Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:4747

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
20-10-2015
Datum publicatie
18-11-2015
Zaaknummer
14/00311 tot en met 14/00324
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2014:2269, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat niet met de vereiste voortvarendheid is gehandeld; hoger beroep inspecteur ongegrond.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 16
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2015/2478
V-N 2016/2.13.6
FutD 2015-2818
NTFR 2016/357 met annotatie van mr.drs. R. Steenman
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 14/00311 tot en met 14/00324

20 oktober 2015

uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Hoofddorp, de inspecteur.

tegen de uitspraak in de zaken met kenmerk AWB 13/2521 tot en met 13/2527 en AWB 13/2536 tot en met 13/2542 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) van 20 maart 2014, in het geding tussen

[X] , wonende te [Z] , belanghebbende,
gemachtigde: mr. M.F.T. Rijksen (Jaeger advocaten belastingkundigen) te Amsterdam.

en

de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft aan [voorletters 1] [A] (hierna ook: erflater),

- met dagtekening 10 februari 2005 navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie
volksverzekeringen (IB/PV) opgelegd voor de jaren 1997, 1998 en 1999 en
navorderingsaanslagen in de vermogensbelasting (VB) voor de jaren 1998 t/m
2000;

- met dagtekening 28 februari 2005 navorderingsaanslagen IB/PV voor de jaren 1993 t/m
1996 en navorderingsaanslagen in de vermogensbelasting (VB) voor de jaren 1994 t/m
1997.

Voor een specificatie van de navorderingsaanslagen verwijst het Hof naar de onderdelen 1.1.1 tot en met 1.1.14 van de uitspraak van de rechtbank.

1.2.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraken, gedagtekend 20 juni 2013, de navorderingsaanslagen verminderd. Voor een specificatie van de verminderingen verwijst het Hof naar de onderdelen 1.2.1 tot en met 1.2.14 van de uitspraak van de rechtbank.

1.3.

Op het tegen deze uitspraken ingestelde beroep heeft de rechtbank de in de aanhef vermelde uitspraak gedaan, waarbij de navorderingsaanslagen zijn vernietigd.

1.4.

Het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 28 april 2014, aangevuld bij brief van 21 mei 2014. De gemachtigde heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

De gemachtigde heeft met dagtekening 8 september 2014 een nader stuk ingebracht. Een afschrift daarvan is aan de inspecteur gezonden.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 september 2015. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Feiten

2.1.

De rechtbank heeft in de onderdelen 2.1 tot en met 2.13 van haar uitspraak de navolgende feiten vastgesteld. Belanghebbende wordt daarin aangeduid als ‘eiseres’, de inspecteur als ‘verweerder’.

“2.1. In 1994 hebben (ex-)medewerkers van de Kredietbank Luxembourg in Luxemburg (KBL) documenten en microfiches van deze bank ontvreemd.

2.2.

Op 27 oktober 2000 zijn de gegevens die betrekking hebben op de microfiches door de Belgische autoriteiten op basis van richtlijn 77/799/EEG in het kader van een spontane uitwisseling van inlichtingen aan het (Nederlandse) Ministerie van Financiën verstrekt.

2.3.

Op de microfiches stonden gegevens van twee rekeningen met nummers [1] en [2] op naam van [voornaam 1] [A] . Per 31 januari 1994 stond op de rekening met nummer [1] een saldo van fl. 27,00 (negatief) en op de rekening met nummer [2] een saldo van fl. 453.646,52.

2.4.

Bij faxbericht van 24 juni 2004 heeft D. Bol, werkzaam bij de FIOD-ECD, aan afdeling Burgerzaken van de gemeente [plaats a] verzocht om van [voorletter 2] [A] , woonachtig geweest zijnde te [plaats a] , opgaaf te doen van diens volledige voornamen. Het faxbericht is vervolgens retour ontvangen, voorzien van een stempel van de gemeente [plaats a] met datumstempel 28 juni 2004 en onder vermelding van de voornaam [voornaam 2] .

2.5.

Bij brief van 17 september 2004 heeft verweerder erflater verzocht informatie te verschaffen over een in het buitenland aangehouden bankrekening. Erflater is daarbij verzocht een daartoe bijgevoegde verklaring (opgaaf Buitenlands vermogen) in te vullen en te retourneren.

2.6.

Erflater heeft op de verklaring (opgaaf Buitenlands vermogen) aangekruist niet gerechtigd te zijn (geweest) tot bankrekeningen in het buitenland en deze met dagtekening

23 september 2004 geretourneerd aan verweerder.

2.7.

Bij faxbericht van 12 november 2004 heeft D. Bol (FIOD-ECD) aan afdeling Burgerzaken van de gemeente [plaats b] verzocht om van [voorletters 3] [A] , woonachtig zijnde te [plaats b] , opgaaf te doen van diens volledige voornamen. De gemeente heeft op 15 november 2004 een gewaarmerkt afschrift van gegevens uit de Gemeentelijke Basisadministratie Persoonsgegevens verstrekt waarop “ [voornaam 3] ” als voornamen zijn vermeld.

2.8.

Blijkens het proces-verbaal van ambtshandeling, gedagtekend 25 november 2004, heeft D. Bol (FIOD-ECD), voor zover thans van belang, het volgende verklaard:


“Door mij is een onderzoek ingesteld naar de identiteit van Nederlandse rekeninghouders bij de Kredietbank Luxembourg (hierna KB Lux).

(…)

De naam van de rekeninghouder is door verbalisant handmatig gematcht met het BVR-bestand (Beheer van Relaties), een bestand van de Belastingdienst, waarin alle natuurlijke- en rechtspersonen zijn opgenomen die in Nederland wonen of zijn gevestigd. Tevens zijn in het BVR-bestand opgenomen alle natuurlijke- en rechtspersonen die in het buitenland wonen of zijn gevestigd en in Nederland belastingplichtig zijn. Het BVR-bestand wordt voor wat betreft de natuurlijke personen gevoed met gegevens uit de gemeentelijke basisadministratie. In het BVR-bestand blijven historische gegevens bewaard. Opgemerkt wordt dat in het BVR-bestand de natuurlijke personen zijn opgenomen met voorletters en niet met voornamen.

De gevonden sofinummers zijn vervolgens nagetrokken in het bestand van het Centraal Rijbewijzen- en Bromfietscertificatenregister (CRB), in welk bestand de sofinummers, de voornaam en de geslachtsnaam van alle natuurlijke personen met een rijbewijs of een bromfietscertificaat zijn opgenomen en welk bestand is verkregen van de Rijksdienst voor het Wegverkeer (hierna genoemd: RDW-bestand).

In een aantal gevallen zijn op grond van artikel 55 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) uittreksels gevraagd uit de Gemeentelijke Basisadministratie Persoonsgegevens (GBA) en is via internet informatie verkregen uit de openbare registers van het Kadaster.

Op basis van het bovenstaande verklaar ik, verbalisant, het volgende:

1. Op de afdrukken van de microfiches van de KB Lux komt onder meer voor de naam:

[voornaam 1] [A] .

2. In het BVR-bestand komt vier keer de achternaam [A] voor, met als eerste voorletter [voorletter 2] , geslacht mannelijk.

3. In het RDW-bestand zie ik dat twee van deze vier personen zijn opgenomen. Slechts één persoon heeft de voornaam [voornaam 1] met als sofinummer (…).

4. Uit de uittreksels van de Gemeentelijke Basisadministratie Persoonsgegevens (GBA) zie ik dat van de twee personen die niet in het RDW-bestand voorkomen, geen van beide personen de voornaam [voornaam 1] heeft.

5. In het BVR-bestand zie ik dat de onder punt 3 aangegeven persoon als zijnde [voorletters 1] [A] , geboren (…), met geboortedatum (…) vermeld staat.

[voorletters 1] [A] is niet gehuwd.

Conclusie

Uit het door mij ingestelde onderzoek naar de identiteit van de rekeninghouder met rekeningnummer 275720, zoals vermeld op de microfiches van de KB-Lux, is gebleken dat voornoemde [voorletters 1] [A] als enige rekeninghouder in aanmerking komt.”

2.9.

Bij brief van 15 december 2004 heeft verweerder aan erflater meegedeeld dat uit het door de FIOD-ECD ingestelde onderzoek naar de identiteit van de rekeninghouder van de rekening met nummer 275720 is gebleken dat erflater als enige rekeninghouder in aanmerking komt. Daarbij heeft verweerder erflater verzocht het meegestuurde formulier “Opgaaf Buitenlands vermogen” in te vullen en te retourneren. Hierop heeft de (toenmalige) gemachtigde van erflater bij brief van 22 december 2004 geantwoord dat erflater niet wenste te reageren op het informatieverzoek van verweerder.

2.10.

Op 7 januari 2005 heeft verweerder een kennisgeving navordering ib/pvv over onder meer de jaren 1993 tot en met 1999 en vermogensbelasting over de jaren 1994 tot en met 2000 aan erflater verstuurd.

2.11.

Op 26 januari 2005 is vervolgens een mededeling navordering verzonden aan erflater en een kopie hiervan aan diens gemachtigde.
2.12. Vervolgens zijn de navorderingsaanslagen ib/pvv 1997 tot en met 1999 op 10 februari 2005 opgelegd en de navorderingsaanslagen ib/pvv 1993 tot en met 1996 alsmede de navorderingsaanslagen vb 1994 tot en met 2000 op 28 februari 2005.

2.13.

Erflater is op 3 augustus 2011 overleden. Eiseres is erfgenaam van erflater.”

Tegen de hiervoor vermelde feiten zijn door partijen geen bezwaren aangevoerd. Ook het Hof zal derhalve van deze feiten uitgaan en voegt hieraan nog de volgende feiten toe.

2.2.

In een brief van de inspecteur aan (destijds) de gemachtigde van 6 februari 2013 is onder meer het volgende vermeld:


Projectmatige aanpak Rekeningenproject
Bij brief van 27 oktober 2000 heeft de Bijzondere belastinginspectie (BBI) van het Koninkrijk België aan de Nederlandse belastingdienst spontaan inlichtingen verstrekt over financiële rekeningen bij de Kredietbank Luxembourg. De verkregen informatie betrof gegevens van duizenden rekeninghouders. De informatie was bovendien zeer summier. Gelet op de omvang van het aantal gegevens en zeker met het oog op een gelijke rechtstoepassing is besloten tot een projectmatige aanpak.
De wijze van verkrijging van de informatie noopte bovendien tot een onderzoek of de informatie rechtmatig gebruikt kon worden. Ook dienden de op de verkregen microfiches voorkomende rekeninghouders te worden geïdentificeerd. Gelet op de beperkte naamsomschrijving op de microfiches bleek het nodig daarvoor een bij de RDW aanwezig bestand te raadplegen. Daarvoor waren er aanvullende maatregelen op het gebied van automatisering nodig.
Vervolgens is in het laatste kwartaal van 2001 een pilot gestart waarin is getoetst of de verkregen informatie betrouwbaar en bruikbaar was. Daarna zijn de uit het identificatietraject verkregen gegevens verspreid over de regiokantoren en is het project van start gegaan. Vanaf dat moment moesten de lokale inspecteurs beoordelen of de geïdentificeerde rekeninghouders de inkomsten respectievelijk de vermogens hadden opgegeven in hun aangiften. Gelet op de omvang en het tijdsbeslag voor de regionale eenheden zijn de gegevens in een aantal tranches aan de eenheden toegezonden. De eerste serie is verzonden begin januari 2002, de tweede serie in maart 2002 en de derde rond juni/juli 2002. Naderhand zijn er nog meer renseignementen verzonden. Meestal ging het dan om gevallen die pas later geïdentificeerd waren.
Tijdens het heffingsonderzoek werd duidelijk dat niet alle geïdentificeerde rekeninghouders bereid waren de benodigde informatie te verstrekken om tot een juiste vaststelling van het inkomen en het vermogen te komen. Omdat het voorts veelal niet mogelijk was om op basis van het saldogegeven op het microfiche tot een redelijke (niet willekeurige) schatting van de aan te brengen correcties te komen, is in het laatste kwartaal van 2002 aan de hand van de gegevens van de medewerkers de applicatie correcties ontwikkeld.
Vervolgens zijn ultimo 2002 de aanslagen IB/VB 1990/91 opgelegd op basis van de uit de applicatie naar voren komende gegevens. Bij de aankondiging van de correcties over die jaren is tevens aangegeven wat de mogelijke correcties over de later[e] jaren zouden zijn. Daarbij is ook aangegeven dat het onderzoek nog niet was afgerond. De belastingplichtigen werden aldus alsnog in de gelegenheid gesteld de benodigde gegevens te verstrekken om tot een juiste vaststelling van het inkomen en het vermogen te komen. Dit zou in een directe reactie op de aankondigingsbrief kunnen gebeuren, maar ook bijvoorbeeld in de bezwaarfase voor de eerst opgelegde aanslagen (derhalve in 2003).
Voorts speelt nog een rol dat het in het kader van het Rekeningenproject niet gaat om één individuele belastingplichtige en bovendien gaat het per individuele belastingplichtige in het algemeen om ongeveer 21 aanslagen. Om ook de aanslagen over alle latere jaren gelijktijdig op te leggen, hadden in december 2002 tienduizenden aanslagen extra handmatig moeten worden opgelegd. Dit was onuitvoerbaar. Indien de aanslagen in 2003 zouden worden opgelegd kon een deel daarvan via de geautomatiseerde systemen worden verwerkt. Door het spreiden van het opleggen van de aanslagen werd dit proces wel uitvoerbaar.”

2.3.

Volgens het proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank is namens de inspecteur onder meer het volgende verklaard:


“U vraagt mij wat er precies eind 2003 in dit geval concreet is gebeurd. U vraagt mij wat de reden is dat [voorletter 2] [A] pas twee jaar na de derde tranche is geïdentificeerd. Ik stel mij op het standpunt dat de Belastingdienst vrij is in de inrichting van haar werkzaamheden. Achteraf kan je gemakkelijk zeggen: “iedereen had in één dag kunnen worden geïdentificeerd”. De identificatie van [voorletter 2] [A] is op dezelfde wijze als de anderen geschied. De medewerkers van de FIOD doen de identificatie. Medewerkers van het RDW komen daar niet aan te pas. Het is een projectmatige aanpak. Ik weet niet wanneer de FIOD de RDW-gegevens vergelijkt met BVR-gegevens. Het zijn zeer veel gegevens voor de FIOD. Om die reden wordt in gedeeltes geïdentificeerd. Ik vermoed dat eerst de eenvoudig te identificeren personen zijn gedaan. U wijst mij op het proces-verbaal van de FIOD van 25 november 2004. Ik weet niet wanneer de FIOD-medewerker heeft vastgesteld dat een van de twee namen [voornaam 1] is. Op dat moment was het in ieder geval onvoldoende. Als er twijfel blijft bestaan, wordt er dubbel gecheckt. In het BVR-bestand waren eerder alleen de voorletters beschikbaar.
Dat de identificatie in dit geval moeilijker was dan normaal, leid ik af uit het feit dat de FIOD gemeentes heeft aangeschreven.
Alleen bij 100 procent zekerheid gaan brieven naar betrokkenen eruit. Zo is dat ook bij de derde tranche gebeurd. Dan is sprake van één RDW- en GBA-hit. In dit geval waren er meerdere hits. Ik kan mij goed voorstellen dat je deze post dan even laat liggen. Dit is geen vierde tranche. Het proces is gelijk na de derde tranche opgepakt. Het werd een individuele identificatie. Het proces heeft nooit langer dan zes maanden stilgestaan.”

3 Geschil in hoger beroep

3.1.

Evenals bij de rechtbank is in hoger beroep in geschil of de inspecteur de navorderingsaanslagen met voldoende voortvarendheid heeft vastgesteld.

3.2.

Ter zitting van het Hof zijn partijen overeengekomen dat de inspecteur aan belanghebbende ter zake van door de haar geleden immateriële schade € 5.500 zal vergoeden.

4
4. Beoordeling van het geschil

4.1.

De rechtbank heeft in de onderdelen 4.1 t/m 4.6 van haar uitspraak het volgende overwogen

“4.1. Op grond van artikel 16, vierde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) heeft verweerder, in afwijking van artikel 16, derde lid, van de AWR, gedurende twaalf jaar de bevoegdheid tot navordering, indien te weinig belasting is geheven over een bestanddeel van het voorwerp van enige belasting dat in het buitenland wordt gehouden, is opgekomen (hierna: de verlengde navorderingstermijn). De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 21 maart 2008, nr. 43 050 (ECLI:NL:HR:2008:BA8179), over de verlengde navorderingstermijn van artikel 16, vierde lid, van de AWR, aan het Hof van Justitie van de Europese gemeenschappen (hierna: Hof van Justitie) prejudiciële vragen gesteld. Een van die vragen was of het de Nederlandse fiscus is toegestaan om de verlengde navorderingstermijn te hanteren als sprake is van (inkomsten uit) tegoeden die in het buitenland, buiten het zicht van de Nederlandse fiscus zijn aangehouden, terwijl de navorderingstermijn vijf jaar is als het om binnenlandse tegoeden gaat.

4.2.

Bij arrest van 11 juni 2009, X en E.H.A. Passenheim-van Schoot tegen de Staatssecretaris van Financiën (C-155/08 en C-157/08, ECLI:NL:XX:2009:BI8987), heeft het Hof van Justitie, uitspraak doende op die vragen, onder meer voor recht verklaard dat de artikelen 49 EG en 56 van het EG-Verdrag aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich niet ertegen verzetten dat, wanneer voor de belastingautoriteiten van een lidstaat spaartegoeden en inkomsten uit deze tegoeden zijn verzwegen en deze autoriteiten geen aanwijzingen over het bestaan ervan hebben op basis waarvan zij een onderzoek kunnen instellen, deze lidstaat een langere navorderingstermijn toepast wanneer deze tegoeden in een andere lidstaat zijn aangehouden dan wanneer zij in eerstgenoemde lidstaat zijn aangehouden. De omstandigheid dat deze andere lidstaat het bankgeheim kent, is in dit opzicht van geen belang.
Het evenredigheidsbeginsel echter – dat inhoudt dat een beperkende maatregel alleen gerechtvaardigd is als deze geschikt is het daarmee nagestreefde doel te verwezenlijken, en ook niet verdergaat dan noodzakelijk om dat doel te bereiken – begrenst de beperking van het vrije verkeer die de toepassing van artikel 16, vierde lid, van de AWR inhoudt.

4.3.

In zijn arrest van 26 februari 2010 (nr. 43 050bis, ECLI:NL:HR:2010:BJ9092) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat uit voornoemde verklaring voor recht van het Hof van Justitie moet worden afgeleid dat de artikelen 49 en 56 EG zich er niet tegen verzetten dat een lidstaat die niet beschikt over aanwijzingen van het bestaan van spaartegoeden die worden aangehouden in een andere lidstaat, voor de belastingheffing over (inkomsten uit) dergelijke tegoeden een langere navorderingstermijn toepast dan de termijn die geldt voor de belastingheffing in verband met tegoeden in de eigen staat. Zijn die aanwijzingen er wel, en wordt naar aanleiding daarvan een navorderingsaanslag opgelegd na het verstrijken van de termijn die zou gelden met betrekking tot tegoeden die worden aangehouden in de eigen staat, dan moet de daaruit voortvloeiende beperking van het vrije verkeer worden aanvaard indien de navorderingsaanslag wordt opgelegd met inachtneming van het tijdsverloop dat na het opkomen van de bedoelde aanwijzingen noodzakelijkerwijs is gemoeid met (i) het verkrijgen van de inlichtingen die nodig zijn voor het bepalen van de verschuldigde belasting, en tevens (ii) het met redelijke voortvarendheid voorbereiden en vaststellen van een aanslag aan de hand van de gegevens die de inspecteur ter beschikking staan. Het hiervoor overwogene geldt, aldus nog steeds de Hoge Raad:

- ongeacht het antwoord op de vraag of de aanwijzingen zijn verkregen voor of na afloop van de termijn die geldt voor navordering met betrekking tot tegoeden die worden aangehouden in de eigen staat, en
- zowel in het geval dat voor het inwinnen van inlichtingen een nuttig gebruik kan worden gemaakt van regelingen van wederzijdse bijstand tussen lidstaten, als in het geval dat de mogelijkheid daartoe ontbreekt, bijvoorbeeld doordat de desbetreffende lidstaat een bankgeheim kent.

Het in het arrest van het Hof van Justitie (in punt 47) genoemde evenredigheidsbeginsel verzet zich ertegen dat de inspecteur met betrekking tot tegoeden die worden aangehouden in een andere lidstaat, ook na het hiervoor genoemde aanvaardbare tijdsverloop gebruik maakt van zijn bevoegdheid op grond van artikel 16, vierde lid, van de AWR om een navorderingsaanslag op te leggen op een tijdstip waarop de ten aanzien van binnenlandse tegoeden geldende vijfjaarstermijn van artikel 16, derde lid, van de AWR is verstreken.
De rechtvaardiging die het Hof van Justitie aanwezig heeft geacht voor de aan toepassing van artikel 16, vierde lid, van de AWR verbonden beperking van het vrije verkeer, is gelegen in het waarborgen van de doeltreffendheid van de fiscale controles en het bestrijden van belastingfraude. Die rechtvaardiging is er niet als ten aanzien van (inkomsten uit) buitenlandse tegoeden de navorderingstermijn die voor (inkomsten uit) binnenlandse tegoeden zou gelden verder wordt overschreden dan uit het in hiervoor overwogene voortvloeit.
Uit de verklaring voor recht van het Hof van Justitie volgt bovendien dat het bovenstaande geen wijziging ondergaat door het feit dat met de desbetreffende aanslagen boeten samenhangen.

4.4.

Eiseres heeft het standpunt ingenomen dat de navorderingsaanslagen niet met de vereiste voortvarendheid zijn vastgesteld en dat het gebrek aan voortvarendheid zich met name heeft gemanifesteerd in de zogenoemde onderzoeksfase. Verweerder heeft daartegen aangevoerd dat de navorderingsaanslagen voldoende voortvarend zijn vastgesteld, dat het beginpunt voor de toetsing van de voortvarendheid de identificatie van de rekeninghouder is, dat hier sprake was van een moeilijker vast te stellen identiteit en dat verweerder niet langer dan zes maanden heeft stilgezeten.

4.5.

De rechtbank leidt, anders dan verweerder, uit de hiervoor genoemde arresten af dat van voortvarend handelen aan de zijde van verweerder sprake dient te zijn vanaf het moment dat een lidstaat beschikt over aanwijzingen van het bestaan van spaartegoeden die buiten de lidstaat worden aangehouden. Dat de identiteit van de houder van de spaartegoeden ten tijde van het verkrijgen van de aanwijzingen niet bekend is, doet niet ter zake. Het standpunt van verweerder dat het voortvarendheidsvereiste uitsluitend ziet op de periode na identificatie, wordt derhalve verworpen.

4.6.

De rechtbank stelt vast dat tussen het moment van gegevensverstrekking door de Belgische autoriteiten (27 oktober 2000) en het moment waarop aan erflater voor het eerst vragen zijn gesteld (17 september 2004) bijna vier jaar zijn verstreken. Verweerder heeft gesteld dat erflater op 12 juli 2004 door de FIOD-ECD was geïdentificeerd en dat de op erflater betrekking hebbende informatie kort nadien aan verweerder is verstrekt. Verder heeft verweerder verklaard dat erflater niet behoorde tot de groepen rekeninghouders die in de drie tranches (januari 2001 tot en met juli 2002) zijn geïdentificeerd, dat sprake moet zijn geweest van een individuele identificatie en dat het proces nooit langer dan zes maanden heeft stilgelegen. Desgevraagd ter zitting heeft verweerder voorts verklaard niet te kunnen zeggen op welk moment het identificatieproces ten aanzien van erflater is begonnen.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder, op wie de last rust aannemelijk te maken dat de navorderingsaanslagen voortvarend zijn vastgesteld, geen verklaring heeft gegeven voor de omstandigheid dat erflater pas twee jaar na de derde tranche is geïdentificeerd. Voorts heeft verweerder zijn stelling dat het identificatieproces niet langer dan zes maanden heeft stilgelegen, op geen enkele wijze geadstrueerd. De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat de navorderingsaanslagen niet met redelijke voortvarendheid zijn voorbereid en vastgesteld, hetgeen meebrengt dat de navorderingsaanslagen moeten worden vernietigd (…).”

4.2.1.

In hoger beroep heeft de inspecteur aangevoerd dat voor de vraag of bij het opleggen van de navorderingsaanslagen voldoende voortvarend is gehandeld een onderscheid moet worden gemaakt tussen de periode tot aan de identificatie van de belastingplichtige en de periode daarna. Volgens de inspecteur is slechts in geschil of in de periode voorafgaand aan de identificatie sprake is geweest van een onverklaarbare vertraging. In deze periode dient de voortvarendheid niet te worden beoordeeld “vanuit het (…) individu, maar vanuit het proces van identificatie”; van niet voortvarend handelen is sprake indien het identificatieproces als geheel meer dan zes maanden om onverklaarbare redenen heeft stilgelegen, aldus de inspecteur.
4.2.2. Volgens de inspecteur is niet in geschil dat het identificatieproces als geheel op geen moment meer dan zes maanden heeft stilgelegen. Volgens de inspecteur is er derhalve voldoende voortvarend gehandeld. De omstandigheid dat belanghebbende als een van de laatste rekeninghouders is geïdentificeerd doet daar volgens de inspecteur niet aan af.

4.2.3.

Ter zitting van het Hof heeft de inspecteur hier nog het volgende aan toegevoegd:


“Ik wil eigenlijk alleen maar verwijzen naar de arresten van de Hoge Raad van 28 maart 2014 en 1 mei 2015 (respectievelijk ECLI:NL:HR:2014:689 en ECLI:NL:HR:2015:1105)

Ik voel mij door die arresten gesterkt. Het identificatieproces moet niet individueel worden beoordeeld maar als geheel.

Ook al zijn er 20.000 namen bekend, dan betekent dat niet dat iedere persoon binnen zes maanden moet worden geïdentificeerd. De inspecteur heeft de vrijheid om iemand onder op de stapel te leggen, als gevolg waarvan die persoon pas een paar jaar later aan de beurt is. Erflater zat in de vierde tranche.
U houdt mij voor dat u geen vierde tranche in de stukken bent tegengekomen. Ik wijs op een uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, waarin over de vierde tranche wordt gesproken. U houdt mij voor dat die uitspraak over de BZN gaat en niet over de KB-Luxbank. U houdt mij verder voor dat ik tijdens de zitting bij de rechtbank, blijkens bladzijde 2 van het proces-verbaal van die zitting hierover iets anders heb verklaard, namelijk: “Dit is geen vierde tranche. Het proces is gelijk na de derde tranche opgepakt. Het werd een individuele identificatie”.

Ik neem het standpunt in dat wat voor de BZN geldt ook voor de KB-Lux geldt.

Erflater was niet in het RDW opgenomen. Daarom moesten de gemeentes worden aangeschreven op basis van alleen de achternaam. U houdt mij voor dat in het proces-verbaal van identificatie staat dat hij wel in het RDW was opgenomen.

U vraagt mij wat er is gedaan in de periode na afloop van de derde tranche in juli 2002 tot aan juni 2004; ik kan daar niet met zekerheid iets over zeggen. Ik heb geen tijdlijn gemaakt waarop te zien is welke werkzaamheden wanneer zijn verricht. Na de derde tranche bleef er een groep over die niet op de gebruikelijke manier kon worden geïdentificeerd.”

4.3.1.

Belanghebbende heeft aangevoerd dat het arrest HvJ 11 juni 2009, X en E.H.A. Passenheim-Van Schoot tegen de staatssecretaris van Financiën, C-155/08 en C-157/08, ECLI:EU:C:2009:368, BNB 2009/222, inhoudt dat de bij toepassing van de verlengde navorderingstermijn in acht te nemen voortvarendheid betrekking heeft op het tijdsverloop vanaf het moment dat de belastingautoriteiten van – in dit geval – Nederland de beschikking hebben gekregen over aanwijzingen betreffende in een andere lidstaat ondergebrachte belastbare bestanddelen.
In dat verband wijst belanghebbende erop dat de gegevens die ten grondslag liggen aan de navorderingsaanslagen op 27 oktober 2000 door de FIOD-ECD zijn ontvangen.

4.3.2.

Het handelen van de FIOD-ECD moet volgens belanghebbende in dit verband aan de inspecteur worden toegerekend.

4.3.3.

Voorts verwijst belanghebbende naar de brief van de inspecteur van 6 februari 2013. In die brief is vermeld dat de gegevens van de KB-Luxbank, na identificatie daarvan op basis van een bestand van de Rijksdienst voor het Wegverkeer (RDW), in drie tranches aan de eenheden zijn doorgezonden waaronder de desbetreffende belastingplichtigen ressorteerden. Dat alles is volgens belanghebbende in de eerste helft van 2002 gebeurd.

4.3.4.

Volgens belanghebbende is in het onderhavige geval niet met de vereiste voortvarendheid gehandeld, omdat erflater eerst op 12 juli 2004 als rekeninghouder is geïdentificeerd. Het is belanghebbende niet duidelijk geworden waarom erflater niet eveneens in de eerste helft van 2002 is geïdentificeerd. De inspecteur heeft voor het nadien tot het tijdstip van identificatie van erflater, 12 juli 2004, verstreken tijdsverloop geen verklaring gegeven.

4.3.5.

Bovendien is volgens belanghebbende niet voortvarend gehandeld in de periode die volgde op de identificatie van erflater, omdat sedert 12 juli 2004 meer dan zes maanden zijn verstreken voordat de navorderingsaanslagen, gedagtekend 10 en 28 februari 2005 zijn opgelegd.

4.4.1.

Vaststaat dat bij brief van 27 oktober 2000 de Bijzondere Belastinginspectie (BBI) van het Koninkrijk België gegevens die betrekking hebben op onder meer twee (destijds) door erflater bij de KB-Luxbank aangehouden bankrekeningen ter beschikking zijn gesteld aan de FIOD-ECD, een Nederlandse belastingautoriteit als bedoeld in het hiervoor vermelde arrest van het HvJ.

4.4.2.

Nadat deze gegevens ter beschikking van de FIOD-ECD zijn gesteld is – zo leidt het Hof af uit de brief van de inspecteur van 6 februari 2013 – een onderzoek gestart naar de rechtmatigheid van het gebruik van de door de BBI verstrekte gegevens en dienden de rekeninghouders die daarin voorkwamen te worden geïdentificeerd. Daarvoor is onder meer een bestand van de RDW geraadpleegd. Nadat in het laatste kwartaal van 2001 de verkregen gegevens (nader) op betrouwbaarheid en bruikbaarheid zijn getoetst, zijn die gegevens in drie tranches aan de regionale eenheden ter beschikking gesteld. De derde tranche is medio 2002 verzonden.

4.4.3.

Vaststaat voorts dat erflater op 12 juli 2004 door de FIOD-ECD is geïdentificeerd en dat de inspecteur bij brief aan erflater van 17 september 2004 heeft verzocht informatie te verstrekken over een door hem in het buitenland aangehouden bankrekening.

4.4.4.

Naar het oordeel van het Hof heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat bij de toepassing van de verlengde navorderingstermijn van artikel 16, vierde lid, Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) aan de zijde van de inspecteur met voortvarendheid dient te worden gehandeld vanaf het moment dat een lidstaat over aanwijzingen beschikt van het bestaan van spaartegoeden die buiten de lidstaat worden aangehouden (verg. HR 28 maart 2014, nr. 13/03554, ECLI:NL:HR:2014:689, BNB 2014/137). Dit betekent dat ook voortvarend dient te worden gehandeld in de periode die aan de identificatie van de rekeninghouder voorafgaat. Met betrekking tot de organisatie en inrichting van de in dat kader te verrichten werkzaamheden beschikt de Belastingdienst – zoals in het algemeen bij bevoegdheidsuitoefening – over beoordelingsvrijheid (verg. voormeld arrest en HR 1 mei 2015, nr. 14/02874, ECLI:NL:HR:2015:1105, BNB 2015/155). Deze ruimte laat evenwel onverlet dat overigens met voortvarendheid moet worden gehandeld. Dat houdt onder meer in dat de vereiste voortvarendheid in ieder geval niet in acht is genomen, indien bij de werkzaamheden die uiteindelijk leiden tot het navorderen bij een specifieke belastingplichtige een vertraging is opgetreden van meer dan zes maanden, zonder dat daarvoor een redelijke verklaring kan worden gegeven (verg. HR 27 september 2013, nr. 12/00738, ECLI:NL:HR:2013:717, BNB 2013/234).

Het is, zoals ook de rechtbank heeft overwogen, aan de inspecteur (als meest gerede partij) om, indien gemotiveerd wordt gesteld dat niet met voortvarendheid is gehandeld, feiten en omstandigheden aannemelijk te maken op grond waarvan kan worden geoordeeld dat wel voortvarend is gehandeld.

4.4.5.

Evenals de rechtbank heeft geoordeeld, is de inspecteur volgens het Hof niet erin geslaagd een verklaring te geven voor de omstandigheid dat, zoals hiervoor onder 4.4.2 is vermeld, tot medio 2002 gegevens betreffende rekeninghouders aan de regionale eenheden zijn verzonden, terwijl erflater eerst op 12 juli 2004 is geïdentificeerd. De inspecteur heeft geen, althans onvoldoende inzicht verstrekt in het proces dat vanaf de terbeschikkingstelling van gegevens door de BBI aan de identificatie van erflater is voorafgegaan. Dat dit proces, zonder dat daarvoor een redelijke verklaring voorhanden is, nooit langer dan zes maanden heeft stilgelegen, is door de inspecteur niet aannemelijk gemaakt; ook niet met hetgeen de inspecteur ter zitting van het Hof naar voren heeft gebracht. Dit laatste in het bijzonder niet, waar de inspecteur ter zitting van het Hof heeft betoogd dat erflater tot een vierde tranche zou behoren en dat hij niet in het bestand van de RDW zou zijn opgenomen, terwijl deze beweringen in tegenspraak zijn met hetgeen hij eerder in zijn brief van 6 februari 2013 en ter zitting van de rechtbank naar voren heeft gebracht. Nu deze tegenspraak verder niet is opgehelderd bieden ook evenbedoelde beweringen ter zitting van het Hof geen verklaring voor het lange tijdsverloop tot aan het tijdstip van identificatie.
De rechtbank heeft derhalve terecht geoordeeld dat niet met de vereiste voortvarendheid is gehandeld en dat de navorderingsaanslagen op deze grond moeten worden vernietigd.

Slotsom
4.5.1. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.

4.5.2.

Nu partijen ter zitting van het Hof zijn overeengekomen dat de inspecteur aan belanghebbende een bedrag van € 5.500 ter zake van immateriële schade dient te vergoeden, zal het Hof tevens bepalen dat de inspecteur dat bedrag dient te vergoeden.

5 Kosten

Het Hof acht termen aanwezig voor een kostenveroordeling op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. De voor vergoeding in aanmerking komende kosten zijn opgenomen in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit)

Voor het onderhavige geval zijn dat de in onderdeel a vermelde kosten van door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand. Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van het Besluit stelt het Hof het bedrag van deze kosten overeenkomstig het in de bijlage bij het Besluit opgenomen tarief op: 2 (indienen verweerschrift in hoger beroep en bijwonen zitting) x € 490 x 1,5 (wegingsfactor) = € 1.470.

6
6. Beslissing

Het Hof:
- bevestigt de uitspraak van de rechtbank;
- bepaalt dat de inspecteur aan belanghebbende ter zake van immateriële schade € 5.500
vergoedt;
- veroordeelt de inspecteur in de kosten van belanghebbende tot een bedrag van € 1.470,en

- bepaalt dat van de inspecteur een griffierecht wordt geheven van € 493.


De uitspraak is gedaan door mrs. E.A.G. van der Ouderaa, voorzitter, H.E. Kostense en W.E.M. van Nispen tot Sevenaer, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. E.G. van der Laan, als griffier. De beslissing is op 20 oktober 2015 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.