Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:4825

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
17-11-2015
Datum publicatie
29-02-2016
Zaaknummer
200.168.006/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Arbeidsovereenkomst. Aansprakelijkstelling van werkgeefster voor schade geleden in de uitoefening van de werkzaamheden. Wanneer is de verjaringstermijn van artikel 3:310 lid 1 BW gaan lopen?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2016-0203
AR 2016/577
RAV 2016/56
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.168.006/01

zaaknummer rechtbank : CV 14-12276

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 17 november 2015

inzake

JCDECAUX NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

appellante,

advocaat: mr. S.F. Sagel te Amsterdam,

tegen:

[geïntimeerde] ,

wonend te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. W.A. van Veen te Utrecht.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna JCDecaux en [geïntimeerde] genoemd.

JCDecaux is bij dagvaarding van 26 januari 2015 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam, hierna ‘de kantonrechter‘, van 27 oktober 2015, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen haar als gedaagde en [geïntimeerde] als eiser.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;

- memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel

appel;

- memorie van antwoord in incidenteel appel.

Ten slotte is arrest gevraagd.

JCDecaux heeft geconcludeerd in principaal appel dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en - uitvoerbaar bij voorraad - de vorderingen van [geïntimeerde] alsnog zal afwijzen, en, in incidenteel appel, tot verwerping daarvan, een en ander met - uitvoerbaar bij voorraad - veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten van beide instanties, met de gebruikelijke nakosten en wettelijke rente.

[geïntimeerde] heeft geconcludeerd, in principaal appel, tot bevestiging van het bestreden vonnis met - uitvoerbaar bij voorraad -veroordeling van JCDecaux in de proceskosten van het hoger beroep met de gebruikelijke nakosten, en in incidenteel appel tot het schrappen uit overweging 1.6.: “- 12 november 1997 tot (het hof leest:16) maart 1998 voor 100% en van 16 maart 1998 tot 30 maart 1998 voor 50% vanwege nekklachten;” als vaststaand feit.

Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

2 Feiten

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis, waartegen bij vonnis van 17 november 2014 hoger beroep is opengesteld, onder 1.(1.1. tot en met 1.12.) een aantal feiten vastgesteld. Deze zijn, behalve voor zover het betreft voornoemde in het incidenteel appel aangevallen vaststelling, waarop het hof hierna terugkomt, in hoger beroep niet in geschil. In zoverre dienen deze feiten ook het hof als uitgangspunt.

3 Beoordeling

3.1.

Het gaat in deze zaak om het volgende.

a. [geïntimeerde] , geboren op 8 december 1959, is op 1 februari 1989 als ‘onderhouds-medewerker/afficheur’ in dienst getreden bij een rechtsvoorgangster van JCDecaux. Zijn salaris bedroeg laatstelijk € 1.995,- bruto per maand, exclusief toeslagen.

b. De werkzaamheden van [geïntimeerde] bestonden uit onderhoud en ‘affichage’ van wachthokjes en reclamezuilen.

c. Vanaf 1993 is [geïntimeerde] gedurende perioden van wisselende duur uitgevallen wegens rug-, schouder- en nekklachten, voor het laatst op 8 januari 2008. Na die datum heeft hij zijn werkzaamheden bij JCDecaux niet meer hervat.

d. Na verkregen ontslagvergunning heeft JCDecaux de arbeidsovereenkomst met [geïntimeerde] opgezegd tegen 31 juli 2010.

e. Bij brief van 21 december 2009 heeft [geïntimeerde] JCDecaux aansprakelijk gesteld voor schade die hij naar hij stelde in de uitoefening van zijn werkzaamheden heeft geleden terwijl de omstandigheden waaronder hij deze moest verrichten niet voldeden aan de wettelijke eisen. Tevens heeft hij bij deze brief een (eventuele) verjaring van het recht op schadevergoeding gestuit.

f. Volgens een door JCDecaux als productie 6 in eerste aanleg in het geding gebracht ‘Individueel ziekte-overzicht’ is [geïntimeerde] in elk geval van 23 april 1997 tot 19 mei 1997 uitgevallen wegens rugklachten, van 22 november 2001 tot17 december 2001 vanwege een schouderprobleem en van 22 december 2003 tot 2 februari 2004 wegens nekklachten.

g. Bij brief van 9 juli 2002 heeft [geïntimeerde] JCDecaux onder meer meegedeeld dat hij tijdens zijn werkzaamheden een nekblessure had opgelopen.

3.2

[geïntimeerde] vordert JCDecaux te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 30.000,- als voorschot op de totale schadevergoeding en van alle door hem geleden en nog te lijden schade, zowel materieel als immaterieel, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van uitval c.q. de vervaldata, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, met veroordeling van JCDecaux in de proceskosten. Blijkens het bestreden vonnis heeft de kantonrechter alleen het primaire verweer van JCDecaux onderzocht, inhoudende dat de vorderingen van [geïntimeerde] zijn verjaard. De kantonrechter heeft dit verweer verworpen en de zaak naar de rol verwezen voor een akte aan de kant van JCDecaux ter onderbouwing van haar subsidiaire verweer dat het causaal verband tussen de door [geïntimeerde] verrichte werkzaamheden en de door hem ervaren klachten in onvoldoende mate vaststaat en dat indien een dergelijk verband niettemin zou moeten worden aangenomen JCDecaux aan haar zorgplicht heeft voldaan en haar uiterst subsidiaire verweer dat de door [geïntimeerde] aangevoerde schade-indicatie grondslag mist. De kantonrechter heeft iedere verdere beslissing aange-houden. Tegen de verwerping van het verjaringsverweer en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt JCDecaux in principaal appel op met vier grieven. [geïntimeerde] komt met zijn grief in incidenteel appel op tegen een gedeelte van de feitenvaststelling onder 1.6. van het bestreden vonnis.

3.3

Het hof zal eerst de incidentele grief bespreken. Ter toelichting daarop stelt [geïntimeerde] het volgende. Het als productie 6 bij de conclusie van antwoord door JCDecaux in het geding gebrachte overzicht is niet juist, althans het daarin vermelde onder het hoofd ‘Reden ziek’ is ongedocumenteerd. De periode 1997-1998 komt in het overzicht niet voor. Het stuk is ook niet afkomstig van de arbodienst van JCDecaux, zodat aan de daarin opgegeven reden voor de ziekte geen gezag toekomt. De kantonrechter heeft dit tijdvak ten onrechte in de feitenvaststelling overgenomen, aldus nog steeds [geïntimeerde] . Het hof kan [geïntimeerde] niet volgen, nu de periode 1997-1998 wel degelijk in het overzicht voorkomt. Voor het overige is de grief onvoldoende toegelicht. Het had op de weg van [geïntimeerde] gelegen om duidelijk te maken wat de eventuele reden van zijn ziekte gedurende de onderhavige periode wel is geweest. De grief faalt.

3.4

De grieven in het principale appel lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Uitgangspunt is dat de verjaringstermijn van vijf jaar als bedoeld in artikel 310 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek begint te lopen op de dag na die waarop de benadeelde zowel met de schade als de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden en in elk geval door verloop van twintig jaren na de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt. Naar vaste rechtspraak dient voormelde eis zo te worden opgevat dat het gaat om daadwerkelijke bekendheid, zodat het enkele vermoeden niet volstaat. Het gaat er dus om dat de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering tot vergoeding van deze schade in te stellen. Vast staat dat [geïntimeerde] JCDecaux bij brief van 21 december 2009 aansprakelijk heeft gesteld voor schade die hij in de uitoefening van zijn werkzaamheden stelt te hebben gelden en dat hij bij deze brief een (eventuele) verjaring van het recht op schadevergoeding gestuit. Onderzocht moet dus worden of [geïntimeerde] vóór 21 december 2004 daadwerkelijk in staat was de onderwerpelijke vordering in te stellen.

3.5

Volgens het onder 3.3 genoemde overzicht heeft [geïntimeerde] , nadat hij van 12 november 1997 tot 16 maart 1998 (gedeeltelijk) was uitgevallen wegens nekklachten heeft hij van 22 november 2001 tot 17 december 2001 niet kunnen werken in verband met een probleem aan zijn schouder. Vervolgens heeft hij van 22 december 2003 tot 2 februari 2004 werk verzuimd wegens nekklachten. Daarna heeft [geïntimeerde] , het tegendeel heeft JCDecaux niet gesteld, gedurende een onafgebroken periode van bijna vijf jaar gewerkt totdat hij op 8 januari 2008 uitviel. Bij deze stand van zaken kan niet worden gezegd dat bij [geïntimeerde] zodanige zekerheid bestond omtrent zijn klachten en het verband tussen deze klachten en zijn werkzaamheden dat hij vóór 21 december 2004 in staat was een rechtsvordering in te stellen. Het enkel incidenteel ervaren van min of meer dezelfde klachten die nadien ook weer overgaan en ook verder geen frequente arbeidsongeschiktheid veroorzaken is onvoldoende om anders te kunnen oordelen. Daarbij verdient aantekening dat JCDecaux zelf een beroep heeft gedaan op de als producties 2 een 3 bij de conclusie van antwoord overgelegde rapporten van een door haar ingeschakelde medisch adviseur waarvan de strekking is dat er geen oorzakelijk verband bestaat tussen de door [geïntimeerde] ondervonden medische klachten en zijn werkzaamheden. De grieven in het principale appel, wat daar verder van zij, falen.

3.6

Nu de grieven in het principale appel falen, evenals de grief in het incidentele appel zal het vonnis waarvan beroep worden bekrachtigd. JCDecaux zal worden verwezen in de kosten van het geding in principaal appel. [geïntimeerde] dient de kosten van het geding in het incidentele appel te dragen.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt JCDecaux in de kosten van het geding in principaal appel tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 311,- aan verschotten en € 1.158,- voor salaris en op € 131,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 68,- voor nasalaris en met de kosten van het betekeningsexploot, ingeval niet binnen veertien dagen is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordeling en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na dit arrest;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in incidenteel appel, tot op heden aan de zijde van JCDecaux begroot op € 579,- voor salaris en op € 131,- voor nasalaris en met de kosten van het betekeningsexploit, ingeval niet binnen veertien dagen is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordeling en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na dit arrest.

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.M. Aarts, S.F. Schütz en M.L.D. Akkaya en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 17 november 2015.