Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:4519

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
03-11-2015
Datum publicatie
19-02-2016
Zaaknummer
200.171.105/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bestuurdersaansprakelijkheid. Geen voldoende ernstig persoonlijk verwijt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OR-Updates.nl 2016-0057
INS-Updates.nl 2016-0143
AR 2016/483

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.171.105/01

zaak-/rolnummer rechtbank Noord-Holland : 3396525/CV EXPL 14-9962

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 3 november 2015

inzake

[APPELLANTE] , h.o.d.n. Rinie [appellante] Budgetcoaching, wonende en

gevestigd te Haarlem, in haar hoedanigheid van bewindvoerder van [x],

appellante,

advocaat: mr. P.M.L. Schröder te Bussum,

tegen

TRANSCARGO B.V.,

gevestigd te Herkenbosch,

geïntimeerde,

niet verschenen.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellante] en Transcargo genoemd.

[appellante] is bij dagvaarding van 21 mei 2015 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, (hierna: de kantonrechter) van 5 maart 2015 gewezen tussen Transcargo als eiseres en (onder meer) [appellante] als gedaagde.

Ter rolle van 9 juni 2015 is tegen Transcargo verstek verleend.

[appellante] heeft een memorie van grieven, met producties genomen en heeft bewijs van haar stellingen aangeboden.

[appellante] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en alsnog de vorderingen van Transcargo zal afwijzen, met veroordeling van Transcargo in de kosten van beide instanties.

Vervolgens heeft [appellante] arrest gevraagd.

2 Feiten

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis de feiten vastgesteld die hij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en het hof neemt deze dan ook als vaststaand aan. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, komen de feiten neer op het volgende.

2.1

Bij beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland van 3 april 2014 zijn de goederen van [x] (hierna: [x]) ex art. 1:431 lid 1 BW onder bewind gesteld, met benoeming van [appellante] tot bewindvoerder.

2.2

[x] is in het najaar van 2012 benaderd door [Y], een bekende van een buurvrouw van [x], met de vraag of zij hem wilde helpen bij het oprichten van een bedrijf. Zij zou daarvoor een vergoeding van € 1.500,- per maand ontvangen als het bedrijf zou gaan lopen. Zij is met [Y] naar de notaris gegaan.

2.3

Van oktober 2012 tot 1 juli 2013 was [x] enig bestuurder van Lobur B.V. (hierna: Lobur). Met ingang van 1 juli 2013 was [Z] (hierna: [Z]) enig bestuurder van Lobur.

2.4

Transcargo heeft in juni 2013 transportovereenkomsten gesloten met Lobur aangaande het vervoer van vrachten watermeloenen van Griekenland naar Nederland. Transcargo heeft in opdracht van Lobur in totaal 5 ladingen watermeloenen doen vervoeren. Transcargo heeft daarvoor een bedrag van in totaal € 25.337,- aan Lobur gefactureerd, waarvan een bedrag van € 17.337,- onbetaald is gebleven.

2.5

Op 3 september 2013 is Lobur bij vonnis van de rechtbank Rotterdam in staat van faillissement verklaard.

2.6

Bij brief van 19 september 2013 heeft Transcargo [x] en [Z] als bestuurders van Lobur persoonlijk aansprakelijk gesteld voor haar vordering op Lobur.

3 Beoordeling

3.1.

In eerste aanleg heeft Transcargo gevorderd [x], [appellante] en [Z] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 17.337,- aan hoofdsom, een bedrag van € 948,37 aan buitengerechtelijke incassokosten en een bedrag van

€ 1.733,70 aan administratieve kosten, vermeerderd met de wettelijke (handels)rente, en tot betaling van de proceskosten.

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis wat betreft [x] samengevat geoordeeld dat [x] persoonlijk aansprakelijk is voor de schade die Transcargo heeft geleden als gevolg van niet-nakoming door Lobur van haar betalingsverplichtingen. [x] heeft, als bestuurder, het feitelijk bestuur van Lobur overgelaten aan een derde zonder onderzoek te doen naar de intenties en de financiële mogelijkheden van deze derde. [x] heeft willens en wetens het risico genomen dat Lobur haar crediteuren zou benadelen en had redelijkerwijs behoren te begrijpen dat de door haar toegelaten handelwijze van Lobur tot gevolg zou hebben dat Lobur haar verplichtingen jegens crediteuren niet zou nakomen. [x] valt een persoonlijk ernstig verwijt te maken, aldus de kantonrechter. Volgens de kantonrechter is voorts niet gebleken dat de psychische situatie van [x] ten tijde van het aangaan van de transportovereenkomsten en het ontstaan van de betalingsverplichtingen zodanig was dat haar geen persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt. De kantonrechter heeft de vorderingen jegens [x] niet-ontvankelijk verklaard en [appellante] (en [Z] hoofdelijk) veroordeeld tot betaling van € 17.390,35, vermeerderd met de wettelijke rente. Tegen deze beslissingen en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [appellante] met vier grieven op.

3.2

De eerste grief komt op tegen het oordeel van de kantonrechter dat [x] als bestuurder van Lobur een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt.

[appellante] heeft samengevat aangevoerd dat [x] nimmer een verplichting namens Lobur is aangegaan waarvan zij wist of redelijkerwijs heeft moeten begrijpen dat Lobur deze verplichting niet zou nakomen en daarvoor geen verhaal zou bieden. [x] is niet degene geweest die de gestelde transportovereenkomst met Transcargo heeft gesloten. [x] vertrouwde [Y]. De vergoeding van € 1.500,- per maand heeft [x] nimmer ontvangen. [x] lijdt voorts sedert 1986 aan meerdere psychische stoornissen, waardoor haar handelen of nalaten haar niet kan worden verweten. Aldus [appellante].

3.3

Het hof overweegt als volgt. Het gaat in deze zaak om benadeling van een schuldeiser van een vennootschap door het onbetaald en onverhaalbaar blijven van diens vordering. Ter zake van deze benadeling zal naast de aansprakelijkheid van de vennootschap mogelijk ook, afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval, grond zijn voor aansprakelijkheid van degene die als bestuurder (i) namens de vennootschap heeft gehandeld dan wel (ii) heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. In beide gevallen mag in het algemeen alleen dan worden aangenomen dat de bestuurder jegens de schuldeiser van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld waar hem, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in art. 2:9 BW, een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt (vgl. HR 18 februari 2000, nr. C98/208, NJ 2000, 295).

Voor de onder (i) bedoelde gevallen kan persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder van de vennootschap worden aangenomen wanneer deze bij het namens de vennootschap aangaan van verbintenissen wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden. In de onder (ii) bedoelde gevallen kan de betrokken bestuurder voor schade van de schuldeiser aansprakelijk worden gehouden indien zijn handelen of nalaten als bestuurder ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Van een dergelijk ernstig verwijt zal bijvoorbeeld sprake kunnen zijn als komt vast te staan dat de bestuurder wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade.

3.4

Transcargo heeft niet gesteld dat het [x] is geweest die de transportovereenkomsten namens Lobur met haar is aangegaan. [appellante] heeft zulks ook betwist. Om die reden kan niet worden aangenomen dat [x] een persoonlijk ernstig verwijt op de in r.o. 3.3. onder (i) bedoelde grond kan worden gemaakt.

3.5

Wat betreft de in r.o. 3.3 onder (ii) bedoelde grond overweegt het hof als volgt.

Het hof laat daarbij in het midden het betoog van [appellante] dat bij de beoordeling van het handelen en/of nalaten van [x] haar psychische situatie moet worden betrokken.

[x] kan worden verweten dat zij zich lichtvaardig heeft laten inschrijven als statutair bestuurder van Lobur zonder op behoorlijke wijze – [x] stelt zelf dat zij geen enkele bemoeienis heeft gehad met Lobur – invulling te geven aan haar taak als bestuurder. Naar het oordeel van het hof heeft [x] daarmee niet voldaan aan haar verplichtingen tot behoorlijke taakvervulling voortvloeiende uit het bepaalde in art. 2:9 BW. Dat haar handelen of nalaten als bestuurder van Lobur ten opzichte van Transcargo dermate onzorgvuldig is geweest dat haar een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt in de hiervoor in r.o. 3.3 onder (ii) besproken zin is evenwel onvoldoende gebleken. Niet kan worden vastgesteld dat [x] heeft bewerkstelligd dat Lobur niet aan haar betalingsverplichtingen jegens Transcargo heeft voldaan of dit heeft belemmerd, zoals Transcargo heeft gesteld en [appellante] heeft weersproken. De enkele vaststelling dat en waarom [x] niet aan artikel 2:9 BW heeft voldaan brengt dat bewerkstelligen of belemmeren nog niet mee. Transcargo heeft ook niet toegelicht waaruit het bewerkstelligen of belemmeren door [x] zou hebben bestaan. De omstandigheid dat, zoals Transcargo heeft gesteld, de openstaande facturen uit de opbrengst van de watermeloenen hadden kunnen worden betaald, is daarvoor niet voldoende. Dat [x] van meet af aan wist of had moeten weten dat Lobur Transcargo nimmer zou betalen of verhaal zou bieden is evenmin gebleken. Transcargo stelt (punt 1 inleidende dagvaarding) dat zij Lobur bij aanvang van de relatie financieel heeft gescreend en geen merkwaardigheden is tegengekomen. Verder staat vast dat Lobur een bedrag van € 8.000,- in mindering op de kosten van Transcargo heeft voldaan. Gezien deze omstandigheden kan, zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet worden aangenomen dat [x], die bovendien afging op de mededelingen van [Y], die feitelijk alles regelde, had moeten begrijpen dat Lobur haar verplichtingen jegens Transcargo niet zou nakomen en daarvoor geen verhaal zou bieden. De omstandigheid dat [x] heeft gehoord dat [Y] zich tijdens een telefoongesprek met Transcargo uitgaf voor Dennis [x] is niet voldoende voor een andersluidende conclusie. De slotsom is dat [x] weliswaar kan worden verweten dat zij heeft nagelaten haar bestuurstaak behoorlijk uit te oefenen, maar dat in de gegeven omstandigheden onvoldoende grond bestaat om aan te nemen dat dit nalaten ten opzichte van Transcargo een zodanig ernstig persoonlijk verwijt oplevert dat zij op de onder 3.3 onder (ii) genoemde grond jegens Transcargo persoonlijk aansprakelijk is te achten.

3.6

De conclusie is dat de eerste grief terecht is voorgesteld.

3.7

In verband met de devolutieve werking van het hoger beroep zal het hof thans de andere gronden die Transcargo aan haar vorderingen ten grondslag had gelegd bespreken.

3.8

De enkele mededeling van [x] “dat alles in orde zou komen” (punt 5 inleidende dagvaarding) kan, ook indien zou vaststaan dat [x] deze mededeling had gedaan ([appellante] betwist het) niet worden aangemerkt als een toezegging die meebrengt dat Transcargo thans jegens [x] persoonlijk van de indertijd door Lobur aangegane betalingsverplichting nakoming kan vorderen.

3.9

Andere dan de hiervoor besproken gronden waarop [x] persoonlijk aansprakelijk zou kunnen worden gehouden voor de niet betaling van de nog openstaande facturen van Transcargo door Lobur zijn door Transcargo niet gesteld.

3.10

De slotsom is dat de vorderingen van Transcargo jegens [appellante] alsnog moeten worden afgewezen. De overige grieven behoeven geen bespreking meer. Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd. Transcargo zal als in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding in beide instanties.

4 Beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover jegens [appellante] gewezen:

en alleen in zoverre opnieuw rechtdoende:

wijst de vorderingen jegens [appellante] af;

veroordeelt Transcargo in de kosten van het geding in beide instanties, in eerste aanleg aan de zijde van [appellante] begroot op € 600,- voor salaris en in hoger beroep tot op heden op € 407,84 aan verschotten en € 894,- voor salaris;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. E.E. van Tuyll van Serooskerken-Röell, W.A.H. Melissen en C.C. Meijer en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 3 november 2015.