Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:4656

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
10-11-2015
Datum publicatie
13-11-2015
Zaaknummer
200.160.422/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Huur woonruimte. Voortzetting huurovereenkomst na overlijden partner? Geen duurzame gemeenschappelijke huishouding vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2016/8
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.160.422/01

zaaknummer rechtbank Amsterdam : 2855186\CV EXPL 14-6410

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 10 november 2015

inzake

[appellant] ,

wonend te [woonplaats] ,

appellant,

advocaat: mr. E. Doornbos te Badhoevedorp,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonend te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.

[appellant] is bij dagvaarding van 10 november 2014 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam van 21 oktober 2014, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [geïntimeerde] als opposante en [appellant] als geopposeerde.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven;

- memorie van antwoord.

Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellant] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en - uitvoerbaar bij voorraad - alsnog de vordering van [appellant] zal toewijzen en de vorderingen van [geïntimeerde] zal afwijzen, met beslissing over de proceskosten.

[geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met beslissing over de proceskosten.

Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

2 Feiten

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 1.1 tot en met 1.10 de feiten vastgesteld die hij tot uitgangspunt heeft genomen. Die feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Samengevat zijn die feiten de volgende.

i. [geïntimeerde] is eigenares van de woning [adres]

(verder: de woning). Zij heeft de woning verhuurd aan [A] tegen een huurprijs van € 249,81 per maand.

ii. [appellant] heeft een affectieve relatie gehad met [A] . [A] is in de zomer van 2013 overleden.

iii. Uit een afschrift uit de basisadministratie persoonsgegevens (GBA) van de gemeente Amsterdam van 30 augustus 2013 blijken de volgende historische adresgegevens van [appellant] :

- van 1 oktober 2001 tot 26 juli 2011 heeft hij ingeschreven heeft gestaan op het adres van de woning;

- van 26 juli 2011 tot 13 augustus 2012 heeft hij op een onbekend adres in Amsterdam

verbleven;

- van 13 augustus 2012 tot 24 april 2013 heeft hij ingeschreven gestaan op het adres

[adres] .

iv. Op enig moment heeft [appellant] zich in de woning gevestigd.

v. Bij brief van 2 september 2013 heeft de beheerder van de woning [appellant] geschreven dat hij de woning op 1 oktober 2013 diende te hebben verlaten.

3 Beoordeling

3.1

In dit geding vordert [appellant] dat wordt bepaald dat hij de huurovereenkomst met betrekking tot de woning zal voortzetten. [geïntimeerde] vordert (in oorspronkelijke reconventie) dat [appellant] wordt veroordeeld tot ontruiming van de woning en betaling van een bedrag gelijk aan de huurprijs vanaf 1 maart 2014 tot de dag van de ontruiming. Bij het bestreden vonnis heeft de kantonrechter de vordering van [appellant] afgewezen en die van [geïntimeerde] toegewezen, afgezien van haar vordering de veroordeling tot ontruiming uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Aan de afwijzing van de vordering van [appellant] en de toewijzing van de ontruimingsvordering heeft de kantonrechter ten grondslag gelegd dat gelet op de inhoud van het afschrift uit het GBA niet aannemelijk is geworden dat [appellant] ten tijde van het overlijden van [A] zijn hoofdverblijf in de woning had, zoals artikel 7:268 lid 2 BW eist. Daarnaast heeft de kantonrechter opgemerkt dat [appellant] op geen enkele manier heeft onderbouwd dat hij voorafgaand aan haar overlijden duurzaam met [A] heeft samengewoond, nu hij in die periode stond ingeschreven op de [adres] .

3.2

De door [appellant] opgeworpen grief komt, kort gezegd, erop neer dat de kantonrechter ten onrechte doorslaggevende betekenis heeft toegekend aan het feit dat [appellant] ten tijde van het overlijden van [A] niet op het adres van de woning ingeschreven stond, zonder acht te slaan op de verklaring die hij daarvoor heeft gegeven en zonder in te gaan op de met bewijsmateriaal ondersteunde uiteenzettingen van [appellant] waaruit blijkt dat [A] en hij ten tijde van het overlijden van [A] een duurzame gemeenschappelijke huishouding voerden.

3.3

Artikel 7:268 lid 2 BW bepaalt dat degene die in de woonruimte zijn hoofdverblijf heeft en met de overleden huurder een duurzame gemeenschappelijke huishouding heeft gehad, de huur gedurende zes maanden na het overlijden van de huurder voortzet en ook nadien, indien de rechter dat op zijn vordering beslist. In lid 3 van genoemd artikel is bepaald dat de rechter de vordering tot voortzetting in ieder geval afwijst indien de eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij aan de eisen van lid 2 voldoet of vanuit financieel oogpunt onvoldoende waarborg biedt voor een behoorlijke nakoming van de huur.

3.4

Het standpunt van [appellant] komt neer op het volgende. [appellant] heeft jarenlang een affectieve relatie gehad met [A] . In de periode van oktober 2001 tot juli 2011 heeft hij steeds op het adres van de door [A] gehuurde woning ingeschreven gestaan. Hij woonde toen bij haar in. Daarna is de relatie ongeveer een jaar verbroken geweest. In die periode was [appellant] eerst zonder vaste woon- en verblijfplaats en was hij daarna ingeschreven bij het HVO. In de zomer van 2012 is de relatie tussen [appellant] en [A] volledig hersteld. [appellant] is toen weer bij [A] ingetrokken. Omdat zij toen als zwaar ziek en bedlegerig was kon [A] niet met [appellant] mee naar de afdeling burgerzaken van de gemeenten om een inschrijving op het adres van de woning te accorderen. Om die reden is [appellant] niet weer op het adres van de woning ingeschreven. [appellant] en [A] deelden samen de kosten van de huishouding. De boodschappen werden door [appellant] gedaan omdat [A] de woning bijna niet meer verliet. [appellant] heeft schriftelijke verklaringen overgelegd van omwonenden, die inhouden dat hij de afgelopen drie of vier jaren in de woning heeft gewoond en een verklaring van een kennis, inhoudende dat hij de afgelopen twee jaar heeft gezien dat [appellant] en [A] in de woning samenwoonden en de kosten daarvan deelden.

3.6

Het hof deelt het oordeel van de kantonrechter dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij ten tijde van het overlijden van [A] met haar een duurzame gemeenschappelijke huishouding voerde. Daartoe wordt als volgt overwogen.

3.7

Tijdens de mondelinge behandeling in eerste aanleg heeft [appellant] verklaard dat zijn verhouding met [A] al jarenlang het karakter had van een knipperlichtrelatie, dat wil zeggen dat hij soms gedurende langere periodes elders verbleef als de spanningen tussen hem en [A] te hoog opliepen. Daarnaast heeft [appellant] niet betwist dat hij, zoals [geïntimeerde] heeft gesteld, niet over een toegangssleutel van de woning beschikte, om welke reden hij bij de buren moest aanbellen als hij door [A] was buitengesloten. Voorts staat vast dat [appellant] - anders dan uit de door [appellant] overgelegde schriftelijke verklaringen naar voren komt - ten tijde van het overlijden van [A] sinds hooguit een jaar weer in de woning woonde, nadat de relatie gedurende een jaar geheel verbroken was geweest. Toen [appellant] weer introk bij [A] was zij volgens de stellingen van [appellant] al te ziek om hem te vergezellen bij een bezoek aan het gemeentehuis.

Al voormelde omstandigheden in aanmerking genomen kan het hof niet tot het oordeel komen dat de gemeenschappelijke huishouding van [appellant] en [A] , als die ten tijde van het overlijden van [A] al heeft bestaan, een duurzaam karakter had; toen [A] nog gezond was ontbrak de duurzaamheid aan hun samenleven en het hof ziet geen grond om een hervatting van die samenleving in de periode dat [A] reeds zwaar ziek en verzorgingsbehoeftig was, dan wel als duurzaam aan te merken. Specifieke feiten of omstandigheden die meebrengen dat de samenleving in het jaar voor het overlijden van [A] wel een duurzaam karakter had, zijn door [appellant] ook niet gesteld. Als zodanig valt niet te beschouwen de stelling van [appellant] dat de relatie van hem en [A] in dat laatste jaren hechter dan ooit was. Het voorgaande betekent overigens niet dat het hof daarmee een oordeel uitspreekt over de affectieve relatie tussen [appellant] en [A] . Waar het om gaat is dat het samenleven in de woning geen duurzaam karakter had; ook na al die jaren woonde [appellant] , in zijn eigen woorden, nog steeds “in” bij [A] , dat wil zeggen: met haar in haar woning, totdat het samenleven weer enige tijd werd verbroken en [appellant] naar elders vertrok.

3.8

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de grief van [appellant] faalt. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. [appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding in hoger beroep.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het bestreden vonnis;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 308,= aan verschotten en € 894,= voor salaris.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.E. Molenaar, J.C.W. Rang en M.J. Schaepman - de Bruijne en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 10 november 2015.