijn, dan wel tegen wie zij gemotiveerd bezwaar hebben.

De kantonrechter heeft de zaak in het dictum van het vonnis naar de rol verwezen voor uitlating door partijen bij akte, onder aanhouding van elke nadere beslissing. Nu de kantonrechter voorts heeft beslist dat van het (tussen)vonnis zelfstandig, afzonderlijk van het in deze zaak te wijzen eindvonnis, hoger beroep kan worden ingesteld, is de Stichting ontvankelijk in het hoger beroep.

3.4.

De Stichting heeft tegen het voornoemde (tussen)vonnis van de kantonrechter dertien grieven aangevoerd.

3.5.

Grief 1 houdt in dat de kantonrechter ten onrechte geen acht heeft geslagen op het verweer van de Stichting dat de vordering van [geïntimeerde] voorbarig en in het geheel nog niet opeisbaar is en, voor zover dat wel het geval mocht zijn, dat de vordering verjaard is. Grief 2 bevat de klacht dat de kantonrechter ten onrechte geen acht heeft geslagen op het verweer van de Stichting dat de pensioentoezegging aan [geïntimeerde] zoals weergegeven in artikel 6 van de arbeidsovereenkomst voorwaardelijk is, namelijk alleen geldt indien [geïntimeerde] nog op de pensioengerechtigde leeftijd in dienst zou zijn van de Stichting. Grief 3 klaagt erover dat de kantonrechter geen woord heeft gewijd aan het verweer van de Stichting dat de vroegpensioenvordering van [geïntimeerde] sowieso afgewezen moet worden nu er geen vroegpensioenregeling meer is bij SPW en de Raad van Commissarissen van de Stichting eind december 2012 te kennen heeft gegeven dat [geïntimeerde] niet voor haar 65e met pensioen had kunnen gaan. Met grief 4 betoogt de Stichting dat de vordering van [geïntimeerde] in de inleidende dagvaarding - gelet op de woorden in het petitum “(door de Kantonrechter in goede justitie te bepalen) bedrag, welke [geïntimeerde] op een fiscaal acceptabele wijze zal aanwenden” - te vaag geformuleerd en te weinig concreet is en dat deze eis niet kan worden toegewezen, laat staan geëxecuteerd. Grief 5 verwijt de kantonrechter niet te zijn ingegaan op het verweer van de Stichting dat niet alleen de Stichting maar ook [geïntimeerde] gebonden is aan de reglementen van SPW, waarin een eenzijdig wijzigingsbeding is opgenomen.
Grief 6 klaagt over het oordeel van de kantonrechter in overweging 17 van het vonnis dat niet gebleken is dat de regeling uit de arbeidsovereenkomst een standaardbepaling is waaraan geen of geringe rechtsgevolgen zouden kunnen worden verbonden.
Grief 7 keert zich tegen de overweging (eveneens onder 17 van het vonnis) dat er in dit geding van kan worden uitgegaan dat de Stichting ook bevoegd was om een afwijkende pensioenregeling overeen te komen, nu het tegendeel daarvan niet (voldoende) is gesteld of gebleken. Grief 8 bevat de klacht dat de kantonrechter heeft overwogen dat de Stichting de pensioenregeling ook zelf een afwijkende regeling zou hebben gevonden. Grief 9 poneert de klacht dat de kantonrechter ten onrechte heeft gesteld dat partijen een afwijkende pensioenregeling zijn overeengekomen en dat zulks te plaatsen is in het licht van de tijdgeest van het jaar 2000. Met grief 10 voert de Stichting aan dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat de vergoeding van € 75.000,- niet tevens op grond van de WNT (Wet normering topinkomens) de pensioenaanspraken van [geïntimeerde] omvat. Grief 11 houdt in dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat partijen in 2012 steeds zijn uitgegaan van het bestaan van een afwijkende pensioenregeling. Grief 12 klaagt erover dat de kantonrechter heeft overwogen dat partijen van meet af aan hebben gediscussieerd over de fiscale consequenties van de pensioenregeling en ten slotte richt de Stichting zich in grief 13 tegen het vonnis met de klacht dat de kantonrechter onder 19 ten onrechte heeft overwogen dat een gewijzigde reservering is opgenomen in de jaarrekening als gevolg van de conceptovereenkomst van 8 november 2011.

3.6.

Het hof stelt vast dat geen van de grieven is gericht tegen overweging 20 van het bestreden vonnis, waarin de kantonrechter, zoals hiervoor onder 3.3 is weergegeven, heeft overwogen dat “verder [zal] worden uitgegaan van de conceptovereenkomst van 8 november 2011”. Dit brengt om de volgende redenen mee dat de grieven geen doel treffen en grotendeels inhoudelijk onbesproken kunnen blijven.

3.7.

Tussen partijen is niet in geschil dat zij, zoals is vastgelegd in het onder 3.1.3 aangehaalde memo van Deloitte Belastingadviseurs van 8 november 2011, op of omstreeks 2 november 2011 overeenstemming hebben bereikt over hun geschil met betrekking tot de vraag welke uitleg gegeven diende te worden aan de pensioentoezegging in artikel 6.5 van de arbeidsovereenkomst tussen partijen. Het memo van Deloitte van 8 november 2011 spreekt in dit verband van een tussen partijen tot stand gekomen ‘compromis’. Door de Stichting is gesteld (vide toelichting op grief 11) dat partijen met betrekking tot hun meningsverschil over die pensioentoezegging - waarbij de Stichting zich op het standpunt stelde dat zij op het punt van de voor [geïntimeerde] al gerealiseerde pensioenvoorziening tot niets extra verplicht was maar [geïntimeerde] van mening was dat aan haar een (vroeg)pensioen van 70% van haar laatstverdiende loon was toegezegd, die wel een extra verplichting voor de Stichting meebracht - toen “een schikking” hebben getroffen. Een schikking is een vaststellingsovereenkomst in de zin van artikel 7:900 Burgerlijk Wetboek (BW), waarbij partijen ter beëindiging of ter voorkoming van onzekerheid of geschil omtrent hetgeen tussen hen rechtens geldt, zich jegens elkaar aan een vaststelling binden, bestemd om ook te gelden voor zover zij van de tevoren bestaande rechtstoestand mocht afwijken.

3.8.

Dit laatste brengt met zich mee dat de vraag hoe de pensioentoezegging in artikel 6 van de arbeidsovereenkomst moet worden uitgelegd en of [geïntimeerde] daaraan (nog) rechten kan ontlenen, niet langer relevant is. Een bespreking van de grieven van de Stichting kan daarom achterwege blijven. Zij hebben immers alle de strekking te betogen dat de kantonrechter van een onjuiste uitleg van artikel 6 van de arbeidsovereenkomst is uitgegaan dan wel ten onrechte niet de uitleg heeft gevolgd die de Stichting aan die pensioentoezegging geeft. Op de grieven 4 en 10 zal hierna afzonderlijk nog worden ingegaan.

3.9.

Door de Stichting is niet aangevoerd dat de schikking van 8 november 2011 is opgezegd, ontbonden of om andere redenen niet langer tussen partijen zou gelden. Ook [geïntimeerde] heeft zich niet op dat standpunt gesteld. De enkele omstandigheid dat de Raad van Commissarissen van de Stichting heeft besloten om, zoals de kantonrechter in het bestreden vonnis onder 9 onbestreden heeft vermeld, van de overeenkomst van 8 november 2011 afstand te nemen en in zijn vergadering van 11 december 2012 heeft besloten zoals hiervoor onder 3.1.5 is weergegeven, leidt bij gebreke van gebleken instemming van [geïntimeerde] met die besluiten, niet tot een andere conclusie.

3.10.

Het tussen partijen tot stand gekomen compromis hield, kort samengevat, in dat de Stichting eenmalig per ultimo 2010 aan [geïntimeerde] een bedrag van € 400.000,= ter beschikking zou stellen en dat de Stichting vervolgens over de periode met ingang van 1 januari 2010 tot 1 augustus 2017 of zoveel eerder de dienstbetrekking mocht eindigen, per vol jaar een bedrag aan [geïntimeerde] ter beschikking zou stellen van € 33.890,=.

3.11.

In het door Deloitte Belastingadviseurs opgestelde memo wordt opgemerkt dat de tussen partijen gemaakte afspraken daaromtrent nog slechts op een drietal onderdelen nader dienden te worden uitgewerkt. In de bewoordingen van het memo diende in de eerste plaats nog expliciet te worden overeengekomen op welk tijdstip de overeengekomen bedragen door de Stichting aan [geïntimeerde] zouden moeten worden uitgekeerd. Hierover vermeldt het memo dat reeds impliciet de afspraak was gemaakt dat het moment van betaalbaarstelling zou vallen tegen het einde van ieder desbetreffend jaar. Nu door geen van de partijen is aangevoerd dat van andere data van betaalbaarstelling dient te worden uitgegaan, moet dit als tussen partijen overeengekomen gelden. In het memo van Deloitte Belastingadviseurs wordt als tweede vraag genoemd of de Stichting over de ter beschikking te stellen bedragen rente zou moeten voldoen indien en voor zover de bedragen te laat zouden worden voldaan. Ingevolge artikel 6:119 BW bestaat schadevergoeding wegens vertraging in de voldoening van een geldsom in de wettelijke rente verschuldigd over de tijd dat de schuldenaar met de voldoening van een geldsom in verzuim is geweest. Uit de hiervoor genoemde afspraak tussen partijen omtrent de datum van betaalbaarstelling van de overeengekomen geldbedragen, vloeit voort dat de door [geïntimeerde] gevorderde wettelijke rente door de Stichting verschuldigd is vanaf de data waarop de geldbedragen op grond van het memo uiterlijk hadden moeten worden voldaan, dus, zoals door [geïntimeerde] is gesteld, over € 467.890,= (het eenmalige bedrag van € 400.000,= en de tranches over 2010 en 2011) ingaande per ultimo 2011 en over de tranches verschuldigd over 2012 en 2013 met ingang van 31 december van de desbetreffende jaren.

3.12.

Ten slotte hebben partijen gesproken over de vormgeving van de regeling. Door Deloitte Belastingadviseurs is in het memo van 8 november 2011 daarover opgemerkt dat door partijen is stilgestaan bij de fiscale mogelijkheden en grenzen en dat in grote lijnen de wens is uitgesproken om als eerste zoveel mogelijk gebruik te maken van de ruimte die de SPW‑pensioenregeling biedt, dat vervolgens wellicht zou worden afgestort bij een andere verzekeraar of dat gebruik zou worden gemaakt van de levensloopregeling en, tot slot, dat het resterende deel als belastbaar loon zou worden uitgekeerd. Partijen zijn overeengekomen dat op dit punt een pensioenspecialist zou worden geraadpleegd.

3.13.

Door de Stichting is niet gemotiveerd uiteengezet dat er rechtsgeldige redenen bestonden om aan de bereikte schikking geen uitvoering te geven vanwege het laatstvermelde aspect van vormgeving. Het hof is, met de kantonrechter, van oordeel dat er alle aanleiding bestaat die overeenkomst alsnog ten uitvoer te leggen en om eventuele fiscale aspecten te laten beoordelen door een deskundige die zal kunnen nagaan op welke wijze de door de Stichting uit te keren geldbedragen dienen te worden besteed op fiscaal toelaatbare wijze. [geïntimeerde] heeft te kennen gegeven dat “geen behoefte” meer bestaat aan het benoemen van een fiscale deskundige “gegeven de fase waarin de procedure en het debat tussen partijen zich thans bevindt”. In het bijzonder vermeldt [geïntimeerde] daarvoor als reden dat zij niet meer bij de Stichting in dienst is en dat het vraagstuk van de fiscaliteit eenvoudig is op te lossen door de totale vergoeding inclusief wettelijke rente aan te bieden aan SPW teneinde bij de pensioenvoorziening van [geïntimeerde] te worden gevoegd. Zij stelt voorts dat indien en voor zover SPW van oordeel is dat een deel van de vergoeding fiscale problemen oplevert, het restant eenvoudig onder inhouding van wettelijke heffingen aan haar zou kunnen worden uitgekeerd. Het hof is van oordeel dat dit voorstel van [geïntimeerde] mogelijkerwijs de eenvoudigste manier is om de eventuele fiscale problematiek met betrekking tot de met uitkeringen te realiseren pensioenvoorziening van [geïntimeerde] tot een oplossing te brengen, maar het hof wil daar niet op vooruitlopen. Het ligt in de rede aan een te benoemen deskundige over te laten of hij mogelijkheden ziet om de gesignaleerde fiscale problematiek op te lossen op de wijze als [geïntimeerde] voor ogen staat. Het hof is van oordeel dat geen aanleiding bestaat de kantonrechter te instrueren dat hij om de door [geïntimeerde] vermelde reden van de door hem voorgenomen benoeming van een (fiscaal) deskundige zou moeten afzien.

3.14.

Het hof bereikt de conclusie dat de grieven 1 t/m 3, 5 t/m 9 en 11 t/m 13 om bovenstaande redenen niet opgaan. Met betrekking tot de grieven 4 en 10 wordt in het bijzonder nog het volgende overwogen.

3.15.

Grief 4 faalt omdat de Stichting zich in deze grief richt tegen de wijze waarop [geïntimeerde] haar vordering in de inleidende dagvaarding heeft geformuleerd. Die vordering is, zoals overwogen, gebaseerd op de pensioentoezegging neergelegd in artikel 6 van de arbeidsovereenkomst zoals [geïntimeerde] die uitlegt. Uit het voorgaande vloeit voort dat die vordering niet voor toewijzing in aanmerking zal komen. [geïntimeerde] heeft in hoger beroep, subsidiair, gevorderd de Stichting te veroordelen tot betaling van de bedragen die zijn genoemd in de overeenkomst tussen partijen van 8 november 2011, welke vordering aansluit op het uitgangspunt dat partijen zijn gebonden aan de overeenkomst van 8 november 2011, als door hen getroffen schikking.

3.16.

Ook grief 10 treft geen doel. De Stichting klaagt tevergeefs over het oordeel van de kantonrechter dat in de door de Stichting ingevolge de overeenkomst tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst van 11 april 2013 te betalen vergoeding van € 75.000,= niet ook het pensioen van [geïntimeerde] was inbegrepen, voor zover voortvloeiend uit de pensioentoezegging waarover partijen van mening verschilden. Met zoveel woorden is in die overeenkomst immers vermeld dat partijen het geschil met betrekking tot de pensioentoezegging buiten die overeenkomst laten. De Stichting kan niet worden gevolgd in het betoog dat de vordering van [geïntimeerde] afstuit op de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector (WNT). De vordering van [geïntimeerde] heeft betrekking op nakoming van de overeenkomst van 8 november 2011, zoals hiervoor is overwogen, en houdt derhalve niet in dat [geïntimeerde] een uitkering vordert wegens het beëindigen van het dienstverband. De in die wet gestelde maximering van ontslagvergoedingen mist in dit geval toepassing. Het beroep van de Stichting op de WNT faalt dus.

4 Slotsom, proceskosten en verdere afdoening

4.1.

De grieven falen. Het vonnis van de kantonrechter zal daarom worden bekrachtigd. Het verzoek van [geïntimeerde] aan het hof om de zaak aan zich te houden, kan niet worden toegewezen aangezien de Stichting niet heeft ingestemd met afdoening door het hof en aldus van een eenparig verzoek van partijen als in artikel 355 Rv bedoeld geen sprake is. De zaak dient daarom ter verdere behandeling en beslissing naar de kantonrechter te worden teruggewezen. De kantonrechter dient nog te beslissen op de hoofdvorderingen van [geïntimeerde] en haar vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten zal eveneens nog door de kantonrechter moeten worden beoordeeld.

4.2.

De Stichting zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep. Voor een kostenveroordeling in het bevoegdheidsincident in eerste aanleg, zoals door [geïntimeerde] gevorderd, bestaat geen aanleiding omdat de kantonrechter in het tussenvonnis waarbij de vordering in dit incident is afgewezen, reeds een kostenveroordeling heeft uitgesproken.

5 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het bestreden vonnis;

wijst de zaak terug naar de kantonrechter in de rechtbank te Noord-Holland, zittingsplaats Alkmaar, ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt de Stichting in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 308,= aan verschotten en € 2.682,= voor salaris;

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. L.A. J. Dun, W.H.F.M. Cortenraad en J.E. Molenaar en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 24 november 2015.