Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:4815

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
17-11-2015
Datum publicatie
20-11-2015
Zaaknummer
200.148.812/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

vervolg van 24 maart 2015. De ingevolge het tussenarrest door geïntimeerde sub 1 afgelegde rekening en verantwoording voldoet niet aan de door het hof bij dat arrest gegeven opdracht. Als gevolg hiervan komt appellant nog steeds een beroep op opschorting toe en moeten de desbetreffende vorderingen van geïntimeerde sub 1 alsnog worden afgewezen. Geen verrekening maar zelfstandige toewijzing van de (overige) vorderingen van partijen over en weer.Zie ECLI:NL:GHAMS:2015:1028.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.148.812/01

zaak-/rolnummer rechtbank Noord-Holland : C/14/139622/HA ZA 12-288

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 17 november 2015 (bij vervroeging)

inzake

[appellant] ,

wonend te [woonplaats] ( [land] ),

appellant,

advocaat: mr. H.W.E. Vermeer te Amstelveen,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

RECREATIE BEHEER B.V.,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

NOORD-HOLLAND RECREATIE SERVICE B.V.,

beide gevestigd te Sint Maartenszee, gemeente Zijpe,

geïntimeerden,

advocaat: mr. M.M. Kroone te Alkmaar.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellant] , Recreatie Beheer en NHRS genoemd. Recreatie Beheer en NHRS worden tezamen als Recreatie Beheer c.s. aangeduid.

Het hof heeft op 24 maart 2015 een tussenarrest (verder ook: het tussenarrest) uitgesproken. Voor het verloop van het geding tot die datum verwijst het hof naar dat arrest.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie na tussenarrest, met producties, van de zijde van Recreatie Beheer c.s.;

- antwoordmemorie na tussenarrest van de zijde van [appellant] ;

- nadere akte, met producties, van de zijde van Recreatie Beheer c.s.;

- antwoordakte van de zijde van [appellant] .

Ten slotte is wederom arrest gevraagd.

2 Verdere beoordeling

2.1.1. Naar aanleiding van (de gegrondbevinding van de) eerste grief van [appellant] , betrekking hebbend op de door de rechtbank toegewezen vorderingen van Recreatie Beheer ter zake van de parkkosten over 2012 en 2013 ter grootte van € 2.153,68 respectievelijk € 2.111,76, heeft het hof Recreatie Beheer in de gelegenheid gesteld om bij nadere memorie rekening en verantwoording met betrekking tot de parkkosten af te leggen en wel zodanig dat zij duidelijk maakt dat de aanpassingsverplichting op grond van artikel 23 van de leveringsakte niet in de weg staat aan de thans gevorderde parkkosten over 2012 en 2013. Het hof overwoog in dit verband (in overweging 3.4.4) dat, hoewel het dus gaat om deze twee jaren, Recreatie Beheer in het kader van de vraag of te dezen structureel sprake is van te hoge in rekening gebrachte kosten ook inzicht zal dienen te verschaffen in de door haar over de jaren 2009, 2010 en 2011 gemaakte en [appellant] in rekening gebrachte parkkosten.

2.1.2. Bij haar memorie na tussenarrest heeft Recreatie Beheer een van haar accoun-tant [A] (verder: [A] ) afkomstig kostenoverzicht overgelegd, alsmede twee e-mails van [B] van [A] , van 15 mei 2015. Recreatie Beheer stelt dat uit voormeld kostenoverzicht blijkt dat geen sprake is van structureel hogere of lagere parkkosten dan door haar in rekening zijn gebracht. In zijn antwoordmemorie heeft [appellant] gemotiveerd betwist dat Recreatie Beheer hiermee de door het hof verlangde rekening en verantwoording heeft afgelegd. Vervolgens heeft Recreatie Beheer bij haar nadere akte een rapport van [A] van 23 juli 2015 (met bijlagen) in het geding gebracht, waarmee is beoogd voormeld kostenoverzicht nader toe te lichten en te onderbouwen. Uit zijn antwoordakte blijkt dat [appellant] nog steeds betwist dat Recreatie Beheer daarmee naar behoren rekening en verantwoording heeft afgelegd.

2.1.3. Met [appellant] is het hof van oordeel dat Recreatie Beheer ondanks de door haar na het tussenarrest overgelegde stukken niet naar behoren rekening en verantwoording heeft afgelegd, meer concreet, niet duidelijk heeft gemaakt dat de aanpassingsverplich-ting op grond van artikel 23 van de leveringsakte niet in de weg staat aan de thans ge-vorderde parkkosten over 2012 en 2013. Tegen de achtergrond van de omstandigheid dat onaannemelijk is dat nagenoeg alle door Recreatie Beheer gestelde kostenposten in de periode van 2009 tot en met 2013 in het geheel niet zijn gewijzigd, acht het hof, zoals [appellant] ook heeft aangevoerd, de door Recreatie Beheer opgevoerde kostenposten onvoldoende toegelicht, gespecificeerd en met bewijzen gestaafd. Het bij haar nadere akte door Recreatie Beheer overgelegde “Rapport feitelijke bevindingen” van [A] van 23 juli 2015 maakt dat niet anders. Bovendien blijkt uit het door Recreatie Beheer overgelegde overzicht dat in de jaren 2009, 2010 en 2011 telkens een positief resultaat werd behaald (van per kavel respectievelijk € 109,=, € 266,= en € 135,=), maar niettemin de vergoeding per kavel in 2012 is verhoogd. Weliswaar is de vergoeding in 2013 verlaagd, maar het resultaat over dat jaar was desondanks (fors) hoger dan in de voorgaande jaren. Kortom, de door Recreatie Beheer ingevolge het tussenarrest afgelegde rekening en verantwoording roept meer vragen op dan zij beantwoordt en voldoet in ieder geval niet aan de door het hof bij het tussenarrest gegeven opdracht.

2.1.4. Bij deze stand van zaken komt [appellant] (nog steeds) zijn in overweging 3.4.3 van het tussenarrest gerechtvaardigd geachte beroep op opschorting toe. Dit leidt ertoe dat de onderhavige vorderingen van Recreatie Beheer alsnog moeten worden afgewezen.

2.2.1. In overweging 3.6.6 van het tussenarrest heeft het hof geoordeeld dat Recreatie Beheer c.s. hoofdelijk zijn gehouden tot vergoeding van een bedrag van € 5.500,=, met wettelijke rente vanaf 10 oktober 2012, aan [appellant] . Omdat [appellant] zich op verrekening heeft beroepen en bij het hof de vraag was gerezen op welke wijze de vordering van [appellant] in een uitspraak zou moeten worden verwerkt, heeft het hof onder 3.6.8 van het tussenarrest overwogen dat het vooralsnog van oordeel is dat het praktisch zou zijn, indien de vorderingen van Recreatie Beheer c.s. niet met die van [appellant] worden verrekend, maar de vordering van [appellant] (zelfstandig) wordt toegewezen. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld zich hierover in hun nadere memorie uit te laten.

2.2.2. In hun nadere memorie hebben Recreatie Beheer c.s. te kennen gegeven te wensen dat de vordering van [appellant] met de hunne wordt verrekend. [appellant] heeft in zijn antwoordmemorie te kennen gegeven zich op dit punt aan het oordeel van het hof te refereren. Het hof begrijpt [appellant] aldus dat hij zich niet langer op verrekening beroept. Thans doen Recreatie Beheer c.s. dat weliswaar, maar zij hebben daarbij niet aangegeven op welke wijze die verrekening zou moeten plaatsvinden. Dit had echter wel gemoeten, nu Recreatie Beheer c.s. afzonderlijke vorderingen tegen [appellant] hebben ingesteld maar [appellant] een tegenvordering op hen heeft waarvoor zij hoofdelijk aansprakelijk zijn. Om die reden zal het hof de vorderingen over en weer niet verrekenen maar zelfstandig toewijzen.

2.3.1. Het hof komt tot de volgende afronding.

2.3.2. Het dictum van het bestreden tussenvonnis bevat slechts een rolverwijzing met betrekking tot een punt waartegen geen grieven zijn gericht. Daarom zal dat vonnis worden bekrachtigd, ook al is de tegen dat vonnis gerichte eerste grief gegrond.

2.3.3. Om praktische redenen zal het hof het bestreden eindvonnis (zowel in conventie als in reconventie) geheel vernietigen en beslissen in overeenstemming met wat hiervoor en in het tussenarrest is overwogen en beslist. Hierbij verdient het volgende nog vermelding. In verband met het [appellant] toekomende opschortingsrecht (vgl. overweging 3.6.7 van het tussenarrest) is de door Recreatie Beheer gevorderde con-tractuele rente over de toewijsbare bedragen van € 253,52 en € 283,38 pas toewijsbaar vanaf het moment dat de vordering van [appellant] van € 5.500,=, met wettelijke rente, is voldaan. Dit laatste geldt ook ten aanzien van de door NHRS gevorderde contractuele rente over een gedeelte van € 5.500,= van haar toewijsbare vordering van € 24.095,54.

2.3.4. Het hof zal de proceskosten van beide instanties (ten aanzien van de eerste aanleg: in conventie en in reconventie) compenseren als na te melden, omdat partijen telkens over en weer ten dele in het ongelijk zijn gesteld.

3 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het tussenvonnis van 4 september 2013, waarvan beroep;

vernietigt het eindvonnis van 22 januari 2014 waarvan beroep (zowel in conventie als in reconventie) en, opnieuw recht doende:

veroordeelt [appellant] tot betaling aan Recreatie Beheer van:

- een bedrag van € 253,52 ter zake van de afrekening 2008, te vermeerderen met de contractuele rente hierover van 1% vanaf de dag dat aan na te melden veroordeling jegens [appellant] is voldaan, tot de dag der voldoening;

- een bedrag van € 283,38 aan contractuele rente over de jaren 2008, 2009, 2010 en 2011, te vermeerderen met de contractuele rente hierover van 1% per maand vanaf de dag dat aan na te melden veroordeling jegens [appellant] is voldaan, tot de dag der voldoening;

veroordeelt [appellant] tot betaling aan NHRS van een bedrag van € 24.095,54, te vermeerderen met de contractuele rente van 1% per maand over € 18.595,54 vanaf de respectieve vervaldata tot de dag der voldoening en over € 5.500,= vanaf de dag dat aan na te melden veroordeling jegens [appellant] is voldaan, tot de dag der voldoening;

verklaart voor recht dat Recreatie Beheer jegens [appellant] tekort is geschoten en dat NHRS jegens [appellant] onrechtmatig heeft gehandeld (telkens) door het op 2 juli 2011 buiten gebruik stellen van het riool, alsmede, dat Recreatie Beheer c.s. te dier zake hoofdelijk jegens [appellant] schadeplichtig zijn;

veroordeelt Recreatie Beheer c.s. hoofdelijk, des dat de een betalend de ander zal zijn bevrijd, tot betaling aan [appellant] van een bedrag van € 5.500,=, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 10 oktober 2012 tot de dag der voldoening;

verklaart dit arrest ten aanzien van voormelde veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het door partijen over en weer meer of anders gevorderde af;

compenseert de kosten van het geding in eerste aanleg (in conventie en in reconventie) en in hoger beroep aldus dat partijen ieder de eigen kosten dragen.

Dit arrest is gewezen door mrs. R.J.M. Smit, R.H. de Bock en J.C.W. Rang en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 17 november 2015.