Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:479

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
17-02-2015
Datum publicatie
09-06-2015
Zaaknummer
200.137.822-01
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHAMS:2015:1906
Prejudiciële vraag aan: ECLI:NL:HR:2015:2747
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wet BOPZ. Inbewaringstelling. Geneeskundige verklaring afgegeven door arts, niet zijnde psychiater. Artikel 28 Wet Bopz. Prejudiciële vraag. Schadevergoeding ten laste van burgemeester, althans de gemeente, indien vaststaat dat betrokkene niet tijdig alsnog is onderzocht door een psychiater ? Uitleg maatstaf ‘immediately after the arrest’; zes daglichturen ?

Wetsverwijzingen
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen 28
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2015/108
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 17 februari 2015

Zaaknummer: 200.137.822/ 01

Zaaknummer eerste aanleg: 2024226 / FA RK 13-2101

Beschikking van de meervoudige familiekamer

in de zaak in hoger beroep van:

de gemeente […],

zetelend te […],

appellante,

advocaat: mr. D.J. de Jongh te Amsterdam,

tegen

[…],

wonende te […]

geïntimeerde,

advocaat: mr. J.J. Perrels te Hoofddorp.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Partijen worden hierna respectievelijk de gemeente en [x] genoemd.

1.2.

De gemeente is op 27 november 2013 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 28 augustus 2013 van de rechtbank Noord-Holland (Haarlem), met kenmerk 204226 / FA RK 13-2101.

1.3.

[x] heeft op 7 januari 2014 een verweerschrift ingediend.

1.4.

De zaak is op 13 maart 2014 ter terechtzitting behandeld.

1.5.

Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de gemeente, vertegenwoordigd door mr. M. Kamp, mw. mr. F. Brouwer en mw. mr. M. Eijsden, allen werkzaam als jurist in dienst van de gemeente, en bijgestaan door haar advocaat;

- de advocaat van [x].

1.6.

[x] is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen ter terechtzitting.

1.7.

Zoals afgesproken bij de behandeling ter zitting heeft de gemeente op 10 april 2014 een brief aan het hof gezonden. [x] heeft hiervan afschriften ontvangen en heeft bij brief, ingekomen op 14 april 2014, gereageerd.

2 De feiten

2.1.

Op dinsdag 28 mei 2013 om 14:15 uur is [x] onderzocht door een arts niet zijnde een psychiater of anderszins een persoon die over “objective medical expertise” beschikt in het kader van geestesziekten, met het oog op een beoordeling voor het verkrijgen van een last tot inbewaringstelling. Vorenbedoelde arts heeft op 28 mei om 16:09 uur de benodigde geneeskundige verklaring afgegeven.

2.2.

Op 28 mei 2013 om 16:35 uur heeft de burgemeester van de gemeente [a] de inbewaringstelling van [x] gelast. Aansluitend is [x] opgenomen op de gesloten afdeling van de PAAZ van [ziekenhuis] te [b].

2.3.

Op 30 mei 2014 om 9:30 uur is [x] onderzocht door een onafhankelijke psychiater.

Deze psychiater heeft overeenkomstig de bevindingen zoals opgesteld in de geneeskundige verklaring geconcludeerd, een en ander als weergegeven in de door hem op 30 mei 2014 ondertekende verklaring ‘Bevestiging IBS-criteria’.

2.4.

Bij beschikking van 30 mei 2014 van de rechtbank Noord-Holland is machtiging verleend tot voortzetting van de inbewaringstelling als bedoeld in artikel 27 en 29 Wet BOPZ, welke machtiging de bevoegdheid gaf om betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis te doen verblijven tot en met 20 juni 2013.

3 Het geschil in hoger beroep

3.1.

Bij de bestreden beschikking is, op het daartoe strekkende verzoek van [x], de gemeente [a] veroordeeld om aan [x] ten titel van schadevergoeding te betalen een bedrag van € 80,-.

3.2.

De gemeente verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, - naar het hof begrijpt - het inleidend verzoek van [x] alsnog af te wijzen.

3.3.

[x] verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen, met veroordeling van de gemeente in de kosten van deze procedure.

4 Beoordeling van het hoger beroep

4.1.

De rechtbank heeft in de bestreden beschikking onder verwijzing naar HR 26 september 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD4375 onder meer het volgende overwogen:

”5.6 In navolging van een aantal andere rechtbanken in Nederland is de rechtbank van oordeel dat een psychiatrisch onderzoek dat niet binnen zes uren na de vrijheidsontneming heeft plaatsgevonden, de avond- en de nachtelijke uren tussen 18.00 uur en 06.00 uur daarvan uitgezonderd, niet voldoet aan het blijkens voornoemde uitspraak van de Hoge Raad geldende vereiste dat betrokkene zo spoedig mogelijk na de vrijheidsontneming alsnog wordt onderzocht door een psychiater als bedoeld in art. 1, lid 1, aanhef en onder j, Wet Bopz. In het onderhavige geval staat vast dat het vereiste onderzoek te laat heeft plaatsgevonden.

5.7

De vraag is vervolgens of de burgemeester tekort is geschoten in zijn verantwoordelijkheid zich ervan te vergewissen dat betrokkene binnen voornoemde zes daglichturen is onderzocht door een onafhankelijk psychiater.

De rechtbank is van oordeel dat de burgemeester, ook nadat hij zijn handtekening heeft gezet, ten volle verantwoordelijkheid behoort te nemen voor een juiste tenuitvoerlegging van de door hem gegeven last tot inbewaringstelling. Naar het oordeel van de rechtbank had de burgemeester zich ervan dienen te vergewissen dat betrokkene zo spoedig mogelijk na de vrijheidsontneming alsnog werd onderzocht door een onafhankelijk psychiater. Nu de burgemeester hierin te kort is geschoten, heeft dat tot gevolg dat de vrijheidsontneming van betrokkene gedurende de tijd die is verstreken tussen het moment dat het psychiatrisch onderzoek had moeten zijn uitgevoerd en het daadwerkelijk plaatsvinden daarvan, geacht moet worden onrechtmatig te zijn geweest.

5.8

Nu betrokkene niet binnen zes daglichturen, maar na bijna zeventien daglichturen, dus 11 daglichturen te laat is onderzocht door een onafhankelijk psychiater, bestaat er naar het oordeel van de rechtbank aanleiding de door betrokkene geleden schade op grond van artikel 28 Wet Bopz voor vergoeding in aanmerking te brengen. De rechtbank ziet aanleiding op dit punt aan te sluiten bij het vastgestelde normbedrag voor de schadevergoeding wegens de ten onrechte in verzekering of voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd in een huis van bewaring ter hoogte van € 80 per dag.”

4.2.

Met de grieven 1, 2, en 3 – die zich lenen voor gezamenlijke bespreking - komt de gemeente op tegen de overwegingen 5.7 en 5.8 van de bestreden beschikking. De gemeente stelt zich op het standpunt dat voor de beoordeling van de vraag of recht bestaat op schadevergoeding op grond van art. 28 Wet Bopz slechts de feiten en omstandigheden op het moment van het besluit tot lastgeving kunnen worden meegewogen.

Nu niet is gesteld of gebleken dat aan de wettelijke vereisten voor het geven van de last niet is voldaan en de rechtbank evenmin de onrechtmatigheid van de gegeven last heeft vastgesteld biedt art. 28 Wet Bopz geen grond voor een schadevergoeding.

De bevoegdheden en verplichtingen die de burgemeester heeft nadat hij zijn handtekening voor de last tot inbewaringstelling heeft gezet, staan limitatief opgesomd in de Wet BOPZ (artt. 22, lid 1, 23, 25 en 26). De bevoegdheid om zich ervan te vergewissen dat de betrokkene zo spoedig mogelijk na de vrijheidsontneming alsnog wordt onderzocht door een psychiater, staat hierin niet opgenomen en heeft de burgemeester derhalve niet. In het geval dat onvoldoende psychiaters beschikbaar zijn, heeft de burgemeester dan ook geen middelen om die beschikbaarheid af te dwingen. De beschikbaarheid van psychiaters ligt volledig buiten de invloedsfeer van de burgemeester. De burgemeester heeft evenmin middelen om, in het geval geen psychiater beschikbaar is om de betrokkene te onderzoeken, de vrijheidsontneming te doen eindigen, aldus de gemeente.

Volgens de gemeente past in het systeem van de Wet Bopz, dat er op is ingericht dat de beslissing omtrent vrijheidsontneming slechts voorligt aan de officier van justitie en de rechter, niet dat de burgemeester verantwoordelijk zou zijn voor het doen verrichten van een onderzoek door een psychiater indien de geneeskundige verklaring is opgesteld door een arts. Zodra het onmiddellijk dreigend gevaar is weggenomen, is de rol van de burgemeester – die voortvloeit uit zijn taak de openbare orde te beschermen – uitgespeeld. Het aanvullend psychiatrisch onderzoek behoort volgens de gemeente tot de fase na het wegnemen van het onmiddellijk dreigend gevaar, te weten de aanloopfase naar het besluit tot een eventuele voortzetting van de inbewaringstelling. In die fase heeft de burgemeester geen rol en geen bevoegdheden meer.

Voor zover de rechtbank met rechtsoverweging 5.7 heeft geoordeeld dat het besluit tot inbewaringstelling geacht moet worden onrechtmatig te zijn geweest nu de uitvoering daarvan als onrechtmatig moet worden beoordeeld, voert de gemeente aan dat het geven van een last tot inbewaringstelling een beschikking is in de zin van art. 1:3, lid 2 Awb. Nu vast staat dat aan alle vereisten voor het afgeven van die beschikking is voldaan, staat tevens vast dat het besluit tot inbewaringstelling rechtmatig is gegeven. Feiten en omstandigheden die plaatsvinden na het nemen van het besluit, kunnen de rechtmatigheid van dat besluit niet aantasten. De last tot inbewaringstelling kan derhalve niet onrechtmatig zijn vanwege het feit dat [x] pas na meer dan zes uren na zijn vrijheidsontneming is onderzocht door een psychiater, aldus de gemeente.

In de, voorwaardelijke voorgestelde, vierde grief betoogt de gemeente ten slotte dat een termijn van zes uren een te korte termijn is om een psychiater als bedoeld in art. 1, lid 1, aanhef en onder j Wet Bopz, zorgvuldig onderzoek te laten doen.

4.3.

[x] betoogt daartegenover in de eerste plaats dat de door de gemeente afgegeven last wel degelijk onrechtmatig was. Er was geen sprake van een noodsituatie zoals aangeduid in HR 26 september 2008. [x] betwist dat het niet mogelijk was om de geneeskundige verklaring op te doen stellen door een psychiater. Volgens hem kan het niet zo zijn dat op een doordeweekse dag en gedurende de normale werktijden in de periode tussen de eerste beoordeling door een arts (14.15 uur) en het afgeven van de last tot inbewaringstelling (16.35 uur) niet een psychiater beschikbaar was (bij de crisisdienst of in [ziekenhuis]) die de beoordeling zou kunnen doen.

Ook indien sprake was van een noodsituatie, dan had de burgemeester, na afgifte van de last, zich ervan dienen te vergewissen dat betrokkene zo spoedig mogelijk na de vrijheidsontneming alsnog zou worden onderzocht door een – niet behandelend – psychiater. De burgemeester heeft na het afgeven van de last nog wel degelijk deze taak en verantwoordelijkheid. Onder meer verwijzend naar het bepaalde in art. 24 Wet Bopz stelt [x] dat de taak van de burgemeester ook op grond van de wet niet eindigt bij het afgeven van de last. Nu de burgemeester zich niet heeft gekweten van de op hem rustende verplichting om zich ervan te vergewissen dat [x] zo spoedig mogelijk na de vrijheidsontneming alsnog is onderzocht door een onafhankelijk psychiater, is de last van meet af aan onrechtmatig geweest.

Voor wat betreft de bevoegdheden na het afgeven van de last wijst [x] erop dat de burgemeester niets in de weg staat zich ervan te vergewissen dat een betrokkene zo spoedig mogelijk na de vrijheidsontneming wordt onderzocht door een psychiater.

De burgemeester heeft niet alleen tot taak de openbare orde te beschermen maar ook om de betrokkene te beschermen. Om die reden is sprake van advisering en beoordeling door de psychiater en opname in een psychiatrisch ziekenhuis. Het onderzoek door de psychiater ziet toe op het gevaar als bedoeld in art 20 Wet Bopz, dat ook het belang van de betrokkene betreft.

Daar waar de gemeente van oordeel is dat een eenmaal rechtmatig gegeven last niet door feiten en omstandigheden die plaatsvinden na het geven van de last die rechtmatigheid van het besluit kunnen aantasten, ziet de gemeente voorbij aan het uitgangspunt dat aan de gegeven last op het moment van besluitneming een gebrek kleefde. De burgmeester kende dat gebrek en had dat eenvoudig kunnen wegnemen door zorg te dragen dat een psychiater hem, [x], binnen zes uren na de vrijheidsontneming had onderzocht. Dat behoort tot zijn taak.

Overigens kan ook een rechtmatig gegeven last onder omstandigheden onrechtmatig ten uitvoer worden gelegd. De burgemeester kan zich niet verschuilen achter de stelling dat maar een ander het moet oplossen, aldus [x].

4.4.

Het hof overweegt als volgt.

De leden 1 en 2 van art. 21 Wet Bopz laten de mogelijkheid open dat de burgemeester een inbewaringstelling gelast op basis van een schriftelijke verklaring van een arts die geen psychiater is, en wel indien het niet mogelijk is dat een psychiater de verklaring verstrekt.

Met inachtneming van de rechtspraak van het EHRM met betrekking tot vrijheidsbeneming van als geestesziek aangemerkte personen (art. 5, lid 1, aanhef en onder e, EVRM) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de door dat hof gestelde eis van ”objective medical expertise” aldus moet worden verstaan dat die – behoudens in noodsituaties – een persoonlijk voorafgaand onderzoek van de betrokkene door een specialist, dat wil zeggen een psychiater als bedoeld in art. 1 lid 1, aanhef en onder j, Wet Bopz veronderstelt (HR 21 februari 2003, NJ 2003, 484 m.nt. JdB alsmede BJ 2003, 20 m.nt. W. Dijkers).

[x] doet zijn verzoek tot toekenning van een schadevergoeding, in hoger beroep voor het eerst, mede steunen op de stelling dat geen sprake was van een noodsituatie als hiervoor bedoeld en dat het mogelijk was de voor de last tot inbewaringstelling noodzakelijke geneeskundige verklaring op te laten stellen door een psychiater.

Met betrekking tot de feitelijke gang van zaken voorafgaand aan het afgeven van de last is het hof onder meer het volgende gebleken. Ter zitting in hoger beroep heeft de advocaat van [x] toegelicht, kort samengevat, dat zijn cliënt aan ‘demonen’ leed en dat hij op advies dan wel aandringen van zijn vader op 28 mei 2013 samen met zijn vader naar de polikliniek van het ziekenhuis ( het hof begrijpt: [ziekenhuis]) is gegaan. Daar is hij ’uit zijn dak gegaan’ omdat hij lang moest wachten.

De geneeskundige verklaring vermeldt onder het kopje ‘Psychiatrisch onderzoek’ onder meer dat patient aangeeft bezeten te zijn door een demon en dat patient verbaal agressief wordt en dreigt met een stoel wanneer hij richting de spreekkamer wordt geleid. Hij is hierin niet te corrigeren. Onder het kopje ‘Gevaar’ staat onder meer vermeld dat patient door zijn gedrag agressie bij anderen kan oproepen en mogelijk door zijn demon aangezet kan worden tot zelfbeschadiging. Voorts staat vermeld dat patient ’eerder vandaag ook tegen medisch advies in van de Spoedeisende Hulp is weggelopen’. Onder het kopje ‘Overwegingen’, ten slotte, vermeldt de geneeskundige verklaring onder meer dat patient vrijwillig geen medicatie wil nemen, dat zonder medicatie zijn psychotische beeld niet zal verbeteren, en dat dwangmedicatie derhalve direct noodzakelijk is.

Voorts staat in de geneeskundige verklaring vermeld dat overleg heeft plaatsgevonden met een psychiater. Ter zitting in hoger beroep heeft mr. M. Kamp namens de gemeente nog verklaard dat hij contact heeft gehad met de arts die de geneeskundige verklaring heeft opgesteld. Die heeft hem toegelicht dat de psychiater even kort naar de patient heeft kunnen kijken maar met spoed door moest naar een andere patient. Daarop heeft de psychiater de arts verzocht het onderzoek en de geneeskundige verklaring snel af te handelen. Er waren op dat moment geen andere psychiaters in het ziekenhuis beschikbaar voor onderzoek van betrokkene.

De gemeente heeft verder nog toegelicht dat in [a] alleen de – vijf – aan de PAAZ van [ziekenhuis] verbonden psychiaters voor situaties als deze kunnen worden ingezet.

Op grond van deze, door [x] niet betwiste, feiten en omstandigheden is naar het oordeel van het hof voldoende komen vast te staan dat sprake was van een noodsituatie als hiervoor bedoeld, waarin het niet mogelijk was dat een psychiater de geneeskundige verklaring verstrekte vóór het afgeven van de last door de burgemeester.

4.5.

In de onderhavige zaak staat vast dat de vereiste schriftelijke verklaring van een niet behandelend psychiater die persoonlijk de betrokkene na diens inbewaringstelling heeft onderzocht, is afgegeven op donderdag 30 mei 2013 na een onderzoek dat om 09.30 uur die dag plaatsvond. Sinds de inbewaringstelling van [x] op dinsdag 28 mei 2013 om 16.35 uur waren toen bijna 41 uren verstreken. Weliswaar is in de onderhavige zaak geen sprake van een situatie waarbij het vereiste onderzoek door de psychiater niet heeft plaatsgehad vóórdat de rechtbank de machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling verleende, maar voormeld tijdsverloop van bijna 41 uren kan onder de gegeven omstandigheden niet geacht worden te vallen binnen de door de maatstaf ”immediately after the arrest” als bedoeld in EHRM 5 oktober 2000, BJ 2001/36 m.nt. W. Dijkers (Varbanov) gegeven marges.

Het vereiste onderzoek door een psychiater heeft derhalve te laat plaatsgevonden.

4.6.

Vervolgens ligt de vraag voor of aan het vereiste dat de door de burgemeester afgegeven last onrechtmatig was – als bedoeld in art. 28 wet Bopz - is voldaan nu vaststaat dat [x] niet ”immediateliy after the arrest” alsnog is onderzocht door een niet behandelend psychiater. Ter beantwoording van deze vraag is van belang of het de taak was van de burgemeester was zich ervan te vergewissen of betrokkene zo spoedig mogelijk na de vrijheidsontneming alsnog werd onderzocht door een niet behandelend psychiater.

Alvorens verder te beslissen, acht het hof termen aanwezig de Hoge Raad deze rechtsvra(a)g(en) te stellen ter beantwoording bij wijze van prejudiciële beslissing.

Een antwoord op deze vra(a)g(en) is nodig is om op het verzoek van [x] tot toekenning van schadevergoeding ten laste van de gemeente te beslissen.

Voorts is een antwoord op de vra(a)g(en) van rechtsreeks belang voor de beslechting of beëindiging van andere soortgelijke geschillen waarin zich dezelfde vragen voordoen, als bedoeld in art. 392, lid 1 sub b Rv. De gemeente heeft in dit verband toegelicht dat in Nederland tussen 2005 en 2009 in totaal 40.195 keer een last tot inbewaringstelling is afgegeven, gemiddeld dus 8039 lasten per jaar. In het jaar 2013 werden er in de gemeente [a] 49 lasten afgegeven. Daarvan werden er zes afgegeven op basis van een verklaring van een arts, niet zijnde een psychiater. Indien ervan uit wordt gegaan dat dit aandeel representatief is, gaat het op landelijk niveau om een substantieel aantal gevallen waarin betrokkene na afgifte van de last alsnog moet worden onderzocht door een psychiater. Mede gelet op het grote aantal gemeenten waarin slechts enkele keren per jaar een last tot inbewaringstelling wordt afgegeven, valt eveneens te verwachten dat niet in alle gemeenten voldoende psychiaters beschikbaar zijn om tijdig een psychiatrisch onderzoek van betrokkenen te kunnen laten plaatsvinden. In talrijke gevallen dient daardoor de rechtsvraag beantwoord te worden of degene ten aanzien van wie een last tot inbewaringstelling is afgegeven, een beroep kan doen op art. 28 Wet Bopz om schadevergoeding te verkrijgen. Voor gemeenten is de achterliggende vraag van belang of, en zo ja hoe zij (organisatorisch) uitvoering moeten geven aan een eventuele taak van de burgemeester om erop toe te zien dat betrokkene alsnog zo spoedig mogelijk door een niet behandelend psychiater wordt onderzocht.

4.7.

Het hof heeft partijen ter zitting in hoger beroep in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het voornemen om een prejudiciële vraag te stellen aan de Hoge Raad. Beide partijen hebben ter zitting verklaard hiermee in te kunnen stemmen.

Het hof heeft partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de inhoud van de aan de Hoge Raad te stellen vra(a)g(en). Bij de onder 1.7 genoemde brief van 10 april 2014 heeft de gemeente de prejudiciële vragen weergegeven die zij voorstelt aan de Hoge Raad voor te leggen. De advocaat van [x] heeft in de onder 1.7 genoemde brief van 14 april 2014 te kennen gegeven geen opmerkingen te hebben met betrekking tot de aan het hof voorgelegde concept vragen.

4.8.

De door de gemeente voorgestelde vragen luiden aldus:

1. Kunnen feiten en omstandigheden die zich eerst voordoen na afgifte van de last tot inbewaringstelling ertoe leiden, dat aan het in artikel 28 lid 1 Wet BOPZ genoemde vereiste is voldaan dat de door de burgemeester opgegeven last onrechtmatig was?

2. Indien vraag 1 bevestigend moet worden beantwoord, is aan het vereiste dat de door de burgemeester afgegeven last onrechtmatig was voldaan indien vaststaat dat degene ten aanzien van wie een last tot inbewaringstelling is afgegeven op basis van een geneeskundige verklaring van een arts, niet zijnde een psychiater, niet ‘immediately after the arrest’ alsnog is onderzocht door een psychiater?

3. Indien vraag 2 bevestigend moet worden beantwoord, kan de burgemeester daaruit afleiden dat hij bevoegdheden heeft tot het nemen van maatregelen om in een dergelijk geval te bevorderen dat degene ten aanzien van wie een last tot inbewaringstelling is afgegeven ‘immediately after the arrest’ wordt onderzocht door een psychiater en zo ja, welke bevoegdheden heeft de burgemeester in dat geval?

4. Komt de in artikel 28 Wet BOPZ genoemde schadevergoeding (in alle gevallen) ten laste van de burgemeester, althans de gemeente, ook indien de omstandigheden die tot het oordeel leiden dat de gegeven last onrechtmatig was als bedoeld in dat artikel buiten de invloedssfeer liggen van de burgemeester?

5. Indien vraag 2 bevestigend moet worden beantwoord, is het uitgangspunt juist dat aan het vereiste ‘immediately after the arrest’ is voldaan indien degene ten aanzien van wie een last tot inbewaringstelling is afgegeven binnen zes daglichturen als bedoeld in de beschikking van de rechtbank is onderzocht door een psychiater? Of geldt een kortere dan wel langere termijn?

4.9.

Een antwoord op de door partijen voorgestelde rechtsvragen 2, 4 en 5 acht het hof nodig om op het onderhavige verzoek tot toekenning van schadevergoeding te beslissen. Dat geldt niet voor vraag 3, terwijl vraag 1 te algemeen is geformuleerd. Het antwoord op vraag 5 is – gelet op hetgeen hiervoor onder 4.5 is overwogen – niet meer van belang voor de vraag of in de onderhavige zaak is voldaan aan het vereiste van ‘immediately after the arrest’, maar nog wel voor het bepalen van de hoogte van de eventueel toe te kennen schadevergoeding.

Hett hof is aldus voornemens de volgende rechtsvra(a)g(en) aan de Hoge Raad voor te leggen:

1. Is aan het vereiste dat de door de burgemeester afgegeven last onrechtmatig was voldaan indien vaststaat dat degene ten aanzien van wie een last tot inbewaringstelling is afgegeven op basis van een geneeskundige verklaring van een arts, niet zijnde een psychiater, niet ‘immediately after the arrest’ alsnog is onderzocht door een psychiater?

2. Komt de in artikel 28 Wet BOPZ genoemde schadevergoeding (in alle gevallen) ten laste van de burgemeester, althans de gemeente, ook indien de feiten en omstandigheden die tot het oordeel leiden dat de gegeven last onrechtmatig was als bedoeld in dat artikel buiten de invloedssfeer liggen van de burgemeester?

3. Indien vraag 1 bevestigend moet worden beantwoord, is het uitgangspunt juist dat aan het vereiste ‘immediately after the arrest’ is voldaan indien degene ten aanzien van wie een last tot inbewaringstelling is afgegeven binnen zes daglichturen als bedoeld in de beschikking van de rechtbank is onderzocht door een psychiater? Of geldt een kortere dan wel langere termijn?

4.10.

Nu het hof voornemens is gedeeltelijk af te wijken van de door partijen voorgestelde vragen, zal het partijen, overeenkomstig het verzoek van de gemeente, nog de gelegenheid geven om zich uit te laten over de aan de Hoge Raad te stellen vragen.

4.11.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

5 Beslissing

Het hof:

Stelt partijen in de gelegenheid zich uiterlijk 10 maart 2015 schriftelijk uit te laten over de voorgestelde, aan de Hoge Raad te stellen rechtsvragen als weergegeven onder 4.9 van deze beschikking;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.N. van de Beek, mr. M. Wigleven en mr. W.K. van Duren in tegenwoordigheid van mr. S.J.M. Lok als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2015 door de rolraadsheer.