Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:4690

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
08-10-2015
Datum publicatie
17-11-2015
Zaaknummer
23-004044-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Mishandeling en bedreiging (huiselijke sfeer). Bespreking verweer omtrent betrouwbaarheid aangeefster.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 23-004044-14

Datum uitspraak: 8 oktober 2015

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 7 oktober 2014 in de strafzaak onder parketnummer 15-150059-14 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Egypte) op [geboortedag] 1984,

adres: [adres 1].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 24 september 2015 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep van de verdachte is beperkt ingesteld, strekt zich uit tot de veroordeling ten aanzien van het onder 1 en 2 tenlastegelegde en ziet niet op de vrijspraak van feit 3. Het hof is derhalve slechts gehouden een oordeel te geven met betrekking tot de aangevallen uitspraak voor zover deze ziet op de feiten 1 en 2.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1:
hij op of omstreeks 13 juli 2014 te Velserbroek, gemeente Velsen, opzettelijk mishandelend zijn echtgenote, althans een persoon, te weten [slachtoffer],

- met kracht (meermalen) met zijn (beide) hand(en) op het lichaam en/of in het gezicht heeft geslagen en/of

- met zijn (beide) hand(en) aan het haar van die [slachtoffer] heeft getrokken,

waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2:
hij op of omstreeks 13 juli 2014 te Velserbroek, gemeente Velsen, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer], terwijl hij met een mes stekende bewegingen in de richting van die [slachtoffer] maakt, dreigend de woorden toegevoegd:"Ik maak je dood", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, zal worden vernietigd, omdat het hof tot een enigszins andere bewijsbeslissing komt dan de rechtbank.

Bespreking verweer

De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep – kort weergegeven – bepleit dat de aangifte niet tot het bewijs kan worden gebezigd, omdat de verklaring van de aangeefster niet betrouwbaar is.

Het hof verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt.

De verklaringen van de aangeefster zijn naar het oordeel van het hof consistent. De aangeefster is direct na het voorval gehoord en heeft op relevante punten gelijkluidend verklaard aan haar nadien gedane aangifte. Haar verklaringen vinden voorts in voldoende mate en op wezenlijke onderdelen steun in de getuigenverklaringen en bevindingen van de verbalisanten zoals hieronder in de bewijsmiddelen is weergegeven. Gelet op het hiervoor overwogene acht het hof de aangifte betrouwbaar en, bezien in het licht van de overige bewijsmiddelen, redengevend om tot het bewijs van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten te worden gebezigd.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:

1:
hij op 13 juli 2014 te Velserbroek, gemeente Velsen, opzettelijk mishandelend zijn echtgenote, te weten [slachtoffer], meermalen op het lichaam en in het gezicht heeft geslagen en met zijn handen aan het haar van die [slachtoffer] heeft getrokken, waardoor deze pijn heeft ondervonden;

2:
hij op 13 juli 2014 te Velserbroek, gemeente Velsen, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer], terwijl hij met een mes stekende bewegingen in de richting van die [slachtoffer] maakte, dreigend de woorden toegevoegd: "Ik maak je dood".

Hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Ten aanzien van feiten 1 en 2

1. Een kopie van een proces-verbaal van aangifte PL1100-2014111858-1 van 13 juli 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] (doorgenummerde pagina’s 4-9). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 13 juli 2014 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van [slachtoffer]:

Ik doe aangifte van bedreiging en mishandeling. Het feit vond plaats aan de [adres 2] te Velserbroek op 13 juli 2014 te 9:43 uur..

Ongeveer vijf jaar geleden heb ik [verdachte] leren kennen. Wij zijn getrouwd. in het Nederlands registers staan wij als getrouwd ingeschreven.

Ik voelde dat [verdachte] (het hof begrijpt hier en hierna telkens: de verdachte) mij eenmaal sloeg aan de linkerzijde van mijn hoofd. Hij rende de trap op naar de slaapkamer. Ik ben achter hem aangegaan. [verdachte] heeft mij meerdere malen geslagen op mijn bovenlichaam en in mijn gezicht.

Ik zag dat [verdachte] naar beneden rende en terug naar boven kwam. Ik zag dat hij een groot mes in zijn handen had.

Ik voelde vervolgens dat [verdachte] aan mijn haren trok. Op dat moment had hij nog steeds dat mes vast. Met zijn ene hand had [verdachte] mijn haren vast en met het andere hand het mes. Ik zag dat [verdachte] meerdere malen stekende bewegingen met het mes naar mij maakte. De stekende beweging ging van boven zijn hoofd naar beneden, naar mijn lichaam. Ik hoorde hem meerdere malen zeggen: “Ik maak je dood.”

(…)

Ik zag dat [verdachte] op de trap stond en mij aankeek. Ik hoorde [verdachte] zeggen: “Ik kom dit afmaken.” Ik werd bang van de blik in zijn ogen. (…) Ik ben bang dat hij het echt komt afmaken. Ik acht hem daartoe in staat.

Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven voor het plegen van dit feit.

2. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1100-2014111858-11 van 13 juli 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (doorgenummerde pagina’s 18-20). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van voornoemde verbalisanten (of één of meer van hen):

Op zondag 13 juli 2014 omstreeks 9:43 uur, kregen wij, verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2], de opdracht te gaan naar [adres 2] te Velserbroek.

Aanrijdend kregen wij te horen dat het zou gaan om een ruzie tussen twee exen die in scheiding lagen (…). De man en de vrouw bleken later te zijn genaamd [verdachte], [verdachte] en [slachtoffer], [slachtoffer].

Ik, verbalisant [verbalisant 2], zag dat [slachtoffer] boven aan de trap zat en erg bang en in paniek was. Ik zag dat haar wangen en ogen rood en nat waren. Ik hoorde dat zij last had van haar ribben, rug, arm en nek. Ik hoorde haar verklaren dat zij geslagen was door [verdachte] en daardoor op de grond was gevallen. Ik hoorde haar verklaren dat zij daardoor pijn had.

Ook verklaarde [slachtoffer] dat hij, [verdachte], haar had bedreigd met een mes en hierbij stekende bewegingen had gemaakt.

Ik zag op het aanrecht een broodmes liggen en een keukenlade open staan.

Ik zag dat [slachtoffer] erg in paniek en hevig aan het huilen was. Ik hoorde haar meerdere malen zeggen: “Sorry hoor, maar ik was zo bang dat hij me zou vermoorden.”

3. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1100-2014111858-7 van 13 juli 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3] (doorgenummerde pagina’s 30-31). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:

Op 13 juli 2014 hoorde ik geschreeuw van een man, die ik op dat moment niet zag, maar het leek uit [adres 2] te Velserbroek te komen. Vervolgens kwam er een man (het hof begrijpt: de verdachte) uit [adres 2] gelopen. De man vertelde mij dat er een vreemde man in zijn huis was er dat die eruit moest. Hij vertelde dat zijn vrouw binnen was en die had nu een andere man in huis. Ik zag dat hij bloed op zijn armen en handen had en dat hij heel boos was.

Terwijl wij stonden te praten, verscheen een vrouw (het hof begrijpt: [slachtoffer]) met een kind in haar armen in de deuropening van [adres 2]. Op dat moment verscheen er ook een vrouw in de deuropening van [adres 3], die tegen de vrouw van [huisnummer 1] zei, geef mij je kinderen. De vrouw van [huisnummer 1] gaf twee kinderen over aan de vrouw van [huisnummer 2].

Terwijl dit gebeurde zag en hoorde ik dat de man van [huisnummer 1] weer heel boos werd en van alles naar haar riep. Ik zag dat de vrouw huilde en beefde. Zij zag eruit alsof ze bang was. Tevens zag ik dat de kinderen huilden.

Ik, verbalisant, ben vervolgens de woning binnen gegaan. Ik zag allemaal bloed op de grond in de gang. Ik zag de eerder genoemde vrouw (het hof begrijpt: [slachtoffer]) in de woonkamer zitten. Ik ben vervolgens naar boven gelopen. De vrouw was ook naar boven gelopen. (…) Ik ben weer naar beneden gelopen. Op dat moment stond de man in de gang. Ik zei hem dat hij had beloofd buiten te blijven. (…) Vervolgens werd hij nog bozer en liep langs mij de trap op, waar de vrouw op dat moment zat. Hij probeerde haar te grijpen en te slaan. Ik zag dat hij haar enkele malen raakte, maar doordat hij er niet goed bij kon omdat ik hem bij zijn broeksband pakte, raakte hij haar niet voluit.

4. Een proces-verbaal verhoor getuige met nummer PL1100-2014111858-9 van 13 juli 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] (doorgenummerde pagina’s 85-86). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 13 juli 2014 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van [getuige 1]:

Ik woon op [adres 3] te Velserbroek. Naast ons op nummer [huisnummer 1] woont een jong gezin met twee kinderen. Ik weet dat de bewoners getrouwd zijn en in scheiding liggen.

Op 13 juli 2014 lag ik in mijn bed en schrok ik wakker van een harde klap. Ik weet niet wat voor klap dat was. Ik hoorde wel dat het bij mijn buren op nummer [huisnummer 1] vandaan kwam.

Na die klap hoorde ik een hoop herrie. Ik hoorde een man schreeuwen en een vrouw vooral gillen.

Toen ik buiten stond hoorde ik mijn buurvrouw (het hof begrijpt: [slachtoffer]) van binnen schreeuwen: “Doe dat mes weg! Niet waar de kinderen bij zijn!”

Ondertussen hoorde ik het schreeuwen en gillen doorgaan. Ik hoorde ook een paar knallen en bonken, alsof de boel kort en klein geslagen werd.

5. Een proces-verbaal verhoor getuige met nummer PL1100-2014111858-5 van 13 juli 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] (doorgenummerde pagina’s 87-88). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 13 juli 2014 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van [getuige 2]:

Ik woon samen met mijn man en zoon in een rijtjeswoning op de [adres 3] te Velserbroek.

Op 13 juli 2014 lag ik in mijn bed en schrok ik wakker. Ik hoorde veel lawaai. Dit lawaai bestond uit schreeuwen, gillen en gebonk. (…)

Op dit moment wist ik nog niet om wie het ging. Wel hoorde ik dat het bij de buren van [adres 2] vandaan kwam.

Toen ik buiten stond zag ik dat mijn buurvrouw (het hof begrijpt: [slachtoffer]) in de deuropening van haar woning stond. Ik zag dat ze haar zoontje op haar arm droeg. Ik zag ook dat haar ex-man (het hof begrijpt: de verdachte), de vader van de kinderen, buiten stond. Ik zag dat hij een mes in zijn hand hield. Ik denk dat het een keukenmes was van ongeveer 15 centimeter lang.

Toen ik weer mijn huis in wilde zei mijn buurvrouw huilend tegen mij: “Laat me niet alleen! Laat me niet alleen!”

De hiervoor vermelde bewijsmiddelen zijn – ook in hun onderdelen – telkens gebezigd tot het bewijs van het feit of de feiten, waarop zij blijkens hun inhoud uitdrukkelijk betrekking hebben.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

mishandeling, begaan tegen zijn echtgenoot.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 en 2 bewezen verklaarde veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 week, met een proeftijd van 3 jaren, en een taakstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis, met aftrek van de tijd die de verdachte in verzekering heeft doorgebracht.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 en 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis, met aftrek.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft de woning, waarin ook zijn kinderen aanwezig waren, zijn echtgenote mishandeld. Door zo te handelen heeft hij haar lichamelijke integriteit geschonden en haar pijn bezorgd.

Voorts heeft hij het slachtoffer niet alleen met woorden bedreigd maar daarbij ook van een mes gebruik gemaakt. Aldus is een voor haar zeer angstaanjagende situatie geschapen terwijl dit plaatsvond in haar woning waar zij zich juist veilig zou moeten kunnen voelen.

Dit alles rechtvaardigt naar het oordeel van het hof in beginsel een hogere straf dan die, welke is opgelegd door de rechtbank.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 15 september 2015 is de verdachte niet eerder strafrechtelijk onherroepelijk veroordeeld. Dit weegt in het voordeel van de verdachte. Ook houdt het hof rekening met de wijze waarop de verdachte nu zijn leven heeft ingericht.

Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf van na te melden duur passend en geboden.

In het voorgaande ligt besloten dat het hof geen termen aanwezig acht om, als bepleit door de raadsvrouw, toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht of de oplegging van een geldboete.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 22c, 22d, 57, 285, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof vernietigt het vonnis, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M. Jurgens, mr. P.C. Römer en mr. F.M.D. Aardema, in tegenwoordigheid van mr. M. Helmers, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 8 oktober 2015.

=========================================================================

[....]