Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:4893

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
23-11-2015
Datum publicatie
26-11-2015
Zaaknummer
23-003971-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugkeerrichtlijn geen belemmering voor het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, nu die Richtlijn niet van toepassing is in het geval de verdachte zich ten tijde van de berechting niet in Nederland bevindt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

parketnummer: 23-003971-14

datum uitspraak: 23 november 2015

TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsvrouw)

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 30 september 2014 in de strafzaak onder de parketnummers 13-702396-14 en 13-220282-12 (TUL) tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats 1] ( [geboorteplaats 2] ) op [geboortedatum] 1980,

adres: [adres 1]

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 9 november 2015 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 27 juli 2014 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat hij op grond van artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000, in el geval op grond van enig wettelijk voorschrift, tot ongewenst vreemdeling was verklaard of terwijl tegen hem een inreisverbod was uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 27 juli 2014 te Amsterdam als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist dat hij op grond van artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000 tot ongewenst vreemdeling was verklaard.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het aanwenden van een rechtsmiddel zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

als vreemdeling in Nederland verblijven, terwijl hij weet, dat hij op grond van een wettelijk voorschrift tot ongewenste vreemdeling is verklaard.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden met aftrek van voorarrest.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft in Nederland verbleven terwijl hij wist dat hij tot ongewenst vreemdeling was verklaard. Aldus heeft de verdachte er blijk van gegeven zich weinig gelegen te laten liggen aan een jegens hem uitgevaardigde beslissing van de Nederlandse overheid.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 27 oktober 2015 is hij eerder ter zake van, onder meer, soortgelijke feiten onherroepelijk veroordeeld, hetgeen hem er kennelijk niet van heeft weerhouden opnieuw een dergelijk feit te plegen.

De raadsvrouw heeft het hof verzocht aan de verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf of een geldboete op te leggen, en heeft daartoe het volgende aangevoerd.

De verdachte is in [land 1] woonachtig en draagt de zorg voor zijn vrouw en hun kind. Hij heeft thans zicht op een vaste baan en als hij gedetineerd raakt, zal hij ontslagen worden; de detentie in deze zaak (naar het hof begrijpt: het voorarrest) heeft hem destijds ook veel problemen bezorgd.

De Terugkeerrichtlijn heeft als doelstelling illegaal verblijf in Nederland tegen te gaan en artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) is bedoeld om te voorkomen dat mensen hier illegaal ‘rondhangen’.

De verdachte is na zijn ongewenstverklaring in Nederland geweest maar niet om hier te wonen. Hij was hier om zijn moeder te bezoeken en hij had de intentie weer weg te gaan. Hij moet de kans krijgen ongestoord zijn werkzaamheden en verblijf in [land 2] voort te zetten.

Het hof overweegt als volgt.

Het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf aan een tot ongewenst vreemdeling verklaarde onderdaan van een derde land in de zin van artikel 3 van de Terugkeerrichtlijn die, zonder geldige reden om niet terug te keren, illegaal in Nederland verblijft, is strijdig met de Terugkeerrichtlijn indien de stappen van de in de richtlijn vastgelegde terugkeerprocedure nog niet zijn doorlopen. Een strafoplegging kan de verwezenlijking van de met deze richtlijn nagestreefde doelstelling, te weten de invoering van een doeltreffend beleid van verwijdering en terugkeer van illegaal verblijvende onderdanen van derde landen, immers in gevaar brengen.

Blijkens de stukken van het geding is de verdachte woonachtig in [land 3] . Het dossier behelst geen enkel aanknopingspunt voor de veronderstelling dat de verdachte zich thans in Nederland bevindt. Naar het oordeel van het hof is daarmee de Terugkeerrichtlijn geen belemmering voor het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, nu die Richtlijn niet van toepassing is in het geval de verdachte zich ten tijde van de berechting niet in Nederland bevindt.

Gelet op het voorgaande kan hetgeen de raadsvrouw heeft aangevoerd over de Terugkeerrichtlijn buiten beschouwing blijven.

Gelet op de ernst van het feit kan niet met een andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf worden volstaan. Hetgeen de raadsvrouw in dat verband heeft bepleit, brengt het hof niet tot een ander oordeel.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 63 en 197 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

Vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft in eerste aanleg de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij vonnis van de Politierechter te Amsterdam van 26 februari 2013 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de vordering tot tenuitvoerlegging zal afwijzen.

Het hof overweegt als volgt.

Uit de inhoud van de zich in het dossier bevindende stukken kan niet worden vastgesteld dat de verdachte ter terechtzitting van 26 februari 2013 is verschenen of hem de dagvaarding voor die terechtzitting in persoon is uitgereikt noch dat de mededeling voorwaardelijke veroordeling is verzonden.

Gelet hierop zal de vordering tot tenuitvoerlegging worden afgewezen.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst af de vordering van de officier van justitie in het arrondissement te Amsterdam van 31 juli 2014, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter te Amsterdam van 26 februari 2013, parketnummer 13-220282-12, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.M. van Woensel, mr. G. Oldekamp en mr. S.J. Riem, in tegenwoordigheid van mr. S. Egidi, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 23 november 2015.

De griffier is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.