Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:4666

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
10-11-2015
Datum publicatie
19-02-2016
Zaaknummer
200.166.454/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Anders dan de eerste rechter oordeelde, heeft de verzekerde geen rechtstreeks vorderingsrecht verkregen op de schadebemiddelaar van de verzekeraar

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2016/154

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I AOF

zaaknummer : 200.166.454/01

zaak-/rolnummer rechtbank Noord-Holland : 3651066/Kg Expl 14-187

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 10 november 2015

inzake

DEKRA CLAIMS SERVICES NETHERLANDS B.V.

gevestigd te Heerhugowaard

appellante,

advocaat: mr. W.A.M. Rupert te Rotterdam,

tegen

[GEÏNTIMEERDE],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. M.J. Hogendoorn te Utrecht.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna Dekra en [geïntimeerde] genoemd.

Dekra is bij dagvaarding van 2 maart 2015 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland (hierna: de kantonrechter) van 2 februari 2015, onder bovenvermeld zaak-/rolnummer in kort geding gewezen tussen [geïntimeerde] als eiser en Dekra als gedaagde.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;

- memorie van antwoord.

Ten slotte is arrest gevraagd.

Dekra heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en alsnog de vorderingen van [geïntimeerde] zal afwijzen met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties met nakosten en rente.

[geïntimeerde] heeft geconcludeerd, kort gezegd, tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met veroordeling van Dekra in de kosten van beide instanties.

2 Feiten

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis van 2 februari 2015 onder 2 de feiten opgesomd die hij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn - met uitzondering van de vermelding dat [geïntimeerde] als gevolg van het ongeval letselschade heeft opgelopen en hij daardoor enige tijd geen werkzaamheden heeft kunnen verrichten - in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Samengevat komen de feiten neer op het volgende:

( i) Op 26 juni 2013 heeft in Leeuwarden een verkeersongeval plaatsgevonden

waarbij [geïntimeerde], rijdend in zijn auto, vanaf de linkerzijde op een kruising werd aangereden door een auto bestuurd door Verraes (hierna: het ongeval).

  • -

    ii) [geïntimeerde] heeft hierbij schade opgelopen.

  • -

    iii) Dekra heeft namens Belfius, de Belgische verzekeraar van (de auto van) Verraes,

aansprakelijkheid erkend en in de zomer van 2014, rechtstreeks aan [geïntimeerde]. een voorschot op de hem toekomende schadevergoeding voldaan van € 5.000,-.

3 Beoordeling

3.1

[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg, zakelijk weergegeven, gevorderd Dekra te veroordelen aan hem te betalen een bedrag van € 17.500,- bij wege van een aanvullend voorschot op de in de bodemprocedure tussen partijen vast te stellen totale schadevergoeding. Dekra heeft tegen deze vordering verweer gevoerd en onder meer aangevoerd dat de verkeerde partij is gedagvaard, namelijk Dekra als schadebemiddelaar en niet de betrokken verzekeraar, Belfius. De kantonrechter heeft alle weren van Dekra verworpen en haar veroordeeld aan [geïntimeerde] het gevorderde bedrag te betalen waarbij Dekra tevens is veroordeeld in de proceskosten.

3.2

Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt Dekra met acht grieven op.

3.3

In haar meest verstrekkende grief (grief 2) stelt Dekra haar verweer aan de orde dat [geïntimeerde] de verkeerde partij in rechte heeft betrokken nu niet zij, doch Belfius op de voet van artikel 6 lid 1 Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen de (rechtstreeks) aan te spreken partij is voor de schade die [geïntimeerde] als gevolg van het ongeval heeft geleden.

3.4

Tussen partijen is niet in geschil dat Dekra schadebemiddelaar is van de Belgische verzekeraar, Belfius, en dat Dekra namens Belfius aansprakelijkheid heeft erkend voor de schade van [geïntimeerde] die is ontstaan door het ongeval.

3.5

[geïntimeerde] heeft echter gesteld dat in het onderhavige geval een rechtstreeks vorderingsrecht op Dekra is ontstaan omdat Dekra door haar uitlatingen aansprakelijkheid jegens hem heeft aanvaard. [geïntimeerde] heeft in dit verband verwezen naar de e-mails van Dekra van 17 juni 2014 en 30 juli 2014, waarin het volgende is verwoord: “… U zult begrijpen dat wij zonder aanvullende adequate (medische) informatie niet bereid zijn tot een aanvullend voorschot.” en “Wij kunnen derhalve niet voldoen aan uw verzoek tot een aanvullend voorschot ten behoeve van uw cliënt.” alsmede het feit dat Dekra (eenmaal) een voorschot heeft verstrekt. Dit is echter naar het voorlopig oordeel van het hof niet voldoende om aan te nemen dat Dekra de aansprakelijkheid van Dekra jegens [geïntimeerde] op zich heeft genomen door de schuld van Belfius aan [geïntimeerde] over te nemen dan wel zich (naast Belfius) als (mede)schuldenaar jegens [geïntimeerde] te verbinden of anderszins en/of dat [geïntimeerde] daarvan in de gegeven omstandigheden in redelijkheid uit mocht gaan. Nu [geïntimeerde] ter zake geen verdere feiten en/of omstandigheden heeft gesteld wordt het hier besproken standpunt van [geïntimeerde] verworpen.

3.6

[geïntimeerde] heeft zich voorts beroepen op het bepaalde in de artikelen 3:61 en 3:70 BW en betoogt dat Dekra onduidelijkheid heeft laten bestaan over de aard en omvang van haar volmacht en dat zij voor de toereikendheid van haar volmacht moet instaan. Nu niet gesteld of gebleken is dat Dekra namens Belfius toezeggingen heeft gedaan tot verdere uitkering(en), mist hetgeen in deze artikelen is bepaald toepassing.

3.7

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de door [geïntimeerde] jegens Dekra ingestelde vordering niet toewijsbaar is. Grief 2 slaagt derhalve en de overige grieven behoeven geen behandeling.

3.8

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en de vordering van [geïntimeerde] zal alsnog worden afgewezen. [geïntimeerde] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding in beide instanties, het hof ziet geen grond voor een kostenveroordeling te zijnen gunste.

4 Beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep;

en opnieuw rechtdoende:

wijst de vorderingen van [geïntimeerde] af;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties, in eerste aanleg aan de zijde van Dekra begroot op € 816.- voor salaris en in hoger beroep tot op heden op € 2.016,47 aan verschotten en € 894,- voor salaris;

verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. E.E. van Tuyll van Serooskerken-Röell, D.J. Oranje en A.M.P. Geelhoed en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 10 november 2015.