Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:4544

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
29-10-2015
Datum publicatie
10-11-2015
Zaaknummer
23-002495-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling rechtspersoon voor het niet binnen 13 maanden na afloop boekjaar openbaar maken van de jaarrekening. Verweer niet-ontvankelijkheid OM, wegens het niet in staat stellen van de verdachte om de uitgevaardigde strafbeschikking te voldoen, verworpen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2016/38
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-002495-14

datum uitspraak: 29 oktober 2015

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam, economische strafkamer, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Amsterdam van 6 juni 2014 in de strafzaak onder parketnummer 82-104616-13 tegen

[verdachte/bedrijf],

gevestigd aan het [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 15 oktober 2015 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

zij in de gemeente Amsterdam, althans in Nederland, (als rechtspersoon) niet uiterlijk binnen dertien maanden na afloop van het boekjaar 2010, op de in artikel 394 lid 1 Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek voorgeschreven wijze de jaarrekening van dat boekjaar openbaar heeft gemaakt, aangezien op of omstreeks 19 november 2012, voormelde jaarrekening(en) nog niet openbaar was/waren gemaakt door nederlegging van een volledig in de Nederlandse taal gesteld exemplaar, ten kantore van het handelsregister dat wordt gehouden door de Kamer van Koophandel en Fabrieken die overeenkomstig artikel 18, zesde en zevende lid, van de Handelsregisterwet 2007 bevoegd is tot inschrijving.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de economische politierechter.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De economische politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging van de verdachte, nu uit het dossier volgt dat het openbaar ministerie ervoor heeft gekozen de zaak bij strafbeschikking af te doen en de verdachte vervolgens niet in de gelegenheid heeft gesteld de strafbeschikking te voldoen.

Het openbaar ministerie heeft tegen deze beslissing hoger beroep ingesteld.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

In de kern zijn in deze zaak twee ontvankelijkheidsaspecten aan de orde.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat bij het uitschrijven van het proces-verbaal door de verbalisant werd medegedeeld dat hij door de officier van justitie een boete opgelegd zou krijgen en dat deze boete ongeveer €300,00 zou bedragen. Uit het dossier volgt dat de verbalisant de verdachte erop heeft gewezen dat hij door middel van het opgemaakte proces-verbaal aan de officier van justitie kon verzoeken de voorwaarden te mogen vernemen ter voorkoming van een eventuele strafvervolging, waarop de verdachte heeft verklaard hiervan gebruik te willen maken.

Voor de beantwoording van de vraag of met het desalniettemin strafrechtelijk vervolgen van de verdachte het vertrouwensbeginsel is geschonden geldt het volgende.

Buiten de in de wet geregelde gevallen is voor niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging van een verdachte slechts plaats in uitzonderlijke situaties. Zo'n uitzonderlijk geval doet zich voor wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet nadat door het openbaar ministerie gedane, of aan het openbaar ministerie toe te rekenen, uitlatingen bij de verdachte het gerechtvaardigde vertrouwen hebben gewekt dat hij niet (verder) zal worden vervolgd. Aan uitlatingen of gedragingen van functionarissen aan wie geen bevoegdheden in verband met de vervolgingsbeslissing zijn toegekend kan zulk gerechtvaardigd vertrouwen dat (verdere) vervolging achterwege zal blijven evenwel in de regel niet worden ontleend (vgl. HR 8 mei 2012, HR:2012:BW5002)

Voor zover de verdachte meent dat met de uitlatingen van de verbalisant hem is toegezegd dat hij niet strafrechtelijk zou worden vervolgd, kan hem dit niet baten. Uit de stukken van het dossier volgt immers niet dat deze toezegging is gedaan in opdracht van een officier van justitie, terwijl zij evenmin anders kan worden beschouwd als een aan het openbaar ministerie toe te rekenen toezegging (vgl. HR 13 september 1988, ECLI:NL:HR:1988:AC3188).

Uit het verhandelde ter terechtzitting in eerste aanleg volgt verder dat het openbaar ministerie ervoor heeft gekozen de zaak tegen de verdachte bij strafbeschikking af te doen. Echter, niet is gebleken dat de toezending van het afschrift van de strafbeschikking heeft plaatsgevonden, terwijl de verdachte heeft verklaard nooit een strafbeschikking te hebben ontvangen. De economische politierechter heeft in de uitspraak van 6 juni 2014 het volgende overwogen:

“Uit het dossier volgt dat het Openbaar Ministerie ervoor heeft gekozen de zaak tegen verdachte bij strafbeschikking af te doen. De toezending van het afschrift van de strafbeschikking heeft echter niet plaatsgevonden, waardoor verdachte niet op de hoogte is gebracht van de strafbeschikking. Als gevolg daarvan heeft verdachte geen gebruik kunnen maken van de mogelijkheid om ofwel de in de strafbeschikking genoemde boete te voldoen ofwel verzet in te stellen tegen de strafbeschikking.

Doordat verdachte meteen is gedagvaard na de mislukte uitreiking heeft hij niet de gelegenheid gehad om, zonder openbare behandeling door een rechter en zonder dat hij de kans liep een zwaardere straf opgelegd te krijgen, te voldoen aan de sanctie die hem bij wege van een strafbeschikking was opgelegd. De verdachte is aldus in zijn belangen geschaad.

Door het Openbaar Ministerie zijn geen redenen aangevoerd waarom er is teruggekomen op het

aanvankelijke besluit om de zaak bij strafbeschikking af te doen. In dit licht bezien is de

vervolging van de verdachte in de gegeven omstandigheden strijdig met hét beginsel van een

redelijke en billijke belangenafweging.”

Artikel 257a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) bepaalt dat de officier van justitie indien hij vaststelt dat een overtreding is begaan dan wel een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf is gesteld van niet meer dan zes jaar, een strafbeschikking kán uitvaardigen. Er bestaat aldus geen verplichting om strafbare feiten waarvoor een strafbeschikking kan worden uitgevaardigd, met een strafbeschikking af te doen. Dit sluit aan en vloeit voort uit het opportuniteitsbeginsel dat in artikel 167 Sv is neergelegd. Het openbaar ministerie heeft bij toepassing van het opportuniteitsbeginsel beoordelings- en beleidsvrijheid bij de keuze om een zaak bij strafbeschikking af te doen of om tot dagvaarden over te gaan, zulks met inachtneming van de ten tijde van het ten laste gelegde feit geldende Aanwijzing OM-afdoening (in 2015 vervangen door de Aanwijzing OM-strafbeschikking). Voorts vindt deze beoordelings- en beleidsvrijheid van het openbaar ministerie zijn beperking in de beginselen van goede procesorde.

De beslissing om tot vervolging over te gaan leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing, in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde, voor zover hier van belang met het verbod van willekeur — dat in strafrechtspraak in dit verband ook wel wordt omschreven als het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging — om de reden dat geen redelijk handelend lid van het openbaar ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn (vgl HR 6 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4280).

Naar het oordeel van het hof is in de onderhavige zaak van een uitzonderlijk geval waarin het openbaar ministerie om die reden niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging geen sprake, temeer nu de strafbeschikking in het geheel niet is uitgevaardigd en dus ook niet is ten uitvoer gelegd. Doch ook een reeds uitgevaardigde strafbeschikking maakt dit niet anders. Het hof wijst in dit verband op de wetsgeschiedenis (Kamerstukken II 2004-2005, 29 849, nr. 3):

“3.3 De rechtsgevolgen van de strafbeschikking

De rechtsgevolgen van een strafbeschikking worden in belangrijke mate geregeld in het voorgestelde artikel 255a Sv. In dit artikel wordt vastgelegd in welke gevallen de strafrechter, buiten het geval waarin de verdachte verzet aanwendt, nog aan bod kan komen nadat een

strafbeschikking is uitgevaardigd.

Uit het artikel blijkt dat de gevallen waarin de strafrechter nog aan bod kan komen nadat een strafbeschikking is uitgevaardigd, niet in sterke mate afwijken van de gevallen waarin de rechter thans na een transactieaanbod nog kan worden ingeschakeld. Uit het eerste lid van het voorgestelde artikel volgt dat het recht tot strafvordering (behoudens artikel 12i Sv) vervalt na een ten uitvoer gelegde strafbeschikking. Dat is thans ook het geval indien aan de voorwaarden van een transactie is voldaan (artikel 74 Sr). In die situatie verandert er derhalve niets: het openbaar ministerie kan de verdachte niet meer uit eigen beweging vervolgen. Dezelfde regel

geldt, ingevolge het voorgestelde tweede lid, ook als de strafbeschikking is ingetrokken.

Wordt de verdachte gedagvaard omdat de strafbeschikking niet ten uitvoer is gelegd, dan is de strafbeschikking ingevolge het voorgestelde derde lid niet meer voor tenuitvoerlegging vatbaar. De tenuitvoerlegging die reeds is aangevangen, wordt geschorst.

Men zou de wijze waarop dit wetsvoorstel de buitengerechtelijke en gerechtelijke fase aan elkaar koppelt in het geval waarin de strafbeschikking niet volledig ten uitvoer wordt gelegd, kunnen aanduiden als een «vervolging in etappes». Deze constructie is in overeenstemming met het

ne bis in idem-beginsel zoals dat in artikel 4 van het zevende protocol bij het EVRM en artikel 14, zevende lid, van het IVBPR beschermd wordt. Niet alleen is geen sprake van een tweede «berechting», zelfs van een separate vervolging is geen sprake. De wettelijke regeling maakt duidelijk dat, in het geval de strafbeschikking niet ten uitvoer wordt gelegd, de strafvervolging

voor de strafrechter kan worden voortgezet. De verdachte wordt daar in de strafbeschikking ook op geattendeerd. Ten slotte verplicht de wet de strafrechter ertoe, een beslissing over de strafbeschikking te nemen; gewoonlijk zal hij deze vernietigen (vgl. artikel 354a Sv) en er zijn eigen beslissing voor in de plaats stellen. Ook daardoor zijn beide fases aan

elkaar gekoppeld.”

Het hof volgt het oordeel van de economische politierechter aldus niet. Nu ook overigens geen feiten of omstandigheden zijn aangevoerd of anderszins aannemelijk zijn geworden die zouden moeten leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, is het openbaar ministerie ontvankelijk in zijn vervolging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij in de gemeente Amsterdam als rechtspersoon niet uiterlijk binnen dertien maanden na afloop van het boekjaar 2010, op de in artikel 394 lid 1 Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek voorgeschreven wijze de jaarrekening van dat boekjaar openbaar heeft gemaakt, aangezien op 19 november 2012, voormelde jaarrekening nog niet openbaar was gemaakt door nederlegging van een volledig in de Nederlandse taal gesteld exemplaar, ten kantore van het handelsregister dat wordt gehouden door de Kamer van Koophandel en Fabrieken die overeenkomstig artikel 18, zesde en zevende lid, van de Handelsregisterwet 2007 bevoegd is tot inschrijving.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het aanwenden van een rechtsmiddel zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

Overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 394, derde lid, Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, begaan door een rechtspersoon.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De economische politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de strafvervolging.

Tegen voormeld vonnis is door het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete van €900,00, waarvan €600,00 voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de draagkracht van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft niet uiterlijk binnen 13 maanden na afloop van het boekjaar 2010 de jaarrekening van dat boekjaar openbaar gemaakt. Door aldus te handelen heeft verdachte derden de kans ontnomen zelfstandig te bekijken welke de vermogenspositie van het bedrijf was.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 2 oktober 2015 is de verdachte niet eerder strafrechtelijk onherroepelijk veroordeeld.

Het hof acht, alles afwegende, een deels voorwaardelijke geldboete van na te melden hoogte passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op artikel 394 van het Burgerlijk Wetboek (Boek 2), de artikelen 14a, 14b, 14c, 23 en 24 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 900,00 (negenhonderd euro).

Bepaalt dat een gedeelte van de geldboete, groot € 600,00 (zeshonderd euro), niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige economische strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. N.A. Schimmel, mr. M. Jurgens en mr. S.M.M. Bordenga, in tegenwoordigheid van mr. N. de Visser, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 29 oktober 2015.

Mr. Bordenga is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

[....]