Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:472

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
18-02-2015
Datum publicatie
25-03-2015
Zaaknummer
200.144.406/01 OK
Rechtsgebieden
Ondernemingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

OK, Enqueterecht, verhoging kosten onderzoek, kosten niet onredelijk, bezwaar stelt ook niet dat kosten onredelijk zijn, overige bezwaren onvoldoende concreet. Verzoek grenzen aan overige kosten is niet voor toewijzing vatbaar, het is aan de bestuurder van een vnp om te beoordelen welke kosten de vnp dient te maken.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 2 350
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JONDR 2014/930
ARO 2015/76
AR 2015/508
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

___________________________________________________________________

GERECHTSHOF AMSTERDAM

ONDERNEMINGSKAMER

zaaknummer: 200.144.406/01 OK

beschikking van de Ondernemingskamer van 18 februari 2015

inzake

P.R. DEKKER, in zijn hoedanigheid van vereffenaar van de nalatenschap van [A],

woonplaats houdend op de voet van artikel 1:14 BW te zijn kantoor te Rosmalen,

VERZOEKER,

advocaten: mrs. P.J. van der Korst en J. van Bekkum, kantoorhoudende te Amsterdam,

t e g e n

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[B] HOLDING B.V.,

gevestigd te Oisterwijk,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[B] BELEGGINGEN B.V.,

gevestigd te Moergestel,

VERWEERSTERS

advocaat: mr. S.M. Marges, kantoorhoudende te Utrecht,

e n t e g e n

[C],

wonende te Eindhoven,

BELANGHEBBENDE,

advocaat: mr. E.J.M. Vannisselroy, kantoorhoudende te Veldhoven.

1. Het verloop van het geding

1.1 In het vervolg zullen partijen (ook) als volgt worden aangeduid:

  • -

    verzoeker met Dekker;

  • -

    verweerster 1. met [B] Holding;

  • -

    verweerster 2. met Beleggingen;

  • -

    verweersters tezamen met Holding c.s.;

  • -

    belanghebbende met [C].

1.1

1.2 Voor het verloop van het geding verwijst de Ondernemingskamer naar haar beschikkingen in deze zaak van 8 en 21 mei 2014.

1.3 Bij de beschikking van 8 mei 2014 heeft de Ondernemingskamer – voor zover hier van belang – een onderzoek bevolen naar het beleid en de gang van zaken van Holding c.s., een nader aan te wijzen en aan partijen bekend te maken persoon benoemd teneinde voormeld onderzoek te verrichten, het bedrag dat het onderzoek ten hoogste mag kosten vastgesteld op € 25.000 (exclusief BTW) en, bij wijze van onmiddellijke voorziening en voor de duur van het geding, ing. G.C.J. Verwij tot bestuurder met doorslaggevende stem benoemd bij [B] Holding en bepaald dat alle aandelen in het kapitaal van [B] Holding ten titel van beheer zijn overgedragen aan een nader aan te wijzen en aan partijen bekend te maken persoon. Bij de beschikking van 21 mei 2014 heeft de Ondernemingskamer mr. C.B. Schutte te Amsterdam als onderzoeker aangewezen en mr. E.L. Zetteler te Utrecht aangewezen als beheerder van aandelen.

1.4 Bij brief met bijlagen van 3 februari 2015, heeft de onderzoeker de Ondernemingskamer gemotiveerd verzocht het bedrag dat het onderzoek ten hoogste mag kosten te verhogen met € 40.000 tot € 65.000 (exclusief BTW). De onderzoeker heeft in de brief opgenomen dat partijen zijn ingelicht over het verzoek, dat het bestuur van (naar de Ondernemingskamer begrijpt:) [B] Holding heeft ingestemd met verhoging van de kosten van het onderzoek en dat het verzoek in kopie is gestuurd aan mr. Van Bekkum, mr. Vannisselrooy, ing. Verweij en mr. Zetteler.

1.5 Bij e-mail van 5 februari 2015 heeft de secretaris van de Ondernemingskamer (de advocaten van) partijen, waaronder mr. Marges namens de vennootschap, tot 11 februari 2015 in de gelegenheid gesteld zich over het verzoek van de onderzoeker uit te laten.

1.6 Bij e-mail van 10 februari 2015, in kopie aan de betrokken advocaten de onderzoeker en mr. Zetteler, heeft mr. Vannisselroy namens [C] bezwaar gemaakt tegen de gevraagde verhoging van de kosten van het onderzoek en de Ondernemingskamer verzocht het bedrag dat het onderzoek ten hoogste mag kosten vast te stellen op maximaal € 50.000 (inclusief BTW).

1.7 Van de overige partijen is niet vernomen.

2 De gronden van de beslissing

2.1

De onderzoeker heeft in zijn verzoek opgenomen dat de tot nu toe gemaakte kosten circa € 39.000 (exclusief BTW) bedragen. Als bijlage bij zijn verzoek heeft hij tevens een overzicht van de tot dan toe gemaakte uren gevoegd. Voorts vermeldt de onderzoeker dat het onderzoek (behoudend voorzover het betrekking heeft op de onttrekkingen) is afgerond en dat thans aan werkzaamheden resteert: het afronden van het onderzoek naar de onttrekkingen, het opstellen van een concept-verslag, het verwerken van de reacties van partijen op het concept-verslag en de afronding van het verslag. De onderzoeker verwacht dat met de gevraagde verhoging het onderzoek binnen dat bedrag afgerond kan worden, mits de reacties van betrokken op het concept-verslag niet tot intensief nader onderzoek nopen.

2.2

[C] heeft bij zijn bezwaar tegen het verzoek van de onderzoeker zijn zorgen geuit over de hoge advieskosten waarmee de vennootschappen worden belast. Naast de onderzoeker, de door de Ondernemingskamer benoemde bestuurder en beheerder, maakt de vennootschaap ook kosten door de extra inzet van een accountant, fiscalist en advocaat. [C] maakt geen bezwaar tegen de wijze waarop de onderzoeker en de door de Ondernemingskamer benoemde functionarissen hun taak verrichten. Echter, een deel van “het uitdijen” van de kosten is gelegen in de grote hoeveelheid vragen die verzoeker aan de onderzoeker en de beheerder van aandelen stelt, aldus [C]. Naast zijn eigen kosten als belanghebbende in deze procedure “verdampt” op deze wijze het vermogen van de vennootschappen waarop [C] als certificaathouder mede recht op heeft. [C] verzoekt de Ondernemingskamer het bedrag dat het onderzoek mag kosten vast te stellen op maximaal € 50.000 (inclusief BTW) en voorts - zo begrijpt de Ondernemingskamer - om in redelijkheid grenzen te stellen aan de kosten die door de vennootschappen overigens als gevolg van het onderzoek worden gemaakt, een en ander in het belang van de continuïteit van de vennootschappen.

2.3

De Ondernemingskamer oordeelt als volgt.

2.4

De gedetailleerd opgegeven werkzaamheden die in het kader van het onderzoek zijn verricht, zijn als zodanig niet betwist. [C] heeft ook niet gesteld - en evenmin is gebleken - dat die gemaakte kosten onredelijk zijn. De verzochte verhoging van het onderzoeksbudget komt voorts niet onredelijk voor gelet op de aard en de omvang van het bevolen onderzoek. Ook heeft [C] niet gesteld dat de kosten die de onderzoeker verwacht nog te moeten maken onredelijk zijn. Ook de Ondernemingskamer komen de gemaakte en de te verwachte kosten - mede gelet op de aard en de omvang van het onderzoek - niet onredelijk voor. De Ondernemingskamer zal het verzoek tot kostenverhoging toewijzen zoals hierna te vermelden. De door [C] aangevoerde bezwaren zijn onvoldoende concreet om tot een ander oordeel te leiden.

2.5

Het verzoek van [C] om “grenzen te stellen” aan de overige kosten die de vennootschap als gevolg van het onderzoek maakt, is niet voor toewijzing vatbaar. Het is aan de bestuurder van een vennootschap, rekening houdend met alle omstandigheden betreffende de vennootschap en de bij haar betrokkenen, om te beoordelen welke kosten de vennootschap dient te maken.

3 De beslissing

De Ondernemingskamer:

verhoogt het bedrag dat het bij de beschikking van 8 mei 2014 in deze zaak bevolen onderzoek ten hoogste mag kosten tot € 65.000 (exclusief BTW);

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. P. Ingelse, voorzitter, mr. A.C. Faber en mr. G.C. Makkink, raadsheren, en dr. P.M. Verboom en drs. M.A. Scheltema, raden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. van Wees, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de Ondernemingskamer van 18 januari 2015.