Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:4837

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
17-11-2015
Datum publicatie
19-11-2015
Zaaknummer
200.170.431/01 GDW
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Klager verwijt [A] , [B] en [C] dat zij nodeloos kosten hebben gemaakt door het vonnis aan hem te betekenen en vervolgens tot beslaglegging over te gaan.

De kamer heeft de gerechtsdeurwaarder als beklaagde aangemerkt. De kamer heeft het verzet gegrond verklaard, de klacht gegrond verklaard en aan de gerechtsdeurwaarder de maatregel van berisping opgelegd.

Het hof acht de klacht gegrond wat de beslaglegging voor de nakosten betreft en legt aan de gerechtsdeurwaarder de maatregel van berisping op. Het hof beschouwt de klacht als niet ingediend tegen A, B en C.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 237, geldigheid: 2015-11-19
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

beslissing

___________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht

zaaknummer : 200.170.431/01 GDW

nummer eerste aanleg : 51.2015

beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 17 november 2015

inzake

[appellant] ,

wonend te [plaats] ,

appellant,

tegen

[geïntimeerde] ,

voorheen toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarder te [plaats] ,

geïntimeerde,

gemachtigde: mr. I. van Apeldoorn.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Appellant (hierna: klager) heeft op 26 mei 2015 een beroepschrift - met bijlagen - bij het hof ingediend tegen de beslissing van de kamer voor gerechtsdeurwaarders te Amsterdam (hierna: de kamer) van 14 april 2015 (ECLI:NL:TGDKG:2015:167).

1.2.

Bij die beslissing heeft de kamer het verzet van klager tegen de beschikking van de plaatsvervangend voorzitter van de kamer van 30 december 2014, waarbij de klacht van klager tegen geïntimeerde (hierna: de gerechtsdeurwaarder), als kennelijk ongegrond is afgewezen, gegrond verklaard, de klacht alsnog gegrond verklaard en aan de gerechtsdeurwaarder de maatregel van berisping opgelegd.

1.3.

Op 2 juli 2015 is van de gerechtsdeurwaarder een verweerschrift ontvangen.

1.4.

Van klager is op 7 juli 2015 een nadere reactie ontvangen.

1.5.

De gerechtsdeurwaarder heeft op 31 juli 2015 een aanvullend verweerschrift bij het hof ingediend.

1.6.

De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 4 september 2015. Klager en de gemachtigde van de gerechtsdeurwaarder zijn verschenen en hebben het woord gevoerd; klager aan de hand van een aan het hof overgelegde pleitnota, met daaraan een aantal e-mails gehecht. De gemachtigde van de gerechtsdeurwaarder heeft tegen het overleggen van deze

e-mails geen bezwaar gemaakt, zodat deze stukken tot het procesdossier behoren.

Op verzoek van het hof heeft de gemachtigde van de gerechtsdeurwaarder na afloop van de zitting een machtiging toegezonden. Hieruit blijkt dat de gerechtsdeurwaarder de gemachtigde heeft aangewezen om haar te vertegenwoordigen in deze tuchtprocedure.

2 Stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken.

3 Feiten

3.1.

Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen de vaststelling van de feiten door de kamer geen bezwaar gemaakt, zodat ook het hof van die feiten uitgaat.

3.2.

Samengevat weergegeven gaat het in deze zaak om het volgende.

3.2.1.

De gerechtsdeurwaarder was tot 1 augustus 2015 als toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarder werkzaam bij gerechtsdeurwaarders- en incassokantoor [naam] ( [kantoor] ), vestiging [plaats] .

3.2.2.

Door HOIST KREDIT AB B.V. (hierna: HOIST) is aan [kantoor] een vordering op klager ter incasso uit handen gegeven. [kantoor] heeft op 18 november 2013 aan klager een dagvaarding betekend. In de kantongerechtsprocedure is [naam] (hierna: [A] ), werkzaam bij [kantoor] te [plaats] , als gemachtigde van HOIST opgetreden.

3.2.3.

Bij vonnis van 9 mei 2014 (verder: het vonnis) heeft de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam klager - kort gezegd - veroordeeld tot betaling aan HOIST van € 174,68 aan hoofdsom, rente en kosten (vermeerderd met de wettelijke rente over de hoofdsom) en een bedrag van € 266,79 aan proceskosten.

3.2.4.

Op 26 mei 2014 heeft [naam] (hierna: [B] ), toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarder bij [kantoor] , vestiging [plaats] , de grosse van het vonnis aan klager betekend met bevel tot betaling van in totaal € 550,57. Dit bedrag behelst naast de hiervoor onder 3.2.3. genoemde bedragen van € 174,68 en € 266,79 een bedrag van € 1,85 aan wettelijke rente (berekend tot en met 20 mei 2014), een bedrag van € 15,00 aan nakosten en een bedrag van

€ 92,25 aan explootkosten.

3.2.5.

Eveneens op 26 mei 2014 heeft [kantoor] van klager een bedrag van € 441,47 (het totaal van de onder 3.2.3. genoemde bedragen uit het vonnis van € 174,68 en € 266,79) ontvangen. Op

27 mei 2014 is die betaling door [kantoor] in het dossier van klager geboekt.

3.2.6.

Klager heeft bij e-mail van 30 mei 2014 bezwaar gemaakt tegen de door [kantoor] gevorderde nakosten en [kantoor] gewezen op de bevelschriftprocedure om deze nakosten door de rechter te laten begroten.

3.2.7.

Op 20 augustus 2014 is door [naam] (hierna: [C] ), gerechtsdeurwaarder bij [kantoor] , vestiging [plaats] , ten laste van klager executoriaal derdenbeslag gelegd onder de Belastingdienst. Op 4 september 2014 is het exploot van deze beslaglegging door [B] aan klager betekend.

4 Standpunt van klager

Klager verwijt [A] , [B] en [C] dat zij nodeloos kosten hebben gemaakt door het vonnis aan hem te betekenen en vervolgens tot beslaglegging over te gaan.

5 Standpunt van de gerechtsdeurwaarder

De gerechtsdeurwaarder heeft verweer gevoerd. Het standpunt van de gerechtsdeurwaarder wordt, voor zover relevant, hieronder besproken.

6 Beoordeling

Verantwoordelijke gerechtsdeurwaarder

6.1.

[kantoor] heeft in eerste aanleg aangevoerd dat hoewel de klacht is gericht tegen andere medewerkers werkzaam bij [kantoor] , de klacht op naam van de gerechtsdeurwaarder dient te worden gesteld. De gerechtsdeurwaarder was destijds als vestigingsmanager verantwoordelijk voor de processen in dit dossier en daarmee verantwoordelijk voor deze klacht.

6.2.

De kamer is in haar beslissing uitgegaan van de juistheid van de beslissing van de plaatsvervangend voorzitter dat de gerechtsdeurwaarder de verantwoordelijkheid draagt voor de betekening van het vonnis en de beslaglegging, hoewel de klacht zich volgens de kamer vooral richt tegen het handelen van medewerkers van haar kantoor.

6.3.

In zijn beroepschrift persisteert klager in zijn stelling dat de klacht tegen [A] , [B] en [C] is gericht. Ter zitting in hoger beroep heeft klager op vragen van het hof verklaard het lastig te vinden om te beoordelen wie in deze zaak de verantwoordelijke gerechtsdeurwaarder(s) is/zijn, omdat [kantoor] hierover geen duidelijkheid schept. Klager heeft benadrukt dat het van belang is de verantwoordelijke voor de in dit dossier gemaakte fouten aan te wijzen, zodat aan de juiste persoon een maatregel wordt opgelegd.

6.4.

Niet weersproken is dat de gerechtsdeurwaarder destijds als vestigingsmanager bij [kantoor] verantwoordelijk was voor de processen in het dossier van klager. De klacht is niet gericht tegen de uitvoering van de in dit dossier verrichte ambtelijke werkzaamheden. Aan die ambtshandelingen hebben echter bepaalde (administratieve) handelingen ten grondslag gelegen, die volgden uit de wijze waarop de processen binnen de organisatie van [kantoor] waren geregeld. Het hof is van oordeel dat de gerechtsdeurwaarder als toenmalig vestigingsmanager voor deze (kantoor)organisatie verantwoordelijk was en daarom in het dossier van klager heeft te gelden als verantwoordelijke gerechtsdeurwaarder binnen [kantoor] . De kamer heeft terecht de gerechtsdeurwaarder als beklaagde aangemerkt. Dit betekent dat het hof de klacht tegen [B] , [C] en [A] als niet ingediend zal beschouwen.

Inhoudelijk

6.5.

Niet kan worden vastgesteld dat de betekening van de grosse van het vonnis aan klager op

26 mei 2014 ten onrechte is geschied, aangezien uit de processtukken niet valt af te leiden dat de door klager gedane betaling op het moment van betekening reeds bij [kantoor] was binnengekomen. Dat betekent dat niet kan worden vastgesteld dat de betekeningskosten ten onrechte bij klager in rekening zijn gebracht. Op grond van het voorgaande kan niet de conclusie worden getrokken dat het op 20 augustus 2014 ten laste van klager gelegde executoriaal derdenbeslag (waarbij rekening was gehouden met de inmiddels ontvangen betaling van klager) onnodig kostenverhogend was. Overigens dient de vraag of dit beslag al dan niet onrechtmatig is gelegd door de executierechter te worden beantwoord. In zoverre is de klacht ongegrond.

6.6.

Wat de nakosten betreft, overweegt het hof het volgende. Volgens inmiddels vaste rechtspraak is beslag leggen voor nakosten zonder een rechtsgeldige titel niet toegestaan in het geval over de verschuldigdheid van die nakosten een geschil bestaat. Klager heeft bezwaar gemaakt tegen de gevorderde nakosten. Gelet hierop had de gerechtsdeurwaarder op de voet van artikel 237 lid 4 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering aan de rechter moeten verzoeken de nakosten alsnog te begroten en daarvoor een bevelschrift af te geven alvorens de nakosten als grondslag van het ten laste van klager te leggen derdenbeslag te laten gelden. De gerechtsdeurwaarder heeft erkend dat [kantoor] op dit punt onjuist heeft gehandeld. De klacht is op dit onderdeel gegrond. Dat de gerechtsdeurwaarder twee maanden na indiening van de klacht haar excuses heeft aangeboden “voor de hele gang van zaken” en de nakosten vervolgens zijn gecrediteerd, doet niet af aan het tuchtrechtelijk verwijt dat de gerechtsdeurwaarder op dit punt is te maken. Het hof acht daarom de maatregel van berisping passend.

6.7.

Het hof komt deels tot een andere beslissing dan de kamer. Omwille van de duidelijkheid zal het hof de beslissing van de kamer daarom vernietigen en opnieuw beslissen.

6.8.

Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht, kan buiten beschouwing blijven omdat het niet van belang is voor de beslissing in deze zaak.

6.9.

Het hiervoor overwogene leidt tot de volgende beslissing.

7 Beslissing

Het hof:

- vernietigt de beslissing van de kamer;

- beschouwt de klacht als niet ingediend tegen [B] , [C] en [A] ;

- verklaart de klacht gegrond wat de beslaglegging voor de nakosten betreft;

- legt aan de gerechtsdeurwaarder de maatregel van berisping op;

- verklaart de klacht voor het overige ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door mrs. J.C.W. Rang, L.J. Saarloos en A.W. Jongbloed en in het openbaar uitgesproken op 17 november 2015 door de rolraadsheer.