Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:4620

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
10-11-2015
Datum publicatie
25-11-2015
Zaaknummer
200.174.418/01 +174.423/01
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHAMS:2016:5043
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek verlenging ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing. Onderzoek door deskundige van NIFP. Onderzoeksvragen.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 255, geldigheid: 2015-11-25
Burgerlijk Wetboek Boek 1 265b, geldigheid: 2015-11-25
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 810a, geldigheid: 2015-11-25
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 10 november 2015

Zaaknummers: 200.174.418/01 en 200.174.423/01

Zaaknummers eerste aanleg: C/15/225079 / JU RK 15-679 en C/15/225607 / JU RK 15-745

in de zaak in hoger beroep van:

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

advocaat: mr. R.S. Pot te Amsterdam,

tegen

Jeugdbescherming Regio Amsterdam,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Partijen worden hierna respectievelijk de moeder en de GI genoemd.

1.2.

De moeder is op 29 juli 2015 in hoger beroep gekomen van de beschikkingen van 29 mei 2015 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank), met de kenmerken C/15/225079 / JU RK 15-679 (zaaknummer: 200.174.418/01) en C/15/225607 / JU RK 15-745 (zaaknummer: 200.174.423/01).

1.3.

Bij bericht van 19 augustus 2015 aan het hof heeft mr. J.J.M. Kleiweg, advocaat te Amsterdam, zich in beide zaken gesteld voor de heer [Z] , de vader van na te noemen minderjarige [A] (hierna: de vader).

1.3.

De GI heeft op 28 augustus 2015 een verweerschrift in beide zaken ingediend.

1.4.

De zaken zijn op 17 september 2015 gelijktijdig ter terechtzitting behandeld.

1.5.

Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- namens GI: de gezinsmanager;

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

- mevrouw D.M. van Dijk, vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming, regio Noord‑Holland, locatie Haarlem (hierna: de Raad);

- de heer [X] en mevrouw [Y] , de pleegouders van [A] (hierna: de pleegouders).

2. De feiten

2.1.

Uit de relatie van de vader en de moeder is [in] 2010 geboren [A] (hierna: [minderjarige a] ). De relatie tussen de vader en de moeder is geëindigd. De moeder heeft daarnaast een zoon uit een eerdere relatie, te weten [B] (hierna: [minderjarige b] ), geboren [in] 2004. [minderjarige b] verblijft, na tijdelijk uit huis geplaatst te zijn geweest, sinds 11 februari 2014 weer bij de moeder. [minderjarige b] is tot 6 juni 2016 onder toezicht gesteld.

De vader heeft [minderjarige a] erkend. De moeder heeft het gezag over [minderjarige a] .

2.2.

Bij beschikking van 7 juni 2013 is [minderjarige a] voorlopig onder toezicht gesteld, welke ondertoezichtstelling vervolgens definitief is uitgesproken en nadien is verlengd, laatstelijk tot 6 juni 2015. Bij beschikking van 7 juni 2013 is een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [minderjarige a] in een pleeggezin, welke machtiging nadien is verlengd, laatstelijk tot 6 juni 2015.

2.3.

Bij de stukken in het dossier bevindt zich een gezinsrapportage van 2 april 2015.

3 Het geschil in hoger beroep

3.1.

Bij de bestreden beschikking met zaaknummer C/15/225079 / JU RK 15-679 zijn, voor zover van belang, op verzoek van de GI, de ondertoezichtstelling van [minderjarige a] en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige a] in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot uiterlijk 6 juni 2016.

Bij de bestreden beschikking met zaaknummer C/15/225607 / JU RK 15-745 is het verzoek van de moeder tot opheffing van de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing afgewezen.

3.2.

In de zaak met zaaknummer 200.174.418/01 verzoekt de moeder, naar het hof begrijpt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, alsnog het inleidend verzoek van de GI af te wijzen.

In de zaak met zaaknummer 200.174.423/01 verzoekt de moeder, naar het hof begrijpt, met vernietiging van de bestreden beschikking, alsnog haar inleidend verzoek toe te wijzen.

Ter zitting in hoger beroep heeft de moeder verzocht de termijn van de uithuisplaatsing te verlengen met zes maanden, in welke periode de GI een voorstel dient te doen voor de wijze waarop en met welke ondersteuning [minderjarige a] weer thuisgeplaatst kan worden, en de zaak verder aan te houden, en heeft zij verzocht een onderzoek door een onafhankelijke deskundige te gelasten naar de mogelijkheden om [minderjarige a] weer thuis te plaatsen.

3.3.

De GI verzoekt de bestreden beschikkingen te bekrachtigen. Zij heeft ter zitting in hoger beroep verzocht het verzoek van de moeder een onderzoek door een onafhankelijke deskundige te gelasten, af te wijzen.

4 Beoordeling van het hoger beroep

4.1.

Ter beoordeling ligt aan het hof voor de vraag of de rechtbank terecht en op juiste gronden de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige a] heeft verlengd en zo ja, of deze gronden thans nog aanwezig zijn.

Met ingang van 1 januari 2015 is de wet herziening kinderbeschermingsmaatregelen in werking getreden. Nu het verzoekschrift tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing op 8 april 2015 is ingediend, en het verzoekschrift tot opheffing van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing op 24 april 2015 is ingediend, is op grond van de wet herziening kinderbeschermingsmaatregelen het huidige artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) van toepassing. Ingevolge dit artikel kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een GI indien een minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd en (a) de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor de ouder die het gezag uitoefent door deze niet of onvoldoende wordt geaccepteerd en (b) de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouder die het gezag uitoefent binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding in staat is te dragen.

Op grond van het bepaalde in artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter, indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid, de GI die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling op diens verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen.

De ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing kunnen door de kinderrechter slechts worden verlengd indien de gronden, zoals staan beschreven in artikel 1:255 lid 1 BW respectievelijk 1:265b lid 1 BW, nog steeds bestaan.

4.2.

De moeder is van mening dat de gronden voor ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing zijn komen te vervallen, en voert daartoe het volgende aan.

Hoewel [minderjarige a] al geruime tijd niet meer bij de moeder woont, laat zij nog steeds gedragsproblemen zien. Deze gedragsproblemen behoeven evenwel geen verdere behandeling en maken een langdurige uithuisplaatsing niet noodzakelijk. [minderjarige a] kan evenals [minderjarige b] bij de moeder thuis wonen. De moeder kan leren met [minderjarige a] en haar problematiek om te gaan.

Ten onrechte heeft de rechtbank geoordeeld dat de moeder onvoldoende zelfinzicht heeft, weinig inlevingsvermogen heeft ten aanzien van de problemen van [minderjarige a] en dat zij onvoldoende stabiel is. De GI heeft geen onderzoek gedaan naar de mogelijkheden van de moeder om [minderjarige a] zelf op te voeden. In de moeder is niet geïnvesteerd, hoewel zij heeft laten weten hulpverlening te aanvaarden. Zo is de moeder niet betrokken bij het programma MTFC-P (Multidimensional Foster Care for Preschoolers Program) dat [minderjarige a] en de pleegouders bij de Bascule hebben gevolgd. De pleegouders krijgen nu begeleiding thuis via een zogenoemd TGV-traject.

De moeder en de vader van [minderjarige a] hebben sinds kort weer contact met elkaar. De vader heeft laten weten weer omgang met [minderjarige a] te wensen. De moeder benadrukt dat het niet haar bedoeling is dat de vader zich met de opvoeding van [minderjarige a] zal bemoeien.

De moeder begrijpt niet dat in de periode na de uithuisplaatsing het doel was dat [minderjarige a] weer thuis geplaatst zou worden, en dat vervolgens na een melding van de moeder dat bij [minderjarige a] sprake zou kunnen zijn van mishandeling in het pleeggezin, plotseling is aangestuurd op een definitieve uithuisplaatsing. Niet duidelijk is waarom de GI van insteek is veranderd. Nu naar de mogelijkheden voor thuisplaatsing van [minderjarige a] geen onderzoek is gedaan, verzoekt de moeder een onderzoek door een onafhankelijke deskundige te gelasten.

4.3.

De GI stelt dat de gronden voor uithuisplaatsing nog steeds aanwezig zijn en voert daartoe het volgende aan. Het gezin is sinds 2011 bekend bij Spirit en de GI. Ten tijde van de uithuisplaatsing van de kinderen was de moeder onvoldoende beschikbaar voor hen en was ze verward. [minderjarige a] is op een onbewaakt moment het huis uitgegaan en door een voorbijganger in een sloot aangetroffen. Dit vormde de aanleiding tot de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van [minderjarige a] en [minderjarige b] . De aangeboden hulpverlening heeft niet tot resultaat gehad dat er stabiliteit is gekomen in de thuissituatie. De moeder raakt nog steeds verward wanneer sprake is van stressvolle situaties. Zij laat zelf weten hulp nodig te hebben en opvang voor de kinderen wanneer het haar teveel wordt. De enige steun in het netwerk van de moeder is grootmoeder (mz), maar zij heeft desgevraagd laten weten niet in staat te zijn [minderjarige a] op te vangen omdat [minderjarige a] te druk is. De zuster van de moeder heeft zelf last van persoonlijke problematiek. Het door de GI ingezette Signs of Safety traject is bij gebrek aan geschikte ondersteuning niet geslaagd.

Bij [minderjarige a] is sprake van onveilige hechting doordat de moeder onvoldoende beschikbaar was. Van juni 2014 tot juni 2015 hebben [minderjarige a] en de pleegouders bij De Bascule het MTFC-P programma gevolgd, waarop ondersteuning door Therapeutische pleegzorg (TGV) is gevolgd. [minderjarige a] is rustiger geworden maar valt in vrije en nieuwe situaties terug in haar oude gedrag. De pleegouders zijn daar alert op. [minderjarige a] krijgt in het pleeggezin sturing en kan op haar opvoeders vertrouwen.

[minderjarige b] is weer thuis geplaatst omdat hij extreem reageerde op de uithuisplaatsing en hij zich teveel zorgen maakte om de moeder. Hij kan door grootmoeder (mz) worden opgevangen als dat nodig is. Deze steun ontbreekt bij [minderjarige a] .

De vader is jegens de hulpverlening niet constructief geweest, maar dat heeft het standpunt van de GI in de onderhavige zaak niet beïnvloed.

De GI heeft ter zitting in hoger beroep medegedeeld van mening te zijn dat een onderzoek door een onafhankelijke deskundige niets zal toevoegen.

4.4.

De vader heeft ter zitting in hoger beroep medegedeeld het verzoek om thuisplaatsing van de moeder te ondersteunen. Volgens hem is tijdens de uithuisplaatsing van [minderjarige a] onvoldoende geïnvesteerd in de opvoedvaardigheden van de moeder. De vader is van mening dat nader onderzoek dient plaats te vinden naar de mogelijkheden van de moeder om [minderjarige a] op te voeden.

4.5.

De pleegouders hebben ter zitting in hoger beroep medegedeeld dat het goed gaat met [minderjarige a] sinds zij het programma bij De Bascule heeft gevolgd. Volgens hen valt [minderjarige a] nog steeds terug in haar oude gedrag zodra grenzen onduidelijk zijn. Haar gedrag is bewerkelijk en het is lastig om haar op te voeden, aldus de pleegouders.

4.6.

De Raad heeft ter zitting in hoger beroep geadviseerd de bestreden beschikkingen te bekrachtigen. Gezien haar gedrag heeft [minderjarige a] een goede opvoeder nodig. Op dit moment is een thuisplaatsing niet aan de orde. Het is in dit stadium onvoldoende duidelijk of de moeder een thuisplaatsing van [minderjarige a] aankan, omdat niet duidelijk is of de moeder over voldoende opvoedvaardigheden beschikt. Hier zou volgens de Raad nader onderzoek naar gedaan moeten worden. Wel moet voor de toekomst onderzoek worden verricht naar de mogelijkheden van de moeder en haar pedagogische vaardigheden.

4.7.

Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is het volgende gebleken.

De moeder had reeds in 2009 – voor de geboorte van [minderjarige a] – hulpverlening ingeschakeld omdat zij ervoer dat haar draagkracht onvoldoende was om voor [minderjarige b] te zorgen. Zij had een burn-out en ervoer daaraan gerelateerde klachten zoals depressieve gevoelens en chronische vermoeidheid. Zij stond alleen voor de opvoeding van [minderjarige b] en later ook voor die van [minderjarige a] . Voor beide kinderen is weekendpleegzorg ingezet en de moeder heeft een Triple P training gevolgd. Vanwege zorgen bij de moeder over de veiligheid van [minderjarige a] bij de weekendpleegzorg, is deze begin 2013 geëindigd. In maart 2013 is Lucertis ingeschakeld voor spel- en gesprekstherapie aan [minderjarige a] en in mei 2013 heeft de moeder zich aangemeld bij PsyQ vanwege overbelasting en persoonlijkheidsproblematiek. In dezelfde periode zijn zowel bij de politie als bij de hulpverlening zorgen gerezen over eventuele prostitutie en drank- en drugsgebruik in de thuissituatie bij de moeder. Nadat [minderjarige a] op een onbewaakt ogenblik in juni 2013 te water was geraakt, werd zij met spoed uit huis geplaatst, in eerste instantie in een crisispleeggezin. De moeder was op dat moment geestelijk in de war. Begin 2014 is de moeder korte tijd opgenomen geweest in een kliniek. Blijkens een bericht van 20 mei 2014 van PsyQ aan de GI is de moeder gediagnosticeerd met onder meer een psychotische stoornis, waarschijnlijk in het kader van een schizo-affectieve stoornis, en een post-traumatische stressstoornis. De moeder heeft EMDR gehad en gesprekken gevoerd met een sociaalpsychiatrisch verpleegkundige. Zij zal binnenkort worden begeleid door een FACT team en is ingesteld op medicatie.

Ten aanzien van [minderjarige a] is uit het verhandelde ter zitting in hoger beroep en de stukken in het dossier het volgende gebleken. [minderjarige a] heeft veel temperament, toont zelfbepalend gedrag en is emotioneel en relationeel kwetsbaar. Zij heeft een duidelijke, neutrale en consequente aanpak nodig, waarbij een vaste structuur en routine wordt gehanteerd, zij positief bekrachtigd wordt in wat zij al kan en de vaardigheden die zij nog moet leren, zij ondersteund wordt in emotionele onzekerheden en begrensd wordt in zelfbepalend gedrag. Sinds zij met de pleegouders een programma bij De Bascule heeft gevolgd, is zij rustiger, maar zij heeft nog steeds een vaste structuur nodig met duidelijke grenzen. Zij moet goed in de gaten gehouden worden en vergt veel van haar opvoeders. De pleegouders krijgen bij de opvoeding van [minderjarige a] ondersteuning door TGV.

4.8.

Gebleken is dat er ten tijde van de uithuisplaatsing van [minderjarige a] haar veiligheid bij de moeder thuis niet gewaarborgd was vanwege ernstige psychische problematiek bij de moeder enerzijds en een aanzienlijke behoefte aan structuur en toezicht bij [minderjarige a] anderzijds. Hoewel het met de moeder op dit moment beter lijkt te gaan, is het vooralsnog niet duidelijk of de moeder voldoende stabiel is en of zij thans over voldoende draagkracht en opvoedvaardigheden beschikt om adequaat voor [minderjarige a] , die haar eigen problematiek heeft, te zorgen. Dat brengt met zich dat er op dit moment geen aanleiding is om de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing te beëindigen.

De moeder heeft het hof verzocht een onderzoek te gelasten naar haar mogelijkheden om [minderjarige a] zelf te verzorgen en op te voeden, naar het hof begrijpt op de voet van artikel 810a lid 2 Rv. In dat wetsartikel is bepaald – verkort weergegeven – dat de rechter onder meer in zaken betreffende de ondertoezichtstelling van minderjarigen op verzoek van een ouder en na overleg met die ouder een deskundige benoemt, mits dat mede tot de beslissing van de zaak kan leiden en het belang van het kind zich daartegen niet verzet. Een voldoende concreet en ter zake dienend verzoek tot toepassing van art. 810a lid 2 Rv, dat feiten en omstandigheden bevat die zich lenen voor een onderzoek door een deskundige, zal in beginsel moeten worden toegewezen indien de rechter geen feiten of omstandigheden aanwezig oordeelt op grond waarvan moet worden aangenomen dat toewijzing van het verzoek strijdig is met het belang van het kind.

Anders dan de GI acht het hof een onderzoek door een onafhankelijke deskundige in dit geval aangewezen. Het hof is van oordeel dat het verzoek voldoende concreet en ter zake dienend is en dat een onderzoek mede tot de beslissing van de zaak kan leiden. Voorts is het hof van oordeel dat het belang van [minderjarige a] zich niet tegen een onderzoek verzet.

4.8.

Alvorens over te gaan tot het gelasten van het onderzoek en de benoeming van een deskundige, zal het hof partijen de gelegenheid geven zich binnen twee weken na de datum van deze tussenbeschikking uit te laten over onderstaande vragen en de te benoemen deskundige, waarna het hof hieromtrent in een latere beschikking nader zal beslissen.

4.9.

Het hof is voornemens het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie (NIFP) opdracht te geven een deskundige voor te dragen.

Het hof is voornemens de te benoemen deskundige te verzoeken de navolgende vragen te betrekken bij het uit te voeren onderzoek:

  • -

    Beschikt de moeder over voldoende pedagogische vaardigheden om toe te kunnen werken naar een thuisplaatsing van [minderjarige a] en sluiten deze vaardigheden aan bij hetgeen [minderjarige a] , gelet op haar problematiek, nu en in de toekomst nodig heeft? Indien de moeder thans niet over voldoende pedagogische vaardigheden beschikt om toe te werken naar een thuisplaatsing van [minderjarige a] , bestaan er mogelijkheden deze vaardigheden te ontwikkelen en, zo ja, welke hulpverlening is daarvoor aangewezen en welke termijn is daarmee gemoeid?

  • -

    Zijn er (contra-)indicaties voor thuisplaatsing van [minderjarige a] bij de moeder? Zo ja, welke zijn dat?

  • -

    In hoeverre komen er uit het onderzoek bevindingen naar voren, die niet aan de orde zijn gekomen in de onderzoeksvragen, maar die wel van belang zijn met betrekking tot de te nemen beslissingen?

4.10.

De kosten van het deskundigenonderzoek komen op de voet van artikel 810a lid 3 Rv in beginsel ten laste van ’s Rijks kas. Of en, zo ja, welke bijdrage de moeder moet betalen, zal het hof bij eindbeslissing bepalen.

4.11.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

5 Beslissing

Het hof:

alvorens verder te beslissen,

stelt partijen in de gelegenheid zich binnen twee weken na de datum van deze beschikking uit te laten over de door het hof te benoemen deskundige en de aan de deskundige te stellen vragen als hiervoor genoemd in rechtsoverweging 4.9.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.F.G.H. Beckers, mr. A. van Haeringen en mr. J.F.A.M. Graafland-Verhaegen in tegenwoordigheid van mr. T. Mekkelholt als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 10 november 2015.