Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:4634

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
10-11-2015
Datum publicatie
19-02-2016
Zaaknummer
200.137.684/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

“Kort geding. Verbod tot publicatie boek met daarin opgenomen portretten en interviews. Strijd met de met betrokkenen gemaakte afspraken en bij deze gewekte verwachtingen.”

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2016/200

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer: 200.137.684/01

zaak-/rolnummer rechtbank: C/13/550405/ HA ZA 13-1168 (Amsterdam)

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 10 november 2015

inzake

[APPELLANT] ,

wonend te [woonplaats] ,

appellant,

advocaat: mr. R.J. Vles te Amsterdam,

tegen

1 de rechtspersoon krachtens publiekrecht NEDERLANDSE

LOODSENCORPORATIE,

gevestigd te Hoek van Holland, gemeente Rotterdam,

2. [GEÏNTIMEERDE SUB 2], wonend te [woonplaats] ,

3. [GEÏNTIMEERDE SUB 3], wonend te [woonplaats] ,

4. [GEÏNTIMEERDE SUB 4], wonend te [woonplaats] ,

5. [GEÏNTIMEERDE SUB 5], wonend te [woonplaats] ,

6. [GEÏNTIMEERDE SUB 6], wonend te [woonplaats] ,

7. [GEÏNTIMEERDE SUB 7], wonend te [woonplaats] ,

8. [GEÏNTIMEERDE SUB 8], wonend te [woonplaats] .

9. [GEÏNTIMEERDE SUB 9], wonend te [woonplaats] ,

10. [GEÏNTIMEERDE SUB 10], wonend te [woonplaats] ,

11. [GEÏNTIMEERDE SUB 11], wonend te [woonplaats] ,

12. [GEÏNTIMEERDE SUB 12], wonend te [woonplaats] ,

13. [GEÏNTIMEERDE SUB 13], wonend te [woonplaats] ,

14. [GEÏNTIMEERDE SUB 14], wonend te [woonplaats] ,

15. [GEÏNTIMEERDE SUB 15], wonend te [woonplaats] ,

16. [GEÏNTIMEERDE SUB 16], wonend te [woonplaats] ,

17. [GEÏNTIMEERDE SUB 17], wonend te [woonplaats] ,

18. [GEÏNTIMEERDE SUB 18], wonend te [woonplaats] ,

19. [GEÏNTIMEERDE SUB 19], wonend te [woonplaats] ,

20. [GEÏNTIMEERDE SUB 20], wonend te [woonplaats] ,

21. [GEÏNTIMEERDE SUB 21], wonend te [woonplaats] ,

geïntimeerden,

advocaat: mr. P.L. Tjiam te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Appellant wordt hierna [appellant] genoemd, geïntimeerden worden hierna gezamenlijk Nederlandse Loodsencorporatie c.s. en afzonderlijk Nederlandse Loodsencorporatie en Geïnterviewden genoemd.

[appellant] is bij dagvaarding van 11 november 2013 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank te Amsterdam van 18 oktober 2013 in kort geding gewezen tussen [appellant] als gedaagde en Nederlandse Loodsencorporatie c.s. als eisers.

Partijen hebben vervolgens de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met een productie;

- memorie van antwoord, met producties.

Partijen hebben hun zaak ter zitting van het hof van 22 mei 2014 doen bepleiten, [appellant] door mrs. G. van Atten en S.H. Kingma, beiden advocaat te Amsterdam, en Nederlandse Loodsencorporatie c.s. door mr. Tjiam voornoemd en door mr. A.A. Kleinhout, advocaat te Amsterdam, ieder aan de hand van aan het hof overgelegde pleitnotities.

Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellant] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en de vordering van Nederlandse Loodsencorporatie c.s. alsnog zal afwijzen, met beslissing over de proceskosten.

Nederlandse Loodsencorporatie c.s. hebben geconcludeerd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bekrachtigen, met beslissing over de proceskosten, te vermeerderen met rente.

Dit arrest is in aansluiting op de pleitzitting gewezen. Bij het op schrift stellen en uitspreken daarvan is vertraging ontstaan.

2 Feiten

De voorzieningenrechter heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.13 de feiten opgesomd die zij bij de beoordeling van deze zaak tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt; zij worden in rechtsoverweging 3.1 weergegeven.

3 Beoordeling

3.1.(i) Het Loodswezen zorgt ervoor dat schepen veilig van en naar Nederlandse havens en de havens aan de rivier de Schelde worden geloodst. Tot 1988 was het Loodswezen ondergebracht in een ambtelijke dienst, in 1988 is het verzelfstandigd. De verschillende loodsen verenigden zich op dat moment in Nederlandse Loodsencorporatie.

(ii) In 2004 hebben [appellant] en Michiel Hogerhuis (hierna Hogerhuis) het boek “De elementen van het spel” geschreven. [appellant] , althans zijn eigen uitgeverij De Oplichterij, heeft dit boek uitgegeven. In het boek “De elementen van het spel” is een hoofdstuk gewijd aan de verzelfstandiging van het Loodswezen.

(iii) Ter gelegenheid van haar 25-jarig bestaan in 2013 heeft Nederlandse Loodsencorporatie een aantal festiviteiten georganiseerd. Op 15 februari 2013 heeft haar bestuurssecretaresse, [X] (hierna [X] ), een e-mail gestuurd naar Hogerhuis en [appellant] . In de e-mail is het volgende opgenomen:
“Het Nederlands Loodswezen bestaat komende jaar 25 jaar in zijn huidige zelfstandige vorm.
Wij zouden graag om dit jubileum te vieren een boek uit willen brengen over het verleden, heden en de toekomst van het Nederlands Loodswezen.
Na het lezen van het boek ‘De elementen van het spel’, zouden wij het erg leuk vinden om in zo’n soort vorm ook ons boek uit te willen brengen.
Wij zouden deze dan op 25 september aan de Minister van Infrastructuur en Milieu willen overhandigen.
Onze vraag aan jullie is of jullie in de gelegenheid zijn om dit voor ons te doen. Graag zou ik met jullie een oriënterend gesprek willen plannen met de voorzitter van de Nederlandse Loodsencorporatie Eric van Dijk.”
(iv) [appellant] heeft de hiervoor geciteerde e-mail beantwoord op 15 februari 2013. In zijn e-mail is onder meer het volgende opgenomen:
Met genoegen maak ik een afspraak met u en alvast gefeliciteerd met het 25 jarig bestaan van het Loodswezen.
We hebben ook in het verleden met genoegen met Loodswezen samengewerkt.
Graag maken wij het boek voor u.
Helaas heeft meneer Hogerhuis een heel drukke baan bij Fokker, zodat u het met ondergetekende moet doen, echter het ontwerp, de fotos en het idee van het boek was van mij dus we komen een heel eind.”

( v) Op 19 februari 2013 heeft een bespreking plaatsgevonden tussen [Y] , [Z] , communicatiedeskundige van de Nederlandse Loodsencorporatie,
[X] en [appellant] . Vervolgens heeft [appellant] per e-mail (van 20 februari 2013) onder meer het volgende bericht:
Vanuit de ervaring die ik heb, denk ik dat ik voor het print-klaar maken van een boek voor jullie 200 – 250 uur kwijt ben.
Voor het maken van het boek vraag ik dan 15.000 euro, ongeveer 60 euro per uur. Eerlijk gezegd voel ik me zelf meer senang bij 85 euro per uur, maar ik vind het ook een fiks bedrag, dus dat laat ik aan jullie over.
Daarnaast zijn er de drukkosten. Ik heb mijn boeken altijd laten drukken bij drukkerij Wilco in Nederland. Snel en goed. Mijn contactpersoon daar staat nu op de skilatten, dus ik kan niet zeggen wat zij voor het boek vragen. Reken bij een oplage van 2000 op 3 euro per boek low end en bij high end kwaliteit op 7 euro per boek.
De activiteiten zoals interviews doen, tekst schrijven, afstemmen, redactie, beeldmateriaal vervaardigen, DTP (de vormgeving die ik betaal) etc, kosten wel 200-250 uur. (…)
Jullie nieuwe boek zou ik van binnenuit willen maken in relatie tot de omgeving. Dan gaat het om de loods en de mensen die bij het loodswezen werken zelf. De volgorde in het boek wordt dan de loods met zijn verhaal en zijn materiaal (de boot) en de mensen die hem daarbij ondersteunen in het loodswezen.
Mijn idee is dan als volgt: ik maak portretten van een 12 tal loodsen en medewerkers. (…)
Met die portretten maken we afspraken met de mensen die jij noemde en vragen hen om hun commentaar/visie op die ervaringsverhalen. Ook dat zetten we in het boek.
(…)

En samen maken we een verhaal over waar jullie naar toe willen.

(vi) Bij brief van 12 maart 2013 heeft Nederlandse Loodsencorporatie [appellant] het volgende medegedeeld:
Naar aanleiding van onze mondelinge overeenkomst, sturen wij u hierbij de bevestiging dat in wederzijds overleg de kosten voor het schrijven van het boek ter eren van ons 25 jarig bestaan, zijn vastgesteld op 18.000 euro en dat u uw facturen over 6 maanden zult spreiden en zult indienen.

(vii) Als productie 4 in eerste aanleg hebben Nederlandse Loodsencorporatie c.s. drie e-mails van 15 maart 2013 in het geding gebracht van Nederlandse Loodsencorporatie gericht aan drie Geïnterviewden. Hierin is onder meer het volgende opgenomen:
“Dit jaar bestaan wij als Loodswezen 25 jaar en de NLC zal voor deze gelegenheid een boek uitbrengen. In dit boek zal de mens binnen het loodswezen centraal staan en hebben wij de regiovoorzitters gevraagd om een loods en een medewerker voor te dragen om mee te werken aan het interview. En jullie zijn het geworden!
Mijn eerste vraag aan jullie is natuurlijk of jullie hieraan mee willen werken. (…)
[appellant] is onze schrijver. Voor hem is het makkelijk om jullie interviews op een dag te plannen.
(…) [appellant] zal op die dag ook foto’s maken, het liefst in de werkomgeving. (…)
(viii) Als productie 5 in eerste aanleg hebben Nederlandse Loodsencorporatie c.s. vier e-mails van 14 maart 2013 in het geding gebracht van Nederlandse Loodsencorporatie gericht aan externen. Hierin is onder meer het volgende opgenomen:
Dit jaar staan wij stil bij het feit dat het Nederlands Loodswezen 25 jaar geleden, op 1 september 1988, verzelfstandigd is.
Ter ere van dit jubileum brengt het Nederlands Loodswezen een boek uit.
Wij hebben de heer [appellant] benadert om dit boek voor ons te schrijven. (…)
Wij willen u vragen een bijdrage te leveren aan dit jubileumboek. In het geval u hier positief op reageert zal de heer [appellant] contact met u opnemen.

(ix) In maart 2013 is [appellant] begonnen met het afnemen van de interviews voor het boek. Hij heeft 23 personen geïnterviewd. Van hen zijn er 16 ook gefotografeerd voor het boek.

( x) Op 24 mei 2013 en 5 juni 2013 heeft [appellant] aan Nederlandse Loodsencorporatie e-mails gestuurd waarin respectievelijk onder meer de volgende passages zijn opgenomen:

Bijgaand 1. De inhoudsopgave. de vraag is nog even, of jullie daar dingen in missen, of dingen willen schrappen. Er is zoveel en er wordt zoveel niet besproken, dus keuzes moeten gemaakt worden.”

“Ik verwacht nog reactie op alle stukken voordat ik het definitief kan maken graag jullie bijdrage, want jullie zitten op het kritische pad.”

(xi) Op 24 juli 2013 heeft Nederlandse Loodsencorporatie de overeenkomst met [appellant] beëindigd.

(xii) Bij brief van 31 juli 2013 heeft de raadsman van [appellant] aan Nederlandse Loodsencorporatie onder meer het volgende bericht:
Bij brief d.d. 12 maart 2013 bevestigt u (…) dat tussen partijen is afgesproken dat cliënt een boek gaat schrijven ter ere van het 25 jarig bestaan van Nederlands Loodswezen, dat in wederzijds overleg tussen partijen de kosten voor het schrijven van het boek zijn vastgesteld op 18.000,- ex BTW en dat cliënt dit geldbedrag in zes termijnen maandelijks zal factureren. Voornoemd geldbedrag ziet enkel op de kosten met betrekking tot het schrijven van het boek. Overige kosten met betrekking tot het boek vallen hier buiten en zijn voor rekening van Nederlands Loodswezen. (…)
Partijen zijn daarnaast overeengekomen dat het boek tijdens een feestelijke presentatie tijdens jubileum festiviteiten aan het publiek gepresenteerd wordt door Nederlands Loodswezen. Ten behoeve van deze presentatie zou Nederlands Loodswezen 2000 exemplaren van het boek afnemen. Daarnaast zijn partijen overeengekomen dat Nederlands Loodswezen zorg zal dragen voor de verdere bekendmaking van het boek.
In overleg zijn partijen tot het idee gekomen om in het boek de mensen die werkzaam zijn c.q. waren bij Nederlands Loodswezen centraal te zetten. Derhalve is afgesproken om portretten van werknemers in het boek te plaatsen, alsmede de interviews met werknemers en externe partijen in het boek te verwerken.
Het boek zou uit twee onderdelen bestaan.
1. De dossiers. Deze dienden feitelijk geheel juist te zijn. De dossiers zijn door u in de week van 16 juli 2013 geautoriseerd teruggestuurd en u deed hierover de mededeling dat ze uitstekend zijn.
2. De interviews. (…) Alle geïnterviewden hebben op de transcripties gereageerd en toestemming gegeven om de door haar of hem verschafte informatie te publiceren. Iedere geïnterviewde heeft aldus toestemming gegeven voor het publiceren van de door hem of haar verschafte informatie in woord en beeld.
(…)
Bij brief d.d. 25 juli 2013 stelt u echter dat de aangeleverde (concept)stukken niet aan de verwachtingen voldoen en beëindigt u – zonder voorafgaande ingebrekestelling – namens Nederlands Loodswezen de samenwerking tegen finale kwijting van de op Nederlands Loodswezen rustende verplichtingen jegens cliënt en onthoudt u uw goedkeuring voor verdere verwerkingen en interviews en overige teksten, alsmede verbiedt u uitgave van het boek.
Thans komt Nederlands Loodswezen de op haar rustende verplichtingen jegens cliënt niet na c.q. kondigt aan deze niet na te komen. Zonder enige ingebrekestelling vooraf, heeft Nederlands Loodswezen immers de samenwerking met cliënt beëindigd. Daarbij laat Nederlands Loodswezen na haar stelling – inhoudende dat het werk van cliënt niet aan de verwachtingen voldoet – behoorlijk te onderbouwen. Evenmin geef zij aan cliënt de mogelijkheid om binnen een bepaalde termijn de gebreken – welke cliënt stellig betwist – te herstellen, terwijl hier voldoende tijd voor bestond, namelijk twee maanden. Wegens voornoemd handelen heeft cliënt schade geleden welke voor rekening komt van Nederlands Loodswezen.
Geheel in strijd met hetgeen overeengekomen tussen partijen zal immers het boek niet door Nederlands Loodswezen gepresenteerd worden aan het publiek tijdens een presentatie, wordt de bekendmaking van het boek niet verzorgd door Nederlands Loodswezen en wordt door Nederlands Loodswezen goedkeuring voor verdere verwerking van de teksten en interviews ontzegd, alsmede voor uitgave van het boek. Daarnaast bestaat een achterstand in betaling aan de zijde van Nederlands Loodswezen ad € 3.000,- (één termijn).
De door cliënt geleden schade bestaat uit de volgende geldbedragen. Pre-press kosten van de drukkerij ad € 3.600,- welke reeds zijn voldaan door cliënt, reiskosten van cliënt om en nabij € 1.000,- en de laatste betalingstermijn ad € 3.000,-. Daarnaast loopt cliënt omzet mis wegens het feit dat het boek niet door het Nederlands Loodswezen tijdens een feestelijke presentatie wordt gepresenteerd, alsmede Nederlands Loodswezen geen zorg draagt voor bekendmaking van het boek. Nu Nederlands Loodswezen het boek niet onder de aandacht van het publiek zal brengen, zal cliënt de voorheen verwachte eerste oplage van 5000 boeken niet halen en loopt hij een omzet mis ad voorlopig begroot op € 82.000,-. Derhalve heeft cliënt schade geleden ter hoogte van € 89.600,-.
Nu het auteursrecht met betrekking tot het boek toekomt aan cliënt – zoals reeds door u erkend bij brief d.d. 25 juli 2013 – staat het cliënt vrij om het boek openbaar te maken en te verveelvoudigen. U beweert dat in het boek onjuistheden vermeld staan. Cliënt verzoekt Nederlands Loodswezen binnen vijf werkdagen na dagtekening van deze brief deze onjuistheden kenbaar te maken. Indien cliënt binnen voorgenoemde termijn niet van Nederlands Loodswezen verneemt, gaat hij ervan uit dat de inhoud van het boek feitelijk juist is.
Cliënt geeft Nederlands Loodswezen vijf werkdagen na dagtekening van deze brief de tijd om met een voorstel te komen om verdere juridisering te voorkomen.

(xiii) De laatste termijn van € 3.000,- is in augustus 2013 aan [appellant] voldaan. In totaal is aan [appellant] € 18.000,- plus reiskosten voldaan.
(xiv) Als productie 10 in eerste aanleg hebben geïntimeerden 20 verklaringen in het geding gebracht van Geïnterviewden (die in dit geding ook als eisers in eerste aanleg optreden). In deze verklaringen is onder meer opgenomen:
In maart jl. heeft het Loodswezen mij gevraagd mee te werken aan een interview met [appellant] ten behoeve van het jubileumboek dat het Loodswezen in beperkte oplage als relatiegeschenk wilde uitbrengen ter gelegenheid van zijn 25 jarig bestaan. Slechts voor dit doel heb ik mijn medewerking aan het interview verleend.
Ik heb begrepen dat het Loodswezen onlangs heeft besloten dit jubileumboek niet meer uit te brengen. Ik begrijp nu dat [appellant] mijn interview (…) mogelijk zal gebruiken voor andere doeleinden, bijvoorbeeld om een eigen boek over het Loodswezen te publiceren. Dit betekent dat mijn interview tegen de afspraken in voor andere doeleinden zal worden gebruikt dan de publicatie waarvoor ik destijds mijn toestemming heb gegeven. Hier ga ik niet mee akkoord. (…)”

3.2.

Nederlandse Loodsencorporatie c.s. vorderen in dit geding, voor zover in hoger beroep nog van belang, voorzieningen die ertoe strekken dat aan [appellant] op straffe van verbeurte van een dwangsom wordt verboden om over te gaan tot verspreiding of openbaarmaking of gebruik van interviews met en foto’s van Geïnterviewden en van niet reeds uit publieke bronnen kenbare informatie die hij heeft ontleend aan interne dossiers van Nederlandse Loodsencorporatie. De voorzieningenrechter heeft de hier bedoelde voorzieningen toegewezen.

Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [appellant] met negenentwintig grieven op. Deze worden hierna tenzij anders aangegeven gezamenlijk besproken.

3.3.Voor zover het standpunt van [appellant] inhoudt dat Nederlandse Loodsencorporatie c.s. geen (spoedeisend) belang hebben bij de door hen gevorderde voorziening omdat er nog geen sprake is van dreigende tekortkoming of onrechtmatig handelen door publicatie van een boek wordt dit standpunt verworpen. Nederlandse Loodsencorporatie c.s. hebben (onder meer door overlegging van de door [appellant] in eerste aanleg in het geding gebrachte ‘ruwe’ versie van het boek) voldoende aannemelijk gemaakt dat van een relevante dreiging wel degelijk sprake is.

3.4.

Het geschil spitst zich toe op de vraag of [appellant] , ondanks het feit dat Nederlandse Loodsencorporatie de met hem gesloten overeenkomst heeft opgezegd

en Nederlandse Loodsencorporatie c.s. hem te kennen hebben gegeven dat niet te wensen, gerechtigd is het door hem vervaardigde boek (zoals door hem in “ruwe” versie in het geding gebracht), met daarin interviews met en fotoportretten van Geïnterviewden, te publiceren dan wel dat de aard en strekking van het door partijen overeengekomene en/of door [appellant] jegens de betrokkenen in acht te nemen zorgvuldigheidsnormen meebrengen dat hem dat niet vrijstaat.

De voorzieningenrechter heeft – onder verwijzing naar het feitenmateriaal dat door haar in rechtsoverwegingen 4.1 tot en met 4.6 van het bestreden vonnis is besproken – voorshands in laatst vermelde zin geoordeeld. Het hof sluit zich bij dit oordeel aan. Daartoe wordt het volgende overwogen.

3.5.1.

De voorzieningenrechter heeft bij het bepalen van de inhoud van het overeengekomene met juistheid redengevend geacht, kort samengevat, dat blijkens de door Nederlandse Loodsencorporatie (mede) aan [appellant] toegezonden e-mail van 15 februari 2013 het initiatief tot het vervaardigen van het boek van de Nederlandse Loodsencorporatie is uitgegaan (zie hierboven onder 3.1 sub iii), dat [appellant] voor het schrijven van het boek, door hem in een e-mailbericht aan Nederlandse Loodsencorporatie betiteld als “Jullie nieuwe boek”, een vergoeding ontving gebaseerd op het aantal door hem daaraan te besteden uren, dat de drukkosten voor rekening van de Nederlandse Loodsencorporatie kwamen en dat partijen kennelijk uitgingen van een oplage van 2000 (zie de correspondentie geciteerd onder 3.1 sub v en vi). Voorts heeft de voorzieningenrechter terecht betekenis toegekend aan het feit dat Geïnterviewden zijn uitgekozen door Nederlandse Loodsencorporatie, door deze laatste zijn benaderd en aan deze hun medewerking hebben toegezegd in het kader van de uitgave van boek ter gelegenheid van het 25-jarig jubileum van Nederlandse Loodsencorporatie (zie e-mail geciteerd hierboven onder 3.1 sub vii en viii) en ten slotte dat tijdens het schrijven van het boek [appellant] contact opnam met Nederlandse Loodsencorporatie teneinde deze om inbreng te vragen en om een reactie vroeg op “alle stukken” met het oog op het definitief maken van het werk (zie hierboven onder 3.1 sub x).

3.5.2.

Aldus is op grond van voornoemd feitenmateriaal (voorshands) de conclusie gewettigd dat [appellant] de gemaakte afspraken in redelijkheid zo heeft moeten begrijpen dat het een door Nederlandse Loodsencorporatie in eigen beheer uit te geven jubileumboek betrof, bedoeld als relatiegeschenk, en dat de rol van [appellant] daarin zou zijn de kopij, bestaande uit teksten, interviews en foto’s aan te leveren doch dat deze eerst na goedkeuring door Nederlandse Loodsencorporatie in het boek zou worden opgenomen. Het hof wijst in dit verband met name op de tweede alinea van de hierboven geciteerde e-mail van 15 februari 2013, waarin de bedoeling van de Nederlandse Loodsencorporatie tot uitdrukking is gebracht, alsmede op de inhoud van de door [appellant] aan Nederlandse Loodsencorporatie toegezonden e-mail van 20 februari 2013 waarin moeilijk iets anders te lezen valt dan dat het, conform de kennelijke bedoeling van Nederlandse Loodsencorporatie, in dit geval niet zou gaan om een ‘eigen’ boek van [appellant] maar om een boek dat door Nederlandse Loodsencorporatie zelf tegen kostprijs op beperkte schaal zou worden uitgebracht. Dat Nederlandse Loodsencorporatie bij de totstandkoming van het boek geen lijdelijke rol vervulde doch (in vergaande mate) zeggenschap had over de inhoud van het uit te brengen boek valt ook op te maken uit de e-mail van [appellant] die als productie 21 bij memorie van antwoord is overgelegd, met als onderwerp “voortgang” en als inhoud een overzicht van verschillende onderdelen van het boek met vermelding aan welke bij Nederlandse Loodsencorporatie werkzame personen deze reeds waren toegezonden en van dezen waren terugontvangen (het zou gaan om [Z] , tevens geadresseerde van de e-mail, en directeur [Y] ). Indien hij indertijd zijn rol anders zag en de bedoeling had een wetenschappelijk werk uit te brengen had het op de weg van [appellant] gelegen om dit aan Nederlandse Loodsencorporatie duidelijk te maken. Dat [appellant] dit heeft gedaan valt uit het feitenmateriaal niet op te maken.

3.5.3.

In het licht van het voorgaande moet worden aangenomen dat tussen partijen een overeenkomst van opdracht is gesloten die strekte tot het door [appellant] (met inachtneming van de door Nederlandse Loodsencorporatie te geven aanwijzingen) samenstellen van een jubileumboek. Dit brengt mee dat Nederlandse Loodsencorporatie in beginsel gerechtigd was de overeenkomst met [appellant] op te zeggen en te besluiten het boek niet uit te brengen, omdat deze door haar ongeschikt werd geacht voor het daarmee beoogde doel. Van feiten of omstandigheden die dit anders maken, dan wel die tot het oordeel leiden dat [appellant] gerechtigd is om het in opdracht en op kosten van Nederlandse Loodsencorporatie gemaakte boek zelf uit te geven is onvoldoende gebleken. De enkele omstandigheden dat [appellant] met een idee voor het boek is gekomen, een wetenschappelijke achtergrond heeft en, naar hij stelt, een voor het schrijven van het boek relatief lage vergoeding heeft bedongen, zijn in dit verband ontoereikend. Gelet op de context waarin het boek tot stand zou komen had het als gezegd op zijn weg gelegen om een eventuele wens om het boek ook zelf voor commerciële (of andere) doeleinden uit te brengen uitdrukkelijk aan de orde te stellen en daarover met Nederlandse Loodsencorporatie afspraken te maken. Nu daarvan niet is gebleken moet worden aangenomen dat de strekking van het tussen partijen overeengekomene meebrengt dat zulks hem niet vrijstond.

3.5.4.

De omstandigheid dat [appellant] als maker van het boek in auteursrechtelijke zin zou zijn te kwalificeren brengt niet mee dat over het voorgaande anders moet worden geoordeeld. De voorzieningenrechter heeft terecht overwogen dat ook een exclusief auteursrecht niet het recht geeft om een werk te openbaren als gemaakte afspraken daardoor worden geschonden. Het antwoord op de door [appellant] in zijn tiende grief aan de orde gestelde vraag of aan Geïnterviewden een auteursrecht toekomt op hetgeen zij aan [appellant] in het kader van de door hem afgenomen interviews hebben medegedeeld, is voor de uitkomst van dit geding niet beslissend en kan mitsdien in het midden blijven.

3.6.1.

Hier komt bij dat Nederlandse Loodsencorporatie c.s. terecht aanvoeren dat ook jegens hen in acht te nemen zorgvuldigheidsnormen eraan in de weg staan dat [appellant] over gaat tot publicatie van het boek (zoals dat in ruwe versie is overgelegd). Daarbij wordt het volgende in aanmerking genomen.

3.6.2.

Voor zover het Geïnterviewden betreft is in dit verband van belang dat in het boek zijn opgenomen (delen van) interviews en portretten die door [appellant] in het kader van de aan hem verstrekte opdracht tot het vervaardigen van een jubileumboek zijn afgenomen respectievelijk gemaakt en dat door Nederlandse Loodsencorporatie c.s. voldoende aannemelijk is gemaakt dat – naar voor [appellant] kenbaar was – Geïnterviewden slechts in dat specifieke kader daaraan hun medewerking hebben verleend en/of hun toestemming voor publicatie hebben gegeven (vgl. in dit verband onder meer e-mails overgelegd als productie 19 bij memorie van antwoord alsmede e-mails geciteerd hierboven onder 3.1 sub vii en viii). Het vervolgens in strijd met de aldus (impliciet) gemaakte afspraken en/of gewekte verwachtingen opnemen van bedoeld materiaal in een door [appellant] zelf (op commerciële basis) uit te geven boek is onrechtmatig jegens Geïnterviewden. Daarbij kan in dit geding in het midden blijven of de grondslag van de aansprakelijkheid van [appellant] indien tot uitgave van het boek zou worden overgegaan in een tekortkoming dan wel in een onrechtmatige daad moet worden gezocht.

3.6.3.

Voor zover het Nederlandse Loodsencorporatie betreft is met name als onzorgvuldig te kwalificeren het tegen haar wensen in (of op grotere schaal en met een ander doel dan door Nederlandse Loodsencorporatie voorzien) openbaar maken van informatie waarvan het vertrouwelijke karakter door Nederlandse Loodsencorporatie aan [appellant] kenbaar is gemaakt. Niet voldoende duidelijk gesteld of gebleken is dat dit laatste het geval is waar het de dossiers “geld”, “overzicht reizen” en “pensioenproblematiek” betreft, die door medewerkers van Nederlandse Loodsencorporatie aan [appellant] per e-mail zijn toegezonden

Met betrekking tot het dossier “Koopmans” is echter door [appellant] niet bestreden dat het een rapport met veel vertrouwelijke informatie betrof dat hij om die reden slechts op locatie bij Nederlandse Loodsencorporatie heeft mogen inzien. Het gebruik maken van informatie uit dat dossier (voor zover die informatie niet uit andere bronnen aan [appellant] ter kennis is gekomen) staat hem in de gegeven omstandigheden niet vrij.

Dat [appellant] zich aan inbreuk op auteursrecht zou schuldig maken door uit de dossiers “geld”, “overzicht reizen” en “pensioenproblematiek” te citeren c.q. dat een reële dreiging van zodanige inbreuk bestaat is door Nederlandse Loodsencorporatie onvoldoende feitelijk onderbouwd en kan derhalve niet dienen als grondslag voor het treffen van een voorziening in kort geding.

3.7.

[appellant] heeft zich in het kader van zijn verweer beroepen op zijn recht op vrijheid van meningsuiting en het geven van informatie. Nederlandse Loodsencorporatie c.s. erkennen dat [appellant] gerechtigd is over het Loodswezen te schrijven en hebben in dit verband ook te kennen gegeven dat het niet hun bedoeling was om [appellant] daarin te belemmeren en hem de mond te snoeren.

Als uitgangspunt geldt dan ook dat het [appellant] niet kan worden verboden om over het Loodsenwezen te schrijven en dat hij daarbij in beginsel ook mag putten uit de kennis/informatie die hij heeft vergaard bij het uitvoeren van zijn opdracht ten behoeve van het Nederlandse Loodsenwezen en de in dat kader afgenomen interviews, zulks behoudens voor zover (expliciet of impliciet) de vertrouwelijkheid daarvan is bedongen of eventuele auteursrechten daaraan in de weg staan. In zoverre is het door de voorzieningenrechter gegeven verbod dat zich ook uitstrekt tot het gebruik van informatie in de hier bedoelde zin te ruim.

De door dit grondrecht gewaarborgde vrijheid gaat echter niet zo ver dat deze in omstandigheden als de onderhavige de schending van gemaakte afspraken en/of gewekte verwachtingen rechtvaardigt. Het aannemen van een beperking als hier bedoeld voldoet aan hetgeen in artikel 10 lid 2 EVRM is bepaald. Zoals reeds is overwogen is die schending jegens de betrokkenen onrechtmatig. In zoverre is de beperking van de uitingsvrijheid van [appellant] bij wet voorzien en is deze noodzakelijk ter bescherming van de rechten van anderen. Dat de beperking daarin te ver zou gaan vermag het hof niet in te zien. Reeds is overwogen dat het [appellant] op zichzelf vrijstaat om over het Loodswezen te schrijven, de (relatief geringe) restricties die hij daarbij in acht moet nemen moeten in het licht van de betrokken belangen als proportioneel worden beschouwd.

3.8.

Nederlandse Loodsencorporatie c.s. hebben in eerste aanleg voldoende duidelijk gemaakt dat zij door [appellant] met de betrokkenen bij de totstandkoming van het boek (impliciet) gemaakte afspraken en bij dezen gewekte verwachtingen aan hun vorderingen ten grondslag hebben gelegd. Het hof verwerpt het betoog dat de voorzieningenrechter buiten de rechtsstrijd is getreden.

3.9.

Uit het voorgaande volgt dat de grieven van [appellant] in zoverre slagen dat de in het dictum onder 5.1 tot en met 5.3 gegeven voorzieningen te ruim zijn en zullen worden beperkt. Voor het overige treffen de grieven geen doel. Voor een verlaging van de dwangsom ziet het hof onvoldoende aanleiding, deze is als prikkel tot nakoming in de gegeven omstandigheden niet buitenproportioneel.

Het vonnis van de voorzieningenrechter zal om praktische redenen geheel worden vernietigd. [appellant] is door de voorzieningenrechter terecht als (grotendeels) in het ongelijk gestelde partij aangemerkt, de kostenveroordeling in eerste aanleg zal derhalve worden gehandhaafd. Gelet op de uitkomst daarvan zullen de kosten van het geding in hoger beroep worden gecompenseerd.

4 Beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep, en opnieuw rechtdoende

beveelt dat [appellant] de interviews (of gedeelten daarvan) met de Loodsen op geen enkele wijze mag verveelvoudigen, verspreiden of openbaren, waaronder mede wordt begrepen het (door derden laten) citeren daaruit ten behoeve van enige publicatie (in welke vorm dan ook) over het Loodswezen, zulks op straffe van een dwangsom van € 20.000,- te vermeerderen met een dwangsom van € 5000,- voor elke publicatie waarmee of elke keer dat [appellant] dit bevel overtreedt , met een maximum van in totaal € 50.000,-;

beveelt dat [appellant] de foto’s van geportretteerde Loodsen op geen enkele wijze mag verveelvoudigen, verspreiden of openbaren, waaronder mede wordt begrepen het (door derden laten) openbaren van de foto’s ten behoeve van enige publicatie (in welke vorm dan ook) over het Loodswezen, zulks op straffe van een dwangsom van € 20.000,- te vermeerderen met een dwangsom van € 5000,- voor elke publicatie waarmee of elke keer dat [appellant] dit bevel overtreedt, met een maximum van in totaal € 50.000,-;

beveelt dat [appellant] de teksten en informatie uit het dossier/rapport “Koopmans” (bedoeld in paragraaf 23 van de inleidende dagvaarding), met uitzondering van informatie die hem aantoonbaar uit andere bronnen bekend is, op geen enkele wijze mag verspreiden, openbaren of gebruiken, waaronder mede wordt begrepen het (door derden laten) openbaren van of verwijzen naar dit dossier ten behoeve van enige publicatie (in welke vorm ook) over het Loodswezen, zulks op straffe van een dwangsom van € 20.000,- te vermeerderen met een dwangsom van € 5000,- voor elke publicatie waarmee of elke keer dat [appellant] dit bevel overtreedt, met een maximum van in totaal € 50.000,-;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in eerste aanleg, aan de zijde van Nederlandse Loodsencorporatie c.s. begroot op € 681,82 aan verschotten en op € 816,- voor salaris, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf veertien dagen na de datum van het bestreden vonnis tot aan de dag van voldoening;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin dat ieder de eigen kosten draagt;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. E.M. Polak, E.E. van Tuyll van Serooskerken-Röell en N. van Lingen en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 10 november 2015.