Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:4470

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
05-11-2015
Datum publicatie
05-11-2015
Zaaknummer
14/01016
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Parkeerbelasting die is betaald, kan niet worden nageheven; ook al is in strijd met de voorschriften het verkeerde kenteken ingevoerd.

Wetsverwijzingen
Gemeentewet 225
Gemeentewet 234
Algemene wet inzake rijksbelastingen 20
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2015-2726
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Kenmerk 14/01016

5 november 2015

uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam, de heffingsambtenaar,

tegen de uitspraak in de zaak met kenmerk AMS 14/1116 van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

[X] , wonende te [Z] , belanghebbende

en

de heffingsambtenaar.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De heffingsambtenaar heeft met dagtekening 7 december 2013 aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd ten bedrage van € 58,90, bestaande uit € 3,00 aan parkeerbelasting en € 55,90 aan kosten naheffingsaanslag (verder ook: de Naheffingsaanslag).

1.2.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak, gedagtekend 10 januari 2014, de Naheffingsaanslag gehandhaafd.

1.3.

Bij mondelinge uitspraak van 30 oktober 2014 (waarvan het proces-verbaal op 10 november 2014 is verzonden), heeft de rechtbank als volgt beslist (in de uitspraak van de rechtbank wordt belanghebbende aangeduid als ‘eiser’ en de heffingsambtenaar als ‘verweerder’):

“De rechtbank

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de bestreden uitspraak;

  • -

    vernietigt de naheffingsaanslag;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

  • -

    draagt verweerder op het door eiser betaalde griffierecht van € 45 aan eiser te vergoeden.”

1.4.

Het door de heffingsambtenaar tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 18 december 2014. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. De heffingsambtenaar heeft op 23 september 2015 nadere stukken ingediend (met de aanduiding ‘Pleitnota’), waarvan afschriften naar belanghebbende zijn gezonden.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 oktober 2015.

Van de zijde van belanghebbende, die voor de zitting is uitgenodigd bij aangetekende brief met dagtekening 22 juni 2015 verzonden naar het adres ( [...] te [Z] ), is niemand verschenen. Blijkens gegevens van PostNL (‘Track & Trace’) is de brief op 2 juli 2015 afgehaald op de afhaallocatie en is voor ontvangst getekend.

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Feiten

Het Hof vindt aanleiding de feiten zelfstandig vast te stellen:

2.1.

Belanghebbende is eigenaar van een auto met kenteken [V.-..-..] (verder de Auto).

2.2.

Op 7 december 2013 heeft belanghebbende omstreeks 13:29 uur de Auto geparkeerd op de Conradstraat ter hoogte van nummer 152, te Amsterdam (verder de Locatie).

2.3.

Op de Locatie was belanghebbende ingevolge de Verordening Parkeerbelastingen 2013-II en de daarbij behorende Tarieventabel 2013 van de gemeente Amsterdam (verder de Verordening Parkeerbelastingen) voor het parkeren parkeerbelasting verschuldigd.

2.4.

Vanaf 1 juli 2013 geldt in Amsterdam zogenaamd digitaal parkeren. Bij de parkeerautomaat dient het kenteken te worden ingevoerd en print de automaat in plaats van een ‘parkeerkaartje’ indien gewenst een “betaalbewijs”. Op de automaten staat de tekst:

“Indien per abuis een verkeerd kenteken wordt ingevoerd, dient u de parkeeractie te annuleren en deze opnieuw met juist kenteken te starten anders kan er een naheffingsaanslag worden opgelegd.”

2.5.

Belanghebbende heeft omstreeks 13:29 uur bij de dichtstbijzijnde parkeerautomaat € 22,55 betaald en - in plaats van het kenteken van de Auto - een V ingevoerd. De automaat printte vervolgens het volgende document:

BETAALBEWIJS

Betaald van

: 7-12-2013 13:29

[…]

[…]

Betaald tot

: 9-12-2013 9:00

BETALING

Bedrag

: € 22,55

Datum:

07/12/2013 13:33

Kenteken

: V

[…]

[…]

Automaat

: 11293

Totaal:

22,55 EUR

Ticketnummer

: 5356

2.6.

Op 7 december 2013 heeft de heffingsambtenaar (de parkeercontroleur) om 14:10 uur geconstateerd dat de Auto op de Locatie stond geparkeerd en de Naheffingsaanslag (ten bedrage van € 3,00, exclusief kosten van € 55,90) opgelegd.

3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en daarbij het volgende overwogen:

“1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.

2. Eiser heeft aangevoerd dat hij de verschuldigde parkeerbelasting wel heeft betaald, maar dat hij door problemen bij het invoeren van zijn kenteken in de parkeerautomaat er niet in is geslaagd zijn kenteken in te voeren. Omdat hij dringend naar zijn werk moest, had hij geen tijd om een andere parkeerautomaat te zoeken.

3. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de parkeerder op grond van het Uitvoerings- en aanwijzingsbesluit op grond van de Verordening parkeerbelastingen 2013-II en de Parkeerverordening 2013 bij de voldoening van de parkeerbelasting verplicht is het juiste kenteken van het geparkeerde voertuig op te geven. Indien niet het juiste kenteken wordt ingevoerd, is geen parkeerbelasting betaald voor de geparkeerde auto, hetgeen voor risico van betrokkene moet komen, aldus verweerder.

4. In een uitspraak van 7 mei 2014, ECLI:NL:RBAMS:2014:2631 heeft de rechtbank onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 8 januari 1997, ECLI:NL:HR:1997:AA3200, kort samengevat, overwogen dat de verplichting tot het invoeren van het juiste kenteken, gelet op de redactie van artikel 234 van de Gemeentewet, uitsluitend betrekking heeft op het doen van aangifte van parkeerbelasting. Het niet, niet volledig of onjuist invoeren van het kenteken van de auto waarmee wordt geparkeerd, doet niet af aan het in artikel 20 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen neergelegde beginsel dat ter zake van een belasting die op aangifte moet worden voldaan, uitsluitend kan worden nageheven indien die belasting niet is betaald.

5. De bewijslast dat de verschuldigde parkeerbelasting niet is voldaan, rust in eerste instantie op verweerder. De omstandigheid dat de controleur geen betaling heeft waargenomen, bijvoorbeeld omdat hem bekend is dat niet ter zake van het kenteken parkeerbelasting is betaald, kan in het algemeen als toereikend bewijs dienen. De belastingplichtige heeft echter de mogelijkheid alsnog tegenbewijs te leveren. Het bewijs dat voor het parkeren van een auto is betaald kan derhalve op verschillende manieren worden geleverd, niet alleen door een juiste invoering van het kenteken bij de automaat. De rechter heeft vervolgens de vrijheid aan dat tegenbewijs de waarde toe te kennen die hem goeddunkt.

6. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser in dat tegenbewijs geslaagd. Eiser heeft een betaalbewijs overgelegd waaruit blijkt dat hij op de datum en het tijdstip waarop de naheffingsaanslag is opgelegd, parkeerbelasting heeft betaald. Mede gelet op zijn consistente verklaring in de stukken en ter zitting, welke verklaring wordt ondersteund door het betaalbewijs waar uitsluitend de letter “V” is vermeld, acht de rechtbank aannemelijk dat eiser de parkeerbelasting heeft betaald voor zijn geparkeerde auto, maar dat hij er niet in is geslaagd het juiste kenteken in te voeren. Dat eiser voor een andere auto zou hebben betaald die ook in de omgeving van de betaalautomaat geparkeerd zou hebben gestaan, is gesteld noch aannemelijk. De naheffingsaanslag is dan ook ten onrechte opgelegd.

7. De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt de bestreden uitspraak en vernietigt de naheffingsaanslag. Verweerder dient het door eiser betaalde griffierecht van

€ 45 aan hem te vergoeden. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling, aangezien haar niet is gebleken dat eiser in verband met de behandeling van het beroep kosten heeft gemaakt die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.”

4 Geschil in hoger beroep

Evenals bij de rechtbank is in hoger beroep in geschil of de Naheffingsaanslag terecht is opgelegd.

5 Beoordeling van het geschil

5.1.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat er geen grond bestaat voor de naheffing nu hij de voor het parkeren verschuldigde parkeerbelasting heeft voldaan. Belanghebbende heeft de gang van zaken rondom de betaling van de € 22,55 (zie onder 2.5) en zijn standpunt in het bezwaarschrift als volgt toegelicht:

“Ondergetekende […] nadert U met het verzoek zijn naheffingsaanslag […] te herzien.

De redenen hiervoor zijn dat ik ruim een ½ uur bezig was mijn kenteken in te voeren maar niet verder kwam dan het eerste letter (V) in te voeren,

Gezien ik om 13,30 moest beginnen te werken […] had ik geen tijd over naar een andere Parkeerautomaat te gaan zoeken […].

Ik heb toen betaald […]

Het betaalbewijs had ik achter mijn voorruit zichtbaar geplaatst zo vond ik het ook terug.”

Daaraan heeft hij in zijn beroepschrift in eerste aanleg het volgende toegevoegd:

“gezien de parkeerautomaat problemen veroorza[a]kte met het invoeren van mijn Auto Kenteken en ik dringend op tijd moest zijn voor mijn werk […] kon ik niet naar andere automaat gaan zoeken met het risico dat ik veel te laat […] zou zijn.

Ik had toen +- 24 betaald”

5.2.

De heffingsambtenaar betoogt dat de (voor de Auto op de Locatie) verschuldigde parkeerbelasting niet is betaald. In zijn hoger beroepschrift schrijft hij:

Fout kenteken ingevoerd, en wat nu?

Dit onderwerp kent vele feitelijke varianten, variërend van een geheel ander kenteken van een bestaande, maar andere auto die in werkelijkheid niet in Amsterdam geparkeerd stond. Tot en met grapjes als het invoeren van een niet-bestaand kenteken. De juridische vraag in al deze verschillende feitelijke kwesties, is telkens dezelfde. Is er wel of geen sprake van betaling van de parkeerbelasting van de auto die in werkelijkheid geparkeerd stond, maar die een totaal ander kenteken heeft?

Het standpunt van de gemeente Amsterdam is dat het invoeren van rare letters op de parkeerautomaat […] gelijk is te stellen met het in de gracht werpen van muntgeld. Geen betaling van parkeerbelasting”.

Daaraan heeft hij in zijn nader stuk van 22 september 2015 het volgende toegevoegd:

Standpunt Amsterdam

De Gemeente Amsterdam is van mening dat wanneer geparkeerd wordt met auto AA-oo-ZZ er geen parkeerbelasting is betaald wanneer de automobilist bijvoorbeeld:

■ rare letters invoert in plaats van het kenteken van de auto waarmee is geparkeerd, zoals “XXX” of “hahaha” of “ooo”.

■ een kenteken van een andere auto wordt ingevoerd dan waarmee geparkeerd wordt.

In de visie van de Gemeente Amsterdam vergt het geen hogere wiskunde om bij de systematiek van verplichte invoer van het kenteken te concluderen dat er géén parkeerbelasting is betaald voor auto met kenteken AA, wanneer er kenteken BB wordt ingevoerd, dan wel rare letters worden ingevoerd die niets van doen hebben met het kenteken AA. […]

Juridisch, korte samenvatting

Als er geen parkeerbelasting is betaald, volgt een naheffingsaanslag. Het invoeren van het kenteken “V” is geen kennelijke fout bij het invoeren van het kenteken van de auto die geparkeerd wordt ( [V.-..-..] ). Alsdan is er geen sprake van betaling van parkeerbelasting, analoog aan de jurisprudentie uit het munten-tijdperk dat er geen parkeerbelasting is betaald wanneer de automobilist het muntgeld in de gracht werpt. De onderhavige zaak is daarmee vergelijkbaar, zij het dat er sprake is van digitaal geld in een digitale gracht.”

5.3.

Dienaangaande overweegt het Hof als volgt.

5.4.

Partijen gaan er kennelijk vanuit dat Cition namens de heffingsambtenaar belast is met het verstrekken van parkeervergunningen, het opleggen van naheffingsaanslagen parkeerbelasting en het doen van uitspraken op bezwaar. Het Hof zal partijen hierin volgen.

5.5.

In artikel 225, lid 1, aanhef en onderdeel a, van de Gemeentewet (hierna de Wet) is bepaald dat in het kader van parkeerregulering ter zake van het parkeren van een voertuig op een bij de belastingverordening dan wel krachtens de belastingverordening in de daarin aangewezen gevallen door het college van burgemeester en wethouders te bepalen plaats, tijdstip en wijze een belasting kan worden geheven.

5.6.

De onderhavige parkeerbelasting wordt ingevolge artikel 234 van de Wet geheven bij wege van voldoening op aangifte, dan wel op andere wijze. Dat artikel bepaalt in het tweede lid, onderdeel a, met betrekking tot de parkeerbelasting verder, voor zover thans van belang, dat als voldoening op aangifte uitsluitend wordt aangemerkt het bij de aanvang van het parkeren in werking stellen van een parkeermeter of een parkeerautomaat op de daartoe bestemde wijze en met inachtneming van de door het college gestelde voorschriften.

5.7.

Blijkens artikel 11 jo. artikel 6 van de Verordening Parkeerbelastingen, in aanmerking genomen artikel 234, lid 2, onderdeel a, van de Wet, kan het college van burgemeester en wethouders voorschriften stellen met betrekking tot de wijze van voldoening op aangifte.

5.8.

In de Verordening Parkeerbelastingen staat onder meer:

“Artikel 1 Parkeerbelastingen

Onder de naam van parkeerbelastingen worden de volgende belastingen geheven:

a. een belasting ter zake van het parkeren van een voertuig op een bij dan wel krachtens deze verordening in de daarin aangewezen gevallen door het College van Burgemeester en Wethouders te bepalen plaats, tijdstip en wijze; […]

Artikel 2 Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder: […]

c. parkeerapparatuur: parkeermeters, voor het betalen van de parkeerbelasting ingerichte mobiele telefoons, parkeerautomaten, met inbegrip van verzamelparkeermeters, centrale computer en hetgeen naar maatschappelijke opvatting overigens onder parkeerapparatuur wordt verstaan; […]

Artikel 6 Wijze van heffing, termijn van betaling en restitutie

1. De belasting, bedoeld in art. 1, onderdeel a, wordt geheven bij wege van voldoening op aangifte, en wel door middel van het, bij aanvang van het parkeren, werpen van geld in parkeerapparatuur en/of door middel van het al dan niet elektronisch in werking stellen van parkeerapparatuur. Van de verschuldigde belasting per tijdseenheid wordt op of via de parkeerapparatuur of in de daarbij geleverde gebruiksaanwijzing kennisgegeven. […]

Artikel 11 Nadere regels door het College van Burgemeester en Wethouders

Het College van Burgemeester en Wethouders kan nadere regels geven met betrekking tot de heffing en de invordering van parkeerbelastingen.”

5.9.

In het op basis van artikel 11 van de Verordening Parkeerbelastingen vastgestelde “Uitvoerings- en Aanwijzingsbesluit op grond van de Verordening Parkeerbelastingen 2013-II en Parkeerverordening 2013” (verder het Uitvoeringsbesluit) staat onder meer (cursivering Hof):

I. Alleen tegen voldoening van de belasting, als vermeld in artikel 1, onder a van de Verordening Parkeerbelastingen 2013-II, mag worden geparkeerd op de parkeerapparatuurplaatsen […] die voldoening moet mede geschieden met inachtneming van het tijdstip en de wijze waarop een en ander is aangegeven in de voorschriften die op of bij de parkeerapparatuur staan vermeld of uit de parkeerapparatuur blijken […].

II. Bij voldoening van de parkeerbelasting moet het kenteken worden opgegeven van het in het betreffende gebied te parkeren voertuig. Daarnaast dienen de overige voorschriften die op de/het door de gemeente uitgegeven parkeerkaart/betaalbewijs, dan wel op de parkeerapparatuur zijn gesteld in acht te worden genomen;”

5.10.

Niet in geschil is dat belanghebbende voor het op 7 december 2013 van 13:29 uur tot 9 december 2013 om 09:00 uur op de Locatie parkeren van de Auto (verder het Parkeren) ingevolge de Verordening Parkeerbelastingen € 22,55 aan parkeerbelasting verschuldigd was.

Vast staat dat de Auto op 7 december 2013 vanaf 13:29 uur op de Locatie geparkeerd heeft gestaan en dat belanghebbende bij de (dichtstbijzijnde) parkeerautomaat € 22,55 heeft betaald.

5.11.

Uit de onder 2.2 en 2.5 vermelde feiten volgt naar het oordeel van het Hof onmiskenbaar dat belanghebbende met de betaling van € 22,55 de voor het Parkeren verschuldigde parkeerbelasting heeft voldaan. Immers (1) de € 22,55 is door de gemeente Amsterdam ontvangen en kan voor niets anders zijn betaald dan voor het voldoen van parkeerbelasting, (2) het betaalbewijs is geprint door een parkeerautomaat - die naar niet in geschil is in het desbetreffende tariefgebied stond - en (3) de tekst ‘Betaald van’ en ‘Betaald tot’ laten geen andere conclusie toe dan dat daarmee de parkeertijd is bedoeld waarvoor het bedrag van € 22,55 is betaald.

5.12.

De heffingsambtenaar heeft, desgevraagd ter zitting van het Hof, verklaard niet te kunnen aangeven waarvoor belanghebbende € 22,55 aan de gemeente betaald heeft. Volgens de heffingsambtenaar is de betaling niet aan de voor het Parkeren verschuldigde parkeerbelasting toe te rekenen, omdat - zo begrijpt het Hof hem - de aangifte niet correct is gedaan. Het Hof volgt de heffingsambtenaar niet in die opvatting en overweegt daartoe als volgt.

5.13.

In zijn arresten van 22 februari 1984, nrs. 21 979 en 22 238, ECLI:NL:HR:1984:AW8642, BNB 1984/233 en ECLI:NL:HR:1984:AW8643, BNB 1984/234, betreffende de loonbelasting, oordeelde de Hoge Raad dat volgens het stelsel van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, zoals dit onder meer in de artikelen 10 en 19 van die wet tot uitdrukking is gebracht, de verplichting tot het doen van aangifte en de verplichting tot betaling weliswaar nauw met elkaar samenhangen maar niettemin afzonderlijke verplichtingen zijn, zodat niet valt aan te nemen dat in de artikelen 20 en 22 van die wet met de term betalen tevens het doen van aangifte wordt aangeduid. Onjuist is derhalve de opvatting dat materieel verschuldigde loonbelasting, welke in feite is voldaan of afgedragen maar niet is opgenomen in de aangifte waartoe de belastingplichtige was gehouden, moet worden aangemerkt als belasting welke niet is betaald.

5.14.

In de lijn met zijn arresten uit 1984 overwoog de Hoge Raad met betrekking tot het naheffen van parkeerbelasting in BNB 1997/68 (arrest van 8 januari 1997, nr. 31 657, ECLI:NL:HR:1997:AA3200) als volgt:

“-3.3. Het Hof heeft geoordeeld dat, nu tussen partijen vaststaat dat belanghebbende de door hem verschuldigde parkeerbelasting tijdig heeft betaald, naheffing van die belasting niet is toegestaan, ook al heeft belanghebbende niet voldaan aan de verplichting tot het doen van aangifte op de wijze als is bepaald in het Uitvoeringsbesluit en op het parkeerkaartje.

-3.4. Tegen dit oordeel keert zich het middel met het betoog - zakelijk samengevat - dat blijkens de tekst en de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 234 van de Gemeentewet voor de parkeerbelasting een van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (verder: AWR) afwijkende regeling is getroffen, die beoogt de verplichting tot het doen van aangifte en de verplichting tot betaling samen te doen vallen. Gelet op de aard van de parkeerbelasting moet volgens het middel worden aangenomen dat met de term betalen in artikel 20 AWR als het gaat om toepassing van dit artikel bij de heffing van parkeerbelasting tevens het doen van aangifte wordt aangeduid.

-3.5. Dit betoog kan niet als juist worden aanvaard. De heffing en invordering van gemeentelijke belastingen geschieden ingevolge artikel 231, lid 1, van de Gemeentewet met toepassing van de AWR en de Invorderingswet 1990 als waren die belastingen rijksbelastingen, behoudens voor zover een afwijkende regeling is getroffen. In artikel 234 van de Gemeentewet zijn wel de artikelen 21 en 22 van de AWR van toepassing uitgesloten en in artikel 236 van de Gemeentewet andere bepalingen van de AWR, maar op geen van deze plaatsen noch in een andere hier relevante bepaling artikel 20 AWR. Ook is geen van artikel 20 AWR afwijkende regeling getroffen met het oog op de vraag wanneer naheffing van parkeerbelasting kan plaatshebben.

-3.6. In artikel 234 van de Gemeentewet wordt wel bepaald wat (uitsluitend) als voldoening op aangifte wordt aangemerkt, maar daarmee is niet de vraag beantwoord of, indien niet op de voorgeschreven wijze aangifte is gedaan, maar de verschuldigde belasting wel is betaald, een naheffingsaanslag kan worden opgelegd. Die vraag moet, nu in artikel 234 van de Gemeentewet noch elders in de Gemeentewet een afwijkende regeling is getroffen, worden beantwoord met toepassing van artikel 20 AWR.

-3.7. De in de Conclusie van de Advocaat-Generaal onder 5.2 tot en met 5.7 vermelde gegevens bevestigen de onjuistheid van de in het middel verdedigde stelling dat zou zijn beoogd in de Gemeentewet een eigen, van de AWR afwijkende regeling te treffen ten aanzien van de vraag wanneer een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting kan worden opgelegd.

-3.8. Daarbij verdient het opmerking dat de wetgever, hoewel hij uiteraard bekend was met de [Hof: in rechtsoverweging 5.13 genoemde] arresten van de Hoge Raad van 22 februari 1984, nr. 21 979, BNB 1984/233 en nr. 22 238, BNB 1984/234 en zich de gevolgen daarvan ook voor de naheffing van parkeerbelasting bewust moet zijn geweest, niettemin geen van artikel 20 AWR afwijkende regeling heeft getroffen toen met ingang van 1 januari 1991 in artikel 226 (oud, voordien 276a) van de Gemeentewet de heffing van gemeentelijke parkeerbelasting werd mogelijk gemaakt.”

5.15.

Nu belanghebbende naar het oordeel van het Hof de verschuldigde parkeerbelasting heeft voldaan (zie rechtsoverweging 5.11) is het Hof - gelet op voorgaande rechtsoverwegingen - van oordeel dat naheffen niet is toegestaan ook al heeft belanghebbende niet voldaan aan de verplichting tot het doen van aangifte op de wijze als is bepaald in het Uitvoeringsbesluit.

In dit verband wijst het Hof ook op een uitspraak van het Hof van 14 maart 1995 (nr. P91/4261, ECLI:NL:GHAMS:1995:AS4328, Belastingblad 1995/580 en FED 1995/301), waarin de verschuldigde parkeerbelasting was voldaan en het Hof om die reden de naheffingsaanslag parkeerbelasting vernietigde hoewel belanghebbende niet voldaan had aan de verplichting het nummer van het parkeervak in te toetsen. De Hoge Raad verwierp - op basis van artikel 101a van de Wet op de rechterlijke organisatie - het door de heffingsambtenaar tegen deze uitspraak ingestelde cassatieberoep (HR 19 februari 1997, nr. 31.210, niet gepubliceerd), waarbij de Hoge Raad onder meer verwees naar het onder rechtsoverweging 5.14 vermelde arrest.

5.16.

Het standpunt van de heffingsambtenaar dat het betaalde bedrag niet aan het Parkeren kan worden toegerekend, maar - vanwege het invoeren van een onjuist kenteken - gelijk te stellen is aan het digitaal in de gracht werpen van € 22,55 is onbegrijpelijk. Immers naar niet in geschil is, is voornoemd bedrag - anders dan de situatie dat een parkeerder de verschuldigde parkeerbelasting daadwerkelijk in de gracht gooit - door de gemeente Amsterdam ontvangen. Daaraan doet niet af dat de heffingsambtenaar ten tijde van de ontvangst van de parkeerbelasting niet kan vaststellen aan het parkeren van welk voertuig het bedrag is toe te rekenen.

Slotsom

De slotsom is dat het hoger beroep van de heffingsambtenaar ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.

6 Kosten en griffierecht

6.1.

Hoewel het door de heffingsambtenaar ingestelde hoger beroep ongegrond is en de uitspraak van de rechtbank om die reden wordt bevestigd, acht het Hof geen termen aanwezig voor een kostenveroordeling op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met artikel 8:108 van die wet. Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende kosten heeft gemaakt die ingevolge artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.

6.2.

Van de heffingsambtenaar zal op de voet van artikel 8:109, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht griffierecht worden geheven voor het instellen van hoger beroep.

7 Beslissing

Het Hof:

  • -

    bevestigt de uitspraak van de rechtbank; en

  • -

    bepaalt dat van de heffingsambtenaar een griffierecht wordt geheven van € 497.

De uitspraak is gedaan door mrs. P.F. Goes, voorzitter, M.J. Leijdekker en E. Polak, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Hogendoorn, als griffier. De beslissing is op 5 november 2015 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.