Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:4495

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
03-11-2015
Datum publicatie
15-11-2015
Zaaknummer
200.166.493/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2015:342, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partneralimentatie. Vaststellen aanvullende behoefte vrouw.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 3 november 2015

Zaaknummer: 200.166.493/ 01

Zaaknummer eerste aanleg: C14/156696/FARK 14-1761

Beschikking van de meervoudige familiekamer

in de zaak in hoger beroep van:

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

advocaat: mr. Th.C.J. Kaandorp te Alkmaar,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. J.J.C. Engels te Heerhugowaard.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Appellant en geïntimeerde worden hierna respectievelijk de man en de vrouw genoemd.

1.2.

De man is op 17 maart 2015 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 14 januari 2015 van de rechtbank Noord-Holland, met kenmerk C14/156696/FARK 14-1761.

1.3.

De vrouw heeft op 21 mei 2015 een verweerschrift ingediend.

1.4.

De zaak is op 17 augustus 2015 ter terechtzitting behandeld.

1.5.

Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.

1.6.

Zoals is afgesproken ter zitting heeft de vrouw nadere financiële stukken ingediend, welke op 18 augustus 2015 door het hof zijn ontvangen. De man heeft op 31 augustus 2015 schriftelijk op deze stukken gereageerd.

2 De feiten

Het hof heeft, voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.

2.1.

Partijen zijn [in] 1992 gehuwd. De echtscheiding is uitgesproken op 14 januari 2015. Uit het huwelijk zijn twee inmiddels meerderjarige kinderen geboren, [kind a] geboren [in] 1993 en [kind b] , geboren [in] 1994.

2.2.

Bij beschikking voorlopige voorzieningen van 13 maart 2014 van de rechtbank Noord-Holland is een door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw bepaald van € 224,- per maand.

Bij beschikking voorlopige voorzieningen van 9 oktober 2014 van de rechtbank Noord-Holland is een door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw bepaald van € 426,- per maand.

2.3.

Ten aanzien van de man is het volgende gebleken.

Hij is geboren [in] 1961.

Hij is werkzaam in loondienst. Blijkens de jaaropgaven over 2013 en 2014 bedroeg zijn fiscaal loon in die jaren respectievelijk € 47.300,- en € 47.532,-.

Aan kale huur betaalt hij € 752,- per maand.

Aan premie voor een zorgverzekering betaalt hij € 129,- per maand. Het eigen risico dat aan deze verzekering is verbonden bedraagt € 375,- per jaar.

Hij betaalt € 82,- per maand aan premie voor een lijfrentepolis.

2.4.

Ten aanzien van de vrouw is het volgende gebleken.

Zij is geboren [in] 1964. Zij vormt een huishouden met [kind a] .

Zij is werkzaam in loondienst. Haar salaris bedroeg volgens de salarisspecificatie over februari t/m april 2013 € 715,- bruto per maand, exclusief vakantietoeslag, onregelmatigheidstoeslag en overwerk. Haar salaris bedroeg volgens de salarisspecificatie over juni 2014 en juli 2014 € 759,- bruto per maand, exclusief vakantietoeslag, onregelmatigheidstoeslag en overwerk. Haar salaris bedraagt thans volgens de salarisspecificaties over mei t/m juli 2015 € 791,- bruto per maand, exclusief vakantietoeslag, onregelmatigheidstoeslag en overwerk. De onregelmatigheidstoeslag en het aantal uren dat de vrouw overwerkt variëren per maand. Blijkens de jaaropgave over 2014 bedroeg haar fiscaal loon in dat jaar 18.592,-.

Zij heeft een overeenkomst van bruikleen gesloten met betrekking tot een woonruimte. Zij betaalt een bedrag van € 400,- per maand aan gebruiksvergoeding en € 194,- per maand in verband met overige bijkomende leveringen en diensten.

Aan premie voor een zorgverzekering betaalt zij € 123,- per maand.

3 Het geschil in hoger beroep

3.1.

Bij de bestreden beschikking:

- is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken;

- is bepaald dat de man € 1.224,- per maand dient te betalen aan de vrouw als uitkering in haar levensonderhoud, met ingang van de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.

De vrouw had de rechtbank verzocht te bepalen dat de man een bijdrage van € 1.124,- per maand dient te betalen met ingang van de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking. De man heeft in eerste aanleg geen verweer gevoerd.

3.2.

De man verzoekt in hoger beroep primair de bestreden beschikking te vernietigen en (naar het hof begrijpt) de verzoeken van de vrouw tot echtscheiding en tot een uitkering in haar levensonderhoud af te wijzen .

Subsidiair verzoekt de man in hoger beroep de bestreden beschikking te vernietigen voor zover het de vaststelling van een door de man aan de vrouw te betalen bijdrage betreft en het verzoek van de vrouw om een onderhoudsbijdrage af te wijzen, althans die bijdrage met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking op nihil te stellen, althans het verzoek af te wijzen voorzover de door de man te betalen maandelijkse bijdrage het bedrag van € 426,- te boven gaat, althans de bijdrage te bepalen op een zodanig bedrag als het hof juist acht.

3.3.

De vrouw verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen, met dien verstande dat zij verzoekt de door de man te betalen bijdrage te bepalen op € 1.124,- per maand, conform haar inleidend verzoekschrift.

4 Beoordeling van het hoger beroep

4.1.

De man heeft ter zitting in hoger beroep zijn grief tegen het uitspreken van de echtscheiding ingetrokken zodat op deze grief en het daarmee samenhangende verzoek van de man niet meer behoeft te worden beslist.

4.2.

Aan de orde is de door de man te betalen partneralimentatie. Tussen partijen is de (aanvullende) behoefte van de vrouw en de draagkracht van de man in geschil.

4.3.

Het hof zal eerst de huwelijksgerelateerde en aanvullende behoefte van de vrouw vaststellen. Tussen partijen is niet in geschil dat zij medio 2013 feitelijk uit elkaar zijn gegaan en dat voor het vaststellen van de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw uit dient te worden gegaan van het netto besteedbaar gezinsinkomen in dat jaar. Uitgaande van de door partijen overgelegde gegevens over 2013 bedroeg het netto besteedbaar gezinsinkomen € 3.411,- per maand, waar de kosten van de kinderen op in mindering dienen te worden gebracht. De vrouw is bij haar berekening uitgegaan van de huidige kosten van de kinderen, hetgeen onjuist is. Nu beide kinderen studeerden in 2013 dient aangesloten te worden bij de WSF norm, welke in 2013 € 560,- per kind per maand bedroeg. Het hof zal derhalve € 1.120,- in mindering brengen op het gezinsinkomen. De huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw bedraagt dan € 1.375,- netto, hetgeen (anders dan door de rechtbank is berekend in de beschikking voorlopige voorzieningen van 9 oktober 2014) een bruto behoefte van € 1.745,- per maand oplevert.

Om de aanvullende behoefte van de vrouw vast te stellen dient haar inkomen hierop in mindering te worden gebracht. Het hof gaat ten aanzien van het inkomen van de vrouw uit van de door haar na de zitting in hoger beroep overgelegde jaaropgave over 2014. De vrouw heeft ter zitting in hoger beroep gesteld dat van een lager inkomen uitgegaan dient te worden, omdat zij tot 2015 structureel meer uren werkte dan haar contract van 16 uur per week, maar dat dit overwerk als gevolg van nieuw beleid van haar werkgever thans niet meer mogelijk is. Volgens de door de vrouw na de zitting overgelegde salarisspecificaties over februari 2015, april 2015, mei 2015, juni 2015 en juli 2015 worden echter in die maanden nog steeds “extra uren parttimers” uitbetaald, zodat haar stelling dat overwerken niet meer tot de mogelijkheden behoort kennelijk onjuist is. Voorts volgt uit de overgelegde salarisspecificaties van de vrouw over de jaren 2013, 2014 en 2015 dat zij, naast haar vaste maandsalaris, per maand variërende onregelmatigheidstoeslagen ontvangt, terwijl ook de inkomsten uit overwerk van maand tot maand sterk schommelen. Nu de vrouw niet nader heeft onderbouwd dat van overwerk of onregelmatigheidstoeslagen thans niet langer sprake is, is het hof van oordeel dat het loon dat de vrouw blijkens haar jaaropgave 2014 heeft genoten tot uitgangspunt voor vaststelling van haar aanvullende behoefte dient te worden genomen. De man heeft gesteld dat van een hoger inkomen uit dient te worden gegaan nu in de door de vrouw na de zitting overgelegde definitieve berekening zorgtoeslag 2014 van de Belastingdienst uit wordt gegaan van een vastgesteld inkomen van de vrouw in dat jaar van € 21.438,-. Het hof overweegt dat het in de berekening genoemde inkomen, ingevolge fiscale regelgeving af kan wijken van het inkomen dat voor de vaststelling van een onderhoudsbijdrage van belang is. Dit wordt bevestigd door dezelfde berekening waar als vastgesteld inkomen 2014 voor de man een bedrag van € 39.557 staat vermeld, waar zijn jaaropgave een belastbaar loon van € 47.532 vermeldt. In het licht hiervan heeft de man zijn stelling dat de vrouw, naast haar dienstverband bij de [Stichting] , nog andere werkzaamheden verricht of inkomsten genereert, onvoldoende onderbouwd en gaat het hof hieraan voorbij.

Uitgaande van de jaaropgave over 2014 van de vrouw bedraagt haar bruto maandinkomen (inclusief vakantietoeslag en extra uren) € 1.549,- per maand. Haar aanvullende behoefte bedraagt op grond van het voorgaande € 200,- per maand.

De man heeft ten slotte aangevoerd dat de vrouw in staat geacht moet worden volledig in haar eigen levensonderhoud te voorzien door haar parttime dienstverband uit te breiden of een fulltime dienstverband aan te gaan. De vrouw heeft betwist dat zij op dit moment in staat is geheel in haar eigen levensonderhoud te voorzien en heeft daartoe ter zitting in hoger beroep verklaard dat zij wel solliciteert op andere functies, maar dat het gelet op haar leeftijd en wisselende diensten bij haar huidige werkgever, welk dienstverband zij niet kwijt wil raken, moeilijk is extra inkomsten te genereren. Het hof is van oordeel dat de vrouw haar standpunt in dezen, in het licht van de betwisting door de man, voldoende heeft onderbouwd. Het hof stelt de aanvullende behoefte van de vrouw derhalve vast op € 200,- per maand.

4.4.

De man heeft grieven gericht tegen zijn draagkracht. Nu echter uit de stellingen en draagkrachtberekening van de man blijkt dat hij in staat is een bedrag te voldoen van € 440,- per maand, behoeven deze grieven gelet op hetgeen onder 4.3. is overwogen ten aanzien van de behoefte van de vrouw geen verdere bespreking.

4.5.

Op grond van de feiten en omstandigheden die hiervoor zijn vermeld en van hetgeen hiervoor is overwogen bepaalt het hof de door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking op € 200,- per maand.

4.6.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

5 Beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en opnieuw rechtdoende:

bepaalt de door de man bij vooruitbetaling te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking op € 200,- (TWEEHONDERD EURO) per maand;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.F.G.H. Beckers, mr. J.F.A.M. Graafland‑Verhaegen en mr. S.F.M. Wortmann in tegenwoordigheid van mr. E.E. Kraan als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 3 november 2015.