Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:4811

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
17-11-2015
Datum publicatie
15-02-2016
Zaaknummer
200.089.049/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aandelenlease. Vernietiging leaseovereenkomst op grond van artikel 1:88 en 1:89 BW door echtgenote. Verrekening van de vordering tot ongedaanmaking met de verkoopwaarde van de overgenomen aandelen. Afnemer verschaft geen stukken over de verkoop van de aandelen. Volgt afwijzing van zijn vordering. Vervolg van ECLI:NL:GHAMS:2014:1132, ECLI:NL:GHAMS:2014:5553 en ECLI:NL:GHAMS:2015:2948.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.089.049/01

zaak- en rolnummer rechtbank Amsterdam : 846921 / DX EXPL 07-393

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 17 november 2015

inzake

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ( [land] ),

appellant,

advocaat mr. J.B. Maliepaard te Bleiswijk,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DEXIA NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam.

1 Het verdere verloop van het geding

Partijen worden hierna [appellant] en Dexia genoemd.

In deze zaak heeft het hof op 14 juli 2015 een tussenarrest uitgesproken. Voor het verloop van het geding tot aan die datum wordt verwezen naar dat arrest.

[appellant] heeft een vervolgens akte uitlating na tussenarrest genomen en Dexia een antwoordakte.

Daarna hebben partijen wederom arrest gevraagd.

2 Verdere beoordeling

2.1.

Bij het tussenarrest van 23 december 2014 is het hof tot het oordeel gekomen dat Dexia niet is geslaagd in het bewijs van haar stelling dat [X] eerder dan drie jaren voordat zij bij brieven van 13 december 2004 en 17 november 2010 de nietigheid van de in geding zijnde leaseovereenkomsten heeft ingeroepen, bekend was met het bestaan daarvan. Dit leidt ertoe dat moet worden aangenomen dat de leaseovereenkomsten rechtsgeldig buitengerechtelijk zijn vernietigd.

2.2.

De vernietiging van de leaseovereenkomsten heeft tot gevolg dat op partijen verbintenissen tot ongedaanmaking zijn komen te rusten. Het hof heeft Dexia bij het tussenarrest van 23 december 2014 in gelegenheid gesteld een nadere toelichting te geven op de posten die zij in verrekening wil brengen op hetgeen zij aan [appellant] dient terug te betalen.

2.3.

Dexia heeft in haar nadere akte van 27 januari 2014 (onder 5 en 6), samengevat weergegeven, het volgende betoogd naar aanleiding van het feit dat Dexia bij de beëindiging van de leaseovereenkomst met contractnummer [contractnummer 1] de daarbij behorende aandelen aan [appellant] heeft geleverd. [appellant] dient volgens Dexia te bewijzen wat de door hem daadwerkelijk gerealiseerde verkoopopbrengst is van deze aandelen. Dat bedrag dient verrekend te worden met het door Dexia verschuldigde bedrag. Bij gebreke van dat bewijs moet volgens Dexia ervan worden uitgegaan dat de verkoopopbrengst het door Dexia verschuldigde bedrag overschrijdt.

2.4.

Bij het tussenarrest van 14 juli 2015 heeft het hof in dit (primaire) betoog van Dexia een verzoek als bedoeld in artikel 3:53 lid 2 BW gelezen. Nu beide partijen kennelijk tot uitgangspunt nemen dat de reeds ingetreden gevolgen van de vernietigde rechtshandeling bezwaarlijk ongedaan gemaakt kunnen worden, heeft het hof, mede om redenen van doelmatigheid, voldoende aanleiding gezien voor de door Dexia voorgestelde verrekening, met dien verstande dat de uitkering in geld bepaald dient te worden op de verkoopwaarde ter beurze op de dag van vernietiging, welke waarde blijkt uit de Officiële Prijscourant van de AEX (http://www.aex.nl/opc). Indien [appellant] de aandelen reeds voor de dag van vernietiging heeft verkocht, dan geldt de verkoopwaarde op de dag van die verkoop. Het hof heeft de zaak vervolgens naar de rol verwezen om [appellant] de gelegenheid te geven de gegevens te verstrekken die nodig zijn om te kunnen bepalen in hoeverre Dexia een beroep op verrekening toekomt. Het hof blijft bij deze genoemde beslissingen zoals die zijn gegeven in de aan dit arrest voorafgaande tussenarresten.

2.5.

[appellant] stelt dat Dexia onder de leaseovereenkomst met contractnummer [contractnummer 2] (Korting Kado) € 2.716,24 in verrekening kan brengen als aan [appellant] uitgekeerde dividenden. Hij verwijst naar het door Dexia in eerste aanleg overgelegde financiële overzicht. Dexia heeft geen ander bedrag genoemd en heeft het door [appellant] genoemde bedrag niet bestreden, zodat het hof van de juistheid van dit bedrag zal uitgaan. Dit bedrag, en niet het in r.o. 2.3 van het tussenarrest van 14 juli 2015 genoemde bedrag van € 2.227,89 zal daarom in aanmerking worden genomen.

2.6.

Ten aanzien van leaseovereenkomst met contractnummer [contractnummer 1] (Winstverdriedubbelaar) geldt het volgende. De kantonrechter heeft vastgesteld dat deze leaseovereenkomst per 17 december 2001 is geëindigd. Bij die gelegenheid heeft [appellant] de aandelen tegen de toenmalige waarde van € 9.019,14 overgenomen van Dexia, tegen betaling van € 8.406,30 aan restant hoofdsom. Hij heeft deze aandelen daarmee verkregen met een positieve waarde van € 612,84. Dexia heeft in eerste aanleg onweersproken gesteld dat [appellant] op grond van deze leaseovereenkomst € 1.814,76 aan maandtermijnen heeft betaald. Per saldo heeft [appellant] aldus een nadeel geleden van € 1.201,92 (€ 1.814,76 - € 612,84).

2.7.

[appellant] stelt in zijn akte na tussenarrest dat hij de aan hem geleverde aandelen Ahold en ING nog in zijn bezit heeft. Op de datum van vernietiging (17 november 2010) waren de aandelen Ahold € 832,52 waard en de aandelen ING € 1.365,90. [appellant] stelt dat hij de 87 aandelen ABN Amro op 29 januari 2004 heeft verkocht tegen een koers van € 19,34 per aandeel, dus totaal voor een bedrag van € 1.682,58.

2.8.

Dexia heeft bij antwoordakte van 8 september 2015 de waarde van de aandelen Ahold en ING zoals die door [appellant] zijn opgegeven niet bestreden. Ten aanzien van de gestelde verkoop van de aandelen ABN Amro in 2004 constateert Dexia dat [appellant] daarvan geen stukken heeft overgelegd. Dexia meent dat bij gebreke van bewijs van de verkoop ervan moet worden uitgegaan dat de daadwerkelijke verkoopopbrengst het door Dexia verschuldigde bedrag overschrijdt.

2.10.

Het hof overweegt het volgende. Na het tussenarrest van 23 december 2014 hebben partijen zich uitgelaten over de posten die voor verrekening in aanmerking komen. Blijkens zijn antwoordakte van 24 februari 2015 (onder 1.9-1.14) heeft [appellant] in dat verband aangenomen dat het hof een gelijke wijze van verrekening zal gaan toepassen als in andere met deze zaak vergelijkbare procedures is gedaan. [appellant] heeft echter verzuimd de gegevens te verstrekken aan de hand waarvan het hof die wijze van verrekening zou kunnen toepassen. Het hof heeft dit verzuim in het tussenarrest van 14 juli 2015 geconstateerd (r.o. 2.6) en [appellant] alsnog de gelegenheid gegeven de benodigde gegevens te verstrekken (r.o. 2.7). [appellant] is daarbij opgedragen in het voorkomende geval de bewijsstukken van de verkoop van de aandelen over te leggen. Partijen zijn verder opgedragen concreet aan de hand van verifieerbare gegevens voor te rekenen tot welke beslissing de verstrekte gegevens in hun optiek zal dienen te leiden. Daarbij is aangekondigd dat het hof aan het niet-verschaffen door een partij van de verlangde gegevens de gevolgen zal verbinden die het geraden acht.

2.11.

[appellant] heeft zonder nadere toelichting geen stukken overgelegd van de verkoop van de aandelen ABN Amro. Zonder die gegevens kan niet op voldoende verifieerbare wijze worden vastgesteld tot welk bedrag Dexia zich op verrekening kan beroepen. Het betreft stukken die zich in het domein van [appellant] bevinden en waartoe Dexia geen toegang heeft. Dexia is geheel afhankelijk van de medewerking van [appellant] . Op grond van het niet-verschaffen van de door het hof verlangde gegevens zal het hof de gevolgtrekking verbinden die het geraden acht. Dit leidt ertoe dat de vorderingen van [appellant] voor zover die zien op de leaseovereenkomst met contractnummer [contractnummer 1] zullen worden afgewezen.

2.12.

Al het voorgaande leidt tot de volgende conclusies. Het bestreden vonnis van de kantonrechter van 16 februari 2011 zal worden vernietigd. De gevorderde verklaring voor recht dat de leaseovereenkomsten door de vernietigingsbrieven buitengerechtelijk zijn vernietigd, zal worden toegewezen. Dexia zal worden veroordeeld tot betaling aan [appellant] van al hetgeen in het kader van de leaseovereenkomst met contractnummer [contractnummer 2] per saldo aan haar is betaald, vermeerderd met rente. Als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij zal Dexia worden veroordeeld in de kosten van het geding in beide instanties, zoals hierna zal worden bepaald.

3 Beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis van de kantonrechter van 16 februari 2011 waarvan beroep, en opnieuw rechtdoende:

verklaart voor recht dat de leaseovereenkomsten met contractnummers [contractnummer 2] en [contractnummer 1] rechtsgeldig zijn vernietigd ex artikel 1:88 en 89 BW;

veroordeelt Dexia aan [appellant] (terug) te betalen al hetgeen aan haar op grond van de leaseovereenkomst met contractnummer [contractnummer 2] is betaald, vermeerderd met de wettelijke rente over de betalingen telkens vanaf de dag van de betalingen door [appellant] tot aan de dag van algehele (terug)betaling, waarbij Dexia een bedrag van € 2.716,21 in verrekening kan brengen;

veroordeelt Dexia in de kosten van het geding in beide instanties, in eerste aanleg aan de zijde van [appellant] begroot op nihil aan verschotten en € 800,00 voor salaris en in hoger beroep tot op heden op € 381,81 aan verschotten en € 2.682,00 voor salaris en € 131,00 voor nasalaris, te vermeerderen met € 68,00 voor nasalaris en met de kosten van het betekeningsexploot, ingeval niet binnen veertien dagen is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordeling(en) en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden;

verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.W. Hoekzema, J.W.M. Tromp en P.E. de Kort en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 17 november 2015.