Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:4870

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
06-10-2015
Datum publicatie
25-11-2015
Zaaknummer
23-001435-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Oplegging maatregel plaatsing in een inrichting voor jeugdige (PIJ-maatregel) voor medeplegen poging doodslag en diefstal met geweld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-001435-15

datum uitspraak: 6 oktober 2015

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 2 april 2015 in de strafzaak onder parketnummer 13-684248-14 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1999,

adres: [adres],

thans gedetineerd in Forensisch Centrum Teylingereind te Sassenheim.

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is door rechtbank Amsterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 2 is ten laste gelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

4 juni 2015, 16 juli 2015 en 24 september 2015 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in hoger beroep door het gerechtshof toegelaten wijziging is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

feit 1a:

hij op of omstreeks 18 maart 2014 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen, eenmaal of meermalen met een mes, in elk geval een scherp en/of puntig voorwerp in de buik en/of de zij en/of de rug en/of de billen, in elk geval in het lichaam van voornoemde [slachtoffer 1] heeft gestoken en/of geprikt en/of gesneden;

Subsidiair:

hij op of omstreeks 18 maart 2014 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, door opzettelijk met een mes, in elk geval een scherp en/of puntig voorwerp, éénmaal of meermalen in de buik en/of de zij en/of de rug en/of de billen, in elk geval in het lichaam van voornoemde [slachtoffer 1] te steken en/of prikken en/of snijden;

Meer subsidiair:

hij op of omstreeks 18 maart 2014 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een of meer van zijn mededader(s) althans alleen, éénmaal of meermalen met een mes, in elk geval een scherp en/of puntig voorwerp in de zij en/of de buik en/of de rug en/of de billen, in elk geval in het lichaam van voornoemde [slachtoffer 1] heeft/hebben gestoken en/of geprikt en/of gesneden;

Uiterst subsidiair:

hij op of omstreeks 18 maart 2014 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, de kruising van het Ruiseveenpad en de Ravensteinstraat, in elk geval op of aan een openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats of in een voor het publiek toegankelijke ruimte, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1], welk geweld bestond uit het

-eenmaal of meermalen met een (tot vuist gebalde) hand op/tegen het hoofd, in elk geval op/tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer 1] slaan en/of stompen en/of

-eenmaal of meermalen met een mes, in elk geval een scherp en/of puntig voorwerp steken en/of prikken en/of snijden in de zij en/of buik en/of de rug en/of de billen, ieder geval in het lichaam van die [slachtoffer 1], waarbij hij, verdachte, een of meermalen heeft gestoken met een mes, welk door hem gepleegd geweld zwaar lichamelijk letsel, t.w. een of meer steekverwondingen, althans enig lichamelijk letsel voor die [slachtoffer 1] ten gevolge heeft gehad;

feit 1b:

hij op of omstreeks 18 maart 2014 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer 2] van het leven te beroven, met dat opzet met een of meer van zijn mededader(s) althans alleen, éénmaal of meermalen met een mes, in elk geval een scherp

en/of puntig voorwerp in de zij en/of de schouder en/of de lies/buikstreek, in elk geval in het

lichaam van voornoemde [slachtoffer 2] heeft gestoken en/of geprikt en/of gesneden;

Subsidiair:

hij op of omstreeks 18 maart 2014 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, aan [slachtoffer 2], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, door opzettelijk met een mes, in elk geval een scherp en/of puntig voorwerp, éénmaal of meermalen in de zij en/of de schouder en/of de lies/buikstreek, in elk geval in het lichaam van voornoemde [slachtoffer 2] te steken en/of prikken en/of snijden;

meer subsidiair:

hij op of omstreeks 18 maart 2014 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een of meer van zijn mededader(s) althans alleen, met een mes, in elk geval met een scherp en/of puntig voorwerp eenmaal of meermalen in de zij en/of de schouder en/of de lies/buikstreek, in elk geval in het lichaam van voornoemde [slachtoffer 2] heeft/hebben gestoken en/of geprikt en/of gesneden;

uiterst subsidiair:

hij op of omstreeks 18 maart 2014 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, de kruising van het Ruiseveenpad en de Ravensteinstraat, in elk geval op of aan een openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats of in een voor het publiek toegankelijke ruimte, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 2], welk geweld bestond uit het

-eenmaal of meermalen met een (tot vuist gebalde) hand op/tegen het hoofd, in elk geval op/tegen

het lichaam van voornoemde [slachtoffer 2] slaan en/of stompen en/of

-eenmaal of meermalen met een mes, in elk geval een scherp en/of puntig voorwerp steken en/of

prikken en/of snijden in de zij en/of de schouder en/of lies/buikstreek, in ieder geval in het lichaam

van die [slachtoffer 2], waarbij hij, verdachte, een of meermalen heeft gestoken met een mes, welk door

hem gepleegd geweld zwaar lichamelijk letsel, t.w. een of meer steekverwondingen, althans enig

lichamelijk letsel voor die [slachtoffer 2] ten gevolge heeft gehad;

feit 3:

hij op of omstreeks 16 maart 2014 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, op of aan het Abcoudepad, in elk geval op of aan een openbare weg, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een horloge (merk Casio G-shock), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen voornoemde [slachtoffer 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) aan voormeld misdrijf de vlucht mogelijk te maken en/of het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en), dat hij verdachte en/of zijn mededader(s)

- tegen voornoemde [slachtoffer 1] heeft/hebben gezegd "Geef me al je spullen", althans woorden van gelijke aard of strekking en/of

- een pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp heeft/hebben gepakt en/of getoond en/of tegen de buik, in elk geval tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer 1] heeft/hebben gedrukt en/of gehouden en/of

- ( vervolgens) heeft/hebben gezegd "je hebt een G-shock, geef me je G-shock", althans woorden van gelijke aard of strekking en/of

- driemaal, in elk geval eenmaal of meermalen (met kracht) met een pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp althans een hard voorwerp op/tegen het hoofd, in elk geval op/tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer 1] heeft/hebben geslagen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het hof heeft een groot aantal overwegingen van de rechtbank overgenomen. Het vonnis waarvan beroep kan echter niet in stand blijven, niet alleen gelet op de toegestane wijziging tenlastelegging in hoger beroep, maar ook omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de rechtbank.

Bespreking van een verweer ter zake van het onder 1a primair en 1b primair ten laste gelegde

Het standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat het onder 1a primair en 1b primair ten laste gelegde poging tot doodslag wettig en overtuigend bewezen kan worden.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak van het onder 1a primair en 1b primair ten laste gelegde poging doodslag bepleit. Zij heeft daartoe aangevoerd dat voorwaardelijk opzet op de dood niet bewezen kan worden.

Het oordeel van het hof

Het hof stelt vast dat uit het dossier en uit de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep niet blijkt dat de verdachte onvoorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1]) en [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2]) in die zin dat het zijn bedoeling was om hen van het leven te beroven. Het hof dient de vraag te beantwoorden of de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] door messteken zouden komen te overlijden.

De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.

Uit het strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting volgt:

Op 18 maart 2014 komt de verdachte samen met drie andere jongens, onder wie [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte]) [slachtoffer 1] tegen, de jongen die hij twee dagen daarvoor heeft beroofd. Bij die beroving was [medeverdachte] ook betrokken. [slachtoffer 1] is dan in gezelschap van [slachtoffer 2]. De verdachte spreekt hierbij [slachtoffer 1] aan, vraagt om zijn telefoon en pakt een mes. [slachtoffer 2] schiet [slachtoffer 1] te hulp op het moment dat hij ziet dat de verdachte een mes trekt. [slachtoffer 2] krijgt een vuistslag van een van de jongens, terwijl ook [slachtoffer 1] wordt aangevallen, waarna een gevecht ontstaat waar ook de anderen zich in mengen. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] vechten vervolgens om weg te komen. Uiteindelijk kunnen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] wegrennen en ziet [slachtoffer 2] dat er bloed uit zijn kleren komt en dan blijkt dat ook [slachtoffer 1] aan het bloeden is. Uit de verklaringen van de aangevers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] blijkt dat de aangevers beiden meermalen zijn gestoken.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat hij bij dit voorval een mes in zijn hand had, dat hij heeft geslagen, dat hij zich niet herinnert met het mes te hebben gestoken en dat hij niet uitsluit dat hij met de hand waarin zich het mes bevond toch geslagen heeft. Ook heeft de verdachte verklaard dat hij wist dat [medeverdachte] een mes bij zich had.

De medeverdachte [medeverdachte] heeft in de tapgesprekken van 20 en 21 maart 2014 gezegd dat hij en verdachte degenen zijn geweest die de aangevers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben gestoken.

Uit medische informatie van het AMC van 22 april 2014 en het gezondheidscentrum Reigersbos van 30 juni 2014 blijkt dat [slachtoffer 1] van 18 maart 2014 tot en met 27 maart 2014 is opgenomen geweest in het Emma kinderziekenhuis na te zijn gestoken in zijn linkerflank, rechterschouder en linkerlies, waarbij er sprake was van een intra-abdominale (het hof begrijpt: in de buikholte gelegen) retroperitoneale (het hof begrijpt: achter het buikvlies gelegen) steekwond linkerbuikhelft, waarbij sprake was van eviscaratie (het hof begrijpt: naar buiten treden van de) darm, waarna een laparotomie (het hof begrijpt: buikoperatie) werd verricht waarbij een colonletsel (het hof begrijpt: letsel van de dikke darm) en een dunne darm letsel werd overgehecht en er sprake was van een retroperitoneale bloeding op basis van nierlaceratie (het hof begrijpt: een matige tot ernstige weefselbeschadiging van de nier).

Uit medische informatie van het VU medisch centrum van 11 april 2014 blijkt dat [slachtoffer 1] van 18 maart 2014 tot en met 24 maart 2014 is opgenomen op de afdeling traumachirurgie van het VU medisch centrum, in verband met een messteek in de rechterflank, groter dan 3 cm, waarbij sprake was van laceratie (het hof begrijpt: een matige tot ernstige weefselbeschadiging) van de laterale buikwond musculatuur en een lever laceratie in segment VI, hemaperitoneum (het hof begrijpt; een bloeduitstorting na bloeding in de buikholte) en een steekwond dorsaal op sacraal niveau, oppervlakkig.

Het hof is gelet op deze feiten en omstandigheden van oordeel dat verdachte met zijn gedragingen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard op de dood van zowel [slachtoffer 1] als [slachtoffer 2]. Daarbij weegt mee de omstandigheid dat verdachte [slachtoffer 1], twee dagen eerder ook had getroffen en toen had beroofd. Vervolgens is verdachte met een mes in zijn hand, met zijn mededader die eveneens een mes in zijn hand had en waarvan verdachte ook wist dat hij dit bij zich had, op [slachtoffer 1] en de hem te hulp schietende [slachtoffer 2] afgegaan, terwijl er vervolgens sprake was van een onoverzichtelijk gevecht. Door aldus te handelen heeft verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] daarbij door die messen geraakt zouden worden en dat de plekken waarop zij in het onderlichaam zijn gestoken naar algemene ervaringsregels de aanmerkelijke kans in zich bergen van de dood van de slachtoffers. Immers, zoals naar algemene ervaringsregels bekend is, bevinden zich in het onderlichaam kwetsbare en vitale delen van het lichaam. Bij [slachtoffer 2] bevonden zijn darmen zich buiten zijn lichaam, bij [slachtoffer 1] was zijn lever beschadigd, hetgeen als vitale delen van het lichaam kunnen worden beschouwd. Een verwonding aan dergelijke kwetsbare en vitale organen kan levensbedreigend zijn en licht tot de dood leiden. Het hof stelt bovendien vast dat slechts door ingrijpen van een buurtbewoner die naar de jongens is gerend en hard “Stop” heeft geroepen, het gevecht is gestopt. Mitsdien acht het hof opzet in voorwaardelijke zin aan de zijde van verdachte om de slachtoffers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] van het leven te beroven aanwezig. Het onder 1a primair en 1b primair tenlastegelegde is in zoverre wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1a primair en 1b primair en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

feit 1a primair:

hij op 18 maart 2014 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet met een of meer van zijn mededader(s), meermalen met een mes in de buik en/of de zij van voornoemde [slachtoffer 1] heeft gestoken;

feit 1b primair:

hij op 18 maart 2014 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen opzettelijk [slachtoffer 2] van het leven te beroven, met dat opzet met een of meer van zijn mededader(s) meermalen met een mes in de zij en/of de buikstreek, in elk geval in het lichaam van voornoemde [slachtoffer 2] heeft gestoken;

feit 3:

hij op 16 maart 2014 te Amsterdam op het Abcoudepad tezamen en in vereniging met een ander of anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een horloge, merk Casio G-shock, toebehorende aan [slachtoffer 1], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen voornoemde [slachtoffer 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden, dat hij verdachte en zijn mededader(s)

- tegen voornoemde [slachtoffer 1] hebben gezegd "Geef me al je spullen" en

- een op een vuurwapen gelijkend voorwerp hebben gepakt en getoond en tegen de buik, van voornoemde [slachtoffer 1] hebben gedrukt en

- vervolgens hebben gezegd "je hebt een G-shock, geef me je G-shock", en

- driemaal met kracht met een hard voorwerp op het hoofd van voornoemde [slachtoffer 1] hebben geslagen.

Hetgeen onder 1a, 1b en 3 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het aanwenden van een rechtsmiddel zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1a primair, 1b primair en 3 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1a primair en 1b primair bewezen verklaarde levert op:

telkens medeplegen poging tot doodslag.

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1a primair, 1b primair en 3 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van maatregel

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het onder 1 primair en 3 ten laste gelegde veroordeeld tot de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (hierna PIJ) en toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partij [slachtoffer 1] tot een bedrag van € 2.997,31 en de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] tot een bedrag van € 5.622,78, telkens onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde maatregelen als door de rechter in eerste aanleg opgelegd, met dien verstande dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] volledig dient te worden toegewezen.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen maatregelen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich met anderen schuldig gemaakt aan straatroof op de openbare weg, waarbij er een op een vuurwapen gelijkend voorwerp tegen de buik van het slachtoffer is gedrukt en meerdere malen met een telefoon op het hoofd van het slachtoffer is geslagen. Handelen als dat van de verdachte heeft voor slachtoffers – in het algemeen – ingrijpende gevolgen. Voorts tast dit soort delicten ook het gevoel van veiligheid in de samenleving aan. Door het plegen daarvan heeft de verdachte blijk gegeven van gebrek aan respect voor de lichamelijke integriteit en het eigendom van anderen.

Daarenboven heeft de verdachte twee dagen later met anderen getracht om hetzelfde slachtoffer en nog een andere man van het leven te beroven door hen meermalen met een mes in de zij en buikstreek te steken. Hierdoor hebben de slachtoffers ernstig letsel opgelopen op risicovolle plekken in hun lichaam. Uit de letselbrieven en de slachtofferverklaringen blijkt ook dat de slachtoffers en hun naasten veel last hebben gehad van het gebeuren. Dergelijk optreden in het openbaar is bovendien bedreigend en versterkt de gevoelens van angst in de samenleving. Het gaat om ernstige feiten, die bijdragen aan gevoelens van onveiligheid en onrust in de samenleving. De traumatische ervaring en het gevoel buiten niet veilig te zijn, zal de slachtoffers mogelijk nog langdurig hinderen.

Verdachte is, blijkens een hem betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 17 september 2015, eerder strafrechtelijk veroordeeld wegens gewelds- en vermogensdelicten.

Het hof heeft kennis genomen van de in het dossier opgenomen rapporten, waaruit naar voren komt dat de verdachte eerder reeds in civielrechtelijk kader ambulante en gesloten hulpverlening is aangeboden, dan wel opgelegd, maar dat deze pogingen niet hebben geleid tot voldoende effect.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft het hof, naast hetgeen daarover ter terechtzitting in eerste aanleg is besproken, in het bijzonder de volgende stukken in beschouwing genomen:

- de ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring van [deskundige 1] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad);

- de ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring van [gezinsmanager] (hierna: [gezinsmanager]), gezinsmanager, bij Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam (hierna: BJAA);

- het klinisch multidisciplinair onderzoek (psychologisch en psychiatrisch) pro justitia van het Forensisch centrum Teylingereind d.d. 14 september 2015, opgemaakt door [deskundige 2], GZ-psycholoog en [deskundige 3], kinder- en jeugdpsychiater;

- een psychiatrisch onderzoek pro justitia d.d. 3 juli 2014, opgemaakt door kinder- en jeugdpsychiater dr. [deskundige 4];

- een psychologisch onderzoek pro justitia rapport d.d. 4 juli 2014, opgemaakt door [deskundige 5], GZ-psycholoog.

Het klinisch multidisciplinair onderzoek (psychologisch en psychiatrisch) pro justitia van het Forensisch centrum Teylingereind d.d. 14 september 2015, opgesteld en ondertekend door [deskundige 2] (GZ-psycholoog) en [deskundige 3] (kinder- en jeugdpsychiater) houdt – kort samengevat – het volgende in:

Algehele forensische beschouwing

Het beeld dat uit het onderzoek naar voren komt, is dat van een jongeman met een ernstige gedragsstoornis beginnend in de kinderleeftijd, die gezien het langdurige patroon ervan resulteert in een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling. Gekeken naar de huidige ontwikkeling van [verdachte] moet gevreesd worden voor de ontwikkeling van een antisociale persoonlijkheidsstoornis. Onderzoekers zijn zich bewust van het feit dat de leeftijd van vijftien jaar erg jong is om van een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling te spreken maar zien in de beschikbare informatie voldoende grond om deze bedreigde ontwikkeling te stellen. Naast deze antisociale ontwikkeling is tevens sprake van cannabismisbruik. (…) De geconstateerde ontwikkelingsproblematiek is structureel van aard en was dan ook ten tijde van het ten laste gelegde aanwezig.

Ten aanzien van het recidiverisico kan in algemene zin worden opgemerkt dat de affectvervlakking en de gebrekkige empathie opnieuw voor een gebrek aan remming kunnen zorgen. Tevens is er sprake van negatieve opvattingen die het gebruik van geweld lijken te rechtvaardigen. Verder lijkt van belang te zijn dat [verdachte] een bemoeilijkte schoolcarrière heeft (terwijl hij zich hiervoor zeer goed heeft ingezet gedurende de observatieperiode en met resultaat) en is de omgang met meer delinquente leeftijdsgenoten uit de buurt een risicofactor. Het gebruik van agressie en geweld (proactieve agressie, of instrumentele agressie) lijkt voor [verdachte] inmiddels gewoon(te) te zijn geworden om je doelen te behalen. Op de observatieafdeling is gezien dat [verdachte] zich juist onttrekt aan situaties die zouden kunnen leiden tot agressie of geweld (dan vooral reactieve agressie of emotionele agressie). Al deze elementen zorgen ervoor dat zonder verder ingrijpen het recidiverisico als hoog moet worden ingeschat. Positief in het geheel is wel dat [verdachte] in de loop van het onderzoeksproces openheid van zaken is gaan geven en dat hiermee de eerste belangrijke stap in de behandeling is gezet. Dit is prognostisch gezien gunstig te noemen.

Gezien het langdurige gedragspatroon dat [verdachte] heeft laten zien, is intensieve behandeling binnen een residentieel kader geïndiceerd. Op grond van de huidige observatiegegevens kan geconcludeerd worden dat [verdachte] in positieve zin beïnvloedbaar oftewel behandelbaar is.

(…) Dit gezegd hebbende moet, gezien de voorgeschiedenis van [verdachte] en zijn gezin, een nieuwe behandeling binnen de ambulante hulpverlening of hulpverlening binnen een civielrechtelijk kader (die eerder niet hebben geleid tot een voldoende effect) onhaalbaar worden geacht.

Gezien de ernst van de criminele gedragingen, het langdurige patroon ervan en het hoge recidiverisico zonder behandelingsmogelijkheden in ambulant kader, is de onvoorwaardelijke PIJ-maatregel in de ogen van onderzoekers het beste kader waarbinnen de stappen, die in het huidige onderzoek en het daaraan voorafgaand verblijf in de JJI’s zijn gezet, kunnen worden voortgezet. Geadviseerd wordt om de delictanalyse (binnen een cognitieve kosten-baten-analyse) te continueren, mogelijk leidend tot het inzicht dat de kosten van het plegen van delicten te hoog is voor de maatschappij en voor [verdachte] zelf. Daarnaast kan gedurende het verloop van de maatregel gekoerst worden richting adequate scholing omdat dit mogelijkerwijs als de beste protectieve factor voor vermindering van het recidiverisico kan gelden. Benadrukt wordt dat het openheid geven ten aanzien van zijn eigen rol binnen het ten laste gelegde, een enorme stap voor [verdachte] is geweest die de kans op een positieve behandeling sterk vergroot.

Gezien de aard van de aandoeningen en de beschrijvingen van gedrag voorafgaand aan het ten laste gelegde is duidelijk dat deze stoornissen ook ten tijde van het ten laste gelegde (indien bewezen verklaard) aanwezig waren.

Al met al leidt dit ertoe dat onderzoekers adviseren [verdachte] enigszins verminderd toerekeningsvatbaar (op de 5-puntsschaal) te beschouwen. Deze redenering geldt voor zowel de straatroven als de poging doodslag.

De Raad voor de Kinderbescherming heeft een rapport uitgebracht op 25 februari 2015. Hierin wordt geadviseerd om aan

verdachte de PIJ-maatregel op te leggen. De Raad heeft ter terechtzitting in hoger beroep dit advies bevestigd, waarbij de Raad de verdachte heeft gecomplimenteerd met zijn openheid, hetgeen zal bijdragen aan een positief resultaat bij de behandeling.

De gezinsmanager van de verdachte van BJAA heeft ter terechtzitting in hoger beroep eveneens bevestigd dat het goed gaat met de verdachte in Teylingereind en dat de verdachte het zelf ook heel goed doet, zodat er sprake is van een positieve ontwikkeling. BJAA ziet geen mogelijkheden voor een andere passende behandeling dan de PIJ-maatregel, met name gelet op de aandacht die hierin aan de delictanalyse wordt gegeven. Binnen een civielrechtelijke plaatsing zal hieraan geen of minder aandacht worden gegeven, en tevens wordt het open karakter van een dergelijke plaatsing niet wenselijk geacht.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte aangegeven dat het goed gaat in Teylingereind, hetgeen ook is bevestigd door de inhoud van voornoemd multidisciplinair onderzoek en de deskundigen ter terechtzitting in hoger beroep.

Het hof is, gelet op bovenstaande van oordeel dat zowel de verdachte als de samenleving gebaat is bij intensieve behandeling van de verdachte. Het huidige verblijf van verdachte in Teylingereind, waarvan verdachte zelf ook zegt dat het daar goed met hem gaat, kan daar worden voortgezet, doch alleen in een strafrechtelijk kader. Een GBM, een voorwaardelijke PIJ dan wel een civielrechtelijke plaatsing garanderen niet de continuïteit in de behandeling, die verdachte nodig heeft en brengen een te groot risico met zich dat de verdachte zijn positieve persoonlijkheidsontwikkeling niet kan voortzetten.

Naar het oordeel van het hof eist de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen, als bedoeld in artikel 77s, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht, gezien de aard en ernst van de bewezen verklaarde feiten en het recidiverisico, het opleggen van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen. De bewezen geachte feiten zijn voorts misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Tevens acht het hof de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen in het belang van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de verdachte.

Het hof is van oordeel dat aan de verdachte, nu aan de wettelijke criteria is voldaan en gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen dient te worden opgelegd. Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke plaatsing in een inrichting voor jeugdigen voor de verdachte de meest passende en geboden reactie vormt.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 2.997,31. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1a primair bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 9.562,77. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 5.622,78. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 11 bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 45, 47, 77a, 77g, 77h, 77s, 77gg, 287 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1a primair, 1b primair en 3 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1a primair, 1b primair en 3 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Gelast de plaatsing van de verdachte in een inrichting voor jeugdigen.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het onder 1a primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 2.997,31 (tweeduizend negenhonderdzevenennegentig euro en eenendertig cent) bestaande uit € 497,31 (vierhonderdzevenennegentig euro en eenendertig cent) materiële schade en € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededaders, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de een of meer anderen daarvan in zoverre zullen zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 18 maart 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 18 maart 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1], ter zake van het onder 1a primair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 2.997,31 (tweeduizend negenhonderdzevenennegentig euro en eenendertig cent) bestaande uit € 497,31 (vierhonderdzevenennegentig euro en eenendertig cent) materiële schade en € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 39 (negenendertig) dagen jeugddetentie, met dien verstande dat de toepassing van die jeugddetentie de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover mededaders hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 18 maart 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 18 maart 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededaders van de verdachte voormeld bedrag hebben betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichtingen tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ter zake van het onder 1b primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 5.622,78 (vijfduizend zeshonderdtweeëntwintig euro en achtenzeventig cent) bestaande uit € 1.122,78 (duizend honderdtweeëntwintig euro en achtenzeventig cent) materiële schade en € 4.500,00 (vierduizend vijfhonderd euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededaders, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de een of meer anderen daarvan in zoverre zullen zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 18 maart 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 18 maart 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2], ter zake van het onder 1b primair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 5.622,78 (vijfduizend zeshonderdtweeëntwintig euro en achtenzeventig cent) bestaande uit € 1.122,78 (duizend honderdtweeëntwintig euro en achtenzeventig cent) materiële schade en € 4.500,00 (vierduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 63 (drieënzestig) dagen jeugddetentie, met dien verstande dat de toepassing van die jeugddetentie de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover mededaders hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 18 maart 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 18 maart 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededaders van de verdachte voormeld bedrag hebben betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichtingen tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.A.M. de Wit, mr. M. Iedema en mr. R.M. Vennix, in tegenwoordigheid van

mr. M. Boelens, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 6 oktober 2015.