Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:4913

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
24-11-2015
Datum publicatie
29-02-2016
Zaaknummer
200.138.372/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervolg tussenarrest 28 oktober 2014. Bewijslevering geslaagd. Begroting van de schade veroorzaakt door de onrechtmatige daad van de gemeente. Verdere instructies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.138.372/01

zaaknummer rechtbank Amsterdam : C/13/492274/HA ZA 11-1855


arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 24 november 2015

inzake

[appellant] ,
wonende te [woonplaats] ,

appellant,

advocaat: mr. J. de Wit te Amsterdam,

tegen:

de publiekrechtelijke rechtspersoon GEMEENTE AMSTERDAM,

zetelend te Amsterdam,

geïntimeerde,

advocaat: mr. R.D. Lubach te Amsterdam.

1 Het verdere procesverloop

Partijen worden weer aangeduid als [appellant] en de gemeente.

In het tussenarrest van 28 oktober 2014 heeft het hof [appellant] toegelaten tot bewijslevering.

[appellant] heeft op 20 mei 2015 getuigen doen horen.

De gemeente heeft in het tegen-getuigenverhoor op 2 juli 2015 een getuige doen horen.

Partijen hebben afgezien van het nemen van een memorie na enquête.

Tenslotte hebben partijen wederom arrest gevraagd.

2 De verdere beoordeling

2.1

In het tussenarrest heeft het hof [appellant] toegelaten te bewijzen dat tijdens de bespreking op 23 december 2009 namens het Stadsdeel door [Y] is gezegd dat het door [appellant] ingediende bouwplan paste binnen het vigerende bestemmingsplan ZA en dat is afgesproken dat het Stadsdeel met een schriftelijke reactie zou komen op het bouwplan, althans dat architect [X] in januari 2010 aanvullende stukken heeft aangeleverd bij het Stadsdeel, waarna beslist kon worden door het Stadsdeel.

2.2

Door getuige J. de Wit, advocaat van [appellant] , is het volgende verklaard:

“Het gesprek met [Y] was door mij aangevraagd. Wij, en dan bedoel ik [appellant] , [X] en ik zelf, konden op korte termijn bij hem terecht. Dat was dus het gesprek op 23 december 2009. Wij hadden al begrepen voorafgaand aan het gesprek dat er iets aan de hand was met het bestemmingsplan. Dat bestemmingsplan was ooit aan de architect ter hand gesteld en mede op basis daarvan had hij bouwtekeningen gemaakt. Maar wij vermoedden dus dat er iets met dat bestemmingsplan aan de hand was. En inderdaad, al bij aanvang van het gesprek zei [Y] dat dat klopte en dat dat bestemmingsplan niet het vigerende plan was. Wij vroegen toen wat de consequenties waren. Ons doel was natuurlijk dat we zo snel mogelijk een bouwvergunning zouden krijgen omdat alles al heel lang duurde. Wij hebben met [Y] besproken wat er zou moeten gebeuren. [Y] zei dat het inderdaad klopte dat wij ons op een verkeerd plan hadden georiënteerd, daaronder ook begrepen de gemeente zelf. Hij zei echter dat hij verwachtte dat het geen grote problemen zou opleveren om het bouwplan in het geldende bestemmingsplan in te passen. Hij wilde daarover nog overleggen met een collega. De naam daarvan ben ik vergeten. In aanvulling hierop: de naam is denk ik niet genoemd, maar ik ben de functie van die collega vergeten. Maar [Y] verwachtte geen problemen. Wij liepen dan ook opgelucht de deur uit. Het hele gesprek heeft misschien een kwartier geduurd.

Ik wil nog expliciet melden dat [Y] zei dat het snel zou kunnen. Verder merk ik nog op dat ik niet weet op welk punt er sprake was van verschillen tussen de verschillende bestemmingsplannen. Mogelijk is ook dat er voor het bouwplan geen relevante verschillen waren.

U vraagt mij hoe het zit met de mededeling in de akte na tussenvonnis dat in januari 2010 de verzochte stukken aan het Stadsdeel zijn toegezonden. Ik kan daarop zeggen dat dat ging om stukken waarom [Y] op 30 december 2009 telefonisch verzocht heeft bij [X] . [Y] had rechtstreeks contact opgenomen met [X] dus ik weet dit niet uit eigen wetenschap. [X] heeft mij daarvan later wel op de hoogte gesteld. Het ging om een aantal oppervlakte- en hoogtematen die [Y] nog wilde hebben. Deze heeft [X] in januari 2010 aan hem toegezonden.

U vraagt mij naar de aanpassingen in het bouwplan in januari en februari 2012. Ik kan dat niet echt zeggen want ik was daarbij niet rechtstreeks betrokken. Het bouwplan zoals het er lag in december 2009 was op zichzelf klaar. Ik weet dat er in 2012 bijvoorbeeld nog een luifel is weggehaald. Die luifel mocht overigens wel worden geplaatst, want die is vergunningsvrij.

U vraagt mij hoe het verder is gegaan na het aanleveren van de oppervlakte- en hoogtematen door [X] . Wij hebben niets meer gehoord. Wel hebben we enkele keren een reminder gestuurd. We hebben ook niets gehoord van een collega. Verder is er met [Y] ook geen contact meer geweest. Ik durf niet te zeggen of [X] nog contact met [Y] heeft gehad.”

2.3

Door [X] , architect, is als getuige het volgende verklaard:

“Ik heb het arrest van het hof doorgelezen en ik weet waar het over gaat. Ik ben vanaf begin 2008 betrokken geweest bij de bouwplannen van [appellant] . (…)
Ik was er op een gegeven moment zelf achter gekomen dat het bestemmingsplan dat ik zelf tot mijn beschikking had niet in werking was. Ik heb daar toen mijn opdrachtgever, [appellant] van op de hoogte gesteld. We hebben toen een afspraak gemaakt met [Y] . Op 23 december 2009 zijn wij met drie personen bij hem geweest. Het doel van het gesprek was tweeledig. In de eerste plaats wilden we weten wat er precies aan de hand was met het bestemmingsplan. De gemeente deed daar namelijk heel schimmig over. In de tweede plaats wilden wij het bouwplan vlottrekken.

Tijdens het gesprek bleek dat een deel van het bestemmingsplan was vernietigd en dat de gemeente aanvankelijk dacht dat het niet vernietigde deel het geldende plan zou zijn. Maar dat was natuurlijk niet juist want een gedeeltelijk vernietigd bestemmingsplan kan niet in werking treden. Dus, zo was de gemeente nu ook duidelijk, moest worden teruggevallen op het oude bestemmingsplan. Vervolgens ging het gesprek verder over de vraag of het bouwplan met vrijstellingen zouden kunnen worden ingepast in het oude bestemmingsplan. Duidelijk was namelijk wel dat het bouwplan niet zonder meer in het oude bestemmingsplan zou passen. Daarvoor zouden vrijstellingen moeten worden verleend. Het ging in de eerste plaats om een verschil in toegestane bouwhoogte. Volgens het oude bestemmingsplan was het bouwwerk 10 á 15 centimeter te hoog, dit gemeten vanuit de kruin van de weg. In de tweede plaats was er iets met het gemetselde balkon wat zonder vrijstelling niet zou worden toegestaan. In de derde plaats iets met een luifel. [Y] zou overleggen met een stedenbouwkundige of die vrijstellingen konden worden verleend. Overigens betwijfel ik of in het gesprek deze punten specifiek besproken zijn. Volgens mij hebben we toen meer in algemene zin gesproken over eventuele vrijstellingen. Ik had zelf wel een globaal beeld van mogelijke problemen, omdat ik het oude bestemmingsplan inmiddels zelf had opgehaald bij de gemeente. [Y] zegde toe dat hij er zo snel mogelijk op terug zou komen en dat wij dan zouden horen of het bouwplan paste binnen het bestemmingsplan of dat wij het zouden moet aanpassen. Ik merk hierbij nog op dat de gedachte was dat het nieuwe bestemmingsplan vroeg of laat alsnog in werking zou treden. Het bouwplan paste binnen dit nieuwe plan en dat bracht mee dat op zichzelf te verwachten was dat het verlenen van vrijstelling geen problemen zou opleveren. In ieder geval zou [Y] nagaan hoever hij kon gaan. [appellant] stelde zich soepel op en zei dat hij het bouwplan wilde aanpassen als dat nodig was voor een bouwvergunning. Wij gingen weg met de gedachte dat wij snel antwoord zouden krijgen op de vraag of wij nog aanpassingen moesten doen.

Vervolgens heeft [Y] mij op 31 december 2009 aan het eind van de middag gebeld. Ik zat met vrienden thuis al aan de borrel. Hij wilde graag gegevens over de hoogte van het bouwplan en over de hoogte van de kruin van de weg. Die gegevens had hij nodig om te kunnen zeggen of en welke vrijstelling zou kunnen worden gegeven. Aan het begin van het nieuwe jaar heb ik die gegevens op de bouwtekening aangebracht en aan de gemeente toegezonden. Ik weet nog goed dat ik dit gedaan heb, want ik heb het namelijk allemaal zelf gedaan. In verband met de crisis had ik al mijn personeel moeten ontslaan dus ik had niemand meer in dienst. Ik heb zelf de gegevens op de tekening verwerkt en zelf de tekening in een envelop gedaan en vervolgens de envelop ook zelf op de post gedaan. Ook heb ik mijn opdrachtgever hiervan op de hoogte gesteld.

Hierna heb ik niets meer gehoord. Ik heb vervolgens meerdere keren geprobeerd contact te krijgen met [Y] , zowel per telefoon als per mail. Dat is echter op niets uitgelopen. Voor zover ik mij kan herinneren heb ik hem ook nooit meer aan de lijn gehad. Ik heb ook nog geprobeerd via andere mensen van de gemeente informatie te krijgen. Ook dat is niet gelukt. Verder heb ik op een gegeven moment een klacht ingediend bij de gemeente. Daar heb ik ook nooit iets op gehoord.

U vraagt mij naar de aanpassingen in januari en februari 2012. Ik was mee geweest naar een zitting bij de rechtbank. Het was de comparitie in november 2011. De zaak is toen heel snel opgepakt. Ik ben op het Stadsdeelkantoor geweest en heb toen het bouwplan doorgesproken. [Y] was daarbij niet meer aanwezig. Ik herinner mij een meneer [A] . Inderdaad bleek toen dat het bouwplan moest worden aangepast volgens de lijnen waarover ik in december 2009 al had gedacht. Dus ik heb de volgende aanpassing verricht: ik heb een aantal hoogtes in het plan aangepast, het gemetselde balkon is vervangen door een balkon met een transparant hek en de luifel is verwijderd. Of er ook vrijstellingen zijn verleend weet ik niet. Het kan zijn dat ik én aanpassingen heb gedaan én vrijstellingen zijn verleend, bijvoorbeeld doordat tot een bepaalde hoogte vrijstelling kon worden verleend. Bij nader inzien kan ik verklaren dat er wel vrijstellingen zijn verleend omdat het bouwplan anders niet vergund kon worden, ook niet met aanpassingen.

U vraagt mij of de wijzigingen in het bouwplan ingrijpende wijzigingen waren. Nee dat was niet het geval. Het verlagen van de hoogtes ging om architectonische aanpassingen. Het ging namelijk om het verlagen van de opstand op de gevel. Er was dus geen sprake van het verlies aan ruimte in het pand. Het vervangen van het gemetseld balkon hek door een transparant hek is ook alleen een esthetisch punt. Met betrekking tot de luifel geldt dat deze als vergunningvrij bouwwerk later alsnog zou kunnen worden geplaatst.

Mr. Noordzij vraagt mij of de heer [Y] op het gesprek van 23 december 2009 de verwachting uitsprak dat het wel goed zou komen, doordat het bouwplan met vrijstellingen alsnog binnen het geldende bestemmingsplan zou kunnen worden ingepast. Wij gingen met een positief gevoel weg, dus ik denk het wel.

2.4

Door [appellant] , partijgetuige, is het volgende verklaard:

“Ik kan mij nog herinneren dat het gesprek op 23 december 2009 vlak voor de kerst was. Wij hadden het gesprek aangevraagd omdat er steeds maar geen bouwvergunning kwam en ook geen andere reactie van de gemeente. Het gesprek was op het Stadsdeelkantoor Zuid, tegenover de Rai. Met mij waren mee gekomen De Wit en [X] . Ik weet nog dat we met z’n vieren in een heel klein hokje werden geperst. We hebben gevraagd waarom we geen bouwvergunning kregen en waarom de gemeente verder ook nergens op reageerde. [Y] heeft toen toegegeven dat de gemeente was uitgegaan van een verkeerd bestemmingsplan. Ze waren namelijk uitgegaan van het nieuwe plan maar eigenlijk gold het oude plan nog. Ik ben toen nog redelijk boos geworden omdat ik al drie jaar aan het betalen was voor het huis en er nog geen enkel schot in de zaak zat. Vervolgens is [Y] met [X] in een technisch onderonsje gekomen. Dat ging over de verschillen tussen de bestemmingsplannen en over de vraag of het bouwplan ook binnen het oude bestemmingsplan zou kunnen worden vergund. In hun discussie kwam aan het einde naar voren dat het bouwplan ook paste binnen het oude bestemmingsplan. [Y] heeft dat zo gezegd. Dat was voor mij een hele opluchting. Wij spraken af dat [Y] nog met een reactie zou komen. Die reactie zou erover moeten gaan waarom het zolang duurde en wat er nog nodig was om het voor elkaar te krijgen. Wij hebben toen gevraagd of die reactie in ieder geval op heel korte termijn zou kunnen komen, omdat we al zolang bezig waren. Ik kan nog zeggen dat het pand wat er nu uiteindelijk staat, gebouwd is volgens de bouwtekeningen die toen op tafel lagen.

Vervolgens heeft [X] aan het einde van het jaar telefonisch contact gehad met [Y] . Dat heeft hij mij gemeld. Er waren toen nog twee dingen onduidelijk. [Y] moest bepaalde oppervlaktematen weten en hoogtematen. Verder was onduidelijk vanaf welk punt van de weg je de hoogte moest meten, vanuit het midden of vanuit de zijkant. Dat was toen de discussie. Dat ging trouwens om centimeters. Verder was er nog iets met een luifel. Die hoefde niet in het bouwplan te worden meegenomen want die kon ook zonder vergunning worden gebouwd.

Hierna werd het stil en hebben wij niets meer gehoord. We hebben wel heel veel moeite gedaan om in contact te komen. Dat heb ik niet zelf gedaan, dat deden De Wit en [X] .”

2.5

Door getuige [Y] , bouwplantoetser in dienst van de gemeente, is het volgende verklaard:

“Ik ben nog steeds in dienst bij de gemeente Amsterdam. Ik werk daar sinds 2008. Al die tijd heb ik dezelfde functie gehad, namelijk bouwplantoetser. (…)
Ik kan mij het gesprek van 23 december 2009 nog herinneren. Ik kan mij namelijk herinneren dat mij vele malen de vraag werd gesteld die erop neerkwam dat hij informatie had ingewonnen bij de medewerker van de gemeente Amsterdam en dat hij op basis daarvan dacht dat het bouwplan paste binnen het geldende bestemmingsplan. Ik kan mij niet meer herinneren wie dat vroeg, of het [appellant] zelf was of een van de mensen die bij hem was. Dat inwinnen van die informatie bij de gemeente, had echter plaats gevonden in de periode dat ik nog niet bij de gemeente werkte. Ik heb toen gezegd, dus op 23 december 2009, dat ze niet van het goede bestemmingsplan waren uitgegaan. U zegt het niet goed. Het ging erom dat door [appellant] gezegd werd dat het bouwplan paste binnen het bestemmingsplan, maar dat ik toen heb gezegd dat dat niet het geval was. De reactie was dat men dat niet wist.

U houdt mij voor dat tijdens het vorige getuigenverhoor is verklaard, dat in ieder geval de architect van [appellant] al wist dat het bouwplan niet paste binnen het bestemmingsplan, omdat van een ander bestemmingsplan was uitgegaan. Ik kan mij dat niet herinneren. U vraagt mij hoe het gesprek verder is gegaan. [appellant] zou een gewijzigd plan voorbereiden, aan de hand van het geldende bestemmingsplan. U vraagt mij of er toen ook gesproken is over welke aanpassingen zouden moeten worden gedaan. Volgens mij is daar toen niet op detailniveau over gesproken. U vraagt mij of gesproken is over welke vrijstellingen zouden moeten verleend op grond van het geldende bestemmingplan. Volgens mij alleen op hoofdlijnen. U houdt mij voor dat op de laatste twee vragen anders is verklaard tijdens het vorige getuigenverhoor. Ik kan mij dat niet herinneren.

U vraagt mij hoe het gesprek is geëindigd. De afspraak was dat een gewijzigd bouwplan zou worden ingediend door [appellant] . U vraagt mij hoe het toen verder is gegaan. Ik weet het niet. U vraagt mij of ik mij kan herinneren of ik met de architect van [appellant] heb gebeld. Dat zou kunnen. U vraagt mij wat ik aan de architect heb gezegd. Ik kan mij niet herinneren wat ik in zo’n specifiek geval gezegd zou kunnen hebben. Ik kan mij het telefoongesprek niet herinneren. U vraagt mij wat daarna is gebeurd. Ik denk dat het plan on hold is gezet om de klant de ruimte te geven het plan aan te passen. U vraagt mij of er een gewijzigd bouwplan is binnengekomen. Ik heb de datum niet voor mij.

U vraagt mij of ik later [appellant] of de architect of de advocaat nog aan de telefoon heb gehad. Ik denk dat het eindtraject voor deze vergunningaanvraag door een collega is afgehandeld. Ik denk dat die nog wel gesprekken heeft gevoerd. U vraagt mij of ik zelf nog een telefoonnotitie van [appellant] of een van zijn hulppersonen heb ontvangen of een e-mail van hen heb gekregen. Dat zou kunnen. Ik kan het mij niet herinneren.

Mr. De Wit vraagt of ik mijn e-mail zelf lees of dat dat door anderen wordt afgehandeld. Ik lees het in eerste instantie zelf. Mr. De Wit zegt de getuige dat op

8 april 2010, afkomstig van hemzelf, productie 9 bij dagvaarding aan hem is verzonden. Mr. De Wit laat de e-mail aan de getuige zien. Mr. De Wit vraagt of deze e-mail de getuige bekend voorkomt. Het e-mail adres klopt. Ik ga ervan uit dat ik de e-mail destijds heb gezien.

Mr. De Wit zegt dat hij in deze e-mail een samenvatting heeft gegeven van de bespreking van 23 december 2009, die sterk afwijkt van wat de getuige net heeft verklaard. Waarom heeft de getuige daar dan toen niet op gereageerd als die weergave niet juist zou zijn? Het kan zijn dat de e-mail niet beantwoord is omdat het wachten is op het gewijzigd plan. Mr. De Wit vraagt hoe een aan [Y] persoonlijk verzonden aangetekende brief (productie 10 dagvaarding) intern wordt behandeld op het stadsdeelkantoor. Krijgt u die te zien? Als het met het plan te maken heeft, is het zaak dat je geïnformeerd wordt. Dus dan denk ik wel dat je op de hoogte bent van zo’n brief. Ik weet niet hoe het gaat met een brief die niet op het plan betrekking heeft. Als een brief binnenkomt bij de gemeente, wordt daar altijd een behandelaar aan gekoppeld, althans toentertijd, maar ik weet niet of ik dat dan was.

Mr. De Wit vraagt of de getuige zich kan herinneren dat er bij de gemeente onduidelijkheden bestond over wat het vigerende bestemmingsplan was, in verband met een vernietiging van een nieuw plan. Achteraf ben ik daarover geïnformeerd. Toen ik toetste ben ik uitgegaan van het plan dat volgens de juridische afdeling het geldende plan was. U vraagt mij welk plan dat was. Dat was het oude plan.

Mr. De Wit vraagt of de getuige zich kan herinneren dat alle stukken waren toegestuurd die de getuige nodig had voor toetsing van het bouwplan. Ik kan mij herinneren dat er aanvullende gegevens zijn overgelegd. U vraagt of dat voor of na het gesprek van 23 december 2009 was. Op een gegeven moment is er een brief uitgegaan met het verzoek om aanvullende gegevens, die zijn toen toegezonden.

Mr. De Wit houdt de getuige een brief voor van 20 juli 2009 (productie 4 dagvaarding), waarin de getuige toezegt binnen vier weken te zullen reageren. Is het gebruikelijk dat er dan zes maanden verstrijken zonder enige reactie? Het is een automatische gegenereerde brief. De vier weken is een termijn van orde. Ik denk dat het toentertijd wel vaker voorkwam dat niet binnen die vier weken werd gereageerd.

Mr. De Jongh vraagt of de getuige zich kan herinneren of het gewijzigde bouwplan na de bespreking van 23 december 2009 snel kwam of een paar jaar op zich liet wachten. De aanvrager heeft er heel lang over gedaan om een gewijzigd bouwplan in te dienen. Mr. De Jongh vraagt of heel lang, maanden of jaren is. Ik denk dat het uitkomt in jaren. U vraagt of ik al die jaren niet een rappeletje heb gestuurd. Het was destijds gebruikelijk om de aanvrager de tijd te geven zijn plannen uit te werken. De aanvrager was met van alles bezig, ook op het gebied van veiligheid. U vraagt mij wat ik bedoel met veiligheid. Ik kan mij herinneren dat de aanvrager bezig was met leegstand, opknappen, misschien asbest en dat er meerdere aspecten aan de orde waren.

Mr. De Jongh vraagt of het de getuige is geweest die het binnengekomen gewijzigde bouwplan heeft behandeld, of een collega. Naar mijn idee een collega. Mr. De Jong vraagt naar de aanvullende gegevens waarover ik het eerder had, ingezonden naar aanleiding van een brief. Wat voor gegevens waren dat? Dat waren tekeningen en verder weet ik het niet meer, misschien een bodemonderzoek. Mr. De Jongh vraagt of die gegevens in samenhang met wat er al lag voldoende waren om tot een volledige toetsing te komen. Die gegevens waren in principe voldoende om de vergunning te weigeren. Daarom was er juist ruimte gevraagd om een gewijzigd plan in te dienen. Na voorlezing van de verklaring wordt voor de duidelijkheid toegevoegd door de raadsheer commissaris dat het hier gaat om de brief van juli 2009.

2.6

Het hof overweegt het volgende.
De getuigen De Wit, [X] en [appellant] – wiens verklaring enkel als aanvullend bewijs kan dienen, nu [appellant] partijgetuige is – hebben in gelijke zin verklaard, dat tijdens de bespreking op 23 december 2009 is afgesproken dat [Y] zou nagaan welke aanpassingen op het bouwplan nodig waren om dit in overeenstemming te laten zijn met het geldende bestemmingsplan dan wel welke vrijstellingen zouden moeten worden verleend om een bouwvergunning te kunnen verlenen. [Y] heeft daarbij de indruk gewekt dat het wel goed zou komen, dat hij zo snel mogelijk met een reactie zou komen en dat hij geen problemen verwachtte met de te verlenen vrijstellingen. Voorts hebben zij alle drie verklaard – De Wit op basis van informatie van [appellant] of [X] – dat [Y] eind december 2009 telefonisch contact heeft opgenomen met [X] met het verzoek om nadere gegevens over het bouwplan op een tweetal punten, zodat hij ( [Y] ) kon beoordelen of vrijstellingen zouden kunnen worden verleend en zo ja, welke. [X] heeft verklaard dat hij die gegevens – die betrekking hadden op enkele punten van ondergeschikte aard – begin januari 2010 heeft toegezonden aan [Y] , maar dat hij vervolgens niets meer heeft gehoord van [Y] en dat het hem ook niet is gelukt daarna nog contact te krijgen met [Y] . De aanvullende stukken behelsden, zo heeft [X] verklaard, informatie over de hoogte van het bouwplan en over de hoogte van de kruin van de weg.
Hiermee is naar ’s hofs oordeel genoegzaam komen vast te staan dat [X] in januari 2010 aanvullende stukken heeft aangeleverd bij het Stadsdeel (gericht aan [Y] ), waarna op basis van die stukken beslist kon worden welke vrijstellingen zouden kunnen worden verleend door het Stadsdeel. Voorts is genoegzaam komen vast te staan dat het Stadsdeel na toezending van die stukken niets meer van zich heeft laten horen aan [appellant] , De Wit of [X] en dat de bedoelde beslissing over de te verlenen vrijstellingen niet is genomen.
Weliswaar is door [Y] ontkend dat hem stukken zijn toegezonden, maar aan zijn verklaring hecht het hof geen doorslaggevende betekenis, mede gelet op het feit dat de inhoud van de getuigenverklaringen van De Wit, [X] en [appellant] overeenstemt met het schrijven van De Wit van 8 april 2010 aan [Y] , waarin gerefereerd wordt aan de toezegging van [Y] van 23 december 2009 om met een voorstel te komen hoe de zaak alsnog zou kunnen worden afgewikkeld. [Y] heeft niet ontkend dat hij het emailbericht heeft gelezen, maar heeft geen bevredigende verklaring gegeven waarom hij daarop niet heeft gereageerd, indien het (volgens hem) een onjuiste weergave van de stand van zaken bevatte. Ook overigens heeft [Y] niet overtuigend verklaard, temeer nu hij verschillende malen heeft aangegeven dat hij zich dingen niet meer kan herinneren. [Y] heeft ook niet specifiek kunnen aangeven welke gegevens in zijn optiek er dan nog nodig waren.
Al met al is het hof dan ook van oordeel dat [appellant] is geslaagd in het hem opgedragen bewijs.

2.7

Het slagen van [appellant] in zijn bewijsopdracht brengt mee dat het verweer van de gemeente, dat zij niet onrechtmatig heeft gehandeld omdat [appellant] (na 23 december 2009) nog een aangepast bouwplan diende aan te leveren, niet wordt gehonoreerd. Op grond van hetgeen naar voren is gekomen uit de getuigenverhoren, moet worden geoordeeld dat het niet [appellant] , maar het Stadsdeel was dat aan zet was, nadat architect [X] op verzoek van [Y] in januari 2010 aanvullende gegevens had aangeleverd. Volledigheidshalve overweegt het hof nog dat niet aannemelijk is geworden dat de gemeente [appellant] telefonisch heeft bericht dat zij in afwachting was van een gewijzigde bouwaanvraag (conclusie van antwoord, punt 2.9).

Het hof is derhalve met de rechtbank van oordeel dat de gemeente onrechtmatig heeft gehandeld door de wettelijke beslistermijnen in ruime mate te overschrijden en na de bespreking op 23 december 2009 niet haar toezegging na te komen dat de aanvraag alsnog snel en correct zou worden afgehandeld, en door vervolgens in het geheel niet te reageren op de aanmaningen van [appellant] in de loop van 2010, zulks terwijl vast staat dat de gemeente, zeker na de bespreking op 23 december 2009, op de hoogte was van de belangen van [appellant] bij een snelle beslissing op zijn aanvraag.

Naar ’s hofs oordeel moet ervan worden uitgegaan dat de gemeente uiterlijk zes maanden na januari 2010, toen [X] de gegevens waarom [Y] had verzocht hem heeft toegezonden, in positieve zin had kunnen beslissen op de bouwaanvraag van [appellant] . Bij deze periode van zes maanden volgt het hof de eigen berekening van [appellant] (pleitnota hoger beroep punt 6), volgens welke – naar later feitelijk gebleken is – de gemeente een periode van zes maanden nodig had om tot vergunningverlening over te gaan. Derhalve had op uiterlijk 31 juli 2010 de vergunning kunnen worden verleend.

Niet kan worden uitgegaan van 19 oktober 2009 – het moment waarop de beslistermijn van de aanvraag van 1 juli 2009 verliep –, omdat bij het opstellen van het toen voorliggende bouwplan was uitgegaan van een bestemmingsplan dat, naar later bleek, niet het vigerende plan was. Voor dat bouwplan kon derhalve hoe dan ook geen vergunning worden verleend. Indien de gemeente de zaak na ontvangst van de stukken van [X] in januari 2010 voortvarend had opgepakt, mogelijk met de mededeling dat het bouwplan op enkele kleine punten nog aangepast diende te worden, had de vrijstelling snel verleend kunnen worden.

Dit betekent dat sprake is van een termijnoverschrijding door stilzitten van de gemeente van 23 maanden. Feitelijk is de vergunning immers verleend op 21 juni 2012.

2.8

Het overschrijden van de beslistermijn met drieëntwintig maanden moet in de gegeven omstandigheden als onrechtmatig jegens [appellant] worden aangemerkt. De gemeente is aansprakelijk voor de daardoor door [appellant] geleden schade. Het hof neemt daarbij mede in aanmerking dat sprake is van een aanzienlijke mate van termijnoverschrijding, en langdurig stilzitten en op geen enkele wijze reageren door de gemeente op rappellen van [appellant] , terwijl zij wist – zeker na de bespreking op 23 december 2009 – dat er [appellant] veel aan gelegen was een snelle beslissing te krijgen, hetgeen als onzorgvuldig jegens [appellant] moet worden aangemerkt. Dat [appellant] ook een bestuursrechtelijke rechtsgang had kunnen bewandelen tegen het uitblijven van een beslissing (en: het uitblijven van enige reactie) van de gemeente, doet hieraan niet af.
De gemeente heeft ook geen feiten of omstandigheden aangevoerd die haar zouden disculperen dan wel zouden meebrengen dat in de gegeven omstandigheden niet eerder redelijkerwijs een beslissing van haar kon worden verwacht.

Het hof onderschrijft derhalve hetgeen de rechtbank heeft overwogen over het onrechtmatig handelen van de gemeente.

2.9

Vervolgens zijn aan de orde de grieven van [appellant] tegen de afwijzing van de verschillende schadeposten door de rechtbank.

2.10

Grief I heeft betrekking op de afwijzing door de gemeente van de gevorderde hypotheeklasten voor de woning. De rechtbank heeft hierover overwogen dat [appellant] niets heeft gesteld over de hoogte van de woonlasten van zijn woning in [woonplaats] en dat daarover ook uit de andere stukken niets kan worden afgeleid. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat moet worden aangenomen dat ten aanzien van de hypothecaire geldlening ook andere factoren dan de woonlasten een rol spelen, waarover [appellant] niets heeft aangevoerd.

Onder verwijzing naar de opgave van zijn accountant stelt [appellant] dat de maandelijkse rente over de lening die is afgesloten voor de aankoop van [adres]
€ 9.902,08 bedraagt. Volgens [appellant] had de gemeente in redelijkheid binnen zes maanden na 12 augustus 2009 een omgevingsvergunning kunnen verlenen, derhalve uiterlijk per medio februari 2010. Uiteindelijk is de vergunning afgegeven per 21 juni 2012, derhalve 28 maanden later. [appellant] begroot dit onderdeel van zijn schade op 28 x

€ 9.902,08 = € 277.258,24.
[appellant] heeft ter zitting in hoger beroep toegelicht dat hij van plan was, indien de woning zou zijn verbouwd, van [woonplaats] naar Amsterdam te verhuizen omdat zijn zoon daar op de middelbare school zat. Hij zou de woning in [woonplaats] dan hebben verhuurd. Uiteindelijk heeft de vergunning zo lang op zich laten wachten dat zijn zoon al van school was en verhuizen naar Amsterdam om die reden niet meer opportuun was. Om die reden heeft hij de woning aan de [adres] nooit betrokken.

2.11

Het hof overweegt het volgende.

Bij de begroting van de schade van [appellant] moet een vergelijking worden gemaakt tussen de hypothetische situatie dat de gemeente niet onrechtmatig zou hebben gehandeld – dat wil zeggen: tijdig zou hebben beslist – en de situatie waarin [appellant] is komen te verkeren door het onrechtmatig handelen van de gemeente. Uitgangspunt hierbij is, zoals hiervoor is overwogen, dat redelijkerwijs op 31 juli 2010 een positieve beslissing op het bouwplan van [appellant] had kunnen worden genomen.

2.12

Indien op 31 juli 2010 in positieve zin zou zijn beslist op de aanvraag van [appellant] , had hij direct daarna de renovatie en verbouwing van het pand ter hand kunnen nemen. In dat geval was de woning eerder gereed geweest en voor bewoning geschikt. Het hof merkt hierbij op dat de gemeente onvoldoende gemotiveerd heeft betwist dat de woning aan de [adres] bij aankoop door [appellant] niet geschikt was om te bewonen. Dat dit het geval was, heeft [appellant] ook onderbouwd met een verklaring van zijn makelaar [B] (prod. 4 akte na tussenvonnis). [appellant] had dan zijn oorspronkelijke plan kunnen uitvoeren, om naar Amsterdam te verhuizen. De schade van [appellant] moet dan ook worden bepaald door een vergelijking te maken van de woonlasten en/of inkomsten die hij zou hebben gehad als de woning aan de [adres] twee jaar eerder gereed zou zijn geweest voor bewoning, met de situatie waarin hij zich feitelijk bevonden heeft, waarin hij de woonlasten van twee woningen moest dragen. Naar ’s hofs oordeel ligt het niet voor de hand, zoals [appellant] voorstaat, dat dit resulteert in een schade ter omvang van de rentelasten over twee jaar voor de woning aan de [adres] . Die kosten zou hij immers hoe dan ook hebben moeten betalen, tenzij hij de woning zou hebben verkocht. Niet gesteld of gebleken is echter dat het de bedoeling van [appellant] was om de woning aan de [adres] direct na renovatie te verkopen. Zeker nu [appellant] ten pleidooie in hoger beroep te kennen heeft gegeven voornemens te zijn geweest om de woning te [woonplaats] te gaan verhuren, nadat hij de woning aan de [adres] zou hebben betrokken, ligt het in de rede om uit te gaan van de gemiste huurinkomsten van de woning in [woonplaats] .

Het hof zal de zaak naar de rol verwijzen voor het nemen van een akte aan de zijde van [appellant] , waarin hij, met bewijsstukken onderbouwd, kan aangeven wat zijn schade is, volgens de hiervoor omschreven wijze van berekening. De gemeente kan dan vervolgens bij antwoordakte daarop reageren.

2.13

[appellant] heeft verder gevorderd vergoeding van schade wegens kosten voor rechtsbijstand. De rechtbank heeft tot uitgangspunt genomen dat [appellant] de kosten kan vorderen die in rekening zijn gebracht voor de sommaties om de gemeente tot beslissen te bewegen, over de periode tot 20 april 2010. Nu uit de door [appellant] overgelegde specificatie blijkt dat voor die werkzaamheden een tarief van € 0,-- is gerekend, heeft de rechtbank de vordering afgewezen.

[appellant] maakt hiertegen bezwaar bij grief IV en voert aan dat de vermelding € 0,-- een fout van de administratie van het kantoor van de raadsman van [appellant] is. Thans is een nieuwe factuur overgelegd, die over de periode 10 december 2009 tot en met 29 maart 2013 sluit op een bedrag van € 30.304,20.

2.14

Het hof volgt niet het primaire standpunt van [appellant] , dat hij aanspraak kan maken op alle kosten van rechtsbijstand over de periode van 10 december 2009 tot en met 29 maart 2013. De kosten die voor een gerechtelijke procedure worden gemaakt, vallen onder de forfaitaire tarieven voor een proceskostenvergoeding en kunnen in beginsel niet los daarvan (integraal) worden gevorderd.

Het hof deelt het oordeel van de rechtbank, dat slechts de kosten van rechtsbijstand kunnen worden gevorderd tot aan de datum van de laatste sommatie, derhalve 20 april 2010. De daarna gemaakte kosten moeten worden aangemerkt als kosten ter voorbereiding van de procedure.

Met de in het geding gebrachte urenspecificatie heeft [appellant] naar ’s hofs oordeel genoegzaam onderbouwd dat daarmee een bedrag was gemoeid van € 2.493,16 (inclusief btw). Een nadere onderbouwing van die kosten, zoals de gemeente wenst, acht het hof niet aangewezen.

Grief IV slaagt daarmee gedeeltelijk.

2.15

[appellant] vordert ook vergoeding van kosten voor de extra werkzaamheden van zijn architect, namelijk alle werkzaamheden die de architect na 12 augustus 2009 nog heeft verricht. Hij verwijst daartoe naar de conceptfactuur van [X] van 15 april 2013, overgelegd als productie 3 bij akte na tussenvonnis. Het hof acht aannemelijk dat [X] enige extra werkzaamheden heeft verricht door het uitblijven van een tijdige beslissing van de gemeente, maar acht onvoldoende toegelicht en onderbouwd dat alle in de genoemde productie opgevoerde werkzaamheden als extra werkzaamheden, als het gevolg van het onrechtmatig stilzitten van de gemeente, kunnen worden aangemerkt. Schattenderwijs stelt het hof deze post vast op € 3.000,-- (inclusief btw).

2.16

Het hof zal de zaak verwijzen naar de rol voor het nemen van een akte aan de zijde van [appellant] , waarna de gemeente een antwoordakte kan nemen. Iedere nadere beslissing zal worden aangehouden.

3 Beslissing

Het hof:

verwijst de zaak naar de rol van 22 december 2015 voor het nemen van een akte door [appellant] voor het doen van uitlatingen als omschreven in r.o. 2.12, waarna de gemeente een antwoordakte kan nemen;

houdt elke nadere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. R.H. de Bock, R.J.F. Thiessen en E.J. Rotshuizen en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 24 november 2015.