Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:4813

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
17-11-2015
Datum publicatie
09-03-2016
Zaaknummer
200.135.256/01 + 200.135.257/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervolg van tussenarrest 15 september 2015. Verdere processuele perikelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummers: 200.135.256/01 en 200.135.257/01

zaak- en rolnummers rechtbank : C/14/135153 / HA ZA 12-56 en
C/14/135155 / HA ZA 12-57 (Noord-Holland)

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 17 november 2015

in de zaak met zaaknummer 200.135.256/01:

[appellant 1],

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

advocaat: mr. E.F. Klungers te Alkmaar,

tegen:

1 [geïntimeerde sub 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

advocaat mr. M. Kaouass te Amsterdam,

2. [geïntimeerde sub 2],

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. J.J. Jorna te Den Helder,

en

in de zaak met zaaknummer 200.135.257/01:

[appellant 2],

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

advocaat: mr. E.F. Klungers te Alkmaar,

tegen

1 [geïntimeerde sub 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

advocaat mr. M. Kaouass te Amsterdam,

2 [geïntimeerde sub 2] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. J.J. Jorna te Den Helder.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna (ook) [appellant 2] , [appellant 1] , [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] genoemd.

Het hof heeft in beide zaken op 15 september 2015 een tussenarrest gewezen. Voor het verloop van het geding tot aan die datum verwijst het hof naar dat arrest.

Bij het tussenarrest zijn de zaken naar de rol van 29 september 2015 verwezen voor uitlating voortzetting door partijen.

[appellant 2] en [appellant 1] hebben ieder een akte uitlating/overlegging producties genomen en [geïntimeerde sub 1] heeft in beide zaken een ‘akte uitlating geïntimeerde over voortzetting van de procedure’ genomen. [geïntimeerde sub 2] heeft in beide zaken een ‘akte van uitlating’ genomen.

Ten slotte is wederom arrest gevraagd.

2 De verdere beoordeling in hoger beroep

2.1.

In het tussenarrest is het hof tot het oordeel gekomen dat [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] op grond van artikel 6:166 BW elk aansprakelijk zijn voor de schade van [appellant 1] en [appellant 2] die het gevolg is van het geweldsincident dat heeft plaatsgevonden op 20 februari 2007. Het hof heeft vervolgens de zaken aan zich gehouden met het oog op de begroting van de schade. In verband met het voornemen van [appellant 1] en [appellant 2] om de onderhavige zaken te laten voegen met het hoger beroep tegen het eindvonnis dat is gewezen tegen de medegedaagden van [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] , heeft het hof de zaken naar de rol verwezen voor uitlating voortzetting aan beide zijden.

2.2.

In zijn akte na het tussenarrest deelt [geïntimeerde sub 1] mee dat hij heeft besloten cassatieberoep in te stellen tegen het arrest van 15 september 2015. In dat verband verzoekt hij het hof eindarrest te wijzen. Mocht het hof daartoe niet overgaan, dan verzoekt hij het hof alsnog de zaak terug te wijzen naar de rechtbank ter vaststelling van schade, causaal verband en eigen schuld.

2.3.

Het hof overweegt het volgende. Het arrest van 15 september 2015 is een tussenarrest. Het hof heeft niet met een uitdrukkelijk dictum omtrent enig deel van het gevorderde een einde gemaakt aan het geschil. Het oordeel dat [geïntimeerde sub 1] op grond van artikel 6:166 BW aansprakelijk moet worden gehouden, is een eindbeslissing waartegen geen cassatieberoep open staat. Het hof begrijpt hetgeen door [geïntimeerde sub 1] is aangevoerd daarom als een verzoek om op grond van artikel 401a lid 2 Rv tegen het arrest van 15 september 2015 tussentijds cassatieberoep open te stellen.

2.4.

In zijn akte na tussenarrest heeft [geïntimeerde sub 2] met zoveel woorden verzocht cassatieberoep tegen het tussenarrest van 15 september 2015 open te stellen.

2.5.

[appellant 1] en [appellant 2] zijn per fax door de griffie van het hof in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om tussentijds cassatieberoep open te stellen. Zij verzetten zich tegen toewijzing van dit verzoek en stellen daartoe – kort gezegd – dat een tussentijds cassatieberoep niet in het belang is van een voortvarende en efficiënte procesgang.

2.6.

[geïntimeerde sub 1] heeft ter onderbouwing van zijn verzoek aangevoerd dat de zaak voor hem en zijn gezin zeer belastend is en hij er derhalve belang bij heeft zo spoedig mogelijk een definitieve uitspraak over de aansprakelijkheidsvraag te verkrijgen. [geïntimeerde sub 2] is het inhoudelijk niet eens met de beslissing van het hof. Het hof ziet onvoldoende aanleiding om, in afwijking van het wettelijk uitgangspunt dat cassatieberoep als hoofdregel slechts mogelijk is tegen einduitspraken, cassatieberoep open te stellen van het tussenarrest van 15 september 2015. De proces-economie is daarmee niet gediend. Het verzoek van [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] zal derhalve worden afgewezen.

2.7.

[geïntimeerde sub 1] heeft in zijn akte na het tussenarrest het hof verder verzocht terug te komen op de beslissing om de zaak ter begroting van de schade aan zich te houden. Uit de akte na het tussenarrest van [geïntimeerde sub 2] begrijpt het hof dat hij hetzelfde verzoekt. Deze verzoeken worden afgewezen. Daartoe wordt het volgende overwogen.
Hoofdregel is dat door het hoger beroep tegen een einduitspraak de gehele zaak, zoals deze voor de eerste rechter diende, naar de appelrechter wordt overgebracht ter beslissing door deze en dat de appelrechter zich niet deels aan deze hem opgedragen taak mag onttrekken door een gedeelte van de beslissing van het aan zijn oordeel onderworpene over te laten aan de rechter die zijn oordeel over de zaak reeds heeft gegeven. Aan deze regel dient steeds toepassing te worden gegeven, behoudens in een aantal specifieke door de Hoge Raad genoemde situaties, namelijk die waarin de appelrechter een uitspraak van de rechter in eerste aanleg vernietigt waarbij deze zich onbevoegd heeft verklaard van het geschil kennis te nemen, hetzij wegens ontbreken van rechtsmacht van de Nederlandse rechter, hetzij op grond van het bepaalde in art. 1022 lid 1 Rv, hetzij uit hoofde van het onderwerp van het geschil. Met deze gevallen kan gelijk worden gesteld een geval waarin de rechter in eerste aanleg op louter processuele gronden ten onrechte niet aan een inhoudelijke behandeling van de zaak tussen de betrokken partijen is toegekomen (HR 7 mei 1993, NJ 1993, 655 en HR 17 januari 2014, NJ 2015, 68). De genoemde uitzonderingsgevallen doen zich niet voor en de situatie in dit geval is daarmee ook niet vergelijkbaar, zodat het hof blijft bij zijn beslissingen in het tussenarrest.

2.8.

[appellant 2] verzoekt bij zijn akte na het tussenarrest de procedure met zaaknummer 200.135.257/01 te voegen met het hoger beroep tegen het eindvonnis in de zaak van de rechtbank Noord-Holland van 27 augustus 2014, welk hoger beroep bij het hof aanhangig is onder zaaknummer 200.159.890/01.

2.9.

[appellant 1] vordert op zijn beurt dat het hof de beslissing van de rechtbank Noord-Holland bij vonnis van 15 juli 2015 in de zaak tegen de medegedaagden van [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] zal overnemen en hen eveneens hoofdelijk zal veroordelen tot betaling van een bedrag van € 578.426,35 met rente en proceskosten. [appellant 1] realiseert zich daarbij dat [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] nog in de gelegenheid moeten worden gesteld verweer te voeren tegen de hoogte van de schade.

2.10.

Het verzoek tot voeging kan niet worden toegewezen. Bij voeging van verknochte zaken is op grond van lid 2 van artikel 222 Rv artikel 220 lid 2 Rv van overeenkomstige toepassing, wat betekent dat een verzoek tot voeging alleen kan worden toegewezen als het vóór het antwoord in de hoofdzaak is ingediend. Die situatie doet zich niet voor. Ten overvloede overweegt het hof dat evenmin in de zaak met zaaknummer 200.159.890/01 nog voeging kan worden verzocht, omdat die zaak – naar het hof ambtshalve bekend is – reeds in staat van wijzen is. Gelet op de samenhang tussen de zaken met de zaaknummers 200.135.256/01, 200.135.257/01 en 200.159.890/01 zal het hof evenwel ambtshalve rolvoeging toepassen, wat meebrengt dat op de rol aanhoudingen zullen plaatsvinden om te bereiken dat uiteindelijk, als alle zaken in staat van wijzen zijn, daarin door dezelfde combinatie gelijktijdig uitspraak wordt gedaan.

2.11.

[appellant 1] en [appellant 2] worden ieder opgedragen bij akte het volledige procesdossier in de zaak met zaaknummer 200.159.890/01 in eerste aanleg en hoger beroep in het geding te brengen. De bij akte na tussenarrest reeds overgelegde stukken vormen namelijk slechts een deel van de benodigde processtukken. Zij worden tevens in de gelegenheid gesteld ieder hun eis in de onderhavige procedures (200.135.256/01, 200.135.257/01) aan te passen en te specificeren (mede) aan de hand van het gestelde in de procedure met zaaknummer 200.159.890/01.

2.12.

De zaken zullen vervolgens op een termijn van 10 weken naar de rol worden verwezen voor antwoordakte aan de zijde van [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] om hen in de gelegenheid te stellen op de nader gespecificeerde eis van [appellant 1] en [appellant 2] te reageren.

2.13.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

3 Beslissing

Het hof:

wijst af het verzoek van [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] om tussentijds cassatieberoep open te stellen tegen het tussenarrest van 15 september 2015;

verwijst de zaken naar de rol van 15 december 2015 voor akte aan de zijde van [appellant 1] en [appellant 2] tot het hiervoor in r.o. 2.7 weergegeven doel;

bepaalt dat [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] vervolgens op een termijn van 10 weken een aanhouding wordt verleend voor antwoordakte tot het hiervoor in r.o. 2.8 weergegeven doel;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.W. Hoekzema, P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten en M. Kremer en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 17 november 2015.