Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:4556

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
16-07-2015
Datum publicatie
12-11-2015
Zaaknummer
23-000381-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

197 Sr. OVAR. Ten tijde van het bewezenverklaarde was sprake van een overmachtsituatie, die aan strafbaarheid van de verdachte in de weg staat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-000381-14

datum uitspraak: 16 juli 2015

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar van 30 januari 2014 in de strafzaak onder parketnummer 15-710422-13 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (voormalig Joegoslavië) op [geboortedag] 1955,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 2 juli 2015 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 19 juni 2013 te Zaandam, gemeente Zaanstad,, in elk geval in Nederland, als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat hij op grond van artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000, in elk geval op grond van enig wettelijk voorschrift, tot ongewenst vreemdeling was verklaard OF terwijl tegen hem een inreisverbod was uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de politierechter.

Bespreking ter terechtzitting in hoger beroep gevoerd verweer

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat er op 19 juni 2013 van rechtswege geen ongewenstverklaring van de verdachte (meer) bestond, aangezien ten onrechte bij het besluit van 5 februari 2014, waarbij het verzoek van de verdachte tot opheffing van de verklaring tot ongewenst vreemdeling is toegewezen, is verzuimd de verklaring tot ongewenst vreemdeling met terugwerkende kracht op te heffen.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Bij beschikking van 15 mei 2009 is de verdachte op grond van artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000 tot ongewenst vreemdeling verklaard. Deze beschikking is op 2 juni 2009 aan de verdachte in persoon uitgereikt. Bij besluit van de Staatssecretaris van 5 februari 2014 is de verklaring van de verdachte tot ongewenst vreemdeling opgeheven, waarbij geen aanleiding werd gezien de opheffing met terugwerkende kracht te doen plaatsvinden. Derhalve moet ervan uitgegaan worden dat de ongewenstverklaring ten tijde van het tenlastegelegde nog van kracht was. Dat aan de verdachte een tijdelijke verblijfsvergunning, geldig van 5 juni 2014 tot 5 juni 2015, wegens medische gronden is verstrekt en dat de verdachte onlangs een nieuwe aanvraag voor een verblijfsvergunning op medische gronden heeft gedaan noch de omstandigheid dat thans nog een beroepsprocedure tegen voornoemd besluit van 5 februari 2014 ter zake de terugwerkende kracht aanhangig is, maakt dit anders nu deze omstandigheden de rechtskracht van het besluit tot ongewenstverklaring (thans nog) niet aantast.

Het hof merkt in dit verband nog op dat, voor zover het betoog van de raadsman er op neerkomt dat de ongewenstverklaring van rechtswege zijn geldigheid verliest door de inwerkingtreding van de Terugkeerrichtlijn (richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven), dit faalt nu een dergelijke conclusie uit wet- en regelgeving, noch uit de jurisprudentie van de Hoge Raad voortvloeit.

Het verweer wordt derhalve verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 19 juni 2013 te Zaandam, gemeente Zaanstad, als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist dat hij op grond van artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000, tot ongewenst vreemdeling was verklaard.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

als vreemdeling in Nederland verblijven, terwijl hij weet, dat hij op grond van een wettelijk voorschrift tot ongewenste vreemdeling is verklaard.

Strafbaarheid van de verdachte

Het hof overweegt ten aanzien van de strafbaarheid van de verdachte het volgende.

De verdachte kampt al jaren met ernstige medische klachten, hetgeen reeds blijkt uit de overwegingen dienaangaande in het besluit tot ongewenstverklaring van 15 mei 2009 en uitgereikt op 2 juni 2009.

Blijkens het proces-verbaal van bevindingen van 30 juni 2015 is de verdachte, na de intrekking van de ongewenstverklaring, in de periode van 5 juni 2014 tot 5 juni 2015 een verblijfsrecht op medische gronden toegekend. De IND stelt de verdachte thans in de gelegenheid een nieuwe aanvraag tot verblijfsvergunning op medische gronden voor te bereiden en in te dienen.

Op grond van deze omstandigheid, bezien in samenhang met de ter terechtzitting in hoger beroep namens de verdachte overgelegde medische stukken, acht het hof het aannemelijk dat de medische situatie van de verdachte na de ingangsdatum van de ongewenstverklaring dusdanig is verslechterd dat het wegens zijn gezondheidssituatie niet verantwoord was dat de verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde buiten Nederland zou reizen of verblijven.

Bij deze stand van zaken acht het hof aannemelijk dat ten tijde van het bewezenverklaarde sprake was van een overmachtsituatie, die aan strafbaarheid van de verdachte in de weg staat.

Het hof zal de verdachte daarom ontslaan van alle rechtsvervolging.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit als hiervoor vermeld.

Verklaart de verdachte niet strafbaar en ontslaat de verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. F.M.D. Aardema, mr. P.C. Römer en mr. H.S.G. Verhoeff, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Schoutsen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 16 juli 2015.

mr. F.M.D. Aardema en mr. P.C. Römer zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

[....]