Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:4805

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
17-11-2015
Datum publicatie
15-12-2015
Zaaknummer
200.174.486/01 en 200.174.489/01
Rechtsgebieden
Internationaal privaatrecht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uithuisplaatsing ex artikel 1:265b lid 1 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 17 november 2015

Zaaknummers: 200.174.486/01 + 200.174.489/01

Zaaknummers eerste aanleg: C/13/583629 / JE RK 15-318 + C/13/581017 / JE RK 15-160

in de zaak met zaaknummer 200.174.486/01 in hoger beroep van:

1 [A] ,

wonende te [woonplaats] , thans feitelijk gedetineerd in [land] ,

2. [B] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellanten,

advocaat: mr. M. Metin te Arnhem,

tegen

William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde,

en in de zaak met zaaknummer 200.174.489/01 in hoger beroep van:

[C] ,

zonder bekende woon- of verblijfplaats,

appellante,

advocaat: mr. M. Metin te Arnhem,

tegen

William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde.

1 Het geding in hoger beroep in beide zaken

1.1.

Appellanten in de zaak met zaaknummer 200.174.486/01, hierna respectievelijk [A] en [B] genoemd, zijn op 31 juli 2015 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van 7 mei 2015 van de kinderrechter in de rechtbank Amsterdam, met kenmerk C/13/583629 / JE RK 15-318.

1.2.

Appellante in de zaak met zaaknummer 200.174.489/01, hierna [C] genoemd, is op 31 juli 2015 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 7 mei 2015 van de kinderrechter in de rechtbank Amsterdam, met kenmerk C/13/581017 / JE RK 15-160.

1.3.

Geïntimeerde, hierna de GI genoemd, heeft in beide zaken op 27 augustus 2015 een verweerschrift ingediend.

1.4.

De zaken zijn op 24 september 2015 tegelijkertijd ter terechtzitting behandeld.

1.5.

Ter terechtzitting zijn verschenen:

- [B] , bijgestaan door mr. W.P.J. van Riel te Arnhem;

- de gezinsmanager, vergezeld door twee collega’s, namens de GI;

- mevrouw A.M.F. Azini, namens de Raad voor de Kinderbescherming, regio Amsterdam, locatie Amsterdam (hierna: de Raad).

1.6.

[A] , [C] en mevrouw [y] , de (voormalige) pleegmoeder van de hierna te noemen minderjarigen [kind a] en [kind b] , zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

1.7.

Zoals afgesproken bij de behandeling ter zitting is het hof op 13 oktober 2015 namens appellanten geïnformeerd over het verloop van de mondelinge behandeling in de procedure omtrent de ontruiming van de woning van [B] . De GI heeft hiervan een afschrift ontvangen.

2 De feiten in beide zaken

2.1.

Uit [A] is geboren [kind a] (hierna: [kind a] ) [in] 2010. [A] is een dochter van [B] en [Z] (hierna gezamenlijk: de grootouders). [B] is belast met de voogdij over [kind a] . [kind a] is sinds 12 mei 2011 onder toezicht gesteld.

2.2.

Uit de relatie tussen [C] en [X] (hierna: [X] ) is geboren [kind b] (hierna: [kind b] ) [in] 2013. [X] is een zoon van de grootouders en sinds december 2013 gedetineerd in [land] . [C] is belast met het ouderlijk gezag over [kind b] . [kind b] is sinds 9 december 2013 onder toezicht gesteld.

2.3.

[kind a] heeft vanaf vlak na zijn geboorte tot 20 januari 2015 samen met [A] bij de grootouders gewoond. Ook [kind b] woonde vanaf zijn geboorte tot dezelfde datum samen met [C] bij de grootouders. [C] beschikt niet over een Nederlandse verblijfsvergunning.

2.4.

Op 20 januari 2015 zijn [A] en de grootouders aangehouden en uitgeleverd aan [land] in verband met aldaar opgelegde gevangenisstraffen. [kind a] en [kind b] zijn toen geplaatst bij een netwerkpleeggezin, de familie [y] te [plaatsnaam] . De huidige woon- of verblijfplaats van [C] is onbekend.

2.5.

De kinderrechter in de rechtbank Amsterdam heeft bij (tussen)beschikkingen van 23 maart 2015 machtigingen verleend tot uithuisplaatsing van [kind a] en [kind b] in een voorziening voor pleegzorg tot 12 mei 2015.

3 Het geschil in hoger beroep in de zaak met zaaknummer 200.174.486/01

3.1.

Bij de bestreden beschikking is - voor zover in hoger beroep van belang - de machtiging tot uithuisplaatsing van [kind a] in een voorziening tot pleegzorg verlengd tot 12 mei 2016.

3.2.

[A] en [B] verzoeken, naar het hof begrijpt, de bestreden beschikking te vernietigen voor zover deze betrekking heeft op de verlenging van de uithuisplaatsing van [kind a] en het inleidend verzoek van de GI hiertoe alsnog af te wijzen.

3.3.

De GI verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4 Het geschil in hoger beroep in de zaak met zaaknummer 200.174.489/01

4.1.

Bij de bestreden beschikking is een machtiging tot uithuisplaatsing van [kind b] in een voorziening voor pleegzorg verleend met ingang van 12 mei 2015 tot 9 maart 2016.

4.2.

[C] verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en het inleidend verzoek van de GI alsnog af te wijzen.

4.3.

De GI verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5 Beoordeling van het hoger beroep in beide zaken

5.1.

Ter beantwoording ligt aan het hof voor de vraag of er ten tijde van de bestreden beschikkingen gronden aanwezig waren om een machtiging tot uithuisplaatsing van [kind a] en [kind b] (hierna: de kinderen) te verlenen en of deze thans (nog) aanwezig zijn.

5.2.

Ingevolge artikel 1:265b lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

5.3.

Appellanten betogen dat de gronden voor uithuisplaatsing van de kinderen ontbreken. Zij voeren hiertoe aan dat [B] in staat is de kinderen een stabiele leefomgeving te bieden. Zij zorgt ervoor dat de kinderen elke dag naar school gaan en is bereid om mee te werken met de hulpverlening. Zij ontvangt inmiddels een uitkering en de huurachterstand is ingelopen. Zij verweert zich in de ontruimingsprocedure en gaat ervan uit dat het niet daadwerkelijk tot een ontruiming zal komen en indien dat wel het geval is, dat vervangende woonruimte beschikbaar zal komen. [B] is in de afgelopen jaren twee keer in aanraking geweest met politie en justitie, maar in beide gevallen is niet aangetoond dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit. Appellanten hebben in het verleden ingestemd met uithuisplaatsing van de kinderen, omdat [B] in detentie verbleef en de kinderen bij een Roma-pleeggezin, de familie [y] , konden worden geplaatst. Nu [B] uit detentie is en in [woonplaats] is teruggekeerd, kan zij de zorg voor de kinderen weer op zich nemen. Daarbij komt dat de kinderen niet langer bij het pleeggezin kunnen verblijven als gevolg van het overlijden van de pleegvader. Het is daarom, aldus [B] ter zitting, dat de kinderen zijn meegegaan naar Servië met een oom van hen.

5.4.

De GI handhaaft haar standpunt dat de gronden voor uithuisplaatsing aanwezig zijn. [B] kan de kinderen niet de stabiliteit, structuur en continuïteit bieden die zij nodig hebben. Het gezin [achternaam A,B en C] staat bekend als een Overlastgevend Multi Probleem Gezin (OMPG), waarbinnen steeds weer sprake is van zorgelijke situaties zoals detentie, arrestaties, overlastmeldingen en schoolverzuim. Ook zijn de kinderen al meerdere keren ondergedoken geweest. Eind augustus 2015 heeft [B] de GI laten weten dat zij de kinderen opnieuw heeft laten onderduiken, waardoor zij de kinderen heeft onttrokken aan het wettelijk gezag en [kind a] onderwijs mist. [B] werkt enkel op haar voorwaarden mee met hulpverlening. Daarnaast bestaat een reële kans dat zij uit haar woning wordt gezet. De GI onderzoekt thans met De Hoenderloo Groep of de kinderen samen in een gezinshuis kunnen worden geplaatst.

5.5.

De Raad heeft zich ter zitting in hoger beroep afgevraagd wat het perspectief van de kinderen is. In het geval dat de kinderen tot hun meerderjarigheid uit huis worden geplaatst, en daar lijkt het volgens de Raad nu wel op, is het de vraag of hen op korte, maar ook op de lange termijn, de continuïteit, stabiliteit en structuur geboden kunnen worden die zij nodig hebben. Anderzijds staat vast dat zij bij [B] direct kunnen komen en blijven en heeft [B] zich uitdrukkelijk bereid verklaard mee te werken met de hulpverlening. Gelet daarop vraagt de Raad zich af of het dan niet stabieler en veiliger voor de kinderen is om bij [B] te wonen. Voorts acht de Raad het van belang dat de kinderen zo snel mogelijk terugkeren uit Servië om hun dagelijkse leven in Nederland te kunnen hervatten. Dit zal waarschijnlijk niet gebeuren indien de bestreden beschikking worden bekrachtigd.

5.6.

Het hof overweegt als volgt.

Uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat de kinderen ten tijde van de zitting in hoger beroep in Servië verbleven. Aangezien de kinderen ten tijde van het indienen van het inleidend verzoek hun gewone verblijfplaats in Nederland hadden, is de Nederlandse rechter op grond van artikel 8 van Verordening (EG) nr. 2201/2003 van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1347/2000 (Brussel II bis) bevoegd om van onderhavige procedure kennis te nemen. Op grond van artikel 15 van het Verdrag inzake de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de samenwerking op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen, ’s-Gravenhage, 19 oktober 1996, Trb. 1997, 299 (HKBV 1996) is Nederlands recht van toepassing.

5.7.

Bij de bestreden beschikking is een machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen verleend, omdat de ouders dan wel primaire verzorgers van de kinderen niet in staat waren de kinderen een veilige en stabiele opvoedomgeving te bieden. De grootouders, bij wie de kinderen verbleven, alsook [A] zaten in detentie en [C] verbleef illegaal in Nederland. Hiermee heeft de rechtbank naar het oordeel van het hof terecht geoordeeld dat gronden voor uithuisplaatsing aanwezig waren. Daar komt bij dat appellanten om voornoemde redenen ook hebben ingestemd met de uithuisplaatsing, waarbij mede een rol speelde dat de kinderen bij een Roma-pleeggezin konden worden geplaatst.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de omstandigheden thans gewijzigd zijn, waardoor appellanten niet langer instemmen met de uithuisplaatsing van de kinderen. [B] is uit detentie en is teruggekeerd in [woonplaats] . Daarnaast is de pleegmoeder als gevolg van het overlijden van haar echtgenoot niet langer in staat gebleken de verzorging en opvoeding van de kinderen op zich te nemen. Om die reden hebben de kinderen de zomervakantie in overleg met de GI bij [B] doorgebracht. Toen na de zomervakantie bleek dat de kinderen definitief niet langer bij de pleegmoeder terecht konden, zijn zij door een familielid meegenomen naar Servië. [B] althans dit familielid heeft hiermee willen voorkomen dat de kinderen bij een ander pleeggezin (zonder Roma-achtergrond) zouden worden geplaatst.

Met de Raad is het hof van oordeel dat het van belang is dat de kinderen zo spoedig mogelijk terugkeren naar Nederland om hun reguliere leven te hervatten. Hoewel het hof de zorgen van de GI omtrent de stabiliteit en continuïteit van de opvoedsituatie bij [B] terecht acht, is niet gebleken dat de GI de kinderen (op lange termijn) de nodige stabiliteit en continuïteit kan bieden. Het overleg dat zij thans met De Hoenderloo Groep voert is daartoe onvoldoende. Voorts is ook de Raad in dit verband teruggekomen op zijn eerdere standpunt dat uithuisplaatsing in het belang van de verzorging en opvoeding van de kinderen noodzakelijk is.

Daarbij is van belang dat [B] inmiddels een bijstandsuitkering ontvangt, waardoor zij een stabiel inkomen heeft. Haar woning is schoon en opgeruimd, zo heeft de GI ter zitting verklaard. Of zij in deze woning zal kunnen blijven wonen is onduidelijk. Voor zover het hof bekend is nog geen uitspraak in de ontruimingsprocedure gedaan. Uit de op 13 oktober 2015 namens appellanten ingediende informatie blijkt echter dat indien tot ontruiming van de woning zal worden overgegaan, naar verwachting aansluitend vervangende woonruimte in [woonplaats] ter beschikking zal komen. Voorts acht het hof van belang dat zich volgens de GI geen alarmerende signalen aangaande de kinderen hebben voorgedaan tijdens hun verblijf bij [B] in de zomervakantie. Met betrekking tot de aanhouding van [B] op verdenking van zakkenrollen in deze periode is gebleken dat deze zaak is geseponeerd. Zij is voorts vrijgesproken van het ten laste gelegde feit op grond waarvan zij in [land] in detentie verbleef. Zoals [B] stelt is aldus niet aangetoond dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan strafbare feiten. Tot slot acht het hof het van belang dat [B] zich bereid toont om mee te werken met de hulpverlening en kan bovendien in het kader van de ondertoezichtstelling van de kinderen toezicht worden gehouden op hun ontwikkeling.

Op grond van bovenstaande feiten en omstandigheden, in onderling verband beschouwd, is het hof van oordeel dat de gronden voor uithuisplaatsing van de kinderen ten tijde van de bestreden beschikkingen aanwezig waren, doch thans niet meer aanwezig zijn.

5.8.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

6 Beslissing

Het hof:

in de zaak met zaaknummer 200.174.486/01

vernietigt de beschikking waarvan beroep voor zover de daarbij verleende machtiging tot uithuisplaatsing van [kind a] betrekking heeft op de periode vanaf heden;

wijst het inleidend verzoek van de GI tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [kind a] tot 12 mei 2016 in zoverre af;

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep voor zover de daarbij verleende machtiging tot uithuisplaatsing van [kind a] betrekking heeft op de periode tot heden;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

in de zaak met zaaknummer 200.174.489/01

vernietigt de beschikking waarvan beroep voor zover de daarbij verleende machtiging tot uithuisplaatsing van [kind b] betrekking heeft op de periode vanaf heden;

wijst het inleidend verzoek van de GI tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [kind b] tot 9 maart 2016 in zoverre af;

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep voor zover de daarbij verleende machtiging tot uithuisplaatsing van [kind b] betrekking heeft op de periode tot heden;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. H.A. van den Berg, mr. M. Wigleven en mr. L.M. Coenraad in tegenwoordigheid van mr. A. Paats als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 17 november 2015.