Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:481

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
17-02-2015
Datum publicatie
26-03-2015
Zaaknummer
200.143.698/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Matiging uitkering tot levensonderhoud van de vrouw wegens grievend gedrag van de vrouw; behoeftigheid van de vrouw.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 157
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 17 februari 2015

Zaaknummer: 200.143.698/ 01

Zaaknummer eerste aanleg: C/13/535095 FA RK 13-682 (MN MW)

Beschikking van de meervoudige familiekamer

in de zaak in hoger beroep van:

[…],

wonende te […],

appellant,

advocaat: mr. M. van Yperen-Groenleer te 's-Gravenhage,

tegen

[…],

wonende te […],

geïntimeerde,

advocaat: mr. M.S. Gerson te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Partijen worden hierna respectievelijk de man en de vrouw genoemd.

1.2.

De man is op 17 maart 2014 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van 22 januari 2014 van de rechtbank Amsterdam, met kenmerk C/13/535095 FA RK 13-682 (MN MW).

1.3.

De vrouw heeft op 26 mei 2014 een verweerschrift ingediend.

1.4.

De man heeft op 4, 7 en 8 juli 2014 nadere stukken ingediend.

1.5.

De vrouw heeft op 4 en 15 juli 2014 nadere stukken ingediend.

1.6.

De zaak is op 16 juli 2014 ter terechtzitting behandeld.

1.7.

Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.

2 De feiten

2.1.

Het hof heeft, voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.

2.2.

Partijen zijn [in] 2009 gehuwd. Hun huwelijk is op 24 maart 2014 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 22 januari 2014 in de registers van de burgerlijke stand. Tijdens dit huwelijk is uit de vrouw geboren […] (hierna: [de minderjarige]) [in] 2010.

2.3.

Bij beschikking voorlopige voorzieningen van de rechtbank Amsterdam van 15 mei 2013 is [de minderjarige] aan de vrouw toevertrouwd en is het verzoek van de vrouw om een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud afgewezen.

2.4.

Bij beschikking van 15 januari 2014 van de rechtbank Amsterdam is de ontkenning van het vaderschap van de man ten aanzien van [de minderjarige] gegrond verklaard.

2.5.

Ten aanzien van de man is het volgende gebleken.

Hij is geboren [in] 1973. Hij is alleenstaand.

Hij was werkzaam in loondienst bij de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek. Blijkens de jaaropgave over 2011 bedroeg zijn fiscaal loon in dat jaar € 60.957,-.

2.6.

Ten aanzien van de vrouw is het volgende gebleken.

Zij is geboren [in] 1985. Zij vormt met [de minderjarige] een eenoudergezin.

Zij heeft een eenmanszaak genaamd [de onderneming]. Volgens de inschrijving bij de Kamer van Koophandel verricht zij in dit bedrijf werkzaamheden als tolk/vertaalster Engels-Russisch en als model. Zij ontvangt sinds 23 mei 2014 een bijstandsuitkering naar de norm van een alleenstaande ouder.

3 Het geschil in hoger beroep

3.1.

Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans van belang, bepaald dat de man € 1.910,- per maand zal betalen aan de vrouw als uitkering tot haar levensonderhoud, met ingang van de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking, te weten 24 maart 2014, bij vooruitbetaling te voldoen, met inachtneming van hetgeen in die beschikking onder 5.3.2 is overwogen omtrent de duur van de alimentatie.

Deze beschikking is gegeven op het verzoek van de vrouw te bepalen dat de man haar een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud betaalt van € 5.000,- per maand.

3.2.

De man verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, het inleidend verzoek van de vrouw alsnog af te wijzen. Ter zitting in hoger beroep heeft de man verzocht de vrouw te veroordelen in – naar het hof begrijpt – de kosten van de procedure in hoger beroep.

3.3.

De vrouw verzoekt het door de man in hoger beroep verzochte af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4 Beoordeling van het hoger beroep

4.1.

Aan de orde is de onderhoudsverplichting van de man jegens de vrouw. Tegen de beslissing van de rechtbank dat op grond van artikel 1:157 lid 6 Burgerlijk Wetboek (BW) de duur van de onderhoudsverplichting is beperkt tot de duur van het huwelijk is in hoger beroep niet ter discussie gesteld, zodat ook het hof daarvan uitgaat.

Partijen zijn in de eerste plaats verdeeld over de vraag of van de man kan worden gevergd dat hij een uitkering tot levensonderhoud van de vrouw voldoet. De man stelt dat het gedrag van de vrouw gedurende het huwelijk van partijen voor hem dermate grievend is geweest dat tussen hen geen sprake meer is van een lotsverbondenheid waaruit een alimentatieplicht voortvloeit. Ter onderbouwing daarvan heeft de man naar voren gebracht:

- dat de vrouw hem heeft voorgelogen over het vaderschap van [de minderjarige] om hem te bewegen met haar in het huwelijk te treden;

- dat de vrouw buiten medeweten van de man tegen betaling seks heeft gehad met andere mannen;

- dat de vrouw de leugen heeft verspreid dat de man onvruchtbaar is en dat hij de vrouw toestemming had gegeven om zwanger te worden van een andere man;

- dat de vrouw ten tijde van de voorlopige-voorzieningenprocedure hem ten onrechte heeft beschuldigd van geestelijke en seksuele mishandeling.

De vrouw heeft deze stellingen van de man weersproken.

4.2.

Het hof stelt voorop dat de lotsverbondenheid tussen partijen, zoals die door het huwelijk is geschapen, ook na beëindiging van het huwelijk haar werking – zij het in beperkte omvang – behoudt, in de vorm van een onderhoudsplicht. Bij de beslissing omtrent een uitkering tot levensonderhoud dient de rechter op grond van artikel 1:157 BW rekening te worden gehouden met alle omstandigheden van het geval, zowel financiële als ook niet financiële. Een (subjectieve) niet-financiële omstandigheid kan gelegen zijn in grievende gedragingen van de onderhoudsgerechtigde, indien die van zodanige ernst en aard zijn dat van de onderhoudsplichtige – naar analogie van het bepaalde in artikel 1:399 BW – in redelijkheid niet (langer) kan worden gevergd dat hij (ten volle) bijdraagt in het levensonderhoud van de onderhoudsgerechtigde. Bij die beoordeling kunnen tevens objectieve niet financiële omstandigheden, zoals de duur van het huwelijk en de omstandigheid dat uit het huwelijk wel of geen kinderen geboren zijn, in aanmerking worden genomen.

4.3.

Gebleken is dat partijen [in] 2009 zijn gehuwd en dat [de minderjarige] [in] 2010 is geboren, derhalve tijdens het huwelijk van partijen. Gebleken is voorts dat tweemaal DNA-onderzoek is verricht en dat uit beide naar aanleiding daarvan opgestelde rapporten (d.d. 6 november 2012 en 24 oktober 2013) blijkt dat de man niet de biologische vader is van [de minderjarige].

Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw, door tijdens haar relatie met de man kennelijk onbeschermd geslachtsgemeenschap te hebben met een andere man, het risico genomen dat zij van een andere man dan de man zwanger zou raken. Hoewel zij betwist te hebben geweten dat de man niet de biologische vader van [de minderjarige] is, moet zij dus ten minste hebben geweten dat de kans bestond dat de man niet de biologische vader zou zijn. Zij heeft dit evenwel verzwegen voor de man, die er aldus enige jaren ten onrechte zonder meer van is uitgegaan dat [de minderjarige] zijn biologisch kind is. Aannemelijk is geworden dat de waarheid omtrent het vaderschap enkel aan het licht is gekomen doordat de man argwaan kreeg en de man de vrouw met zijn vermoeden dat hij wellicht niet de biologische vader van [de minderjarige] was, heeft geconfronteerd.

Het hof is van oordeel dat het feit dat de vrouw de man op deze manier in het ongewisse heeft gelaten dermate frustrerend en grievend voor de man is, dat onder deze omstandigheden redelijkerwijs niet van hem kan worden verwacht dat hij ten volle bijdraagt in de kosten van levensonderhoud de vrouw. Gelet op hetgeen hierna wordt overwogen omtrent de behoeftigheid bij de vrouw zal het hof echter in het midden laten in hoeverre de onderhoudsverplichting van de man als gevolg hiervan dient te worden gematigd. Om dezelfde reden komt het hof niet toe aan de beoordeling van de overige stellingen van de man aangaande grievend gedrag door de vrouw.

4.4.

Partijen zijn voorts verdeeld over de behoefte van de vrouw aan een uitkering tot haar levensonderhoud.

De man is van mening dat de rechtbank bij de berekening van de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw ten onrechte heeft nagelaten de kosten van [de minderjarige] af te trekken van het netto gezinsinkomen van partijen in 2011. De huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw bedraagt op basis van een juiste berekening netto € 1.929,- per maand, aldus de man.

De vrouw heeft ter zitting in hoger beroep verklaard het alsnog ermee eens te zijn dat de kosten van [de minderjarige] in mindering dienen te worden gebracht op het netto gezinsinkomen van partijen ten tijde hun uiteengaan. Naar haar mening bedragen de kosten van [de minderjarige] echter € 590,- en dienen deze kosten niet te worden geïndexeerd. De vrouw stelt dat haar behoefte daarmee € 1.942,- netto per maand bedraagt.

4.5.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Nu zowel de man als de vrouw de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw in hoger beroep hebben berekend aan de hand van de hof-norm, zal ook het hof deze rekenmethode hanteren. Gebleken is dat partijen in augustus 2012 feitelijk uiteen zijn gegaan. Gelet daarop acht het hof het, evenals de rechtbank, redelijk om bij de bepaling van de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw uit te gaan van het inkomen van partijen in 2011, het laatste jaar dat zij feitelijk hebben samengeleefd. Uit de jaaropgave van de man over 2011 blijkt dat zijn inkomen destijds € 60.957,- bedroeg. De vrouw had volgens eigen stelling in dat jaar geen inkomen, zodat het hof voor de berekening van haar behoefte daarvan zal uitgaan. Op basis hiervan bedraagt het netto gezinsinkomen van partijen € 3.117,- per maand. Evenals de rechtbank zal het hof tevens rekening houden met de inkomsten uit verhuur van het appartement in [A] van € 600,- netto per maand, nu niet in geschil is dat partijen hieruit ten tijde van hun huwelijk in ieder geval (nog) inkomsten behaalden. Het hof bepaalt de kosten voor [de minderjarige] op basis daarvan op € 572,- per maand. Deze kosten dienen in mindering gebracht te worden op het netto gezinsinkomen van partijen, waarna de behoefte van de vrouw in 2011 op 60% van het resterende netto-inkomen, zijnde € 1.887,- netto per maand gesteld kan worden. Bruto betekent dit een bedrag van € 2.999,- per maand, hetgeen na indexering neerkomt op een bedrag van € 3.090,- bruto per maand in 2013.

4.6.

De man betoogt dat de vrouw geen aanvullende behoefte heeft aan enige uitkering tot haar levensonderhoud. Naast haar bijstandsuitkering, verwerft de vrouw inkomsten door het gezelschap houden van mannen, dan wel verwerft zij inkomsten door middel van modellenwerk. Hiermee kan zij gemakkelijk zelf voorzien in de kosten van haar levensonderhoud. Bovendien kan uit de huidige levensstijl van de vrouw worden afgeleid dat haar welstand een enorme boost heeft gekregen na de feitelijke scheiding van partijen, zodat de vrouw ook om die reden geen aanvullende behoefte heeft aan enige uitkering. Indien het hof van oordeel zou zijn dat de vrouw thans onvoldoende inkomsten heeft om te voorzien in haar eigen levensonderhoud, dan is de man van mening dat van de vrouw kan worden verlangd dat zij solliciteert naar banen of opdrachten als tolk/vertaler, om daarmee volledig in haar eigen levensonderhoud te voorzien. De omstandigheid dat de vrouw thans een bijstandsuitkering ontvangt, zegt immers niets over haar verdiencapaciteit, aldus de man. De vrouw heeft voornoemde stellingen van de man betwist.

4.7.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Uit het door de vrouw in eerste aanleg overgelegde overzicht van haar inkomsten, kosten en uitgaven blijkt dat de uitgaven van de vrouw in de periode oktober 2012 tot mei 2013 fluctueerden van € 2.666,- tot € 7.166,- per maand en dat deze uitgaven van mei 2013 tot december 2013 € 6.229,- per maand bedroegen. Uit een ander door de vrouw overgelegd overzicht blijkt dat zij in de maanden september 2012 tot en met maart 2013 in totaal € 6.853,- heeft uitgegeven aan kleding, € 3.979,- aan cosmetica en € 2.293,- aan ‘beauty’. Voornoemd uitgavenpatroon van de vrouw, dat in de meeste maanden hoger is dan het inkomen van de man ten tijde van het huwelijk van partijen, doet naar het oordeel van het hof vermoeden dat de vrouw sinds het uiteengaan van partijen in haar eigen behoefte kan voorzien. De enkele, niet nader toegelichte stelling van de vrouw dat de uitgaven hoofdzakelijk investeringen in haar eigen bedrijf zijn en derhalve noodzakelijk zijn kan hierop geen ander licht werpen. Jaarstukken van haar bedrijf, waaruit dit zou kunnen blijken, ontbreken.

Ter onderbouwing van haar stellingen dat zij met haar eigen bedrijf onvoldoende inkomsten verwerft om in de kosten van haar eigen levensonderhoud te voorzien en dat de omzet van haar eigen bedrijf eind 2013 zelfs zodanig is gedaald, dat zij genoodzaakt was een bijstandsuitkering aan te vragen, heeft de vrouw bij haar verweerschrift in hoger beroep als productie 7 bankafschriften overgelegd over de periode van 1 december 2013 tot en met maart 2014. Hoewel deze bankafschriften enigszins inzicht geven in het uitgavenpatroon van de vrouw via de bankrekening waarop de afschriften betrekking hebben, is dit naar het hof onvoldoende om de juistheid van haar stelling aan te tonen. Naar het oordeel van het hof had het, mede gelet op de gemotiveerde betwisting door de man van deze stelling, op de weg van de vrouw gelegen stukken over te leggen, zoals jaarrekeningen over de laatste drie boekjaren, waaruit de financiële positie van haar bedrijf kan worden opgemaakt. Het hof gaat derhalve voorbij aan voornoemde stellingen van de vrouw.

Het hof volgt de vrouw eveneens niet in haar stelling dat haar behoefte aan een uitkering tot haar levensonderhoud vast staat, omdat zij thans een bijstandsuitkering ontvangt. De aanvraag voor die uitkering ontbreekt, zodat het hof geen inzicht heeft in de door de vrouw aan de gemeente Amsterdam verstrekte gegevens. Naar het oordeel van het hof betekent het enkele feit dat de vrouw thans een bijstandsuitkering ontvangt, voorts niet dat zij geen verdiencapaciteit heeft. Blijkens de door de vrouw overgelegde Voorschotbeschikking Toeslagen 2013 van 21 januari 2014 komt de vrouw, na herberekening, over het jaar 2013 niet in aanmerking voor zorgtoeslag of kindgebonden budget. Nu de man en de vrouw sinds de indiening van het echtscheidingsverzoek op 29 januari 2013 geen toeslagpartner meer zijn, impliceert dit dat het verzamelinkomen van de vrouw in 2013 tenminste circa € 40.000,- bedroeg. De vrouw heeft geen belastingaangiftes, belastingaanslagen of jaarstukken van haar bedrijf in het geding gebracht. De door de vrouw in hoger beroep als productie 7 en 14 overgelegde afschriften van een tweetal rekeningen bij de Rabobank laten geen vaste inkomsten zien, maar wel contante stortingen tot een bedrag van € 3.950,-. Op geen van deze afschriften staan opnames van contant geld, zodat onduidelijk is uit welke bron deze gelden komen. Gezien voorts de leeftijd van de vrouw, acht het hof de stelling van de vrouw dat zij niet in staat is om zich meer inkomsten te verwerven dan een bijstandsuitkering, ongeloofwaardig.

Het hof is daarnaast van oordeel dat de vrouw, als ouder met gezag over [de minderjarige], in staat moet zijn inkomsten te ontvangen uit verhuur van het appartement in [A] dat de man aan [de minderjarige] heeft geschonken. De man heeft ter zitting in hoger beroep immers onbetwist verklaard dat zijn vader, gedurende de periode dat partijen het appartement in [A] verhuurden, reeds stond ingeschreven op het adres van dat appartement, zodat de stelling van de vrouw dat het verhuren van dit appartement om die reden thans niet mogelijk zou zijn, niet op gaat. Daarnaast heeft de vrouw haar stelling dat het niet mogelijk is om dit appartement te verhuren omdat dit zou moeten worden gerenoveerd, in het licht van de betwisting door de man onvoldoende onderbouwd.

Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat de vrouw geen aanvullende behoefte heeft aan enige uitkering tot haar levensonderhoud.

Dit leidt ertoe dat het hof de bestreden beschikking zal vernietigen voor zover het de uitkering tot levensonderhoud van de vrouw betreft en dat het zelfstandig verzoek van de vrouw in zoverre alsnog zal worden afgewezen. De stellingen van partijen omtrent de draagkracht van de man behoeven hiermee geen bespreking meer.

4.8.

Gelet op de uitkomst van de procedure, alsmede de proceshouding van de vrouw in hoger beroep, zoals deze blijkt uit het hiervoor overwogene, ziet het hof, overeenkomstig het verzoek van de man, aanleiding de vrouw te veroordelen in de proceskosten van deze procedure in hoger beroep. Deze worden aan de zijde van de man tot op heden begroot op € 308,- wegens griffierecht en € 1.788,- aan salaris advocaat (tarief II, 2 punten).

4.9.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

5 Beslissing

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en, in zoverre opnieuw rechtdoende:

wijst het inleidend verzoek van de vrouw tot bepaling van een uitkering tot haar levensonderhoud alsnog af;

veroordeelt de vrouw in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van de man tot op heden begroot op € 308,- aan verschotten en € 1.788,- aan salaris advocaat;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.G. Kemmers, mr. A.V.T. de Bie en mr. A.R. van Wieren in tegenwoordigheid van mr. S.J.M. Lok als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2015 door de rolraadsheer.