Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:4554

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
03-08-2015
Datum publicatie
12-11-2015
Zaaknummer
23-002688-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling wegens beroving drie prostituees. Daarbij heeft verdachte hen, terwijl hij zich had gepresenteerd als klant, onverhoeds van achter benaderd en hun keel dichtgedrukt en/of geknepen, waarna zij het bewustzijn verloren. Bewijsoverwegingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-002688-14

datum uitspraak: 3 augustus 2015

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 24 juni 2014 in de strafzaak onder parketnummer 14-880492-12 tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Marokko) op [geboortedag] 1988,

gedagvaard als:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Israël) op [geboortedag] 1988,

en thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Ter Apel te Ter Apel.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzittingen in hoger beroep van 24 maart 2015 en 20 juli 2015 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1. primair:
hij op of omstreeks 08 juli 2012 in de gemeente Alkmaar ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een vrouw, genaamd [slachtoffer 1], van het leven te beroven, met dat opzet (met kracht en/of enige tijd) de keel van die [slachtoffer 1] heeft dichtgedrukt en/of heeft dichtgeknepen en welk vorenomschreven misdrijf (poging tot doodslag) werd gevolgd en/of vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten diefstal (met geweldpleging) (artikel 310/312 Wetboek van Strafrecht) en welke geweldshandeling(en) werd(en) gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; art 45 Wetboek van Strafrecht

1. subsidiair:
hij op of omstreeks 08 juli 2012 in de gemeente Alkmaar met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een geldbedrag van (ongeveer) 340 euro, althans enig geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aaneen vrouw, genaamd [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, (met kracht en/of enige tijd) de keel van die [slachtoffer 1] heeft dichtgedrukt en/of heeft dichtgeknepen;

2 primair:
hij op of omstreeks 26 juni 2012 in de gemeente 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een vrouw, genaamd [slachtoffer 2], van het leven te beroven, met dat opzet (met kracht en/of enige tijd) de keel van die [slachtoffer 2] heeft dichtgedrukt en/of heeft dichtgeknepen en welk vorenomschreven misdrijf (poging tot doodslag) werd gevolgd en/of vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten diefstal (met geweldpleging) (artikel 310/312 Wetboek van Strafrecht) en welke geweldshandeling(en) werd(en) gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; art 45 Wetboek van Strafrecht

2 subsidiair:
hij op of omstreeks 26 juni 2012 in de gemeente 's-Gravenhage met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een geldbedrag van (ongeveer) 250 euro, althans enig geldbedrag en/of een telefoon (merk Samsung), geheel of ten dele toebehorende aan een vrouw, genaamd [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, (met kracht en/of enige tijd) de keel van die [slachtoffer 2] heeft dichtgedrukt en/of heeft dichtgeknepen;

3 primair:
hij op of omstreeks 09 juli 2012 in de gemeente Utrecht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een vrouw, genaamd [slachtoffer 3], van het leven te beroven, met dat opzet (met kracht en/of enige tijd) de keel van die [slachtoffer 3] heeft dichtgedrukt en/of heeft dichtgeknepen en welk vorenomschreven misdrijf (poging tot doodslag) werd gevolgd en/of vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten diefstal (met geweldpleging) (artikel 310/312 Wetboek van Strafrecht) en welke geweldshandeling(en) werd(en) gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; art 45 Wetboek van Strafrecht

3 subsidiair:
hij op of omstreeks 09 juli 2012 in de gemeente Utrecht met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een geldbedrag van (ongeveer) 300 euro, althans enig geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aaneen vrouw, genaamd [slachtoffer 3] in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 3], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, (met kracht en/of enige tijd) de keel van die [slachtoffer 3] heeft dichtgedrukt en/of heeft dichtgeknepen;

4:
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 26 juni 2012 tot en met 9 juli 2012 en/of op 30 juli 2013 te Alkmaar en/of Den Haag en/of Utrecht, in elk geval in Nederland, (telkens) als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij (telkens) wist of ernstige reden had te vermoeden dat hij op grond van artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000, in elk geval op grond van enig wettelijk voorschrift, tot ongewenst vreemdeling was verklaard OF terwijl tegen hem een inreisverbod was uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de rechtbank.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde

Ingevolge artikel 27, tweede lid, van het Kaderbesluit Europees aanhoudingsbevel (2002/584) wordt een overgeleverd persoon niet vervolgd wegens enig ander vóór de overlevering begaan feit dan dat welk de reden tot overlevering is geweest.

Met de advocaat-generaal en de raadsvrouw stelt het hof in de voorliggende zaak aan de hand van de beschikking van de Centrale Arrondissementsrechtbank te Madrid no. 4 van 28 april 2015 vast dat de Spaanse autoriteiten de overlevering van de verdachte, die op 30 juli 2013 in Spanje plaatsvond, niet hebben toegestaan ter zake van het hem onder 4 tenlastegelegde misdrijf van artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) voor zover dat op de pleegperiode van 26 juni 2012 tot en met 9 juli 2012 ziet. Het openbaar ministerie is derhalve in zoverre niet-ontvankelijk in de vervolging van de verdachte ter zake van het onder 4 ten laste gelegde.

Onder 4 wordt de verdachte voorts het verwijt gemaakt dat hij ook op 30 juli 2013 in Nederland het misdrijf van artikel 197 Sr heeft gepleegd. Vastgesteld kan echter worden dat:

  • -

    met betrekking tot de verdachte door de officier van justitie van het Regioparket Haarlem-Alkmaar op 19 juni 2013 een Europees Arrestatiebevel is uitgevaardigd;

  • -

    de verdachte ingevolge dat bevel op 26 juni 2013 door de Spaanse autoriteiten is aangehouden;

  • -

    Nederlandse opsporingsambtenaren de verdachte in opdracht van voornoemde officier van justitie op 30 juli 2013 te 12.00 uur op de luchthaven van Madrid van de Spaanse autoriteiten hebben overgenomen en hem vervolgens per vliegtuig hebben overgebracht naar Nederland;

  • -

    die opsporingsambtenaren de verdachte bij aankomst in Nederland te 15.40 uur in opdracht van genoemde officier van justitie hebben aangehouden.

Gelet hierop is het hof met de rechtbank van oordeel dat de verdachte zich op 30 juli 2013 juist door toedoen van de Nederlandse autoriteiten in Nederland heeft bevonden.

Hoewel onderkend wordt dat aan het openbaar ministerie in artikel 167, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) de bevoegdheid is toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden en dat deze beslissing zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing leent, is hier sprake van een uitzonderlijk geval waarin moet worden geconcludeerd dat dat geen redelijk handelend lid van het openbaar ministerie heeft kunnen oordelen dat met de vervolging van de verdachte ter zake van het op laatstgenoemde datum plegen van het misdrijf van artikel 197 Sr enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn en het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging aldus danig met voeten is getreden. Om die redenen is het openbaar ministerie ook ten aanzien van dit deel van het onder 4 tenlastegelegde niet-ontvankelijk.

Het voorgaande brengt mee dat het openbaar ministerie integraal niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de vervolging van de verdachte ter zake van het onder 4 ten laste gelegde.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim, omdat de verdediging de mogelijkheid tot het aanwenden van een rechtsmiddel in Spanje is ontnomen, nu zij door het Nederlandse openbaar ministerie niet tijdig op de hoogte is gebracht van de Spaanse beschikking van 28 april 2015, houdende de uitbreiding van de strafbare feiten waarvoor de overlevering van de verdachte door de Spaanse autoriteiten werd toegestaan.

Het hof overweegt dat uit een e-mailbericht van 6 mei 2015 van de Spaanse officier van justitie [OvJ] aan het Nederlandse openbaar ministerie - waarvan de inhoud door de verdediging niet is bestreden - blijkt dat wel degelijk een rechtsmiddel tegen de beschikking van 28 april 2015 is aangewend. Blijkens een schrijven van de rechter in de genoemde Spaanse rechtbank van 20 mei 2015 is de beschikking vervolgens definitief geworden. Kennelijk heeft het in Spanje aangewende rechtsmiddel de verdachte niet kunnen baten. Het verweer mist dus feitelijke grondslag, reden waarom het hof het verwerpt.

De raadsvrouw heeft voorts aangevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard (naar het hof begrijpt: in de vervolging van de verdachte ter zake van het onder 3 ten laste gelegde), omdat het eerst ‘na 25 maanden vragen om toestemming sowieso te laat is’. Dit verweer kan niet leiden tot de door de raadsvrouw gewenste uitkomst, reeds omdat het niet voldoet aan de ingevolge vaste rechtspraak daaraan te stellen eisen.

Het hof leest de genoemde beschikking van 28 april 2015 tot slot aldus dat toestemming is gegeven voor de vervolging en berechting ter zake van het onder 3 ten laste gelegde. De in die beschikking daarvan genoemde pleegdatum (9 juli 2013) moet berusten op een vergissing. De feiten en omstandigheden die verder in de beschikking zijn genoemd houden immers verband met het vergrijp dat de verdachte thans onder 3 wordt verweten en op 9 juli 2012 zou zijn begaan, terwijl de verdachte zich op 9 juli 2013 in Spanje in overleveringsdetentie bevond. Evenmin kent het hof doorslaggevende betekenis toe aan het feit dat in het dictum van de beschikking - in plaats van de Nederlandse - de Portugese autoriteiten worden genoemd. In de beschikking is namelijk opgenomen dat deze is gegeven naar aanleiding van rechtshulpverzoeken van (slechts) de Nederlandse autoriteiten.

Ook overigens is niet gebleken van enig vervolgingsbeletsel.

Vrijspraak van het onder 1, 2 en 3 telkens primair ten laste gelegde

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 primair, 2 primair en 3 primair is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken. Dat oordeel berust op het volgende.

Het dossier bevat geen bewijs dat de verdachte bij zijn handelwijze ‘vol opzet’ heeft gehad op de dood van de aangeefsters [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1]), [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2]) en [slachtoffer 3] (hierna: [slachtoffer 3]). Uit het rapport van de deskundige prof. dr. W. Jacobs leidt het hof, in navolging van de rechtbank, voorts af dat het handelen van de verdachte ook geen aanmerkelijke kans op de dood van de aangeefsters in zich bergde, waardoor ook geen sprake kan zijn van voorwaardelijk opzet.

Bewijsoverwegingen

T.a.v. het onder 2 subsidiair ten laste gelegde (zaak Den Haag)

Op 26 juni 2012 was [slachtoffer 2] werkzaam als prostituee op de [adres 1] te Den Haag. Zij ontving die dag omstreeks 00.10 uur een mannelijke klant, waarmee ze gemeenschap had. Na afloop deed de man zijn condoom af, wikkelde het condoom in een papier en gooide het weg. [slachtoffer 2] stond vervolgens met haar rug naar de man toe en voelde plotseling zijn arm om haar nek. De man oefende druk uit op de nek/hals van [slachtoffer 2] waardoor zij geen adem meer kon halen. Daarop raakte zij bewusteloos. Toen [slachtoffer 2] bijkwam, keek zij in haar tas en zag ze dat het geld dat daarin zat (ongeveer € 250) en haar telefoon waren weggenomen.

Condoom als daderspoor

[slachtoffer 2] heeft verklaard dat de dader haar laatste klant was, dat hij het condoom met een stuk keukenpapier in de prullenbak had gegooid en dat het bovenste condoom in de prullenbak dus van hem moest zijn. Uit de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2], werkzaam als beheerders van een aantal panden aan de [straatnaam 1] te Den Haag, blijkt dat [getuige 1] de kamer van [slachtoffer 2] na de beroving heeft afgesloten en dat [getuige 2] daarna de eerste was die de kamer heeft betreden. Er was in de tussentijd niemand in de kamer geweest om op te ruimen of andere taken te verrichten. [getuige 2] heeft om 09.15 uur gezien dat de prullenbak nog gevuld was. Hij heeft verklaard dat hij, afgezien van het beddengoed, niets had aangeraakt. Op 26 juni 2012 om 10.20 uur stelden verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] een onderzoek in in de desbetreffende kamer, die geopend werd door [getuige 2]. Zij troffen in die kamer een prullenbak aan die tot de rand was gevuld met voornamelijk keukenpapier. Bovenin de prullenbak lagen stukken keukenpapier en een gezichtsreinigingsdoekje. Daar direct onder lag een prop van keukenpapier met daarin een condoom. De prop met het gebruikte condoom lag als enige bovenop een aantal papieren. De prop papier met het condoom werd in beslag genomen.

Voor het hof staat op grond van het voorgaande buiten redelijke twijfel dat het inbeslaggenomen condoom is gebruikt door de dader van de beroving. De door de raadsvrouw aangedragen alternatieve scenario’s, zoals de mogelijkheid dat de politie per ongeluk het verkeerde condoom heeft gepakt, berusten louter op suggestie, terwijl in het dossier voor die scenario’s geen enkel tastbaar aanknopingspunt kan worden gevonden; deze zijn dan ook niet aannemelijk geworden.

Het condoom bleek sperma te bevatten en uit de bemonstering daarvan is een DNA-profiel verkregen van een man, welk profiel bleek te matchen met het DNA-profiel van de verdachte. Dit betekent, zo is gerapporteerd door het Nederlands Forensisch Instituut (NFI), dat het sperma in de bemonstering afkomstig kan zijn van de verdachte. De berekende frequentie houdt in dat de kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen man macht met dit DNA-profiel kleiner is dan één op één miljard. Op grond hiervan concludeert het hof dat dit het DNA-profiel van de verdachte (en dus zijn sperma) betreft.

Bovenstaande feiten en omstandigheden dragen de conclusie dat het de verdachte is geweest die [slachtoffer 2] op gewelddadige wijze heeft beroofd en - mitsdien - de bewezenverklaring van het onder 2 subsidiair ten laste gelegde zelfstandig. Mede met het oog op hetgeen hierna omtrent het onder 1 subsidiair en 3 subsidiair tenlastegelegde zal worden overwogen, zal het hof niettemin wijzen op de navolgende feiten en omstandigheden die de bewezenverklaring verder ondersteunen.

Signalement

[slachtoffer 2] heeft verklaard dat de dader, die Engels sprak en zelf vertelde dat hij uit Irak kwam, een Noord-Afrikaans uiterlijk had. Hij was tussen de 20 en 25 jaar oud, had een lengte van ongeveer 1.80 meter, zwart kort haar en donkere ogen. Hij droeg verder een zwarte jas en een pet. Hij had sterke en erg goed gevormde armen, aldus [slachtoffer 2].

Het hof heeft ter terechtzitting in hoger beroep waargenomen dat de rechter boven- en onderarm van de verdachte opvallend gespierd zijn, dat hij licht getint is en dat hij kort zwart haar heeft. De verdachte

- die van Marokkaanse komaf is en ten tijde van het ten laste gelegde 24 jaar oud was - heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij 1.78 meter is, dat hij Engels spreekt en een talenknobbel heeft.

Op camerabeelden die op 26 juni 2012 vanaf 00.06.12 uur zijn gemaakt van de [adres 1] te Den Haag is te zien dat [slachtoffer 2] voor het raam staat. Om 00.06.22 uur laat [slachtoffer 2] een man binnen met een lichtgekleurd petje op zijn hoofd, en een gewatteerde jas met capuchon, een trainingsbroek en zwart-witte sportschoenen aan. Om 00.06.47 uur lopen [slachtoffer 2] en de man een kamer in, waarvan de deur wordt gesloten. Om 00.21.16 uur gaat de deur weer open en komt de man met versnelde pas de kamer uit. Hij heeft een getinte huidskleur, hetgeen aansluit bij het door [slachtoffer 2] van de dader opgegeven signalement.

Telefoonnummer verdachte en zendmastgegevens

Door de politie is onderzoek verricht naar het telefoonnummer [telefoonnummer 1] (hierna: *[telefoonnummer 1]) in de periode van 26 juni 2012 tot en met 25 september 2012. Dit telefoonnummer straalde op 25 juni 2012 omstreeks 23.34 uur de eerste sector van de KPN-zendmast 49285 ([adres 2] te Den Haag) aan, waarbinnen de [straatnaam 1] is gelegen.

Het nummer had in die periode - onder meer - contact met het telefoonnummer [telefoonnummer 2]. Getuige [getuige 3] heeft verklaard dat hij dit telefoonnummer in gebruik heeft, dat hij de verdachte uit het verleden kende en recent nog telefonisch contact met hem had gehad. Voorts is onderzoek verricht naar het telefoonnummer [telefoonnummer 3], waarover [getuige 3] heeft verklaard dat dit telefoonnummer in gebruik was bij de verdachte. Daaruit is gebleken dat diverse contacten van dit telefoonnummer overeenkomen met contacten die naar voren zijn gekomen in het onderzoek naar het telefoonnummer *[telefoonnummer 1]. Het gaat dan onder meer om genoemd telefoonnummer van [getuige 3] en telefoonnummers ten name van respectievelijk [naam 1] en [naam 2] staat, eveneens bekenden van de verdachte.

Uit deze feiten en omstandigheden leidt het hof, in navolging van de rechtbank, af dat het telefoon-nummer *[telefoonnummer 1] in de onderzochte periode, dus ook ten tijde van het onder 2 ten laste gelegde, in gebruik was bij de verdachte. Dat, zoals door de raadsvrouw is aangevoerd, [getuige 4] - wier nummer ook regelmatig in contact heeft gestaan met het nummer *[telefoonnummer 1] - heeft verklaard niet te weten wie de verdachte is, is in het licht van het vorenstaande van onvoldoende gewicht om tot een andere conclusie te komen.

T.a.v. het onder 1 subsidiair ten laste gelegde (zaak Alkmaar)

Op 8 juli 2012 was [slachtoffer 1] werkzaam als prostituee op de [straatnaam 2] te Alkmaar. Rond 23.00 uur werd zij bezocht door een mannelijke klant. De man raakte haar van achteren aan. Hij drukte zijn onderarmen op haar keel. [slachtoffer 1] voelde pijn, werd duizelig en raakte buiten bewustzijn. Toen zij bijkwam en in de spiegel keek, zag zij een rode striem op haar nek. [slachtoffer 1] keek vervolgens in haar kast en zag dat het eerder door de man betaalde bedrag van € 40 en haar portemonnee weg waren. In de portemonnee zat een bedrag van ongeveer € 300.

[slachtoffer 1] heeft verklaard dat de dader een man betrof van ongeveer 1.75 meter en ongeveer 23 jaar en dat zij dacht dat hij Marokkaan was. De man sprak goed Engels en droeg een pet, een jas met capuchon, een spijkerbroek en sportschoenen. De man was ongeschoren, had kort donker haar, een buikje en flinke onderarmen. Ter hoogte van zijn middel had hij een tasje hangen.

Ook ten aanzien van dit feit is de hiervoor vermelde waarneming van het hof ter terechtzitting in hoger beroep redengevend.

Op camerabeelden die op 8 juli 2012 tussen 22.00 uur en 23.15 uur zijn gemaakt door de gemeente Alkmaar en een belhuis aan de [straatnaam 2] te Alkmaar is één persoon te zien die voldoet aan het door [slachtoffer 1] opgegeven signalement. Om 23.03 uur komt deze persoon uit het gangetje lopen waar [slachtoffer 1] haar werkkamer heeft. De persoon heeft zijn jas half uit en draagt een tasje met het hengsel over zijn buik. Het tasje steekt onder de jas van de man uit. Hij draagt verder een jas met capuchon, een pet, een spijkerbroek en donkere schoenen met een witte zool/rand. Voorts is te zien dat de man op enig moment bewegingen maakt die erop duiden dat hij gebeld wordt en kort daarna uitbelt; aan de hand van de beelden is een indicatie verkregen van de duur van die gesprekken. Verder kan uit de verklaring van [slachtoffer 1] worden afgeleid dat zij de man die op de beelden is te zien, herkent als de dader.

Naar aanleiding hiervan is in het Digitaal Centraal Systeem (DCS) gezocht naar een telefoonnummer waarmee belgedrag is vertoond dat past bij evengenoemde onderzoeksresultaten. Daaruit kwam - als enige - het eerder genoemde telefoonnummer *[telefoonnummer 1] naar voren, welk nummer door het hof op voormelde gronden aan de verdachte is toegeschreven. Gebleken is dat dit telefoonnummer op 8 juli 2012 omstreeks 22.27 uur gebruik heeft gemaakt van tweede sector van KPN-zendmast 52274 ([adres 3] te Alkmaar). De [straatnaam 2] te Alkmaar bevindt zich in die sector.

T.a.v. het onder 3 subsidiair ten laste gelegde (zaak Utrecht)

Op 9 juli 2012 was [slachtoffer 3] werkzaam als prostituee op bootje [bootnummer 1], op het [straatnaam 3] te Utrecht. Rond 01.30 uur - ongeveer tweeëneenhalf uur na het incident in Alkmaar - zag zij een man over het [straatnaam 3] lopen. Hij kwam bij haar binnen en stond op enig moment achter haar. [slachtoffer 3] voelde dat de man zijn rechter onderarm om haar hals legde. Zij kreeg geen lucht en had veel pijn. Even daarna raakte zij buiten bewustzijn. Naderhand zag [slachtoffer 3] dat zij twee plekken (het hof begrijpt: verkleuringen) op haar hals had. Toen zij bijkwam, keek zij in de lade van haar kastje. Zij zag dat het geld dat zij daarin bewaarde - een bedrag van € 300 - weg was.

[slachtoffer 3] heeft opgegeven dat de dader een licht getinte man was met zwart kort haar en naar haar schatting 25 jaar oud. De man had een stevig postuur en een stoppelbaard en droeg een spijkerbroek en een zwarte jas met capuchon. Hij vertelde dat hij Irakees was, maar [slachtoffer 3] vond hem er eerder Marokkaans uit zien. Getuige [getuige 5], die die avond als prostituee werkzaam was op bootje [bootnummer 2], heeft de bewuste man die avond ook gezien. Zij heeft opgegeven dat het ging om een man met een stevig postuur van ongeveer 25 jaar oud. Hij droeg een spijkerbroek, een zwarte of blauwe jas, een petje en een tasje dat onder de jas uit stak, aldus [getuige 5].

Ook ten aanzien van dit feit is eerdervermelde waarneming van het hof ter terechtzitting in hoger beroep ten aanzien van het uiterlijk van de verdachte redengevend.

Op camerabeelden die op 9 juli 2012 omstreeks 01.30 uur aan het [straatnaam 3] te Utrecht zijn gemaakt is een persoon te zien die een donkerkleurige, gewatteerde jas met capuchon, een pet, een spijkerbroek, donkere schoenen met een witte zool/rand draagt, waarbij een tasje onder de jas van de man uit steekt. De man loopt een loopplank op en holt kort daarna weer weg. Gelet op de overeenkomsten met de door [slachtoffer 3] en [getuige 5] genoemde gegevens, gaat het hof er vanuit dat de persoon op de beelden de dader van de beroving van [slachtoffer 3] betreft.

Het telefoonnummer *[telefoonnummer 1], dat het hof op eerder uiteengezette gronden toeschrijft aan de verdachte, heeft op 9 juli 2012 omstreeks 1.34 uur gebruik gemaakt van de derde sector van KPN-zendmast 51129 ([adres 4] te Utrecht). Het [straatnaam 3] te Utrecht is gelegen in die sector.

Nadere overwegingen - schakelbewijs

In elk van de drie voorliggende zaken vertoont de over de dader bekende informatie belangrijke overeenkomsten met de informatie over de dader in de twee andere zaken. De gemene deler van de door de verschillende aangeefsters omtrent het uiterlijk van de desbetreffende dader verstrekte informatie is dat het gaat om een man met een Noord-Afrikaans dan wel Marokkaans uiterlijk met een leeftijd van 20 tot 25 jaar, een lengte van 1.75 tot 1.80 meter, (kort) donker tot zwart haar, die in de Engelse taal communiceert. Ook op detailniveau bestaan overeenkomsten. Zo wordt zowel in de Alkmaarse als de Haagse zaak melding maakt van de opvallend gevormde arm(en) van de dader. Zowel in de Alkmaarse als in de Utrechtse zaak is sprake van een dader met een buikje/stevig postuur die een jas met capuchon, een pet en donkere schoenen met een witte zool/rand draagt en bij wie een tasje onder de jas uit steekt. De verdachte kan, zoals al bleek, telkens met die informatie in verband worden gebracht. Verder is opvallend dat zowel in de Utrechtse als de Haagse zaak door de dader aan de aangeefster wordt opgegeven dat hij - in weerwil van diens Noord-Afrikaanse c.q. Marokkaanse uiterlijk - uit Irak komt.

Voorts is de modus operandi in de drie voorliggende zaken in essentie dezelfde, te weten:

  • -

    de dader opereert alleen;

  • -

    de dader kiest een prostituee als slachtoffer;

  • -

    de dader presenteert zich bij de prostituee als een klant;

  • -

    de dader knijpt of drukt in een onbewaakt moment de keel van achter dicht totdat het slachtoffer bewust zijn verliest;

  • -

    de dader pakt daarna het contante geld van het slachtoffer weg en neemt vervolgens de benen.

In het licht hiervan is het hof van oordeel dat de voor het bewijs van de onderhavige, onderscheiden misdrijven redengevende feiten en omstandigheden elkaar over en weer steun steunen, zodat zij ook over en weer voor het bewijs (kunnen) worden gebezigd.

Voorts is van belang dat precies dezelfde modus operandi eerder door de verdachte is gehanteerd, namelijk bij drie berovingen waarvoor hij bij arrest van 1 maart 2010 (parketnummer 21-003396-09) onherroepelijk is veroordeeld door dit hof (nevenzittingsplaats Arnhem), terwijl in de periode van 2008 tot 29 oktober 2012 geen andere zaken met een andere verdachte bekend zijn geworden waarbij sprake is van een combinatie van een signalement en een modus operandi als hier aan de orde.

Conclusie

Voor het hof staat op grond van het bovenstaande, in samenhang en onderling verband bezien, buiten redelijke twijfel vast dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de berovingen van [slachtoffer 2], [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3]. Het onder 1 subsidiair, 2 subsidiair en 3 subsidiair ten laste gelegde is dus wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair, 2 subsidiair en 3 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1. subsidiair:
hij op 8 juli 2012 in de gemeente Alkmaar met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag van 340 euro, toebehorende aan [slachtoffer 1], welke diefstal werd voorafgegaan van geweld tegen die [slachtoffer 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld hierin bestond dat hij, verdachte, met kracht en enige tijd de keel van die [slachtoffer 1] heeft dichtgedrukt en/of heeft dichtgeknepen;

2 subsidiair:
hij op 26 juni 2012 in de gemeente 's-Gravenhage met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag van ongeveer 250 euro en een telefoon (merk Samsung), toebehorende aan [slachtoffer 2], welke diefstal werd voorafgegaan van geweld tegen die [slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld hierin bestond dat hij, verdachte, met kracht en enige tijd de keel van die [slachtoffer 2] heeft dichtgedrukt en/of heeft dichtgeknepen;

3 subsidiair:
hij op 9 juli 2012 in de gemeente Utrecht met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag van ongeveer 300 euro, toebehorende aan [slachtoffer 3], welke diefstal werd voorafgegaan van geweld tegen die [slachtoffer 3], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld hierin bestond dat hij, verdachte, met kracht en enige tijd de keel van die [slachtoffer 3] heeft dichtgedrukt en/of heeft dichtgeknepen.

Hetgeen onder 1 subsidiair, 2 subsidiair en 3 subsidiair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het aanwenden van een rechtsmiddel zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 subsidiair, 2 subsidiair en 3 subsidiair bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

het onder 1 subsidiair, 2 subsidiair en 3 subsidiair bewezen verklaarde levert telkens op:

diefstal, voorafgegaan van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 subsidiair, 2 subsidiair en 3 subsidiair bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 subsidiair, 2 subsidiair, 3 subsidiair en 4 bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 subsidiair, 2 subsidiair en 3 subsidiair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren en 8 maanden met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij, en in het bijzonder bij de keuze voor het opleggen van een vrijheidsbenemende straf, het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft drie prostituees beroofd. Daarbij heeft hij hen, terwijl hij zich had gepresenteerd als klant, onverhoeds van achter benaderd en hun keel dichtgedrukt en/of geknepen, waarna zij voor een korte duur het bewustzijn verloren. De verdachte heeft zich kennelijk alleen laten leiden door het eigen financieel gewin en zijn ogen gesloten voor de gevolgen van zijn handelen voor de slachtoffers. Bekend is immers dat slachtoffers van dergelijke feiten vaak langdurig te kampen hebben met de psychische nasleep daarvan. Uit de verklaring van [slachtoffer 2] bij de rechter-commissaris van 4 februari 2014 blijkt dat zulks ook bij haar het geval is. Daarbij komt dat de verdachte met zijn handelen het vertrouwen dat de slachtoffers, zoals ook hun collega’s, in hun klanten zouden moeten kunnen stellen ernstig heeft aangetast. Tot slot heeft de verdachte gezorgd voor versterking van de maatschappij levende gevoelens van onrust en onveiligheid. Het hof neemt de verdachte de feiten daarom zeer kwalijk.

Er is, mede gezien op de inhoud van het omtrent de verdachte opgemaakte rapport door deskundigen van het Pieter Baan Centrum van 17 maart 2014, geen reden om aan te nemen dat de verdachte de bewezen feiten niet ten volle kunnen worden toegerekend.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 8 juli 2015 is hij eerder ter zake van soortgelijke feiten onherroepelijk veroordeeld. Bij eerdergenoemd arrest van 1 maart 2010 is de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie jaren en zes maanden, onder andere ter zake van de beroving van drie prostituees waarbij de verdachte dezelfde werkwijze heeft gehanteerd als in de onderhavige zaak. Kennelijk heeft de verdachte hieruit geen enkele lering getrokken. Het hof houdt hier in sterk strafverzwarende zin rekening mee en wel dusdanig dat een zwaardere straf zal worden opgelegd dan in eerste aanleg is gedaan en dan door de advocaat-generaal is gevorderd.

Van bijzondere persoonlijke omstandigheden - voor bekend geworden uit de omtrent de verdachte opgemaakte rapporten en zijn eigen verklaringen - die aanleiding geven tot matiging van de straf is niet gebleken.

Het hof acht, alles afwegende, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 22.700 bestaande uit een deel van € 2.700 voor materiële schade en een deel van € 20.000 voor immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 2.000. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

Vast is komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 2 subsidiair bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiële schade met een omvang van € 2.700 heeft geleden, gelet op de gemotiveerde stellingen van de benadeelde partij, die zijdens de verdachte niet zijn betwist (in het bijzonder ook niet voor wat betreft de causaliteit of de hoogte van de materiële schade). Dit deel van de vordering ligt dan ook voor toewijzing gereed.

Verder is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 2 subsidiair bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden, eveneens gelet op de gemotiveerde, door de verdediging niet betwiste, stellingen van de benadeelde partij.

De begroting van de omvang van immateriële schade is voorbehouden aan de rechter, die daarbij niet is gebonden aan de gewone regels omtrent stelplicht en bewijslast (HR 17 november 2000, NJ 2001/215). Het hof zal de omvang van de immateriële schade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 BW naar maatstaven van billijkheid schatten op € 2.500 waarbij in het bijzonder is gelet de omstandigheid dat de benadeelde, zo komt naar voren uit haar verklaring van 4 februari 2014, aan het gewelddadige incident een trauma heeft overgehouden en op de schadevergoeding die in vergelijkbare gevallen door rechters is toegekend. Voor het overige gaat toekenning van de gevorderde vergoeding voor immateriële schade de grenzen van de billijkheid te buiten, zodat dat deel zal worden afgewezen.

Derhalve zal het hof de vordering toewijzen tot een totaalbedrag van € 5.200, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 juni 2012 tot aan de dag der algehele voldoening, tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36f, 57 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging ter zake van het onder 4 ten laste gelegde.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 primair en 3 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair, 2 subsidiair en 3 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 subsidiair, 2 subsidiair en 3 subsidiair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ter zake van het onder 2 subsidiair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 5.200 (vijfduizend tweehonderd euro) bestaande uit € 2.700 (tweeduizend zevenhonderd euro) materiële schade en € 2.500 (tweeduizend vijfhonderd euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 juni 2012 tot aan de dag der algehele voldoening, tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2], ter zake van het onder 2 subsidiair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 5.200 (vijfduizend tweehonderd euro) bestaande uit € 2.700 (tweeduizend zevenhonderd euro) materiële schade en € 2.500 (tweeduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 61 (eenenzestig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.M. van Woensel, mr. J.J.I. de Jong en mr. M.J.A. Duker, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Schoutsen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 3 augustus 2015.

De jongste raadsheer en de griffier zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.