Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:4652

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
10-11-2015
Datum publicatie
19-02-2016
Zaaknummer
200.158.363/01
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHAMS:2016:104
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verkoop van aandelen. Vordering tot betaling van de resterende koopsom, en tot verklaring dat een latere transactie vernietigd is, is terecht door de eerste rechter

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.158.363/01

zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : 498670 / HA ZA 11-2434

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 10 november 2015

inzake

1 de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

WEAVER B.V.,

gevestigd te Naarden,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

PARNASSUS PARTICIPATIEFONDS B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VENDIA GROUP B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

4. [APPELLANT SUB 4] ,

wonende te [woonplaats] ,

5. [APPELLANT SUB 5] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellanten,

advocaat: mr. B.E.J.L.C. Verbunt te Amsterdam

tegen

1 de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ALSTONVILLE PROPERTIES B.V.,
gevestigd te Amsterdam,

2. de vennootschap naar het recht van de Britse Maagdeneilanden

TROPICAL INDUSTRIAL INVESTMENTS LIMITED,

gevestigd te Tortola, Britse Maagdeneilanden,

geïntimeerden,

advocaat: mr. R.J. van Agteren te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna respectievelijk Weaver, PPF, Vendia, [appellant sub 4] , [appellant sub 5] , Alstonville en Tropical genoemd. Appellanten gezamenlijk zullen Weaver c.s. worden genoemd.

Weaver c.s. zijn bij dagvaarding van 23 september 2014 in hoger beroep gekomen van vonnissen van de rechtbank Amsterdam van 15 augustus 2012 en van 27 augustus 2014 onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen Alstonville als eiseres in conventie, verweerster in reconventie, Weaver c.s. als gedaagden in conventie en eisers in reconventie en Tropical als interveniënte in conventie en in reconventie, voor zover het betreft het vonnis van 27 augustus 2014.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;

- memorie van antwoord.

Partijen hebben de zaak ter zitting van 2 juni 2015 doen bepleiten, Weaver c.s. door mr Verbunt voornoemd en mr. B. Hoyng, advocaat te Amsterdam en Alstonville en Tropical door mr. Van Agteren voornoemd en I.S. Spigt, advocaat te Amsterdam, ieder aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd.

Ten slotte is arrest gevraagd.

Weaver c.s. hebben bij memorie van grieven onder 1.1 het hoger beroep beperkt tot het bestreden vonnis van 27 augustus 2014. Weaver c.s. hebben geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis van 27 augustus 2014 zal vernietigen en alsnog de vorderingen van Alstonville en Tropical zal afwijzen, alsook de gelegde beslagen zal opheffen voor zover deze niet al zijn geëxecuteerd, met veroordeling van Alstonville en Tropical in de kosten van het geding in beide instanties, met nakosten en rente.

Alstonville en Tropical hebben geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis met - uitvoerbaar bij voorraad - veroordeling van Weaver c.s. in de kosten van het geding in hoger beroep, met nakosten en rente.

Geen van partijen heeft bewijs van hun stellingen aangeboden.

2 Feiten

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis van 27 augustus 2014 onder 2.1 tot en met 2.16 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Met hun eerste grief hebben Weaver c.s. geklaagd over het feit dat de rechtbank bij de vaststelling van de feiten ten onrechte voorbij gegaan is aan de voorgeschiedenis van de overeenkomst tot verkoop en levering van aandelen Vendia door Alstonville aan Weaver. Dit doet evenwel niet af aan de juistheid van de feiten die de rechtbank wel heeft vastgesteld, zodat deze feiten in hoger beroep niet in geschil zijn en ook het hof als uitgangspunt dienen.

Voorts is de rechtbank niet gehouden om meer of andere feiten vast te stellen dan zij aan haar beslissing ten grondslag heeft gelegd, zodat de grief niet kan slagen.

Voor zover het hof de voorgeschiedenis relevant mocht achten voor de uitleg van die overeenkomst, zal het hof daarop terugkomen bij de bespreking van de daarop betrekking hebbende grief.

3 Beoordeling

3.1

Het gaat in deze zaak om het volgende.

3.1.1

Alstonville en Weaver hadden beide een belang in Vendia. In de maanden maart en mei 2007 heeft Alstonville aandelen Vendia aan Weaver verkocht en geleverd (hierna ook: de Uitkoop). Alstonville en Weaver hebben hiertoe - samen met AVA Corporation N.V., de moedermaatschappij van Alstonville, en Vendia – op 26 maart 2007 een “Share and Receivable Purchase Agreement” (hierna: de SRPA) gesloten. Weaver heeft een deel van de koopprijs voldaan. Ter zake van het resterende bedrag van € 1.459.503,81 (hierna: de resterende koopsom) heeft Weaver op 25 mei 2007 een Promissory Note (hierna: de Note) aan Alstonville verstrekt, waarin Weaver toezegde de resterende koopsom op 31 maart 2011 aan Alstonville te zullen betalen. . De betalingsverplichting is als volgt in de Note verwoord:

1. Maturity. The principal amount of this Promissory Note (…) shall be paid in full, (…) on March 31, 2011 or such other date as may be agreed between the Maker [Weaver; hof] and Alstonville in writing (the “Maturity Date”).

3.1.2

Vendia heeft op 21 september 2010 haar aandelen in haar enige werkmaatschappij Vendia UK Limited verkocht aan SnackTime PLC (hierna: SnackTime). De koopprijs is (grotendeels) voldaan in aandelen SnackTime. In de koopovereenkomst is een zogenaamde lock-up bepaling opgenomen die inhield dat Vendia gedurende een periode van 24 maanden de aandelen SnackTime niet mocht verkopen, en dat zij gedurende nog eens 12 maanden 60% van haar belang in Snack Time niet mocht verkopen. Op 20 september 2010, heeft [appellant sub 4] [X] , adviseur van Alstonville, tijdens een mondeling onderhoud ingelicht over de voorgenomen verkoop van de aandelen Vendia UK Limited. Bij brief van 23 maart 2011 is Weaver namens Alstonville gesommeerd om uiterlijk op 31 maart 2011 de resterende koopsom aan Alstonville te voldoen.

Op 25 maart 2011 heeft Weaver haar aandelen Vendia aan haar moedermaatschappij Parnassus Participatiefonds B.V. (hierna: PPF)verkocht . In de tussen de drie partijen PPF, Weaver en Vendia gesloten overeenkomst (hierna: de transactie) is over de koopprijs van de aandelen Vendia het volgende bepaald:

“3.1 De vergoeding is de koopsom die PPF betaalt aan Weaver voor de verkrijging van de Aandelen en deze is gelijk aan (1) Euro, te vermeerderen met iedere Vendia Uitkering zoals deze door PPF zal worden ontvangen, verminderd met in verband daarmee door PPF te betalen kosten, belastingen en heffingen en met dien verstande dat de Vergoeding nimmer meer zal bedragen dan het Vreemd Vermogen op het moment van voldoening van de Vergoeding.

3.1.3

Eveneens op 25 maart 2011 hebben Weaver en Vendia een leningsovereenkomst gesloten met betrekking tot hun wederzijdse ‘intercompany’-vorderingen (hierna: de leningsovereenkomst). Artikel 6 van de leningsovereenkomst luidt als volgt:

“6.1 Zolang de Note niet door Weaver is voldaan, zijn de vorderingen niet opeisbaar te maken door opzegging of anderszins.

6.2

Nadat de Note is voldaan, kan ieder der Partijen haar eigen Vordering opeisbaar maken door een schriftelijke mededeling te doen aan de andere Partij, met dien verstande dat de respectieve Vordering slechts opeisbaar is op een termijn van zes (6) maanden na datum van ontvangst van die mededeling.”

3.1.4

De beurskoers van de aandelen SnackTime laat de volgende negatieve ontwikkeling zien:

- op 21 september 2010 (de dag van verkoop van Vendia UK): 150 pence;

- op 24 maart 2011 (de dag van de Transactie en de Leningsovereenkomst): 109,5 pence;

- op 1 april 2011 (de dag van opeisbaarheid van de Note): 109,5 pence;

- op 5 maart 2013 (vlak voor de comparitie van partijen): 8 pence.

3.1.5

Bij brief van 1 juni 2011 aan Weaver, [appellant sub 4] en [appellant sub 5] heeft Alstonville de transactie buitengerechtelijk vernietigd. Bij brief van 29 juni 2011 aan Weaver, Vendia, PPF, [appellant sub 4] en [appellant sub 5] heeft Alstonville de leningsovereenkomst buitengerechtelijk vernietigd. Tropical heeft bij brieven van 30 augustus 2011 aan Weaver, Vendia, PPF, [appellant sub 4] en [appellant sub 5] de transactie en de leningsovereenkomst buitengerechtelijk vernietigt.

3.1.6

Bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis in kort geding van 21 juli 2011 is Weaver veroordeeld tot betaling van de resterende koopsom aan Alstonville. Dat vonnis is in hoger beroep door dit hof bekrachtigd bij in kracht van gewijsde gegaan arrest van 31 juli 2012.

3.1.7

[appellant sub 4] en [appellant sub 5] zijn zowel (indirect) bestuurder van Weaver als van PPF en Vendia.

3.2

Alstonville vordert in deze procedure in conventie (A) Weaver te veroordelen tot betaling van € 1.459,503,81, met rente en (B) tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten ten belope van € 6.422,-; (C) voor recht te verklaren dat de transactie op 1 juni 2011 buitengerechtelijk is vernietigd; (D) voor recht te verklaren dat de leningsovereenkomst op 29 juni 2011 buitengerechtelijk is vernietigd; (E) voor recht te verklaren dat Waver c.s. door het verrichten van de transactie onrechtmatig jegens Alstonville heeft gehandeld en Weaver c.s. hoofdelijk te veroordelen om aan Alstonville de door haar geleden schade te vergoeden, primair, vast te stellen op € 1.459.503,81, met rente, subsidiair nader op te maken bij staat; (F) voor recht te verklaren dat Weaver Vendia, [appellant sub 4] en [appellant sub 5] door het aangaan van de Leningsovereenkomst onrechtmatig jegens Alstonville hebben gehandeld en hen hoofdelijk te veroordelen om aan Alstonville de door haar geleden schade te vergoeden, primair, vast te stellen op € 1.459.503,81, met rente, subsidiair nader op te maken bij staat; (G) Vendia en Weaver op grond van toerekenbare tekortkoming in de verplichtingen op grond van artikel 11 SPRA hoofdelijk te veroordelen tot het vergoeden van de door Alstonville geleden schade ad 1.333.408,-, met nevenvorderingen; (H) voor recht te verklaren dat PPF, Weaver, [appellant sub 4] en [appellant sub 5] door het door Weaver aan PPF laten uitkeren van de betaalde Weaver Vorderingen onrechtmatig jegens Alstonville hebben gehandeld en hen hoofdelijk te veroordelen tot de vergoeding van de door Alstonville geleden schade, nader op te maken bij staat en (I) Weaver c.s. hoofdelijk te veroordelen in de kosten van het geding, inclusief beslagkosten, met rente en nakosten. Weaver c.s. vorderen in reconventie opheffing van de beslagen, met hoofdelijke veroordeling van Alstonville en Tropical in de kosten van de procedure.

3.3

De rechtbank heeft bij het bestreden vonnis van 27 augustus 2014 in conventie Weaver veroordeeld tot betaling van de resterende koopsom vermeerderd met rente, en voorts voor recht verklaard dat de transactie en de leningsovereenkomst buitenrechtelijk vernietigd zijn. De gevraagde verklaringen voor recht dat Weaver onrechtmatig heeft gehandeld door de transactie en de leningsovereenkomst te sluiten heeft de rechtbank afgewezen bij gebrek aan belang. Ten aanzien van de overige vorderingen in conventie heeft de rechtbank nog geen eindoordeel uitgesproken. De reconventionele vordering tot opheffing van de beslagen is afgewezen. Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komen Weaver c.s. met hun grieven op.

3.4.

De tweede grief ziet op de vraag of de verkoop van Vendia UK Limited aan SnackTime is aan te merken als een Exit in de zin van artikel 4 onder a van de Note. Bij deze grief hebben Weaver c.s. evenwel geen belang. Immers, Alstonville heeft zich in de procedure niet beroepen op de gevolgen van een Exit. Zij heeft haar vordering gebaseerd op de in artikel 1 van de Note toegezegde betaaldatum van 31 maart 2011.

3.5

Grieven 3 tot en met 6 hebben alle als strekking dat onder de Note geen onvoorwaardelijke verplichting zou bestaan om op 31 maart 2011 de resterende koopsom te voldoen. Weaver c.s. beroepen zich daarbij op artikel 1 van de Note dat expliciet voorziet in de mogelijkheid dat partijen een andere datum voor de betaling overeenkomen. De uitleg van deze bepaling moet volgens Weaver c.s. aan de hand van de Haviltex-maatstaf geschieden. In het licht van de door Weaver c.s. gestelde voorgeschiedenis brengt een redelijke uitleg van het slotdeel van deze bepaling mee dat op partijen en dus ook op Alstonville de verplichting rustte in redelijkheid en te goeder trouw te overleggen en mee te werken aan een verschuiving van de betaaldatum, indien de omstandigheden dat verlangen, aldus Weaver c.s. Dienaangaande geldt het volgende.

3.6

Voor de beantwoording van de vraag hoe artikel 1 in de Note moet worden uitgelegd, kan niet worden volstaan met een zuiver taalkundige uitleg van dat artikel, maar komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan die bepaling mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten, de zogenoemde Haviltexmaatstaf.

3.7

Weaver belooft in de considerans van de Note een bedrag van € 1.459.503,80 aan Alstonville te betalen en artikel 1 bepaalt dat zij dat op 31 maart 2011 zal doen, tenzij partijen schriftelijk een andere datum zijn overeengekomen. Uit de tekst van artikel 1 volgt dat Weaver op 31 maart 2011 het bedrag van € 1.459.503,80 moet betalen, tenzij partijen schriftelijk een andere datum zijn overeenkomen, hetgeen niet het geval is. Vervolgens moet de vraag worden beantwoord of Weaver aan het slotdeel van artikel 1 in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs de betekenis heeft mogen toekennen die zij bepleit, namelijk dat het slotdeel van artikel 1 op Alstonville de verplichting legt mee te werken aan een verschuiving van de betaaldatum, indien Weaver niet in staat is het bedrag op die datum te voldoen, en dat Alstonville dat ook zo heeft moeten begrijpen.

3.8

Weaver c.s. voeren in dat verband een drietal omstandigheden aan die alle zien op de achtergrond waartegen in 2007 de Uitkoop tot stand is gekomen, te weten:

(1) De Uitkoop was een door alle betrokkenen noodzakelijk geoordeelde reactie op het langdurig toerekenbaar tekortschieten van Alstonville in de nakoming van de afspraken die met Weaver waren gemaakt over de op- en uitbouw van de onderneming van Vendia;

(2) Weaver diende de door Alstonville niet nagekomen investeringsverplichtingen over te nemen, hetgeen aan de kant van Weaver tot overinvestering leidde met alle interne spanningen van dien;

(3) Alle betrokkenen wisten dat Weaver in 2007 nauwelijks nog over financiële middelen beschikte om de volledige koopprijs onder de Uitkoop te betalen en dat die middelen uit Vendia dienden te komen.

Het hof is van oordeel dat Alstonville op grond van de genoemde omstandigheden niet heeft behoeven te begrijpen dat het slotdeel van artikel 1 haar de verplichting oplegde mee te werken aan een verschuiving van de betaaldatum naar een later tijdstip. Genoemde omstandigheden waren ten tijde van de Uitkoop bekend en aangenomen moet worden dat deze (onder meer) hebben geleid tot de afspraak dat Weaver de resterende koopprijs pas vier jaar later, op 31 maart 2011 behoefde te betalen.

3.9

Verder noemen Weaver c.s. nog als omstandigheid de herhaalde pogingen die Weaver en achterban na 2007 hebben ondernomen om scenario’s te creëren die het mogelijk zouden maken om aan Alstonville het onder de Note verschuldigde bedrag te voldoen en de tegenwind die zij daarbij ondervonden onder meer als gevolg van de in 2008/2009 losbarstende economische crisis. Deze omstandigheid ziet niet op de uitleg van artikel 1 van de Note, maar daarmee doen Weaver c.s., zo begrijpt het hof, een beroep op de redelijkheid en billijkheid ex artikel 6:248 lid 2 BW. Weaver c.s. hebben met de enkele verwijzing naar de economische crisis in 2008/2009 echter onvoldoende toegelicht waarom toepassing van artikel 1 van de Note, betaling op 31 maart 2011, in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. In dat verband is van belang dat Vendia in september 2010 haar aandelen in Vendia UK heeft verkocht en de koopprijs grotendeels heeft laten voldoen in aandelen SnackTime met een lock up bepaling die (onder meer) inhield dat de aandelen SnackTime de eerste 24 maanden niet mochten worden verkocht. Met de zogenoemde SnackTime Transactie hebben Weaver c.s. het risico aanvaard dat Weaver niet in staat zou zijn het bedrag van € 1.459.503,81 op 31 maart 2011 aan Alstonville te betalen en dat de koers van de aandelen Snack Time zou dalen.

3.10

Voorts betogen Weaver c.s. dat Alstonville in 2010 het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt dat zij in maart 2011 geen beroep zou doen op betaling. Weaver c.s. stellen in dat verband, hetgeen Alstonville c.s. gemotiveerd betwisten dat [appellant sub 4] , toen hij een dag voorafgaande aan de SnackTime Transactie, Alstonville daarover inlichtte, ook duidelijk heeft gemaakt dat als gevolg van de lock up de Note niet op 31 maart 2011 zou kunnen worden voldaan en dat Alstonville daartegen geen bezwaar maakte. Nu Weaver c.s. geen bewijs hebben aangeboden, is hetgeen zij stellen niet komen vast te staan en gaat het hof daaraan voorbij.

3.11

Uit het voorgaande volgt dat de grieven 3 tot en met 6 falen.

3.12

Met de zevende grief doen Weaver c.s. een beroep op schuldeisersverzuim aan de zijde van Alstonville. Blijkens de toelichting ziet dit echter op de procedure in geval van een Exit. Nu als gezegd de Exit niet aan de betalingsvordering ten grondslag wordt gelegd, behoeft deze grief bij gebrek aan belang geen behandeling.

3.13

De grieven 8 tot en met 10 klagen over het oordeel van de rechtbank dat Weaver c.s. de verhaalsmogelijkheden van Alstonville op het vermogen van Weaver hebben benadeeld door de transactie en de leningsovereenkomst, tezamen ook aangeduid als de Interne Herstructurering. Dit oordeel heeft geleid tot de verklaring voor recht dat de transactie en de leningsovereenkomst buitengerechtelijk zijn vernietigd.

3.14

Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Ingevolge artikel 3:45 BW is een onverplichte rechtshandeling vernietigbaar als de schuldenaar wist of behoorde te weten dat daarmee de verhaalsmogelijkheden van de schuldeiser zouden worden benadeeld. Als het gaat om een rechtshandeling anders dan om niet, is bovendien vereist dat ook de wederpartij van de rechtshandeling wist of behoorde te weten dat benadeling van de schuldeiser het gevolg zou zijn. Volgens Weaver c.s. was er evenwel geen benadeling en dus ook geen wetenschap van benadeling.

3.15

Vaststaat dat de Interne Herstructurering feitelijk tot gevolg heeft gehad dat het vermogen van Weaver is teruggebracht tot 1 euro. Weliswaar heeft Weaver tevens een vordering op PPF maar de waarde daarvan is afhankelijk van toekomstige dividenden van Vendia (mogelijk zelfs uit te keren in aandelen). Bovendien is in de leningsovereenkomst de opeisbaarheid daarvan uitgesteld totdat aan de verplichtingen uit de Note is voldaan. Een eventueel beslag op die vordering zou dus niets opleveren. Het is dan ook evident dat de mogelijkheden van verhaal voor Alstonville op het vermogen van Weaver als gevolg van de Interne Herstructurering vrijwel nihil zijn geworden.

3.16

Zonder de transactie en de leningsovereenkomst had Alstonville zich in maart 2011 kunnen verhalen op het vermogen van Weaver, bestaande uit haar aandelen in Vendia die op dat moment beschikte over een aandelenpakket SnackTime met een geschatte waarde van bijna GBP 6 miljoen. Zelfs als daarin de lock up wordt verdisconteerd, was volgens de stelling van Alstonville dit vermogen ruim toereikend voor de resterende koopsom. Deze stelling is door Weaver c.s. onvoldoende gemotiveerd weersproken. Daarmee staat de benadeling vast.

3.17

Dat Weaver c.s. geen wetenschap zouden hebben gehad van deze benadeling, kan niet worden gevolgd. Immers uit de memorie van grieven onder 8.1 e.v. volgt dat de Interne Herstructurering als enig doel had te voorkomen dat Alstonville haar vordering uit hoofde van de Note daadwerkelijk zou gaan verhalen op het vermogen van Weaver, bestaande uit haar aandelen in Vendia. Dit strookt met hetgeen [appellant sub 4] hierover in zijn schriftelijke verklaring van 20 februari 2013 schrijft: “…Door de in de sommatiebrief gestelde korte termijnen voelden wij ons gedwongen om tegenstappen te ondernemen, voor het geval Alstonville na 31 maart 2011 daadwerkelijk tot verdere stappen zou overgaan om tot inning van het bedrag van de Note te geraken. In dat kader is toen besloten een interne herstructurering door te voeren. (..)”. Daarmee is hun wetenschap gegeven.

3.18

Met grief 11 klagen Weaver c.s. erover dat de rechtbank in r.o. 4.8 buiten de rechtsstrijd is getreden door argumenten te gebruiken die door de wederpartij niet zijn aangevoerd. Het hof volgt Weaver c.s. daarin niet. Onderdeel van de rechtsstrijd vormde de vraag of sprake was van benadeling als gevolg van de leningsovereenkomst. Bij de beoordeling van die vraag mocht de rechtbank acht slaan op de stellingen en weren van partijen en de producties waarnaar door partijen werd verwezen. Zij is daarbij niet gebonden aan de argumenten die partijen met zoveel woorden hebben aangevoerd. Door te overwegen als de rechtbank heeft gedaan in r.o. 4.8 is zij niet buiten de rechtsstrijd getreden. Zelfs al ware dit anders, dan nog hebben Weaver c.s. geen belang bij deze grief, nu in dit hoger beroep, dat mede dienstbaar is aan het herstel van in eerste aanleg begane omissies of fouten, de vraag of sprake was van benadeling van Alstonville door de leningsovereenkomst uitdrukkelijk aan de orde is gesteld. Voor zover wordt geklaagd dat de overwegingen van de rechtbank onjuist zouden zijn hebben Weaver c.s. voorts geen belang bij deze grief nu uit bovenstaande bespreking van de grieven 8 tot en met 10 reeds blijkt dat sprake is geweest van benadeling, door zowel de transactie als de leningsovereenkomst.

3.19

Grief 12 strekt tot afwijzing van aansprakelijkheid van zowel Weaver, Vendia als PPF en van bestuurdersaansprakelijkheid van [appellant sub 4] en [appellant sub 5] .

3.20

Het hof overweegt als volgt.

Zoals hierboven overwogen moeten de transactie en de leningsovereenkomst beschouwd worden als paulianeuze rechtshandelingen die de verhaalspositie van Alstonville hebben benadeeld. Vendia en PPF zijn, als betrokken bij deze rechtshandelingen die als enig doel hadden Alstonville in haar verhaalsmogelijkheden te beperken, in beginsel aansprakelijk jegens Alstonville voor de daaruit voortvloeiende schade. De vraag die voorts voorligt is of [appellant sub 4] en [appellant sub 5] als (indirect) bestuurders van Weaver c.s. tevens hoofdelijk aansprakelijk kunnen worden geacht.

3.21

Het hof overweegt daaromtrent als volgt. Uit de jurisprudentie volgt dat indien een vennootschap tekortschiet in de nakoming van een verbintenis of een onrechtmatige daad pleegt, als uitgangspunt geldt dat alleen de vennootschap aansprakelijk is voor daaruit voortvloeiende schade. Onder bijzondere omstandigheden is evenwel, naast aansprakelijkheid van die vennootschap, ook ruimte voor aansprakelijkheid van een bestuurder van de vennootschap. Voor het aannemen van zodanige aansprakelijkheid is vereist dat die bestuurder ter zake van de benadeling persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Aldus gelden voor het aannemen van aansprakelijkheid van een bestuurder naast de vennootschap hogere eisen dan in het algemeen het geval is. Een hoge drempel voor aansprakelijkheid van een bestuurder tegenover een derde wordt gerechtvaardigd door de omstandigheid dat ten opzichte van de wederpartij primair sprake is van handelingen van de vennootschap en door het maatschappelijk belang dat wordt voorkomen dat bestuurders hun handelen in onwenselijke mate door defensieve overwegingen laten bepalen.

3.22

In geval een bestuurder heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt kan die bestuurder een voldoende ernstig verwijt worden gemaakt als hij wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze tot gevolg zou hebben dat de vennootschap haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan opgetreden schade.

3.23

In dit geval staat vast dat [appellant sub 4] en [appellant sub 5] persoonlijk betrokken zijn geweest bij het uitvoeren van de transactie en de leningsovereenkomst. Daarmee staat tevens vast dat zij wisten dat de door hen bewerkstelligde handelwijze tot gevolg zou hebben dat Weaver haar verplichtingen niet zou kunnen nakomen en dat zij ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade. Dat was immers de opzet van deze transacties. Volgens de hierboven beschreven maatstaf kan [appellant sub 4] en [appellant sub 5] daarvan derhalve persoonlijk een voldoende ernstig verwijt worden gemaakt.

3.24

Het betoog van Weaver c.s. dat zij handelden ter bescherming van de belangen van de andere stakeholders, wat daar verder van zij, kan hen niet baten. Dit rechtvaardigt immers niet dat de rechten van een schuldeiser moedwillig worden gefrustreerd.

3.25

Voor zover Weaver c.s. in verband met het ernstig verwijt nog bepleiten dat Alstonville in redelijkheid niet tot opeising van de koopsom kon overgaan in maart 2011 gelet op de ontstaansgeschiedenis van de Note, verwijst het hof naar hetgeen hierboven is overwogen ten aanzien van de grieven 3 tot en met 6.

3.26

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat ook grief 12 faalt.

3.27

Grief 13 borduurt gedeeltelijk voort op de stelling dat geen sprake zou zijn van onrechtmatig handelen. Het hof verwijst in dat verband naar hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 3.20 is overwogen.

Voorts klaagt deze grief over de wijze waarop de rechtbank de bewijsopdracht met betrekking tot de omvang van de schade heeft vormgegeven. Het hof stelt echter vast dat de rechtbank nog geen bewijsopdracht heeft geformuleerd. De zaak is naar de rol verwezen teneinde Alstonville in de gelegenheid te stellen gemotiveerd toe te lichten welke schade zij als gevolg van de transactie en de leningsovereenkomst heeft geleden. Het stond de rechtbank vrij om het partijdebat op het door haar aangeduide punt te heropenen en niet valt in te zien, welk redelijk belang van Weaver c.s. zich tegen deze heropening van het partijdebat verzet, nu verdere beslissingen van de rechtbank afhankelijk zullen zijn van de inhoud van het voortgezette debat en Weaver c.s. dus alle gelegenheid hebben om hun belangen daarbij de behartigen. De grief faalt.

3.28

In de kern bestrijdt grief 14 de overweging van de rechtbank dat de SRPA, als onderhandse akte, dwingend bewijs oplevert van het bestaan van de GBP-vordering in 2007, behoudens tegenbewijs door Weaver c.s. Het hof overweegt in dat verband het volgende.

3.29

Niet in geschil is dat de SRPA is vastgelegd in een door partijen ondertekende onderhandse akte. Ingevolge artikel 156 Rv is een dergelijke akte bestemd om tot bewijs te dienen. In de SRPA is in artikel 11 een bepaling opgenomen die betrekking heeft op schulden van Vendia aan Weaver en waarin is bepaald dat deze niet mogen worden voldaan aan Weaver voordat de resterende koopsom aan Alstonville is voldaan. In deze bepaling wordt concreet melding gemaakt van - onder meer - een schuld ter hoogte van GBP 1.245.052,32. Tussen partijen staat vast dat voornoemde schuld alsmede de hoogte ervan op aanwijzen van Lucassen namens Weaver in de SRPA is opgenomen.

3.30

Het hof is van oordeel dat uit de SRPA, in het bijzonder uit de strekking van artikel 11, kan worden afgeleid dat de akte op dit punt bestemd was om ten behoeve van Alstonville tot bewijs te strekken van de juistheid van de verklaring van Weaver met betrekking tot het bestaan en de hoogte van - onder meer - de GBP-vordering waarop de bewuste afspraak betrekking had. In zoverre levert de akte daarvan dwingend bewijs op, zoals bedoeld in artikel 157 Rv.

3.31

Weaver c.s. stellen dat de vermelding van deze schuld in de akte niet de werkelijkheid weergeeft. Zij betwisten dat de GBP-vordering in 2007 bestond. Daartoe hebben zij aangevoerd dat de vordering in de jaarstukken ontbreekt. Deze betwisting van de inhoud van de akte doet niet af aan de dwingende bewijskracht van de akte. Tegen het dwingend bewijs dat deze akte oplevert, staat evenwel tegenbewijs open. Daartoe zijn Weaver c.s door de rechtbank ook toegelaten. Anders dan Weaver c.s. kennelijk betogen betekent dit niet dat zij worden belast met het leveren van negatief bewijs. Immers, voor tegenbewijs is voldoende dat het geleverde bewijs wordt ontkracht. Grief 14 faalt derhalve.

3.32

Voor zover grief 15 klaagt over toewijzing van de gevorderde contractuele rente, stuit deze af op hetgeen hiervoor (3.5 e.v.) is overwogen omtrent de verschuldigdheid van de betaling onder de Note. Wat de buitengerechtelijke kosten betreft stellen Weaver c.s. dat Alstonville deze kosten niet heeft onderbouwd, zodat zij zich niet hebben kunnen verweren. Alstonville heeft daarop verwezen naar de sommatiebrieven en de correspondentie tussen partijen die in eerste aanleg zijn overgelegd, alsook naar de gelegde beslagen. Weaver c.s. hebben daarop niet meer gereageerd. In het bijzonder hebben zij niet weersproken dat de hiermee gepaard gaande kosten niet onder het liquidatietarief vallen. Evenmin is betwist dat de gevorderde en toegewezen kosten de dubbele redelijkheidstoets niet zouden kunnen doorstaan. Ook in zoverre faalt de grief.

3.33

De grieven falen. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. Weaver c.s. zullen als in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding in appel.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep van 27 augustus 2014;

verwijst de zaak terug naar de rechtbank Amsterdam voor voortprocederen;

veroordeelt Weaver c.s. in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van Alstonville begroot op € 5.114,- aan verschotten en € 13.740,- voor salaris en op € 131,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 68,- voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, indien niet binnen veertien dagen na dit arrest dan wel het verschuldigd worden van de nakosten aan de kostenveroordeling is voldaan;

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.P. van Achterberg, J.F. Aalders en E.J.H. Schrage en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 10 november 2015.