Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:4511

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
03-11-2015
Datum publicatie
09-11-2015
Zaaknummer
200.155.617/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Werknemers werkten op basis van een full-time arbeidsovereenkomst. Tot 1 januari 2003 bedroeg de arbeidstijd 36 uur per week en vanaf vanaf 1 januari 2003 38 uur per week. Hun salaris is met ingang van 1 januari 2003 dienovereenkomstig verhoogd. De vraag of die salarisverhoging moet worden verwerkt in de pensioenopbouw zoals die tot 1 januari 2003 heeft plaatsgevonden, moet ontkennend worden beantwoord.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2015-1135
AR 2015/2152
PJ 2016/2
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer: 200.155.617/01

zaaknummer rechtbank Amsterdam: CV 13-15246

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 3 november 2015

inzake

1 [appellant sub 1] , wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,

2. [appellant sub 2], wonende te [woonplaats] ,

gemeente [gemeente] ,

3. [appellante sub 3], wonende te [woonplaats] ,

4. [appellant sub 4], wonende te [woonplaats] ,

5. [appellant sub 5], wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,

6. [appellant sub 6], wonende te [woonplaats] ,

7. [appellant sub 7], wonende te [woonplaats] , en

8. [appellant sub 8], wonende te [woonplaats] ,

appellanten,

advocaat: mr. H. Aydemir te Utrecht.

tegen

STICHTING PENSIOENFONDS UWV,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde,

advocaat: mr. E. Lutjens te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

1.1

Partijen worden in het hiernavolgende aangeduid als [appellanten] en Pensioenfonds.

1.2

Bij dagvaarding van 21 mei 2014 zijn [appellanten] in hoger beroep gekomen van het op 27 februari 2014 door de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter) uitgesproken vonnis (hierna: het vonnis), onder opgemeld zaaknummer gewezen tussen hen als eisers en Pensioenfonds als gedaagde.

1.3

Bij memorie hebben [appellanten] negen grieven tegen het vonnis aangevoerd, hun eis gewijzigd, producties in het geding gebracht, bewijs aangeboden en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis en tot toewijzing - bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest - van hun onder 3.2 weer te geven (gewijzigde) vorderingen met veroordeling van Pensioenfonds in de kosten van de procedure in beide instanties.

1.4

Bij memorie van antwoord heeft Pensioenfonds de grieven van [appellanten] bestreden en geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis met hoofdelijke veroordeling van [appellanten] - bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest - in (het hof begrijpt) de kosten van de procedure in hoger beroep, te vermeerderen met de wettelijke rente en de nakosten.

1.5

Partijen hebben de zaak op 6 mei 2015 doen bepleiten door hun voornoemde advocaten. Zij hebben zich bediend van pleitnotities, die aan het hof zijn overgelegd.

1.6

Ten slotte is arrest gevraagd.

2 Feiten en behandeling grieven 1 en 2

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 1.1 tot en met 1.11 een aantal feiten vermeld die hij tot uitgangspunt heeft genomen. De grieven 1 en 2 hebben betrekking op de onder 1.2 en 1.4 vermelde feiten. Met grief 1 klagen [appellanten] er over dat uit de feitenopsomming van de kantonrechter onder 1.2 niet blijkt dat voor [appellanten] eerst vanaf 1 januari 2003 een 38-urige werkweek gold bij een fulltime dienstverband en dat voor die datum bij zo een dienstverband 36 uur per week moest worden gewerkt. [appellanten] kan worden toegegeven dat uit het onder 1.2 overwogene niet blijkt dat zij eerst met ingang van 1 januari 2003 38 uur per week zijn gaan werken. Dat volgt echter wel uit de onder 1.4 en 1.5 door de kantonrechter vermelde feiten. Het feit dat de kantonrechter onder 1.11 alleen artikel 1.4 van het reglement van Pensioenfonds heeft geciteerd impliceert, anders dan [appellanten] betogen, niet dat hij de andere artikelen van dat reglement niet bij zijn beoordeling heeft betrokken. Aldus falen de grieven 1 en 2. Omtrent de overige door de kantonrechter vastgestelde feiten bestaat geen geschil, zodat ook het hof van deze feiten zal uitgaan.

3 Verdere beoordeling

3.1

Het gaat in deze zaak – kort weergegeven – om het volgende.

[appellanten] zijn vanaf 1 april 2002 in dienst (geweest) van UWV. Op hun respectieve arbeidsovereenkomsten was/is de collectieve arbeidsovereenkomst UWV van toepassing (hierna: de cao). Vóór 1 april 2002 waren [appellanten] in dienst bij Uitvoeringsinstelling USZO, een rechtsvoorgangster van UWV. Bij USZO gold voor [appellanten] bij een fulltime dienstverband een werkweek van 36 uur. Bij UWV hebben zij aanvankelijk op basis van een fulltime dienstverband ook 36 uur per week gewerkt en werk(t)en zij vanaf 1 januari 2003 38 uur per week, de arbeidstijd die vanaf 1 januari 2003 ingevolge de cao bij een fulltime dienstverband geldt. Hun salaris is met ingang van 1 januari 2003 dienovereenkomstig verhoogd in die zin dat zij vanaf die datum 38/36 van het salaris van vóór 1 januari 2003 ontvingen. Partijen verschillen van mening over het antwoord op de vraag of en hoe de uitbreiding van de arbeidsduur van [appellanten] en de verhoging van het salaris, die daarvan het gevolg is geweest, moet worden verwerkt in de pensioenopbouw van [appellanten] tot 1 januari 2003. De voor [appellanten] vanaf 1 april 2002 geldende pensioenregeling was aanvankelijk vastgelegd in het pensioenreglement GAK en ligt sinds 1 januari 2004 vast in het reglement van Pensioenfonds. Tot 1 april 2002 zijn [appellanten] deelnemer geweest in Pensioenfonds ABP. In 2004 heeft een waardeoverdracht plaatsgevonden van de tot 1 april 2002 bij het pensioenfonds ABP opgebouwde pensioenaanspraken aan Pensioenfonds. Pensioenfonds heeft voor de tijd dat [appellanten] vóór 1 januari 2003 deelnemers waren en 36 uur werkten, bij de berekening van het aantal deelnemingsjaren van [appellanten] een parttime percentage toegepast van 36/38 (0,9474) en is bij de vaststelling van de pensioengrondslag vanaf 1 januari 2003 uitgegaan van het salaris dat voor [appellanten] gold bij een 38-urige werkweek. Tot 1 januari 2005 was de voor [appellanten] geldende pensioenregeling een eindloonregeling.

3.2

[appellanten] vorderen na wijziging van eis in hoger beroep - kort weergegeven - Pensioenfonds te veroordelen om over te gaan tot het corrigeren van hun pensioenrechten over hun hele deelnemingsperiode zonder toepassing van een parttime percentage onder overlegging van een gespecificeerd herzien pensioenoverzicht en Pensioenfonds te veroordelen tot betaling van de door hen gemaakte deskundigenkosten tot een bedrag van € 5.960,-- en van€ 1.785,-- ter zake van buitengerechtelijke incassokosten, beide bedragen te vermeerderen met wettelijke rente.

3.3

De kantonrechter heeft de vorderingen van [appellanten] (voor zover in eerste aanleg aan de orde) na verweer zijdens Pensioenfonds bij het vonnis afgewezen en hen veroordeeld in de kosten van de procedure. De kantonrechter heeft daarbij overwogen dat er geen goede grond bestaat om bij de berekening van de voor ieder van hen geldende pensioengrondslag voor de periode dat [appellanten] 36 uur per week werkten, uit te gaan van het salaris dat zij (nadien) verdienden voor 38 uur per week. De regeling die op grond van het toepasselijke pensioenreglement geldt voor parttimers, geldt ook bij een wijziging van de normale arbeidsduur, hetgeen, zo overwoog de kantonrechter, leidt tot een correctie van 36/38ste op de pensioengrondslag die past bij een 38-urige werkweek. Tegen deze beslissing en de gronden waarop zij berust richten zich de grieven 3 tot en met 9 van [appellanten] , die zich lenen voor gezamenlijke behandeling.

3.4

[appellanten] stellen dat een verhoging van salaris – zoals ten aanzien van hen heeft plaatsgevonden per 1 januari 2003 – moet leiden tot een verhoging van de pensioengrondslag omdat noch in het pensioenreglement GAK noch in het reglement van Pensioenfonds voor de berekening van de pensioengrondslag een onderscheid gemaakt wordt tussen de mogelijke aanleidingen voor een salarisverhoging. Uitgangspunt is, zo voeren zij aan, dat iedere salarisverhoging leidt tot aanpassing van de pensioengrondslag over de gehele deelnemingsperiode. Een salarisverhoging op grond van een wijziging in het aantal arbeidsuren per week is daarvan niet uitgesloten. Op grond van de artikelen 1.2, 2.1, 2.2, 5.1 en 5.2 van het reglement van Pensioenfonds (en de overeenkomstige bepalingen in het pensioenreglement GAK) hebben [appellanten] derhalve recht op pensioenopbouw over hun gehele deelnemingstijd op basis van hun jaarsalaris zoals dat met ingang van 1 januari 2003 was. De enige uitzondering op de regel dat een salarisverhoging leidt tot dienovereenkomstige verhoging van de pensioengrondslag, is in het geval dat de werknemer minder werkt dan de normale arbeidsduur. In dat geval wordt voor die werknemer een parttime breuk vastgesteld, die ertoe kan leiden dat er op het aantal deelnemingsjaren een correctie wordt toegepast. Toepassing van de regeling voor werknemers die parttime werken kan niet aan de orde zijn omdat [appellanten] altijd de voor hen geldende fulltime arbeidsduur hebben gewerkt. [appellanten] stellen verder onder verwijzing naar artikel 15.1 van het reglement van Pensioenfonds dat over het verleden geen parttime breuk toegepast mag worden. Als er al een parttime breuk toegepast zou kunnen worden, kan dat alleen voor de toekomst het geval zijn.

3.5

Het hof zal in het hiernavolgende in navolging van partijen uitgaan van de relevante bepalingen in het reglement van Pensioenfonds zoals in werking getreden op 1 januari 2004. Partijen zijn het er blijkens hun stellingen over eens dat het pensioenreglement GAK met betrekking tot de onderhavige problematiek overeenkomstige artikelen kent. Zij zijn het er verder over eens dat het reglement van Pensioenfonds dat op 1 januari 2005 in werking is getreden en het eerdere heeft vervangen, niet van belang is voor de beoordeling van het geschil, zodat het hof dit latere reglement verder buiten beschouwing zal laten.

3.6

Voor de beoordeling van deze zaak zijn de volgende artikelen uit het reglement van Pensioenfonds (hierna: het reglement) zoals luidend vanaf 1 januari 2004, van belang:

Artikel 1.4

Parttime-arbeid

1. Indien de tussen de deelnemer en de aangesloten werkgever overeengekomen

arbeidsduur minder bedraagt dan de normale arbeidsduur wordt voor de betrokken

deelnemer de parttimebreuk vastgesteld. De teller van deze breuk is gelijk aan de

op de vaststellingsdatum overeengekomen wekelijkse arbeidsduur en de noemer

aan de normale wekelijkse arbeidsduur.

2. Bij iedere wijziging in de overeengekomen wekelijkse arbeidsduur of van de

normale wekelijkse arbeidsduur is het bepaalde in lid 1 van overeenkomstige toepassing.

3. Voor de berekening van de verzekerde jaarlijkse pre-, ouderdoms-, partner- en wezenpensioenen van een deelnemer wordt uitgegaan van het jaarsalaris op basis van de normale bij de aangesloten werkgever geldende arbeidsduur en wordt op het aantal in aanmerking te nemen deelnemingsjaren een correctie toegepast door het aantal op de vaststellingsdatum van de parttimebreuk nog toekomstige deelnemingsjaren te

vermenigvuldigen met die breuk. (…)

4. De te verwerven aanspraak op jaarlijks pre- en ouderdomspensioen wordt vermenigvuldigd met de parttimebreuk die in de premiebetalingsperiode heeft

gegolden.

Artikel 2.2

Pensioengrondslag

1. Onder de pensioengrondslag van de deelnemer wordt verstaan het jaarsalaris

verminderd met een franchise. (…)

Ouderdomspensioenregeling

Artikel 5.1

Definities

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

A = de deelnemingstijd vanaf de aanvang van de deelnemingsperiode tot de

prepensioendatum;

C = de duur van de deelneming in de deelnemingsperiode tot aan het einde van de premiebetalingsperiode;

E = de laatstelijk vastgestelde pensioengrondslag;

F= de aanspraak op jaarlijks ouderdomspensioen die tijdens de deelnemingsperiode

tot het begin van de premiebetalingsperiode is opgebouwd;

Artikel 5.2

Ouderdomspensioen

1. Het verzekerde jaarlijkse ouderdomspensioen van de deelnemer bedraagt A x

l,75% x E.

3.7

Bij de uitleg van bepalingen in een pensioenreglement geldt de zogenoemde ‘cao-norm’. Bij de uitleg zijn de bewoordingen van de desbetreffende bepaling, gelezen in het licht van de gehele tekst van (hier:) het reglement, in beginsel van doorslaggevende betekenis, waarbij onder meer acht kan worden geslagen op de elders in het reglement gebruikte formuleringen en op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de onderscheiden, op zichzelf mogelijke, tekstinterpretaties zouden leiden. Deze uitlegnorm hanterende overweegt het hof als volgt.

3.8

In het geval van een eindloonregeling worden de pensioenaanspraken over de gehele deelnemingsperiode in beginsel berekend op basis van de laatstelijk (over het jaar, waarin de pensionering plaatsvindt) vastgestelde pensioengrondslag. Dat geldt op grond van het bepaalde in de artikelen 5.1 en 5.2 van het reglement ook voor [appellanten] , zoals zij ook hebben aangevoerd. Het verzekerde ouderdomspensioen bedraagt op grond van het bepaalde in genoemde artikelen van het reglement immers de deelnemingstijd vanaf de aanvang van de deelnemingsperiode maal 1,75 procent maal de pensioengrondslag, waarbij de pensioengrondslag op grond van artikel 2.2 van het reglement wordt afgeleid van het laatstverdiende jaarsalaris. Deze regel kent twee uitzonderingen. De eerste uitzondering doet zich voor in het geval dat een werknemer minder werkt dan het normale aantal uren van een fulltime aanstelling per week (dus parttime). In dat geval bouwt de deelnemer op grond van het bepaalde in artikel 4.1 lid 1 van het reglement pensioen op overeenkomstig het aantal uren dat hij feitelijk werkt (door een correctie toe te passen op het aantal deelnemingsjaren). De tweede uitzondering doet zich voor “bij iedere wijziging in de overeengekomen wekelijkse arbeidsduur of van de normale wekelijkse arbeidsduur”, in welk geval op grond van lid 2 van artikel 1.4 het eerste lid van dat artikel van “overeenkomstige” toepassing is. Laatstbedoelde uitzondering is hier aan de orde. Met ingang van 1 januari 2003 is de normale wekelijkse arbeidsduur van [appellanten] gewijzigd (van 36 naar 38 uur per week) en dat betekent dat (op grond van de leden 1 en 2 van artikel 1.4 van het reglement) een parttime breuk moet worden vastgesteld. Anders dan [appellanten] hebben betoogd kan het niet de bedoeling van de verwijzing in lid 2 naar lid 1 zijn dat de teller en noemer van de breuk vervolgens op hetzelfde getal worden vastgesteld (36/36 vóór 1 januari 2003 en 38/38 na 1 januari 2003, in welk geval er immers geen sprake meer is van een breuk). In lid 2 van artikel 4.1 is niet bepaald dat in de in lid 2 genoemde gevallen de regeling van lid 1 toepassing vindt, maar dat die regeling “van overeenkomstige toepassing” is. Overeenkomstige toepassing leidt bij wijziging van de normale wekelijkse arbeidsduur van 36 naar 38 uur per week tot de vaststelling van een breuk waarvan de teller gelijk is aan de “oude” normale arbeidsduur en de noemer aan de nieuwe “normale” arbeidsduur, derhalve 36/38, zoals Pensioenfonds ook heeft gedaan. Anders dan [appellanten] nog hebben gesteld volgt uit artikel 1.4 van het reglement niet dat de daarin neergelegde regeling alleen voor parttimers geldt. Bepaald is immers in lid 2 dat de in het eerste lid van dat artikel opgenomen regeling voor parttimers geldt bij iedere wijziging van de overeengekomen of normale arbeidsduur, derhalve ook als die wijziging betrekking heeft op deelnemers die fulltime werkten en fulltime blijven werken maar van wie het aantal arbeidsuren in opwaartse zin wijzigt.

3.9

[appellanten] hebben nog gesteld dat de parttimebreuk, waarover in artikel 1.4 lid 1 wordt gesproken alleen voor toekomstige deelnemingsjaren geldt en, anders dan Pensioenfonds voorstaat, niet (ook) over het verleden kan worden toegepast. Dat blijkt volgens hen ook uit lid 3 van artikel 1.4 van het reglement, waarin is bepaald dat op het aantal in aanmerking te nemen deelnemingsjaren een correctie voor de toekomst wordt toegepast. Uit artikel 5.4 van het reglement volgt volgens [appellanten] voorts dat bij een verhoging van de pensioengrondslag het gehele pensioen op basis van die hogere grondslag wordt opgebouwd.

3.10

Ook hierin worden [appellanten] niet gevolgd. Lid 3 van artikel 1.4 van het reglement heeft slechts betrekking op in de toekomst nog op te bouwen pensioenrechten voor deelnemers die minder dan de normale wekelijkse arbeidsduur werken. Dat hebben [appellanten] zowel voor als na 1 januari 2003 niet gedaan.

Voor hen is de normale (fulltime) arbeidsduur op 1 januari 2003 verhoogd, hetgeen leidde tot een verhoging in de pensioengrondslag en een correctie van het aantal deelnemingsjaren over het verleden, waartoe lid 2 van artikel 1.4 de mogelijkheid bood. Artikel 5.4 van het reglement regelt blijkens het kopje boven dat artikel -ouderdomspensioen bij daling van de pensioengrondslag - de gevolgen voor de pensioenopbouw in geval van een daling van de pensioengrondslag. Daarvan is bij [appellanten] geen sprake geweest. Het in dat artikel bepaalde mist dus toepassing.

3.11

[appellanten] hebben voorts nog betoogd dat bij de waardeoverdracht in 2004 van hun tot 1 april 2002 bij het ABP opgebouwde pensioenrechten aan het Pensioenfonds, al een correctie van het aantal deelnemingsjaren heeft plaatsgevonden door middel van het toepassen van een parttime breuk en dat op die deelnemingsjaren daarom niet nogmaals een correctie zou mogen plaatsvinden.

3.12

Dit betoog van [appellanten] gaat niet op. Zowel voor als na 1 april 2002 (tot en met 31 december 2002) werkten [appellanten] 36 uur per week bij een fulltime dienstverband en er kán derhalve bij de inbreng met ingang van 1 april 2002 van hun ABP-pensioenrechten geen correctie van het aantal deelnemingsjaren hebben plaatsgevonden op basis van een wijziging in de normale arbeidsduur. Dat er, zoals Pensioenfonds heeft aangevoerd en ook uit de door partijen in het geding gebrachte stukken blijkt, bij bedoelde inbreng een correctie op het aantal deelnemingsjaren heeft plaatsgevonden omdat er een verschil bestond tussen de franchise die bij de pensioenregeling van het ABP werd gehanteerd en de franchise die Pensioenfonds in aanmerking nam, betekent niet dat er over diezelfde deelnemingsjaren niet nogmaals – om een andere reden – een correctie noodzakelijk kan zijn, zoals de kantonrechter ook heeft overwogen.

3.13

De door [appellanten] voorgestane interpretatie van de diverse bepalingen van het reglement, leidt, anders dan zij betogen, ook niet tot een meer aannemelijk rechtsgevolg dan de uitleg die Pensioenfonds aan de bepalingen geeft. De consequentie van de uitleg van [appellanten] zou immers zijn dat zij over hun hele deelnemingstijd pensioenrechten krijgen alsof zij – in strijd met de werkelijkheid – ook vóór 1 januari 2003 38 uur per week hebben gewerkt (en het bijbehorende salaris hebben verdiend en overeenkomstig pensioenrechten hebben opgebouwd). De uitleg die Pensioenfonds aan de bepalingen geeft, leidt ertoe dat [appellanten] over hun deelnemingsjaren tot 1 januari 2003 pensioen krijgen over het salaris dat zij verdienden met 36 uur per week werken en waarover zij toen daadwerkelijk pensioen opbouwden (er wordt immers over die jaren uitgegaan van een breuk van 36/38) en over de jaren daarna over 38 uur per week. Het rechtsgevolg waartoe laatstbedoelde interpretatie leidt acht het hof aannemelijker en doet, anders dan [appellanten] nog hebben betoogd, geen afbreuk aan het systeem van een eindloonregeling. Zij krijgen (althans per 1 januari 2005 is afgerekend op basis van) een eindloonregeling, waarbij het laatste aan de pensionering of afrekening per 1 januari 2005 voorafgaande salaris de pensioengrondslag bepaalt en een verhoging van het salaris (bij gelijkblijvende werktijd) positieve gevolgen heeft voor de opgebouwde pensioenaanspraken. Wat [appellanten] in de door Pensioenfonds bepleite uitleg van het reglement niet krijgen zijn pensioenaanspraken over het bij 38 uur werken behorende salaris over de deelnemingstijd dat zij (niet meer dan) 36 uur per week werkten en het daarbij behorende salaris verdienden. Dat is een aannemelijk rechtsgevolg.

3.14

[appellanten] hebben geen feiten te bewijzen aangeboden die, indien bewezen, tot een ander oordeel dan het voorgaande zouden nopen. Hun bewijsaanbod wordt daarom gepasseerd.

3.15

De conclusie is dat de grieven niet tot vernietiging van het bestreden vonnis kunnen leiden. Dat zal worden bekrachtigd. De bij wijze van eisvermeerdering in hoger beroep voor het eerst ingestelde vordering wordt afgewezen. Als de in het ongelijk gestelde partij worden [appellanten] verwezen in de kosten van de procedure in appel. Voor hoofdelijke veroordeling van [appellanten] in de proceskosten, zoals door Pensioenfonds verzocht, biedt de wettelijke regeling omtrent de proceskosten-veroordeling geen mogelijkheid. Het desbetreffende verzoek wordt derhalve niet ingewilligd.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het bestreden vonnis;

wijst de vermeerderde eis van [appellanten] af;

veroordeelt [appellanten] in de kosten van de procedure in hoger beroep tot aan deze uitspraak aan de zijde van Pensioenfonds begroot op € 704,-- aan verschotten en

€ 2.682,-- aan salaris voor de procedure in appel, te vermeerderen met € 205,-- ter zake van nakosten indien geen betekening van dit arrest plaatsvindt of met € 273,-- aan nakosten indien het arrest wel wordt betekend, alle bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na de datum van dit arrest indien betaling dan niet heeft plaatsgevonden;

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.L.D. Akkaya, W.H.F.M. Cortenraad en A.M.A. Verscheure en is door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 3 november 2015.