Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:4436

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
29-10-2015
Datum publicatie
30-10-2015
Zaaknummer
23-000812-14
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2017:173, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uitspraak Sensation White - zaak. Uitgaansgeweld. Zware mishandeling. Van vormverzuim slechts sprake bij niet naleven recht in zin art. 79 RO. Geen niet-ontvankelijkheid wegens schending Aanwijzing auditief registreren. Betrouwbaarheid verklaringen in verband met ‘collaborative storytelling’. Gebruik verklaring medeverdachte voor het bewijs. Media-aandacht leidt niet tot strafvermindering. Hoedanigheid van professioneel kickbokser strafverzwarend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2016/30

Uitspraak

parketnummer: 23-000812-14

datum uitspraak: 29 oktober 2015

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 21 februari 2014 in de strafzaak onder parketnummer 13-656502-12 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,

[adres 1] .

1. Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 12 en 19 november 2014, 10 juni 2015, 24 juni 2015, 15, 16 en 18 september 2015 en 15 oktober 2015 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en zijn raadslieden naar voren is gebracht.

2. Ontvankelijkheid van het ingestelde hoger beroep

De verdachte is door rechtbank Amsterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 2, 5 en 6 is ten laste gelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissingen tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraken.

Het openbaar ministerie heeft eveneens onbeperkt hoger beroep ingesteld en derhalve is het hoger beroep mede gericht tegen de beslissingen tot vrijspraak ter zake van het onder 2, 5 en 6 aan de verdachte ten laste gelegde. Deze feiten zijn in hoger beroep daarom inhoudelijk aan het oordeel van het hof onderworpen.

3. Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging is aan de verdachte ten lastegelegd dat:

1.

(Sensation White)

hij op of omstreeks 8 juli 2012 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen (met kracht) een of meer malen op/tegen het gezicht/hoofd en/of op/tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] heeft/hebben geschopt/getrapt (terwijl die [slachtoffer 1] zich op de grond bevond)

en/of

hij op of omstreeks 8 juli 2012 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, aan een persoon (te weten [slachtoffer 1] ), opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, zwaar lichamelijk letsel (enkelfractuur en/of aangezichtsfract(u)r(en)), heeft toegebracht, door deze opzettelijk, na kalm beraad en rustig overleg, althans opzettelijk (met kracht) een of meer malen een kopstoot te geven en/of op/tegen het gezicht/hoofd, althans het lichaam van voornoemde [slachtoffer 1] te slaan/stompen en/of op/tegen het gezicht/hoofd en/of enkel/(onder)been, althans op/tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] te schoppen/trappen/springen;

en/of

hij op of omstreeks 8 juli 2012 te Amsterdam met een ander of anderen, op een voor het publiek toegankelijke plaats of in een voor het publiek toegankelijke ruimte, te weten Amsterdam-Arena, skybox [nummer] , (in aanwezigheid van meerdere bezoekers) openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] , welk geweld bestond uit (met kracht) een of meer malen een kopstoot geven en/of op/tegen het gezicht/hoofd, althans het lichaam van voornoemde [slachtoffer 1] slaan/stompen en/of op/tegen enkel/(onder)been, althans op/tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] schoppen/trappen/springen;

en/of

hij op of omstreeks 8 juli 2012 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 1] ) (met kracht) een of meer malen een kopstoot heeft/hebben gegeven en/of op/tegen het gezicht/hoofd, althans het lichaam van voornoemde [slachtoffer 1] heeft/hebben geslagen/gestompt en/of op/tegen het gezicht/hoofd en/of enkel/(onder)been, althans op/tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] heeft/hebben geschopt/getrapt/gesprongen, waardoor voornoemde [slachtoffer 1] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2.

(Jimmy Woo)

hij op of omstreeks 12 mei 2012 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 2] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet (met kracht) een of meer malen een kopstoot heeft gegeven en/of een zogenoemde fly-ing kick heeft gegeven, althans op/tegen de rug van voornoemd persoon heeft geschopt/getrapt/gesprongen en/of een glas in het gezicht van voornoemd persoon heeft kapot geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

en/of

hij op of omstreeks 12 mei 2012 te Amsterdam met een ander of anderen, op een voor het publiek toegankelijke plaats of in een voor het publiek toegankelijke ruimte, te weten nachtclub Jimmy Woo, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 2] , welk geweld bestond uit het (met kracht) een of meer malen een kopstoot geven en/of een zogenoemde fly-ing kick geven, althans op/tegen de rug van voornoemd persoon schoppen/trappen/springen en/of een glas in het gezicht van voornoemd persoon kapot slaan;

3. primair

(Club Air)

hij op of omstreeks 17 juli 2011 te Amsterdam aan [slachtoffer 3] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een of meer afgebroken tand(en)), heeft toegebracht, door voornoemde [slachtoffer 3] met dat opzet (met kracht) een of meer malen op/tegen het gezicht/hoofd heeft geslagen/gestompt en/of op/tegen de mond, althans het gezicht/hoofd, heeft geschopt/getrapt; (Artikel 302 wetboek van Strafrecht) 3. subsidiair hij op of omstreeks 17 juli 2011 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 3] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een of meer afgebroken tand(en)) toe te brengen, met dat opzet (met kracht) een of meer malen op/tegen het gezicht/hoofd heeft geslagen/gestompt en/of op/tegen de mond, althans het gezicht/hoofd, heeft geschopt/getrapt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3. meer subsidiair

hij op of omstreeks 17 juli 2011 te Amsterdam opzettelijk mishandelend [slachtoffer 3] (met kracht) een of meer malen op/tegen het gezicht/hoofd heeft geslagen/gestompt en/of op/tegen de mond, althans het gezicht/hoofd, heeft geschopt/getrapt, waardoor voornoemde [slachtoffer 3] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

4.

(Club Air)

hij op of omstreeks 17 juli 2011 te Amsterdam opzettelijk mishandelend [slachtoffer 4] (met kracht) een of meer malen op/tegen het gezicht /hoofd en/of in de zij en/of tegen de ribben, althans op/tegen het (boven)lichaam van die [slachtoffer 4] heeft geslagen/gestompt, waardoor voornoemde [slachtoffer 4] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden; (Artikel 300 Wetboek van Strafrecht)

5.

(zaak [aangeefster] )

hij in of omstreeks de periode van 1 juli 2011 tot en met 29 juli 2011 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, (telkens) opzettelijk mishandelend [aangeefster] (met kracht) een of meer malen op/tegen het gezicht/hoofd heeft geslagen/gestompt en/of tegen de grond heeft geduwd, waardoor voornoemde [aangeefster] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

6.

hij in of omstreeks de periode van 1 juli 2011 tot en met 29 juli 2011 te Amsterdam (telkens) opzettelijk en wederrechtelijk huisraad (behorend bij woning [adres 2] ) en/of een of meer persoonlijke bezittingen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangeefster] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt door op voornoemd(e) goed(eren) te slaan/stompen en/of schoppen/trappen;

7. primair

(Cooldown)

hij op of omstreeks 2 december 2011 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 5] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet (met kracht) voornoemde [slachtoffer 5] een kopstoot heeft gegeven;

7. subsidiair

hij op of omstreeks 2 december 2011 te Amsterdam opzettelijk mishandelend [slachtoffer 5] (met kracht) een kopstoot heeft gegeven, waardoor voornoemde [slachtoffer 5] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

8.

(Blinq)

hij op of omstreeks 20 februari 2010 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, aan een persoon genaamd [slachtoffer 6] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (te weten (in elk geval) een gebroken neus en/of een gebroken oogkas), heeft toegebracht, door deze opzettelijk een of meermalen (met kracht) met een boksbeugel, althans een hard en/of zwaar voorwerp, op/tegen het gezicht/hoofd, te slaan en/of te stompen en/of een of meermalen (met kracht) op/tegen het gezicht/hoofd te schoppen en/of te trappen en/of een of meermalen (met kracht) op/tegen het lichaam te schoppen en/of te trappen (terwijl voornoemde [slachtoffer 6] al op de grond lag)

en/of

hij op of omstreeks 20 februari 2010 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, Kleine Gartmanplantsoen, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 6] , welk geweld bestond uit het een of meermalen (met kracht) met een boksbeugel, althans een hard en/of zwaar voorwerp op/tegen het gezicht/hoofd slaan en/of stompen en/of een of meermalen (met kracht) op/tegen het gezicht/hoofd schoppen en/of trappen en/of een of meermalen (met kracht) op/tegen het lichaam schoppen en/of trappen (terwijl voornoemde [slachtoffer 6] al op de grond lag);

9.

hij op of omstreeks 6 maart 2010 te Amsterdam als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Albert Cuypstraat, in strijd met een geslotenverklaring heeft gereden, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd immers is hij, verdachte, vervolgens in botsing gekomen met een voetganger als gevolg waarvan deze pijn en/of letsel heeft bekomen (te weten [slachtoffer 7] );

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd; (Artikel 5 Wegenverkeerswet 1994).

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

4. Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de rechtbank.

5. De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de strafvervolging

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft betoogd dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging van de verdachte ter zake van de onder 1 ten laste gelegde Sensation-zaak. Zij heeft daartoe aangevoerd dat het openbaar ministerie verwijtbaar het risico op de koop toe heeft genomen – vergelijkbaar met voorwaardelijk opzet – dat zowel het technisch onderzoek als het tactisch onderzoek in het honderd is gelopen. Dat informatie over het onderzoek naar buiten zou komen ten gevolge van het plaatsen van de extreem gevoelige zaak op een onbeveiligde en zichtbare plaats op het politienet was voorzienbaar en dus te verwachten. Dat de Rijksrecherche niet heeft kunnen vaststellen dat die informatie door aan te wijzen politiemedewerkers naar buiten is gekomen, is logisch, aangezien door de toegankelijkheid voor velen dat niet meer te achterhalen was.

Het verweer tot niet-ontvankelijkheid dient in het licht van de verzuimen ‘as a whole’ te worden beoordeeld en ook in het licht van het schenden van de zorgplicht van de politie om een schending van de wettelijke geheimhoudingsplicht respectievelijk ambtsgeheim dan wel feitelijk lekken van haar bekende informatie te voorkomen. Het verwijtbaar nalaten maatregelen te treffen om te voorkomen dat er beïnvloedende informatie naar buiten gaat, wetende dat die informatie het tactisch onderzoek beïnvloedt en dat lekken in deze zaak voorzienbaar is, is van invloed op de contouren van de in acht te nemen zorgplicht.

Meer specifiek heeft de verdediging daartoe het volgende naar voren gebracht.

Verzuimen ten aanzien van het technisch onderzoek

Bewaking plaats delict en sporen

Hoewel van meet af aan duidelijk was dat deze zaak op vele fronten zorgvuldig onderzoek zou eisen, is nagelaten de plaats van het delict te bewaken/af te sluiten en personalia van de aanwezigen te noteren, waardoor onduidelijk is gebleven wie van het gebeurde getuige of zelfs verdachte(n) zijn geweest.

Gebleken is dat diverse personen na het vertrek van het Horeca Interventie Team (‘HIT-team’) de box hebben betreden, onder wie een schoonmaker die waarschijnlijk heeft gepoetst. Het sporenbeeld is daardoor niet oorspronkelijk meer en sporen zijn gecontamineerd geraakt. Van de theedoek die ‘achter de bar’ zou zijn gevonden en waarop later sporen zijn aangetroffen, is niet meer vast te stellen waar deze zich oorspronkelijk bevond en/of deze in aanraking is geweest met bloed- of andere biologische sporen op en rond de bar of de theedoeken die op de galerij werden gevonden. Voorts is deze theedoek bij de inbeslagname door een medewerkster van de Arena ondeugdelijk verpakt, niet verzegeld en mogelijk gecontamineerd.

Kleding slachtoffer en verdachte

De kleding van het slachtoffer is door het ziekenhuis vernietigd, terwijl dat door een telefoontje naar het ziekenhuis in de nacht van het incident voorkomen had kunnen worden. Ook de kleding van de verdachte had direct in beslag genomen moeten worden. Dan had hem niet – zoals nu het geval is – verweten kunnen worden dat hij niet de juiste kleding heeft ingeleverd.

Afslaan aanbod verdachte zich te melden

De verdachte heeft aangeboden zich de dag zelf te melden, maar dit is afgeslagen, terwijl informatie over de aard van zijn verwonding van bijzondere betekenis had kunnen zijn voor de verificatie van zijn verklaring.

Horloge [medeverdachte]

De politie heeft toegestaan dat de medeverdachte [medeverdachte] zijn horloge voor zijn aanhouding afgaf aan een vriend, terwijl toen reeds bekend was dat op de camerabeelden te zien was dat om de arm die [slachtoffer 1] uit de skybox duwde een horloge zichtbaar was. Het zou van groot belang geweest zijn om vast te kunnen stellen of die beelden van het horloge overeenkwamen met het door [medeverdachte] voor zijn aanhouding gedragen horloge.

Volgens de verdediging zijn niet voor niets richtlijnen vastgesteld ten aanzien van management van de plaats delict. Deze verschillen weliswaar per politiekorps, maar vloeien alle voort uit het Evaluatierapport Schiedammer Parkmoord. In dat rapport is opgenomen dat een plaats delict fatsoenlijk moet worden afgezet en dat degelijk sporenonderzoek moet worden gedaan, waarbij ook sporen die wellicht niet direct gerelateerd lijken te zijn aan het delict moeten worden veiliggesteld en onderzocht. Ook dient een duidelijke en complete beschrijving van het sporenbeeld te worden geverbaliseerd. Dit alles is niet gebeurd.

Door al deze verzuimen is de verdachte in zijn verdediging geschaad, omdat mogelijk ontlastend bewijs verloren is gegaan. De geschetste onzorgvuldigheden leveren een onherstelbaar vormverzuim op waarbij sprake is van grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan zijn recht op een eerlijke behandeling van deze zaak.

Verzuimen ten aanzien van het tactisch onderzoek

Voorwaardelijk opzet op lekken van opsporingsinformatie

Gelet op de berichtgeving in de diverse media is reeds vanaf 10 juli 2012 – slechts twee dagen na het gebeuren ten tijde van Sensation in de Amsterdam Arena – forensische opsporingsinformatie voor een ieder toegankelijk geworden, onder wie de vele getuigen die nog moesten worden gehoord. Uit deze berichtgeving komt naar voren dat er contact is geweest met de politie over de voortgang in het onderzoek. Daarbij is de verdachte bovendien als enige verdachte genoemd, terwijl bij de politie op grond van de verklaring van [slachtoffer 1] bekend was dat meerdere personen bij het incident betrokken waren.

De conclusie dat de politie informatie heeft gelekt is dan ook gerechtvaardigd en het openbaar ministerie heeft niets ondernomen om deze berichtgeving in de lijn van ‘he did it’ af te remmen dan wel te neutraliseren. In tegendeel, het heeft er alle schijn van dat de politie juist de kans heeft willen benutten om zoveel mogelijk informatie naar buiten te brengen om de verdachte belastende verklaringen van getuigen te verkrijgen.

Het vooroordeel van de politie en het openbaar ministerie, de (eenzijdige) onderzoeksrichting en het scenario dat de verdachte ‘het gedaan had’ wordt ook bevestigd, doordat de aangever [slachtoffer 1] niet éénmaal door de politie is geconfronteerd met het gegeven dat uit telefoontaps blijkt dat hij niet weet wat er precies is gebeurd. Ook uit telefoontaps van [getuige 1] blijkt dat de waarheidsvinding wordt gecentreerd op het unieke scenario dat de verdachte de hoofdschuldige is en dat vooral naar bewijs wordt gezocht om dat scenario bevestigd te krijgen. Het onderzoek is nauwelijks of niet gefalsifieerd, hetgeen haaks staat op het vereiste waaraan een deugdelijk opsporingsonderzoek moet voldoen.

Concluderend stelt de verdediging dat het voorgaande erop duidt dat het lekken van informatie en het daardoor beïnvloeden van mogelijke getuigen waarschijnlijk een opsporingsstrategie van justitie is geweest.

Schending van de Aanwijzing auditief en audiovisueel registreren

De Aanwijzing auditief en audiovisueel registreren van verhoren van aangevers, getuigen en verdachten is geschonden, aangezien gebleken is dat een dergelijke registratie in het geheel niet heeft plaatsgevonden. Het belang van de verdediging om te kunnen controleren op welke wijze de politieverhoren zijn gegaan is evident en voorspelbaar. Dit geldt te meer, omdat uit de slachtoffertaps blijkt van de twijfel van de aangever [slachtoffer 1] over hetgeen zich heeft afgespeeld in de skybox, terwijl deze twijfel afwezig is in de geverbaliseerde verhoren. Het achterwege laten van een dergelijke registratie is niet anders te zien dan dat het de bedoeling is geweest de verdediging deze controlemogelijkheid te ontnemen.

De schending vormt een onherstelbaar vormverzuim, aangezien het horen van het slachtoffer en getuigen geen soelaas biedt, omdat uit de slachtoffertaps blijkt dat dezen de verdachte vijandig gezind zijn en vastberaden om de verdachte te laten ‘bloeden’ voor deze zaak en iedere suggestie (van de verdediging) tijdens de RC-verhoren, dat de getuige in de reconstructie van het incident is geholpen door de politie, wordt verworpen. Deze schade in de verdediging kan niet meer worden goedgemaakt. Daarom zou dit verzuim op zichzelf al voldoende moeten zijn om het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren, doch de verdediging kiest ervoor om de verzameling van onherstelbare verzuimen aan dit verweer ten grondslag te leggen.

Procedure ‘as a whole’ unfair

De verdediging is van mening dat de strafprocedure ‘as a whole’ als unfair moet worden aangemerkt. De vormverzuimen zijn onherstelbaar en hebben zowel het technisch als tactisch onderzoek onherstelbaar negatief geïnfecteerd. Deze schendingen leveren een ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijk procesorde, waarbij is gehandeld met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte en diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak. Dit alles dient ertoe te leiden dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk wordt verklaard in de vervolging van de verdachte ten aanzien van de Sensation-zaak.

Het standpunt van het openbaar ministerie

Het openbaar ministerie heeft zich – onder verwijzing naar het oordeel van de rechtbank hieromtrent – op het standpunt gesteld dat de verweren dienen te worden verworpen.

Het oordeel van het hof

Het hof zal hierna achtereenvolgens de verweren die zien op het technisch opsporingsonderzoek en tactisch opsporingsonderzoek bespreken en tot slot het verweer met betrekking tot de procedure ‘as a whole’.

Toetsingskader

Indien binnen de door artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) bepaalde grenzen sprake is van een vormverzuim als bedoeld in deze bepaling en de rechtsgevolgen daarvan niet uit de wet blijken, moet de rechter beoordelen of aan dat vormverzuim enig rechtsgevolg dient te worden verbonden en, zo ja, welk rechtsgevolg dan in aanmerking komt. Het ‘voorbereidend onderzoek’ heeft uitsluitend betrekking op het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte ter zake het aan hem tenlastegelegde feit. Artikel 359a Sv is dus niet van toepassing indien het verzuim is begaan buiten het verband van dit voorbereidend onderzoek.

Bij voornoemde beoordeling dient de rechter rekening te houden met de in het tweede lid van artikel 359a Sv genoemde factoren. Het rechtsgevolg zal immers door deze factoren moeten worden gerechtvaardigd.

De eerste factor is ‘het belang dat het geschonden voorschrift dient’. De tweede factor is ‘de ernst van het verzuim’. Bij de beoordeling daarvan zijn de omstandigheden van belang, waaronder het verzuim is begaan. Daarbij kan ook de mate van verwijtbaarheid van het verzuim een rol spelen. De derde factor is ‘het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt’. Bij de beoordeling daarvan is onder meer van belang of en in hoeverre de verdachte door het verzuim daadwerkelijk in zijn verdediging is geschaad. Daarbij verdient opmerking dat het belang van de verdachte dat het gepleegde feit niet wordt ontdekt, niet kan worden aangemerkt als een rechtens te respecteren belang, zodat een eventuele schending van dit belang als gevolg van een vormverzuim niet een nadeel oplevert als bedoeld in artikel 359a, tweede lid, Sv. Opmerking verdient tevens dat indien het niet de verdachte is die door de niet-naleving van het voorschrift is getroffen in het belang dat de overtreden norm beoogt te beschermen, in de te berechten zaak als regel geen rechtsgevolg zal behoeven te worden verbonden aan het verzuim.

Voor niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie is alleen plaats ingeval het vormverzuim daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan (het Zwolsmancriterium).

Van een vormverzuim in de zin van genoemde bepaling is sprake wanneer in het vooronderzoek een geschreven of ongeschreven strafprocesrechtelijk voorschrift niet is nageleefd. Onder dergelijke voorschriften dienen te worden verstaan strafprocesrechtelijke regels die van toepassing zijn op het strafrechtelijk onderzoek en die zijn te beschouwen als recht in de zin van artikel 79 van de Wet op de rechterlijke organisatie (RO), derhalve (voor zover hier van belang) algemeen verbindende voorschriften krachtens een wetgevende bevoegdheid gegeven, verdragsrechtelijke bepalingen en algemene beginselen van een behoorlijke procesorde (zoals het verbod van willekeur, het vertrouwensbeginsel, het verbod van détournement de pouvoir, het gelijkheidsbeginsel en het beginsel van een redelijke belangen afweging). Ook regels omtrent beleidsuitgangspunten bij opsporing en vervolging, mits behoorlijk bekend gemaakt, hoewel niet krachtens enige wetgevende bevoegdheid gegeven, binden het openbaar ministerie op grond van beginselen van een behoorlijke procesorde en lenen zich er naar hun aard en strekking toe jegens betrokkenen als rechtsregels te worden toegepast.

Ten aanzien van het technisch onderzoek

Het hof begrijpt het betoog van de verdediging aldus, dat zij zich op het standpunt stelt dat sprake is van een opeenstapeling van vormverzuimen als bedoeld in artikel 359a Sv, doordat op tal van punten geen, of ondeugdelijk technisch onderzoek is verricht.

De verdediging heeft niet nader gespecificeerd welke regels naar haar opvatting zijn geschonden.

Als door het handelen van de politie geschonden voorschriften ter zake van de afsluiting en bewaking van de plaats delict, het veiligstellen van sporen en ander (belastend dan wel ontlastend) bewijsmateriaal heeft zij gewezen op niet nader gespecificeerde en per politiekorps opgestelde richtlijnen en protocollen van de politie. Voor zover daarbij al sprake is van bindende voorschriften, voldoen deze regels, reeds gelet op het feit dat zij niet algemeen bekend zijn gemaakt, niet aan de hiervoor geformuleerde vereisten die aan een vormvoorschrift in de zin van artikel 359a Sv dienen te worden gesteld. Ten overvloede wijst het hof erop dat hoewel de verdediging kan worden nagegeven dat het optreden van de politie op de door haar genoemde onderdelen wellicht niet optimaal is geweest en mogelijk voortvarender had kunnen verlopen, deze omstandigheid niet zonder meer met zich brengt dat aan dit optreden het predicaat van onzorgvuldigheid moet worden toegemeten.

Nu ook overigens niet is gesteld of gebleken dat de politie heeft gehandeld in strijd met voorschriften als hiervoor omschreven, is geen sprake van verzuim van vormen als bedoeld in artikel 359a Sv. Het verweer van de verdediging met betrekking tot het technisch onderzoek wordt op alle onderdelen verworpen.

Ten aanzien van het tactisch onderzoek

Lekken opsporingsinformatie

Anders dan de verdediging heeft betoogd is het hof van oordeel dat het bekend worden van informatie omtrent het opsporingsonderzoek in de Sensation-zaak bij de media niet kan worden toegeschreven aan het doelbewust lekken van informatie door politie en/of justitie. Zoals de rechtbank reeds heeft overwogen volgt uit de twee door de Rijksrecherche uitgevoerde onderzoeken, Onderzoek Slangekruid (brief van 15 mei 2013 van mr. [naam 1] van het Landelijk Parket) en Onderzoek Populier (brief van 19 december 2013 van mr. [naam 2] van het Landelijk Parket), dat er geen (concrete) aanwijzingen zijn dat sprake is geweest van het verstrekken van informatie aan de media door een ambtenaar werkzaam bij politie en/of justitie. Voor zover uit het onderzoek Slangekruid naar voren komt dat niet kan worden uitgesloten dat informatie omtrent de signalering van de verdachte op of rond 12 juli 2012 vanuit politie en/of justitie naar buiten is gekomen, brengt dat niet zonder meer met zich dat daarbij sprake is van een doelbewuste benadeling van de verdachte in zijn verdediging of doelbewuste beïnvloeding van getuigen, zoals door de verdediging is gesteld. Daarbij neemt het hof mede in aanmerking dat de inhoud van de berichtgeving waarnaar door de verdediging is verwezen niet van een zodanige aard is, dat dit zonder meer noopt tot een reactie of rectificatie van de zijde van de politie en/of justitie, nu daarin steeds slechts sprake is van een mogelijke verdenking tegen de verdachte en ook anderen en de verdachte niet in strijd met de onschuld-presumptie als schuldige dader is aangewezen.

Eenzijdig onderzoek

Dat het opsporingsonderzoek zich louter en alleen zou hebben gericht op de verdachte zonder daarbij oog te hebben voor mogelijke andere daders is evenmin aannemelijk geworden. Nu de verdachte door de aangever en verschillende getuigen als één van de betrokkenen bij het incident werd genoemd, bevreemdt het niet dat de opsporing zich reeds in een vroeg stadium op de persoon van de verdachte heeft gericht. Dat daarbij sprake was van een eenzijdige focus dan wel tunnelvisie met betrekking tot de verdachte is het hof niet gebleken. Uit het dossier volgt immers dat ook onderzoek is verricht naar de mogelijke betrokkenheid van andere personen, zoals [naam 3] , [naam 4] en [medeverdachte] , hetgeen ten aanzien van laatstgenoemde ook heeft geleid tot strafvervolging ter zake van het onderhavige feit.

Overigens is het aan politie en justitie voorbehouden het opsporingsonderzoek alsmede het verhoor van getuigen en verdachten in te richten op een wijze die zij gelet op alle omstandigheden van het geval aangewezen achten. Daarbij blijkt uit het dossier tevens, anders dan de verdediging heeft gesteld, dat de aangever [slachtoffer 1] wel degelijk op enig moment door de politie is geconfronteerd met hetgeen is gezegd in de ‘slachtoffertaps’. Ook zijn deze taps toegevoegd aan het dossier.

Dat sprake is geweest van een doelbewuste opsporingsstrategie om getuigen te beïnvloeden en hen ertoe te bewegen ten onrechte belastend omtrent de verdachte te verklaren, althans dat het risico daarop op de koop toe is genomen, is gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en ook overigens niet aannemelijk geworden.

Schending van de Aanwijzing auditief en audiovisueel registreren

Het hof stelt voorop dat de Aanwijzing auditief en audiovisueel registreren van verhoren van aangevers, getuigen en verdachten van 6 april 2009 en in werking getreden op 1 september 2009, nr. 2010A018 (hierna: de Aanwijzing) regels zijn die zich er naar hun aard en strekking toe lenen jegens de betrokkenen als rechtsregels te worden toegepast.

Uit deze aanwijzing volgt – kort en zakelijk weergegeven – dat in het belang van de waarheidsvinding een auditieve registratie van aangiften en/of verhoren onder meer verplicht is in de gevallen waarin de strafbedreiging 12 jaar of meer bedraagt of minder dan 12 jaar bedraagt en sprake is van evident zwaar lichamelijk letsel. Voorts is als uitgangspunt vermeld dat de verdachte en zijn raadsman/-vrouw recht hebben op kennisneming van de registratie(s).

Het hof stelt met de rechtbank en de verdediging vast dat de verhoren van de getuigen (mede daaronder begrepen de aangever [slachtoffer 1] ) bij de politie in strijd met de Aanwijzing niet auditief zijn geregistreerd. In zoverre is sprake van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van art. 359a Sv.

Bij de beoordeling van de vraag in hoeverre dit verzuim tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie dient te leiden, heeft het hof in aanmerking genomen dat in het dossier geen aanwijzingen zijn gevonden dat de politie of het openbaar ministerie opzettelijk in strijd met de Aanwijzing zouden hebben gehandeld teneinde de verdediging in haar belang te schaden. Het hof overweegt dat het ten aanzien van bovengenoemde getuigen weliswaar ontbreekt aan de mogelijkheid van controle op de totstandkoming van de eerste politieverklaringen door kennisname van auditieve registratie, maar dat daarentegen zeer uitgebreide en gedetailleerde informatie beschikbaar is geweest uit de vele (reeds eerder genoemde) ‘slachtoffertaps’ en dat de verdediging in staat is geweest deze getuigen bij de rechter-commissaris – mede in het licht van de ‘slachtoffertaps’ – te horen en te bevragen. Concrete, relevante, benadeling van de verdachte in zijn verdediging door de ontbrekende audio-registratie is mede in het licht van de informatie uit genoemde telefoontaps onvoldoende aannemelijk geworden. Het verzuim leidt niet tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, nu geen sprake is van een inbreuk op de procesorde, waarbij doelbewust of met grove schending van de verdedigingsbelangen het recht op een eerlijk proces is geschonden.

Het verweer van de verdediging met betrekking tot het tactisch onderzoek wordt op alle onderdelen verworpen.

Procedure ‘as a whole’ unfair

Naar het oordeel van het hof is voor wat betreft het technisch en tactisch onderzoek evenmin sprake van een schending van het recht van de verdachte op een eerlijk proces. Noch afzonderlijk, noch in samenhang bezien, leiden de stellingen van de verdediging tot de slotsom dat het openbaar ministerie om die reden niet-ontvankelijk zou zijn.

Weliswaar is het hof met de verdediging van oordeel dat het veiligstellen van sporen en het traceren en verhoren van getuigen en mogelijke verdachten in de aanvang van deze zaak niet optimaal is verlopen, maar daar staat tegenover dat de politie in een later stadium zeer uitvoerig onderzoek heeft verricht en dat de verdediging in de gelegenheid is gesteld zelf getuigen te (doen) horen en van die gelegenheid ook gebruik heeft gemaakt, bij welke gelegenheid ook op vragen van de verdediging is geantwoord. Voor zover al sprake is geweest van enig onherstelbaar vormverzuim, is het hof van oordeel dat geen sprake is van een ernstige inbreuk op beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan

Het verweer tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging van de verdachte met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde wordt op alle onderdelen verworpen.

6. Het bewijs

6.1. Bespreking van ter terechtzitting ingenomen standpunten ter zake het bewijs

6.1.1. Sensation White (feit 1)

Het standpunt van het openbaar ministerie

Het openbaar ministerie heeft evenals in eerste aanleg gevorderd dat de verdachte zal worden vrijgesproken van het onder het eerste cumulatief/alternatief tenlastegelegde medeplegen van een poging doodslag, nu het vereiste opzet op de dood van de aangever ontbreekt.

Het openbaar ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat het aan de verdachte als tweede cumulatief/alternatief tenlastegelegde, het medeplegen van het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan het slachtoffer [slachtoffer 1] alsmede het als derde cumulatief/alternatief tenlastegelegde, het openlijk in vereniging geweld plegen tegen [slachtoffer 1] , bewezen kan worden verklaard en heeft daartoe – kort en zakelijk weergegeven – het volgende naar voren gebracht.

Ten onrechte heeft de rechtbank de verklaringen van de aangever [slachtoffer 1] met uitzondering van diens eerste verklaring aangemerkt als onbetrouwbaar en niet bruikbaar voor het bewijs. Het enkele feit dat niet valt uit te sluiten dat de verklaringen van [slachtoffer 1] na de nacht van het incident mede onder invloed van ‘collaborative storytelling’ tot stand zijn gekomen, is onvoldoende om deze verklaringen uit te sluiten van het bewijs. Dit geldt te minder, nu uit tapgesprekken blijkt dat [slachtoffer 1] ook in de allereerste gesprekken, vanaf één dag na het incident, aangeeft dat de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] de daders waren en dit blijft zeggen in de diverse tapgesprekken. Bovendien vindt de verklaring van de aangever [slachtoffer 1] steun in de verklaring van de verdachte, aangezien deze heeft verklaard dat hij de eerste klap heeft gegeven en dat ook anderen geweldshandelingen pleegden. De verklaringen van [slachtoffer 1] zijn consistent en voorts ook in lijn met hetgeen [getuige 1] heeft verklaard. Derhalve zijn de verklaringen van [slachtoffer 1] alle bruikbaar voor het bewijs.

Ook de verklaringen van [getuige 1] zijn door de rechtbank ten onrechte als onbetrouwbaar en niet redengevend voor het bewijs aangemerkt. [getuige 1] heeft immers, als een van de weinige getuigen in de skybox, tegen alle weerstand en adviezen in consistent verklaard over hetgeen zij heeft waargenomen. Voor zover zij niet steeds gelijkluidend heeft verklaard omtrent de plaats waar zij ten tijde van het incident zat, is dat niet tegenstrijdig te noemen, aangezien zij steeds heeft aangegeven dat zij mensen heeft zien slaan vanuit haar ooghoek.

Hoewel het openbaar ministerie het oordeel van de rechtbank onderschrijft dat het veiligstellen en in beslag nemen van de theedoek niet volgens de forensisch technische normen is gebeurd en dat dit een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv oplevert, heeft de rechtbank daaraan ten onrechte de sanctie van uitsluiting van het daaruit voortgekomen bewijs verbonden. In de visie van het openbaar ministerie kan worden volstaan met de enkele constatering van het verzuim, zodat de in de NFI-rapporten van 23 augustus 2012 en 26 april 2013 vervatte resultaten en conclusies uit het onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek voor de bewijsvoering kunnen worden gebruikt. Voorts kunnen de verklaringen van de getuigen [getuige 2] , [getuige 3] en [getuige 4] voor het bewijs worden gebruikt.

Ten aanzien van de vraag of ook sprake is geweest van handelen met voorbedachte raad is het openbaar ministerie van mening dat deze, in het licht van de strenge eisen die de Hoge Raad daaraan stelt en in aanmerking genomen dat de gebeurtenissen zich kort na de binnenkomst van de aangever [slachtoffer 1] in hoog tempo lijken te hebben afgespeeld, ontkennend moet worden beantwoord.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft evenals in eerste aanleg verzocht de verdachte vrij te spreken van het onder het eerste cumulatief/alternatief tenlastegelegde, het medeplegen van een poging doodslag, nu het vereiste opzet op de dood van de aangever ontbreekt.

De verdediging heeft voorts de volgende verweren gevoerd.

Op grond van de inhoud van het dossier kan wettig en overtuigend worden bewezen dat de verdachte het slachtoffer [slachtoffer 1] één klap in het gezicht met de vlakke hand heeft gegeven. De overige geweldshandelingen zijn door anderen verricht en niet door de verdachte. Ten aanzien van deze overige geweldshandelingen is geen sprake van medeplegen, aangezien niet is gebleken van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en genoemde anderen.

Uitgegaan moet worden van de verklaring van de verdachte dat hij de aangever [slachtoffer 1] slechts een corrigerende tik tegen de zijkant van zijn gezicht heeft gegeven met de buitenkant van zijn, verdachtes, vlakke hand. Aanleiding voor de klap was een opmerking van de aangever tegen [naam 5] , de toenmalige vriendin van de verdachte. De verdachte zag vervolgens dat twee anderen personen, onder wie de medeverdachte [medeverdachte] het slachtoffer zwaar mishandelden. De verdachte heeft het geweld proberen te stoppen door [medeverdachte] een klap te geven, en is vervolgens weggelopen uit de hoek waar de mishandeling plaatsvond. Deze verklaring van de verdachte is plausibel en consequent.

De verklaringen van de aangever [slachtoffer 1] zijn niet bruikbaar voor het bewijs, nu vaststaat dat [slachtoffer 1] zich niet daadwerkelijk herinnert dat de verdachte hem heeft mishandeld, maar dit heeft geconcludeerd en/of gehoord en/of gereconstrueerd.

De verklaringen van de getuige [getuige 1] zijn evenmin bruikbaar voor het bewijs. Blijkens haar verklaringen bij de politie heeft [getuige 1] niet veel gezien: er gebeurde iets en er was tumult. [getuige 1] heeft ten overstaan van de rechter-commissaris plotseling een zeer gedetailleerde en voor de verdachte zeer belastende verklaring afgelegd, die haaks staat op haar eerdere verklaringen. Gelet op het voorgaande moet die verklaring dan ook als volstrekt onbetrouwbaar terzijde worden gesteld.

De verklaringen van de medeverdachte [medeverdachte] zijn onbetrouwbaar en kunnen niet voor het bewijs worden gebruikt. [medeverdachte] heeft in eerste instantie niets willen verklaren. Pas in zijn derde verhoor bij de politie heeft hij een voor de verdachte belastende en voor hemzelf ontlastende verklaring afgelegd. [medeverdachte] stelt dat hij tussenbeide is gesprongen om het slachtoffer te ontzetten. [medeverdachte] heeft pas een verklaring afgelegd, nadat de verdachte een verklaring had afgelegd. Die verklaring maakte reeds deel uit van het dossier toen de medeverdachte [medeverdachte] werd verhoord. [medeverdachte] heeft hiervan kennis genomen en zijn eigen verklaring daarop afgestemd. Daarbij heeft hij met betrekking tot het aantal personen dat om het slachtoffer heen stond aantoonbaar onjuist verklaard. Op grond van de camerabeelden kan worden geconcludeerd dat [medeverdachte] het slachtoffer op niet zachtzinnige wijze naar buiten heeft geduwd, hetgeen niet past bij zijn rol van redder in nood.

De verklaringen van de NN-getuige zijn niet redengevend voor het bewijs. De NN-getuige heeft de verdachte niet herkend. Het door de NN-getuige in haar eerste verklaring opgegeven signalement van de dader komt niet overeen met het signalement van de verdachte. Deze NN was de bewuste avond onder invloed van drank en drugs. Het is niet waarschijnlijk dat zij in staat was goede waarnemingen te doen. Zo heeft de NN-getuige bijvoorbeeld met betrekking tot de vraag met wie zij naar de skybox liep aantoonbaar onjuist verklaard. De NN-getuige verklaart als enige dat de dader het slachtoffer een kopstoot gaf, hetgeen nergens bevestiging vindt.

Er is geen sprake is geweest van handelen met voorbedachte raad.

Uit de stukken blijkt niet dat sprake was van een vooraf gemaakte afspraak om [slachtoffer 1] met meerdere personen in te sluiten en zwaar te mishandelen dan wel in vereniging geweld tegen hem te plegen. De verdachte heeft het bij een enkele droge klap gelaten. Door de chaos, de drukte en de korte tijdspanne waarin de gebeurtenissen plaatsvonden was het voor de verdachte onmogelijk om zich voor het oog van een ieder duidelijk te distantiëren van het geheel. Dit wil niet zeggen dat de verdachte instemde met het door de andere mannen gepleegde geweld. Integendeel, de verdachte heeft juist getracht een einde te maken aan het geweld door [medeverdachte] een klap te geven. De verdachte dient derhalve te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde medeplegen van zware mishandeling en/of het openlijk in vereniging plegen van geweld.

De verdediging heeft voorts nog aangevoerd dat op grond van de inhoud van het dossier niet kan worden uitgesloten dat iemand in het tumult per ongeluk op de enkel van de op de grond liggende [slachtoffer 1] is gestapt en dat deze daardoor is gebroken.

Het oordeel van het hof

Vrijspraak van het medeplegen van een poging doodslag

Met het openbaar ministerie en de verdediging is het hof, evenals de rechtbank, van oordeel dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het eerste cumulatief/alternatief tenlastegelegde, het medeplegen van een poging tot doodslag van [slachtoffer 1] , reeds omdat op grond van de stukken in het dossier niet kan worden bewezen dat het opzet van de verdachte op de dood van [slachtoffer 1] was gericht.

Betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer 1]

Anders dan het openbaar ministerie is het hof – met de verdediging – van oordeel dat de verklaringen van de aangever [slachtoffer 1] niet voldoende betrouwbaar zijn om voor het bewijs te worden gebruikt.

Prof. dr. P.J. van Koppen concludeert in zijn rapport van 16 juni 2013 (dossierpagina’s 9 073 e.v.) dat de volgorde en de manier waarop de aangever [slachtoffer 1] in zijn verklaringen en de telefoongesprekken zijn versie van het gebeurde vertelde, laten zien dat zijn verhaal zich steeds wijzigde, met name waar het gaat om van belang te achten details met betrekking tot het handelen van de vermoedelijke daders. Of het bij [slachtoffer 1] terugkerende herinneringen betreft of door anderen of in samenspraak met anderen gereconstrueerde verhalen, kan niet zonder meer worden bepaald. Wel vertelde [slachtoffer 1] aan zijn gesprekpartners dat hij zich plotseling weer iets was gaan herinneren en sprak hij steeds in termen van dat ‘het wel zo gegaan moest zijn’. Dat laatste maakt het volgens Van Koppen waarschijnlijker dat sprake is van een reconstructie achteraf met behulp van anderen, van ‘collaborative storytelling’ derhalve. Mede gelet op de conclusies in het rapport van Van Koppen en nu de verklaringen van de aangever [slachtoffer 1] op tal van onderdelen, met name waar het de rol van de verdachte(n) betreft, onvoldoende eenduidig en consistent zijn, acht het hof deze niet bruikbaar voor het bewijs.

Dit laatste dient ook te gelden ten aanzien van de eerste verklaring van [slachtoffer 1] . Deze eerste verklaring is door [slachtoffer 1] ten overstaan van de politie afgelegd op 8 juli 2012 om 05:30 uur in, naar het hof uit het in het betreffende proces-verbaal vermelde adres Meibergdreef 9 te Amsterdam Zuidoost begrijpt, het AMC-ziekenhuis. Uit het dossier komt naar voren dat [slachtoffer 1] in de periode daaraan voorafgaande reeds met verschillende andere personen, onder wie [getuige 1] , had gesproken over hetgeen zich in de skybox had afgespeeld. Voor het oordeel dat deze verklaring niet zonder meer als betrouwbaar kan worden aangemerkt ziet het hof ook steun in hetgeen onder meer door de getuigen [getuige 5] , [getuige 3] , [getuige 6] en [getuige 7] is verklaard. Zo heeft de getuige [getuige 5] (dossierpagina’s 3 230 e.v.) verklaard dat het slachtoffer zei dat hij van het toilet was gekomen en dat hij vervolgens aan [getuige 5] vroeg wat er gebeurd was. Getuige [getuige 3] (dossierpagina’s 3 056 e.v.) heeft verklaard dat hij het slachtoffer aantrof op een krukje op de galerij voor de skybox in het bijzijn van zijn vrouw en dat het slachtoffer vroeg wat er gebeurd was. Uit de omschrijving van de vrouw door [getuige 5] leidt het hof af dat deze vrouw de getuige [getuige 1] was. Op de vraag van [getuige 3] antwoordde het slachtoffer dat hij in de skybox een gesprek had gehad en toen niets meer wist en buiten lag. De vrouw wist ook niets meer, aldus [getuige 3] . En ook de getuige [getuige 6] (dossierpagina’s 3 101 e.v.) heeft in deze zin verklaard, namelijk dat het slachtoffer zei dat hij naar het toilet was geweest en toen in elkaar was geslagen en dat er niet méér uitkwam. Vervolgens was het slachtoffer met iemand gaan bellen, waarbij hij had gezegd dat hij in elkaar geslagen was en niet wist door wie en hoeveel. Daaraan doet overigens niet af dat de getuige [getuige 4] heeft verklaard dat hij het slachtoffer de naam van verdachte hoorde noemen, nu hij daaromtrent later bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat het slachtoffer dat zei toen hij op de brancard lag en derhalve – naar het hof begrijpt – reeds enige tijd na het incident en nadat hij tenminste met de getuige [getuige 1] en met iemand aan de telefoon had gesproken.

Betrouwbaarheid van de verklaringen van [getuige 1]

Met de verdediging is het hof – evenals de rechtbank – van oordeel dat de verklaringen van de getuige [getuige 1] wisselend en niet consistent zijn, hetgeen in ernstige mate afdoet aan de betrouwbaarheid daarvan. De stelling van het openbaar ministerie dat [getuige 1] steeds heeft verklaard dat zij midden op de bank zat en vanuit haar ooghoek mensen heeft zien slaan, maakt dit niet anders. Voor het oordeel van het is mede redengevend de verklaring van de getuige [getuige 8] , die het volgende inhoudt. Op het moment dat [slachtoffer 1] werd mishandeld stond hij met [getuige 1] te praten in de skybox ter hoogte van de toegang tot het balkon. Op dat moment hoorde hij geroep en zag hij een deinende massa. Kort daarna is hij naar de plaats waar [slachtoffer 1] lag gelopen en vervolgens weer teruggelopen naar [getuige 1] . Hij heeft haar toen verteld dat [slachtoffer 1] klappen had gehad, waarop hij zag dat zij schrok en kort daarna in de richting van [slachtoffer 1] liep. Deze verklaring sluit aan bij het proces-verbaal Beschrijving opgenomen beelden Arena (dossierpagina 2 147- 2 149), waaruit blijkt dat [slachtoffer 1] om 03:14 uur uit de skybox verscheen en [getuige 1] eerst om 03:18 uur, nadat onder andere [naam 3] en [naam 6] al uit de skybox waren gekomen en naar het slachtoffer hadden gekeken. De verklaring van [getuige 1] dat zij alles heeft gezien en dat het enige dat bij haar opkwam was om naar [slachtoffer 1] te gaan, zoals zij op 11 juli 2012 aan de politie heeft verklaard, biedt daarentegen geen verklaring voor voornoemd tijdsverloop. Voorts wijst het hof op de hiervoor weergegeven verklaringen van [getuige 3] , die inhoudt dat de vrouw die bij het slachtoffer was, van wie is vastgesteld dat dit [getuige 1] was, niet kon verklaren wat er gebeurd was.

Gelet op het voorgaande acht het hof de verklaringen van [getuige 1] onvoldoende betrouwbaar en zal het deze niet bezigen voor het bewijs.

Waardering van de verklaringen van de verdachte en van de medeverdachte [medeverdachte]

Nu de verklaringen van de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] niet op elkaar aansluiten en elkaar zelfs uitsluiten, met name op het punt van het daderschap en het ingrijpen om het geweld tegen [slachtoffer 1] te stoppen, dient het hof te beoordelen aan welke van deze beide lezingen omtrent het verloop van de gebeurtenissen bewijskracht kan worden toegekend, gelet op hetgeen overigens uit het dossier kan worden vastgesteld.

Het hof stelt voorop dat met de verklaringen van een andere verdachte in dezelfde zaak behoedzaam en met enige terughoudend dient te worden omgegaan, gelet op diens belang om de/een ander te belasten en, ook in het geval van een bekennende verklaring, de eigen schuld te verlichten en op de omstandigheid dat hij als verdachte niet is gehouden naar waarheid te verklaren.

De medeverdachte [medeverdachte] heeft – kort en zakelijk weergegeven – het volgende verklaard:

Bij binnenkomst van de skybox zag hij dat de verdachte op de bank zat. Hij zag dat de verdachte met zijn vuist in zijn andere hand sloeg en hierbij iets zei van: “Hij is de mijne”. [medeverdachte] wilde kort daarna de skybox verlaten. Hij liep vervolgens naar de deur en zag toen [slachtoffer 1] uit het toilet komen. Hij zag dat de verdachte voor [slachtoffer 1] stond. Hij zag dat de verdachte zich klein maakte, een zwaaiende beweging met zijn arm maakte en [slachtoffer 1] raakte. De verdachte begon [slachtoffer 1] daarop te slaan en te schoppen. Hij sprong tussen hen beiden in. Hij probeerde [slachtoffer 1] , die op de grond lag, op te tillen. Hij kreeg hierbij een klap op zijn neus van de verdachte. Hij kon vervolgens [slachtoffer 1] door de deur krijgen en hem op de gang zetten.

Deze verklaring vindt tot op zekere hoogte steun in de verklaring van de verdachte, voor zover deze – kort en zakelijk weergegeven – heeft verklaard:

[slachtoffer 1] was in de skybox gekomen en had op enig moment tegen hem gezegd: ‘Goed gedaan’ en daarbij in de richting van [naam 5] (het hof begrijpt: de toenmalige vriendin van de verdachte) gewezen. Even later voegde hij daaran toe: “Was [naam 7] geld op?”. De verdachte was van deze laatste opmerking vreselijk ontdaan en begon te koken. Hij kon deze opmerking niet pikken, aangezien deze respectloos was tegenover [naam 5] . Iedereen zag dat hij een beetje geïrriteerd was. Hij is even gaan zitten om tot rust te komen en wilde vervolgens een drankje pakken bij de bar. [slachtoffer 1] kwam op dat moment weer binnen door de deur of uit het toilet en keek hem toen aan en gaf een knipoog. Hij liet zich hierop gaan en gaf [slachtoffer 1] een klap.

Voorts vindt de verklaring van [medeverdachte] dat alleen de verdachte geweld tegen [slachtoffer 1] heeft gepleegd, steun in hetgeen is opgenomen in het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] van 11 juli 2012. Dit proces-verbaal behelst het telefonische verhoor op 9 juli 2012 van een getuige, die uit angst anoniem wenste te blijven. Deze getuige had hem het volgende verklaard:

“Ik was zaterdag (het hof begrijpt: op 8 juli 2012) op het feest (het hof begrijpt: Sensation White in de Amsterdam Arena te Amsterdam). Ik heb mij in de skybox tussen de mensen begeven. Een paar minuten later zag ik dat [slachtoffer 1] (het hof begrijpt: [slachtoffer 1] ) in een hoek werd geduwd. Ik zag dat hij zeker door één persoon werd mishandeld. Ik zag dat hij een kopstoot kreeg (het hof begrijpt hier en hierna, gelet op haar latere verklaring bij de rechter-commissaris: ik zag een beweging die leek op een kopstoot) en hierdoor op de grond viel. Ik zag dat hij hierna meerdere malen werd geschopt door dezelfde persoon. De persoon die [slachtoffer 1] een kopstoot gaf en schopte betrof een grote man, breed en gespierd, met gezichtsbeharing. Het hele incident was binnen een paar seconden afgelopen.”

Het hof hecht waarde aan deze verklaring, nu deze de enige is waarvan kan worden gezegd dat deze is afgelegd door een getuige die geen band heeft met de verdachten of het slachtoffer.

Het hof acht de weergave door de verbalisant van de aan hem afgelegde verklaring van deze getuige bruikbaar voor het bewijs, ondanks dat haar latere verklaringen daarvan enigszins afwijkend zijn, en overweegt daartoe het volgende. Uit het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 2] van 18 juli 2012 (dossierpagina’s 02 008- 02 009) volgt dat de getuige zelf contact heeft opgenomen met de politie om een verklaring af te leggen en niet dat zij daarvoor door anderen zou zijn benaderd. De verklaring is kort – één dag – na het incident afgelegd. Het betrof derhalve een verse herinnering. Niet is gesteld of gebleken dat de getuige belang zou hebben bij het afleggen van een onjuiste verklaring tegen de verdachte. Er zijn voorts geen aanwijzingen dat de verklaring van de getuige onjuist is weergegeven in het proces-verbaal van bevindingen. De verklaring is uitvoerig en tussen aanhalingstekens weergegeven, waaruit het hof opmaakt dat het een letterlijke weergave van de woorden van de getuige betreft. Uit het proces-verbaal van [verbalisant 2] en uit het proces-verbaal van bevindingen van officier van justitie mr. [naam 8] van 24 juli 2012 (dossierpagina 02 010) blijkt voorts dat de getuige in de de dagen na het afleggen van haar eerste telefonische verklaring met de politie en de officier van justitie heeft overlegd over het gebruik daarvan in het onderhavige onderzoek en over het afleggen van een tweede verklaring op het politiebureau. Uit de in beide processen-verbaal beschreven gang zaken blijkt niet dat de getuige haar eerste verklaring heeft willen herroepen. Wel blijkt hieruit dat de getuige bang was voor de eventuele gevolgen van het afleggen van een verklaring. Deze angst bestond voornamelijk uit hetgeen de getuige over de mogelijke dader(s) in de media had gelezen en van derden had gehoord. In het proces-verbaal van [verbalisant 2] is met zoveel woorden opgenomen dat de getuige bang was voor de verdachte en de mensen om hem heen. Die bestaande angst verklaart wellicht ook waarom de getuige in latere verhoren bij de politie en de rechter-commissaris minder stellig is ten aanzien van de rol van de persoon aan wie zij in haar eerste verklaring alle geweldshandelingen heeft toegeschreven. Evenmin is uitgesloten dat door tijdsverloop haar herinneringen aan het voorval minder scherp zijn geworden. Wat hier verder ook van zij; de getuige is ook in deze latere verhoren niet expliciet teruggekomen op haar eerste verklaring. De verschillen tussen de verklaringen doen naar het oordeel van het hof niet af aan de betrouwbaarheid van de eerste verklaring.

Met betrekking tot de verklaring van de NN-getuige dat degene die sloeg gezichtsbeharing had, acht het hof het, gelet op het feit dat het laat in de nacht was, niet uitgesloten dat bij de verdachte sprake was van zichtbare, beginnende baardgroei. Het hof acht dit onderdeel van de verklaring van de getuige dan ook niet een contra-indicatie voor de bruikbaarheid van haar eerste verklaring, waarbij het hof voorts nog van belang acht dat de door de getuige gegeven omschrijving van de dader overeenkomt met het postuur van de verdachte zoals dat uit het dossier naar voren komt.

Dat de getuige onder dusdanige invloed van verdovende middelen verkeerde dat zij geen goede waarnemingen heeft kunnen doen, zoals door de verdediging is aangevoerd, is niet aannemelijk geworden.

Dat de identiteit van de getuige niet rechtstreeks uit het dossier blijkt, staat aan het gebruik van haar verklaring voor het bewijs niet in de weg, nu de getuige in het bijzijn van de verdediging is gehoord bij de rechter-commissaris en de verdediging in de gelegenheid is gesteld en die gelegenheid ook heeft benut om vragen te stellen aan de getuige. Niet is gesteld of gebleken dat haar anonimiteit afbreuk heeft gedaan aan het ondervragingsrecht van de verdediging. Het hof merkt ten overvloede op dat omtrent de identiteit van deze getuige het nodige in het dossier te vinden is. Daaruit komt naar voren dat zij als stagiaire voor een bij Sensation White betrokken organisatie werkzaam was. Zelfs haar naam komt in het dossier voor. Voorts is zij zichtbaar op de camerabeelden die zich eveneens in het dossier bevinden.

Nadere bespreking van de verweren met betrekking tot de verklaring van [medeverdachte]

Dat [medeverdachte] niet meteen, doch eerst in zijn derde verhoor bij de politie een verklaring heeft afgelegd, nadat hij kennis had genomen van de verklaring van de verdachte, doet naar het oordeel van het hof aan de betrouwbaarheid van zijn verklaring niet af. [medeverdachte] heeft hierover in dit verhoor verklaard dat hij aanvankelijk geen verklaring heeft willen afleggen, omdat hij geen problemen wilde met de verdachte. Op de vraag van de verhoorders waarom hij nu dan toch ging verklaren, antwoordde hij het volgende:

“Hij probeert mijn kant op te wijzen. (…) Ik las dat stukje en het begon bij mij te komen. Ik werd gewoon boos. Ik wil me er niet mee bemoeien, beroep me op mijn zwijgrecht en (het hof begrijpt: dan) probeer jij jouw schuld op mij af te schuiven. Ik heb ook kinderen (…) als ik mijn bedrijf niet voort kan zetten, word ik uit mijn huis gezet (….) En ik wil gewoon geen problemen.” (p. 5 081)

Het hof begrijpt hieruit dat het feit dat de verdachte [medeverdachte] beschuldigde voor [medeverdachte] aanleiding is geweest zijn proceshouding te herzien. Het hof acht dit niet onbegrijpelijk en aldus niet zonder meer reden om zijn verklaring onbetrouwbaar te achten.

Met betrekking tot de manier waarop [slachtoffer 1] de box is uitgekomen, overweegt het hof dat op de beelden zichtbaar is dat [slachtoffer 1] met enige vaart naar buiten komt, maar wel (struikelend) overeind blijft. Het hof leidt hieruit af dat hij een duw moet hebben gekregen. Het hof acht dit echter niet zonder meer strijdig met de verklaring van [medeverdachte] dat hij het slachtoffer naar buiten heeft gezet. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat gezien de op dat moment hectische situatie waarschijnlijk van een snelle beweging sprake is geweest. Ook hierin ziet het hof derhalve geen reden [medeverdachte] ’s verklaring onbetrouwbaar te achten.

Nadere bespreking van de geloofwaardigheid van de verklaringen van de verdachte

De verklaringen die de verdachte bij de politie heeft afgelegd en die hij ook daarna heeft gehandhaafd, komen in de kern op het volgende neer. De verdachte stelt in zijn woede met de buitenkant van zijn hand één klap in het gezicht van [slachtoffer 1] te hebben gegeven. Vervolgens zouden anderen, onder wie [medeverdachte] en mogelijk [naam 3] , ook begonnen zijn [slachtoffer 1] te slaan. De verdachte zou het daarmee niet eens zijn geweest. Hij verklaarde daaromtrent in zijn verklaring van 26 juli 2012 het volgende:

“en hij en nog een jongen, die begonnen hem ook te slaan (…) En ik dacht van wat doet ie nou (…) En op een gegeven moment hadden ze hem ook vast zeg maar, zo vanuit zijn keel. En toen weet ik nog wel dat ik die… Die jongen die met mij (…) Een duw gegeven. Van weet je … laat die man. (…) Het was (…) echt een beetje te ver vond ik weet je. Ik geef hem een klap en dat is mijn ding weet je. (…) Ja, wat een sukkels dacht ik eigenlijk. En toen ben ik zeg maar vanuit de bar toen hun weer met hem bezig waren. (…) toen op een gegeven moment viel hij, die man, die [slachtoffer 1] die viel of die gleed uit of… (…) Toen duwde ik hem opzij en toen ben ik zeg maar… over hem heen gestapt.”

Voorts heeft de verdachte in hetzelfde verhoor, terwijl hij de situatie voor de verbalisanten tekende, het volgende verklaard:

“ik stond met mijn rug tegen een muur aan (…) Dus toen gebeurde het (…) dat ik (…) hier stond en zij stonden hier voor mij. (…) Die Turkse jongen (…) stond (…) recht voor mij. (…) En toen gaf ik hem een duw en toen… Want hij had hem vast, heel erg. Aan zijn dinges, hij trok hem bijna weg. (…) als je iemand te lang (de verhoorder merkt op: chocked) (…) op een gegeven moment is de zuurstof naar de hersenen weg en dan val je neer. Ik denk ook dat dat is gebeurd maar dat durf ik niet…”

Het hof acht deze verklaring van de verdachte ongeloofwaardig, nu deze geen steun vindt in het dossier. In het bijzonder houdt het dossier niet in dat [slachtoffer 1] op enig moment bij de keel gegrepen zou zijn, noch dat de verdachte op enig moment met zijn rug tegen de muur of bij de bar zou hebben gestaan terwijl de mishandeling van [slachtoffer 1] nog gaande was.

Conclusie

Bij deze stand van zaken en nu in het dossier andere bewijsmiddelen die de verklaring van [medeverdachte] weerleggen dan wel die de verdachte ontlasten ontbreken, zal het hof uitgaan van hetgeen [medeverdachte] en de NN-getuige, in samenhang beschouwd, hebben verklaard omtrent het verloop van de geweldshandelingen tegen [slachtoffer 1] . Het hof ziet zich daarin gesteund door hetgeen de verdachte omtrent de reden voor het geven van een klap aan [slachtoffer 1] op 26 juli 2012 tegenover de politie heeft verklaard, te weten:

“Ik heb daar niet over nagedacht. (…) Kijk (…) als ik een cabaretier was geweest dan had ik je met mijn mond kunnen aanvallen. (…) Maar ik kan dat niet dus… (…) Soms probeer ik gewoon voor mezelf te bedenken waarom ik sommige dingen doe. Ik denk dat ik gewoon terugval op waar ik eigenlijk het beste in ben. Het middelpunt van mezelf. (…) In vechtsport, of ja, in mijn handen en mijn voeten (…). Als ik dan boos word, als er iets gebeurt dat mij triggert, dan doe ik het gewoon uit het niets” (p. 5 129).

Het hof acht dit mede redengevend voor zijn overtuiging dat de verdachte, getriggerd door de knipoog van [slachtoffer 1] en mogelijk voor hij het zelf besefte, jegens [slachtoffer 1] grof geweld heeft gebruikt. Het hof ziet zich in deze overtuiging voorts nog gesterkt door het gegeven dat de verdachte de Amsterdam Arena vrijwel direct na het incident heeft verlaten, in tegenstelling tot [medeverdachte] , die nog even is gebleven.

Voorts weegt voor de overtuiging van het hof mee dat uit het dossier naar voren komt dat de verdachte als enige een aanwijsbaar en door hem zelf ook erkend motief voor het mishandelen van [slachtoffer 1] had. Het hof vermag niet in te zien waarom [medeverdachte] en/of anderen, zonder enig aantoonbaar motief of aanleiding of vooraf afgesproken plan, (mede) geweld zijn gaan plegen tegen de hen onbekende aangever [slachtoffer 1] . Dit geldt temeer voor [medeverdachte] , nu hij en de verdachte elkaar nauwelijks kenden.

Op grond van al hetgeen hiervoor is overwogen en de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen is het hof van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de zware mishandeling van [slachtoffer 1] . Het hof acht niet bewezen dat ook anderen zich aan die mishandeling hebben schuldig gemaakt.

Het hof is op grond van de verklaringen van [medeverdachte] en de NN-getuige in combinatie met de inhoud van de bevindingen van de forensisch arts [naam 9] , inhoudende dat:

“De letsels aan de linkerenkel zijn meest aannemelijk het gevolg van één krachtige geweldsinwerking tegen de buitenzijde van de enkel, terwijl het slachtoffer zich in staande positie bevond. Het veroorzaken van een dergelijke breuk bij een liggend slachtoffer wordt door de geraadpleegde deskundigen niet onmogelijk geacht maar minder waarschijnlijk. Struikelen over het been van het liggende slachtoffer cq. blijven haken achter een obstakel wordt zeer onwaarschijnlijk geacht als causaal mechanisme.”,

van oordeel dat ook het enkelletsel opzettelijk door de verdachte is veroorzaakt, doordat hij met kracht tegen die enkel heeft getrapt. De stelling dat het enkelletsel per ongeluk is veroorzaakt, doordat iemand op de voet van het slachtoffer is gaan staan, zoals door de verdediging is aangevoerd, wordt door de deskundige zeer onwaarschijnlijk geacht. Voor die stelling is ook overigens in het dossier geen steun te vinden. Het hof gaat hier dan ook aan voorbij.

De biologische sporen op de theedoek

De bruikbaarheid voor de bewijsvoering van de in de NFI-rapporten van 23 augustus 2012 en 26 april 2013 vervatte resultaten en conclusies uit het onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek met betrekking tot de theedoek, zoals door het openbaar ministerie is voorgestaan, kan onbesproken blijven, nu het hof deze niet voor het bewijs gebruikt.

Voorbedachte raad

Met het openbaar ministerie is het hof – evenals de rechtbank en met de verdediging – van oordeel dat niet bewezen kan worden dat de verdachte heeft gehandeld met voorbedachte raad. De verdachte zal om die reden van dit onderdeel worden vrijgesproken.

6.1.2. Jimmy Woo (feit 2)

Het standpunt van het openbaar ministerie

Het openbaar ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte [slachtoffer 2] opzettelijk met een glas in het gezicht heeft geslagen en zich hiermee schuldig heeft gemaakt aan een poging tot zware mishandeling. Het openbaar ministerie heeft vrijspraak gevorderd ten aanzien van (het medeplegen van) de overige tenlastegelegde geweldshandelingen en ter zake van de alternatief/cumulatief tenlastegelegde openlijke geweldpleging.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte van het onder 2 tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken en heeft daartoe het volgende aangevoerd.

De verdachte heeft ontkend [slachtoffer 2] te hebben mishandeld of openlijk geweld tegen hem te hebben gepleegd. Hij heeft juist geprobeerd de ruziënde partijen uit elkaar te houden en de boel te sussen. Dit wordt bevestigd door de camerabeelden. De verdachte is gewond geraakt aan zijn hand, doordat [betrokkene 1] met een glas in de richting van het slachtoffer gooide of sloeg.

De verklaringen van [getuige 9] aan de politie zijn onderling zo tegenstrijdig en bovendien op een aantal punten aantoonbaar onjuist en in strijd met de camerabeelden, dat zij niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt. Zo heeft hij wisselend verklaard over de aanleiding voor de reden voor de vechtpartij tussen het slachtoffer en derden, over de plaats en het moment waarop de verdachte en het slachtoffer elkaar voor het eerst ontmoetten en over zijn eigen rol bij het incident.

De verdachte dient ook te worden vrijgesproken van de alternatief/cumulatief tenlastegelegde openlijke geweldpleging, aangezien hij geen wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het door anderen gepleegde geweld.

Het oordeel van het hof

De verklaringen van [getuige 9]

was op 12 mei 2012 werkzaam als portier in de uitgaansgelegenheid Jimmy Woo. Hij heeft zowel in de nacht van het incident, als 18 dagen daarna ten overstaan van de politie verklaard over hetgeen hij heeft waargenomen. Deze verklaringen zijn beide keren neergelegd in een proces-verbaal van bevindingen. Daarnaast is [getuige 9] op 5 december 2012 als getuige gehoord bij de rechter-commissaris.

Het hof is van oordeel dat de verklaringen van [getuige 9] met betrekking tot het incident in hoofdlijnen eenduidig en consistent zijn en op het meest essentiële onderdeel – te weten met betrekking tot het moment dat de verdachte het slachtoffer met een glas in het gezicht heeft geslagen – gelijkluidend zijn en steun vinden in de camerabeelden. Het overweegt daaromtrent als volgt.

Een deel van de door de verdediging gesignaleerde tegenstrijdigheden tussen de verklaringen van [getuige 9] hebben betrekking op de aanleiding voor de ruzie tussen het slachtoffer en derden, die aan de mishandeling voorafging. Zoals de verdediging ook heeft gesteld, berusten zijn verklaringen hieromtrent niet op zijn eigen waarnemingen. Het hof acht de betreffende verschillen daarom niet van belang voor de beoordeling van het onderhavige feit.

Een belangrijk bezwaar van de verdediging is dat [getuige 9] op de avond van het incident heeft verklaard dat de verdachte het slachtoffer op een plateau een kopstoot gaf waardoor deze achterover van de trap viel, terwijl dit in zijn verklaring van 30 mei 2012 niet meer voorkomt. [getuige 9] zou aldus zijn verklaring hebben aangepast aan de camerabeelden, waaruit zou blijken dat deze kopstoot en dit achterover vallen niet hebben plaatsgevonden.

Het hof overweegt hieromtrent dat op de door de verdediging bedoelde camerabeelden voornoemd plateau niet zichtbaar is. Slechts de onderste twee of drie treden van een trap bevinden zich in het beeld van de camera. De beschrijving van de beelden houdt in dat [slachtoffer 2] van die trap kwam, gevolgd door een jongen (NN-2) die hem een trap in zijn rug gaf. De verdachte stond op dat moment direct naast NN-2. Even later kwam ook [getuige 9] van deze trap af. Deze beelden sluiten niet uit dat zich op bedoeld plateau een confrontatie tussen de verdachte en [slachtoffer 2] heeft voorgedaan en dat [getuige 9] deze heeft waargenomen. Het enkele feit dat die confrontatie in de tweede verklaring van [getuige 9] niet met zoveel woorden is genoemd, acht het hof geen reden de verklaring van [getuige 9] onbetrouwbaar te achten. Dit te minder, nu uit het proces-verbaal blijkt dat de verbalisanten de verklaring hebben samengevat en eerst ruim anderhalve maand na het afleggen daarvan schriftelijk hebben vastgelegd. Voorts wijst het hof op het feit dat [getuige 9] ten overstaan van de rechter-commissaris zijn eerste verklaring op dit onderdeel heeft bevestigd. Desalniettemin zal het hof de verdachte van het tenlastegelegde vrijspreken waar het de kopstoot betreft, nu de verklaring van [getuige 9] weliswaar niet door de beelden wordt weerlegd, maar geen steun vindt in enig ander bewijsmiddel.

Een ander kernpunt in de bezwaren van de verdediging is dat de verklaring van [getuige 9] dat de verdachte een glas van een tafel heeft gepakt en [slachtoffer 2] daarmee heeft geslagen geen bevestiging vindt in de beelden. Het hof overweegt hieromtrent ten eerste dat het enkele feit dat het moment van slaan niet op de beelden zichtbaar is, niet betekent dat die geweldshandeling zich niet heeft voorgedaan. De beschrijving van de op dit moment betrekking hebbende camerabeelden houdt voorts het volgende in. De verdachte hield [slachtoffer 2] vast en maakte op enig moment met zijn arm met enige kracht een voorwaartse beweging in de richting van het slachtoffer. Op dat moment draaide [getuige 9] zich om, keek naar het slachtoffer en de verdachte en duwde vrijwel gelijktijdig de verdachte bij het slachtoffer weg. Hij leidde de verdachte vervolgens richting de uitgang. De verdachte wist zich daarop te ontdoen van [getuige 9] en liep richting de trap. Op dat moment keek hij enkele seconden naar de palm van zijn hand, waarna hij zich omdraaide en de Jimmy Woo verliet. Het hof is van oordeel dat deze beelden zeer wel passen bij de verklaring van [getuige 9] en daarentegen niet bij de verklaring van de verdachte, zoals hierna nog aan de orde zal komen.

Dat de camerabeelden en de verklaringen van [getuige 9] op onderdelen uiteenlopen acht het hof gezien de hectiek en de elkaar snel opvolgende gebeurtenissen verklaarbaar. Het hof ziet daarin geen aanleiding om aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van [getuige 9] omtrent het slaan met het glas te twijfelen.

Het hof overweegt ten slotte dat voornoemde processen-verbaal van bevindingen samenvattingen bevatten van hetgeen de verbalisanten van de getuige hebben vernomen en dat deze niet terstond na de gesprekken, maar eerst na enkele weken zijn opgemaakt. Uit de verklaring van [getuige 9] als getuige bij de rechter-commissaris blijkt voorts dat de gesprekken niet zijn opgenomen en dat de verbalisanten tijdens de gesprekken geen schriftelijke aantekeningen hebben gemaakt. De verklaringen zoals opgenomen in de processen-verbaal van bevindingen zijn ook niet ter verificatie aan de getuige voorgehouden. Gezien deze omstandigheden acht het hof verklaarbaar dat de verklaringen van [getuige 9] niet volledig op elkaar aansluiten.

Het scenario van de verdachte

De verdachte heeft verklaard dat niet hij, maar [betrokkene 1] , het glas stuk sloeg of gooide in het gezicht van het slachtoffer. De verdachte zou door dit glas gewond zijn geraakt aan zijn hand. Deze verklaring vindt geen steun in het dossier of in het verhandelde ter terechtzitting. In het bijzonder acht het hof daarbij van belang dat uit de (beschrijving van) de camerabeelden niet blijkt dat [betrokkene 1] , op het moment dat de verdachte het slachtoffer losliet en naar zijn hand keek en kort daarvoor, aanwezig was in de buurt van het slachtoffer en de verdachte. [betrokkene 1] heeft bovendien ontkend dat hij met het glas zou hebben geslagen en/of gegooid. Het hof acht de alternatieve verklaring van de verdachte voor de verwonding aan zijn hand daarom niet aannemelijk geworden en gaat daaraan voorbij.

Conclusie

Op grond van al hetgeen hiervoor is overwogen komt het hof tot het oordeel dat de verklaringen van [getuige 9] , voor zover inhoudend dat hij heeft waargenomen dat de verdachte het slachtoffer met het glas heeft geslagen, in voldoende mate betrouwbaar zijn en bruikbaar voor het bewijs. Het hof ziet steun voor deze verklaring in de hiervoor weergegeven beschrijving van de beelden.

Het hof neemt daarbij in aanmerking dat niet is gesteld of gebleken dat [getuige 9] belang zou hebben bij het afleggen van een onjuiste verklaring tegen de verdachte, maar dat daarentegen uit het dossier naar voren komt dat [getuige 9] zijn verklaring met enige tegenzin lijkt te hebben afgelegd. Het hof leidt dit laatste af uit het feit dat de getuige heeft verklaard uit angst voor represailles zo min mogelijk bij de zaak betrokken te willen worden.

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte opzettelijk het glas in het gezicht van het slachtoffer kapot heeft geslagen. Dit levert naar het oordeel van het hof een poging tot zware mishandeling op. Daartoe wordt voorts nog het volgende overwogen.

Het glas heeft [slachtoffer 2] geraakt in zijn gezicht en een snee veroorzaakt in de wang. Het gezicht betreft een zeer kwetsbare plek, waar zich vitale onderdelen – de ogen – bevinden. Door het slachtoffer met een glas in het gezicht te slaan heeft de verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel zou kunnen toebrengen.

Het hof zal de verdachte vrijspreken van het geven van een kopstoot, om de reden zoals hiervoor vermeld.

Het hof spreekt de verdachte eveneens vrij van het ten laste gelegde medeplegen en het cumulatief ten laste gelegde plegen van openlijk geweld. De bewezenverklaarde handeling van de verdachte staat naar het oordeel van het hof op zichzelf. Uit de camerabeelden, de verklaringen van de getuige [getuige 9] en van het slachtoffer blijkt immers dat de verdachte aanvankelijk sussend optrad en het slachtoffer afschermde van zijn belagers. Het slaan met het glas vond onverwacht en plotseling plaats, op een moment dat het door anderen op het slachtoffer uitgeoefende geweld min of meer ten einde was.

6.1.3. Club Air (feiten 3 en 4)

Het standpunt van het openbaar ministerie

Het openbaar ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte de aangever [slachtoffer 3] zwaar lichamelijk letsel – te weten blijvende gebitsschade – heeft toegebracht door hem in zijn gezicht te stompen en te slaan. Voorts kan op grond van dezelfde bewijsmiddelen de mishandeling van [slachtoffer 4] wettig en overtuigend worden bewezen.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte van het onder 3 en 4 ten laste gelegde integraal dient te worden vrijgesproken. Zij heeft daartoe het volgende aangevoerd.

De verdachte ontkent stellig zijn betrokkenheid bij de mishandelingen van [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] . Daarentegen heeft de broer van de verdachte, [betrokkene 2] , verklaard [slachtoffer 3] te hebben geslagen. De verdachte stelt dat hij is aangezien voor zijn broer en daarmee ten onrechte is aangewezen als dader van de mishandeling van het slachtoffer [slachtoffer 3] .

[slachtoffer 3] heeft niet gezien wie hem heeft geslagen en geschopt. Hij heeft geconcludeerd dat dit de verdachte moet zijn geweest, omdat die dicht bij hem stond. [slachtoffer 3] heeft bij de raadsheer-commissaris anders en meer belastend omtrent de verdachte verklaard dan bij de politie. De verdediging heeft voorts gewezen op een aantal telefoontaps waaruit kan worden afgeleid dat [slachtoffer 3] er niet voor terugdeinst om valse beschuldigingen te orkestreren, zodat de betrouwbaarheid van diens verklaringen ter discussie staat.

[slachtoffer 4] heeft pas na een jaar aangifte gedaan. [getuige 10] en [slachtoffer 4] zijn op verzoek van [slachtoffer 3] naar Nederland gekomen om belastende verklaringen af te leggen. [slachtoffer 3] heeft filmpjes van de verdachte op internet doorgestuurd naar [slachtoffer 4] . Het kan niet anders dan dat [slachtoffer 4] ’s herkenning van de verdachte hierdoor is beïnvloed. Aan die herkenning dient dan ook geen waarde te worden gehecht. [slachtoffer 4] en [getuige 10] hebben bovendien verschillend verklaard over de feitelijke toedracht. Die verklaringen komen niet overeen met de door [slachtoffer 3] geschetste feitelijk gang van zaken. De omstandigheden in Club Air waren bovendien niet ideaal voor het doen van goede waarnemingen. Het was lawaaierig en donker. Het geweld laaide plotseling op en was snel weer voorbij. De getuigen waren mogelijk onder invloed van drank en/of drugs. Het ligt derhalve niet voor de hand dat [slachtoffer 4] en [getuige 10] goed hebben kunnen waarnemen door wie het geweld werd gepleegd.

Op grond van het voorgaande, in onderling verband bezien, kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de tenlastegelegde geweldshandelingen jegens beide aangevers.

Het oordeel van het hof

[slachtoffer 3] heeft in zijn aangifte expliciet verklaard dat de verdachte hem heeft geschopt en geslagen. Het hof is met de verdediging van oordeel dat dit onderdeel van de verklaring van [slachtoffer 3] , nu hij in latere verklaringen heeft verklaard de vuistslag niet te hebben zien aankomen, niet op een eigen waarneming ten tijde van de mishandeling berust, maar een conclusie bevat en daarom niet voor het bewijs kan worden gebruikt.

Dat [slachtoffer 3] opzettelijk een onjuiste aangifte zou hebben gedaan is niet aannemelijk geworden. Het hof overweegt daaromtrent nog dat [slachtoffer 3] op 21 november 2012 met de verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] heeft gesproken over een eventuele aangifte. Hetgeen uit het verslag van dat gesprek naar voren komt, stemt overeen met de latere aangifte en met de verklaringen van [slachtoffer 4] en [getuige 10] . Uit de verklaringen van deze verbalisanten aan de raadsheer-commissaris blijkt voorts dat [slachtoffer 3] toen uit angst voor de verdachte heeft afgezien van het doen van aangifte. Hetgeen naar voren is gekomen uit taps die dateren van na de mishandeling van [slachtoffer 1] doet daar niet aan af. Het hof verwerpt het verweer van de verdediging hieromtrent.

Het hof heeft geen reden te twijfelen aan de verklaringen van [slachtoffer 4] en [getuige 10] , voor zover inhoudende dat [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] door dezelfde man zijn mishandeld. [slachtoffer 4] en [getuige 10] zijn zowel bij de politie als de rechter-commissaris uitvoerig gehoord en hebben op dit onderdeel eensluidende en consistente verklaringen afgelegd. Ook ten aanzien van de aard van het toegepaste geweld hebben zij in grote lijnen hetzelfde verklaard. Het hof ziet geen enkele aanleiding om ten aanzien van hun waarnemingen over de feitelijke toedracht te twijfelen aan de betrouwbaarheid van hun verklaringen. Dat de verklaringen op een aantal details van elkaar verschillen, doet hieraan niet af. Het hof ziet daarin juist een aanwijzing dat de betrokkenen hun verklaringen niet op elkaar hebben afgestemd. Van vergaande beïnvloeding of sturing van getuigen door [slachtoffer 3] is overigens niet gebleken.

Dat de verdachte degene is geweest die [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] heeft mishandeld, vindt steun in de verklaring van de verdachte zelf, dat [slachtoffer 3] tegen hem aanliep en dat hij hem vervolgens aansprak, waarop [slachtoffer 3] zei dat hij de eigenaar van de club was. [slachtoffer 4] heeft immers verklaard dat [slachtoffer 3] met de man die had geslagen daaraan voorafgaand een discussie had. Hierin ziet het hof voorts een bevestiging van de herkenning van de verdachte door [slachtoffer 4] . De verdachte heeft erkend dat hij na afloop van het incident voor de deur heeft gesproken met [slachtoffer 3] .

Het hof hecht geen geloof aan de door de verdediging bij wijze van alternatief scenario naar voren gebrachte lezing dat anderen, onder wie [betrokkene 2] en [betrokkene 3] , [slachtoffer 3] zouden hebben mishandeld, waarbij [betrokkene 2] [slachtoffer 3] zou hebben geslagen en [betrokkene 3] hem zou hebben getrapt. In de eerste plaats wordt deze lezing van de gebeurtenissen weerlegd door de inhoud van de door het hof gebezigde bewijsmiddelen. Ten tweede lopen de verklaringen van [betrokkene 2] en de verdachte over wie de eerste klap heeft uitgedeeld uiteen. Evenmin vindt het alternatieve scenario steun in de verklaring van [betrokkene 3] , die heeft ontkend op enigerlei wijze betrokken te zijn geweest bij het incident in Club Air.

Het hof is, gelet op het hetgeen hiervoor is overwogen en op grond van de gehanteerde bewijsmiddelen, van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte [slachtoffer 3] in het gezicht heeft gestompt en tegen de mond heeft geschopt en dat hierdoor twee tanden bij [slachtoffer 3] zijn afgebroken.

Ten aanzien van de vraag hoe het door verdachte toegepaste geweld op [slachtoffer 3] juridisch gekwalificeerd dient te worden, overweegt het hof het volgende.

Artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) bevat een opsomming van gevallen die als zwaar lichamelijk letsel moeten worden aangemerkt. Die bepaling laat de rechter evenwel de vrijheid om ook buiten die gevallen het lichamelijk letsel als zwaar te beschouwen, wanneer dat letsel voldoende belangrijk is om naar normaal spraakgebruik als zodanig te worden aangeduid. Daarbij zijn van belang de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel.

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in beide instanties volgt dat het slachtoffer twee gebroken voortanden, een lichte hersenschudding en blauwe plekken aan de mishandeling heeft overgehouden. Uit de aangifte van [slachtoffer 3] en de schriftelijke toelichting op het verzoek tot schadevergoeding blijkt dat de twee afgebroken tanden en een aantal omliggende tanden zijn vervangen door kronen. [slachtoffer 3] heeft hiervoor drie behandelingen bij de tandarts moeten ondergaan. De laatste behandeling vond plaats op 23 augustus 2011. Het gebit van het slachtoffer is volledig hersteld. [slachtoffer 3] heeft blijkens de inhoud van het gespreksverslag van 21 november 2011 in zijn gesprek met de politie aangegeven dat hij geen blijvend letsel of blijvende pijn heeft overgehouden aan de mishandeling.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat het gebit van het slachtoffer redelijk spoedig en volledig is hersteld en dat het slachtoffer geen blijvende schade en/of pijn aan het incident heeft overgehouden. Gelet daarop is het hof van oordeel dat van ‘zwaar lichamelijk letsel’ geen sprake is geweest. Het hof zal de verdachte daarom vrijspreken van het onder 3 primair tenlastegelegde.

Het hof acht wel bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van [slachtoffer 3] . Immers heeft de verdachte, naar het oordeel van het hof, door [slachtoffer 3] met kracht een vuistslag en aansluitend met kracht met de geschoeide voet een schop te geven in het gezicht – en daarmee in de nabijheid van kwetsbare onderdelen van het lichaam – zich minst genomen willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat [slachtoffer 3] zwaar lichamelijk letsel zou bekomen.

Het hof acht voorts, gelet op het hetgeen hierboven is overwogen en op grond van de gehanteerde bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte [slachtoffer 4] heeft mishandeld door hem in het gezicht en in zijn zij te stompen, waardoor [slachtoffer 4] pijn en enig letsel heeft bekomen.

6.1.4. [aangeefster] (feiten 5 en 6)

Met het openbaar ministerie en de verdediging is het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 5 tenlastegelegde mishandeling van zijn ex-vriendin [aangeefster] en de onder 6 tenlastegelegde vernieling van aan haar toebehorende goederen. Het hof zal de verdachte – evenals de rechtbank – van beide feiten vrijspreken.

6.1.5. Cooldown (feit 7)

De verdachte heeft bekend dat hij op 2 december 2011 [slachtoffer 5] in het Cooldown café aan het Rembrandtplein te Amsterdam opzettelijk een kopstoot heeft gegeven. [slachtoffer 5] heeft ten gevolge van die kopstoot pijn ondervonden en letsel, in de vorm van een gescheurde rechterwenkbrauw en een snee in de neusbrug. De wonden moesten worden gehecht en geplakt.

Het hof is met het openbaar ministerie en de verdediging van oordeel dat deze gedraging als een eenvoudige mishandeling dient te worden gekwalificeerd en zal de verdachte derhalve vrijspreken van de primair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling.

6.1.6. Blinq (feit 8)

Het standpunt van het openbaar ministerie

Het openbaar ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het medeplegen van zware mishandeling, aangezien uit het voorhanden zijnde bewijsmateriaal niet kan worden afgeleid dat tussen de verdachte en de overige bij dit feit betrokken mannen sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking gericht op de zware mishandeling van het slachtoffer [slachtoffer 6] .

Het openbaar ministerie acht wel wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het openlijk in vereniging geweld plegen tegen het slachtoffer [slachtoffer 6] en heeft daartoe het volgende aangevoerd.

De verdachte maakte deel uit van een groep mannen die op 20 februari 2010 club Blinq wilde bezoeken. De verdachte voerde namens de groep het woord aan de ingang van de club. Toen portier [slachtoffer 6] de groep de toegang weigerde, is de verdachte met hem in discussie getreden. Hierop is [slachtoffer 6] door één of meerdere mannen uit de groep ernstig mishandeld. Niet kan worden bewezen dat de verdachte zelf geweldshandelingen heeft verricht. De verdachte heeft zich echter niet gedistantieerd van het geweld en heeft evenmin ingegrepen. Door zijn betrokkenheid bij de feitelijke toedracht en door deel uit te blijven maken van de groep die tot geweld overging heeft de verdachte een significante bijdrage geleverd aan het door anderen gepleegde geweld. Uit de tapgesprekken blijkt voorts dat de verdachte een geldbedrag aan [slachtoffer 6] heeft betaald in ruil voor het afzien van het doen van aangifte, hetgeen duidt op vergaande betrokkenheid van de verdachte bij dit feit.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het medeplegen van zware mishandeling en de openlijke geweldpleging.

Het oordeel van het hof

De feiten

Het hof gaat op grond van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in beide instanties uit van de volgende feiten. In de nacht van 20 februari 2010 stond de verdachte met een groepje vrienden voor de deur van club Blinq te Amsterdam. Zij wilden daar naar binnen, maar werden geweigerd door de portier [slachtoffer 6] . De verdachte ging hierover met [slachtoffer 6] in discussie en vroeg hem of hij wist wie hij, de verdachte, was. [slachtoffer 6] voelde dat de verdachte probeerde druk uit te oefenen, maar bleef bij zijn weigering. Op dat moment verliet een bezoeker de club, om welke reden [slachtoffer 6] zich van het groepje afwendde om deze bezoeker uit te laten. Toen hij vervolgens zijn gezicht terug draaide in de richting van het groepje, voelde hij direct een enorme klap op zijn linkeroog. Hij voelde dat het bot bij dit oog brak, hetgeen later in het ziekenhuis werd bevestigd. Vervolgens voelde hij dat hij door meerdere mensen werd geslagen en getrapt. Hierbij bewoog hij zich naar achteren de club in, terwijl de aanvallers doorgingen met slaan en trappen. [slachtoffer 6] heeft verklaard dat hij de eerste klap van een kleine pokdalige man ontving en dat hij vervolgens niet heeft gezien wie de overige geweldshandelingen tegen hem verrichtten, omdat zijn oog was dichtgeslagen en omdat hij meteen na de eerste klap zijn armen naar zijn hoofd bracht en daar hield om zichzelf tegen het geweld te beschermen. [slachtoffer 6] heeft een gebroken oogkas en een gebroken neus opgelopen.

Vrijwel direct na het incident heeft de verdachte zich ingespannen om te voorkomen dat aangifte zou worden gedaan. Namens hem is hiertoe bemiddeld en er heeft een gesprek tussen de verdachte en [slachtoffer 6] plaatsgevonden. Door of namens de verdachte is € 5000,- aan [slachtoffer 6] betaald als een soort schadevergoeding. Ook heeft de verdachte navraag gedaan, of camerabeelden van het voorval aan de politie waren overgedragen.

De verklaringen van [slachtoffer 6]

heeft in eerste instantie aan de politie verklaard dat hij zag dat de verdachte tijdens de mishandeling bij hem stond en niet ingreep. Volgens [slachtoffer 6] bestond het groepje waarvan de verdachte deel uitmaakte uit vier mannen.

[slachtoffer 6] heeft echter op 21 oktober 2010 een schriftelijke verklaring opgesteld, waarin hij mededeelt dat hij zijn verklaring wenst te herzien, in die zin dat hij de verdachte de betreffende avond van de mishandeling niet heeft gezien. [slachtoffer 6] is bij de rechter-commissaris bij die schriftelijke verklaring gebleven.

De verklaringen van andere getuigen

Diverse bezoekers van Blinq zijn getuige geweest van de mishandeling van [slachtoffer 6] . Zij zijn door de politie gehoord. De getuige [getuige 11] heeft verklaard dat zij twee mannen zag, die voor de ingang van Blinq in gevecht waren met de portier van Blinq en dat dit gevecht zich verplaatste tot in de club. Zij omschreef de ene man als een man van Marokkaanse afkomst van ongeveer 1.70 meter en de andere man als een blanke man met blond haar.

De getuige [getuige 12] zag dat drie mannen het slachtoffer mishandelden. Zij kon de mannen niet goed omschrijven, maar zij dacht dat zij allen niet groter waren dan 1.70 m à 1.80 m.

De getuige [getuige 13] heeft ook verklaard dat de portier werd mishandeld door drie mannen. Hij heeft de verdachte niet herkend als één van de daders.

Ook de getuigen [getuige 14] en [getuige 15] hebben het over twee tot drie daders. Zij hebben geen beschrijving van de daders kunnen geven.

Onduidelijk is gebleven wanneer de verdachte de plaats delict heeft verlaten en of hij dit alleen of samen met één of meer aanvallers heeft gedaan. De (enkele) verklaringen die hieromtrent in het dossier voorhanden zijn lopen op dit onderdeel uiteen.

De verklaring van de verdachte

De verdachte heeft erkend dat hij op de betreffende avond met een groepje op stap was en dat hij met [slachtoffer 6] vergeefs in discussie is gegaan om met dat groepje Blinq binnen te mogen gaan. Hij heeft voorts verklaard dat hij heeft gezien dat iemand uit dat groepje [slachtoffer 6] in het gezicht stompte en dat de anderen zich vervolgens ook op hem stortten. Zelf zou hij zijn weggedoken en zijn weggegaan. De verdachte heeft tevens erkend dat hij geld heeft gegeven aan [slachtoffer 6] in ruil voor het niet verder noemen van zijn naam om verdere reputatieschade te voorkomen.

Met het openbaar ministerie en de verdediging is het hof, evenals de rechtbank, van oordeel dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het medeplegen van zware mishandeling van [slachtoffer 6] , nu op grond van de hiervoor geschetste feiten en omstandigheden niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat tussen de verdachte en de andere mannen sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan het slachtoffer.

Het hof acht evenmin bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging en overweegt daartoe het volgende.

Vooropgesteld wordt dat sprake is van het ‘in vereniging’ plegen van geweld als bedoeld in artikel 141 Sr, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard behoeft te zijn. Vereist is een intellectuele en/of materiële bijdrage van zodanig gewicht, dat vastgesteld kan worden dat de verdachte een significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het geweld. De enkele aanwezigheid in een groep die openlijk geweld pleegt, is dus niet zonder meer voldoende om de betrokkene te kunnen aanmerken als iemand die ‘in vereniging’ geweld pleegt.

Op grond van de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden kan niet worden vastgesteld dat de verdachte op enigerlei wijze heeft deelgenomen aan de uitoefening van geweld. Het slachtoffer heeft daarover niet verklaard. De getuigen hebben de verdachte niet herkend. Weliswaar heeft een aantal van hen een beschrijving van de daders gegeven, maar deze niet overeenkomt met de lengte en het postuur van de verdachte.

Evenmin kan uit de weergegeven feiten en omstandigheden worden afgeleid dat de verdachte de geweldpleging heeft gestuurd of georganiseerd, bevorderd of daarbij behulpzaam is geweest.

De discussie van de verdachte die voorafging aan het gepleegde geweld kan naar het oordeel van het hof niet worden aangemerkt als een ‘significante bijdrage’ aan het daarop gevolgde geweld. Uit de aard van de discussie en hetgeen in die context door de verdachte is geroepen volgt immers niet dat de verdachte uit was op een fysieke confrontatie met het latere slachtoffer en evenmin dat hij de andere leden uit de groep heeft willen aansporen tot geweld. De geweldsuitbarsting kan naar het oordeel van het hof ook niet als een zonder meer voorzienbaar gevolg van de door de verdachte gevoerde discussie worden beschouwd.

Uit de hiervoor geschetste feitelijke gang van zaken blijkt niet meer, dan dat de verdachte aanwezig is geweest en deel heeft uitgemaakt van de groep die geweld tegen [slachtoffer 6] heeft gepleegd en zich hiervan niet – of in ieder geval niet ogenblikkelijk – heeft gedistantieerd en niets heeft gedaan om het geweld te beëindigen. Deze omstandigheden zijn echter ontoereikend voor een bewezenverklaring van het openlijk in vereniging plegen van geweld.

Het feit dat de verdachte zich kort na het incident heeft ingespannen om te voorkomen dat het slachtoffer aangifte tegen hem zou doen, roept zonder meer vragen op omtrent verdachtes rol bij de geweldpleging. Anderzijds kan het hof kan niet uitsluiten dat de verdachte – zoals hij zelf heeft verklaard – die inspanningen heeft verricht ter voorkoming van (verdere) reputatieschade. Deze omstandigheid levert hoe dan ook geen direct en concreet bewijs op van een verdergaande betrokkenheid van de verdachte bij het feit.

Ook de inhoud van de zich in het dossier bevindende tapgesprekken werpen geen wezenlijk ander licht op de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden en verdachtes rol bij het geweld.

Het dossier bevat voorts nog een verklaring van een anoniem gebleven getuige, die heeft verklaard gezien te hebben dat verdachte het slachtoffer als eerste sloeg en hem vervolgens een knietje gaf. Die verklaring staat echter op zichzelf, is in strijd met de verklaringen van het slachtoffer en vindt geen steun in de verklaringen van de overige getuigen. Bovendien heeft deze getuige als enige verklaard dat het eerste geweld plaatsvond in de tochtsluis, terwijl de verklaring van het slachtoffer inhoudt dat dit geweld buiten plaatsvond. Het hof heeft om die reden geen acht geslagen op de inhoud van deze verklaring.

Bij deze stand van zaken is het hof van oordeel dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de onder 8 tenlastegelegde openlijke geweldpleging.

6.1.7. artikel 5 Wegenverkeerswet (feit 9)

Het standpunt van het openbaar ministerie

Het openbaar ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 9 tenlastegelegde feit wettig en overtuigend kan worden bewezen met uitzondering van het element “in strijd met een geslotenverklaring” en daartoe het volgende aangevoerd. De verdachte heeft op de Albert Cuypstraat een vrouw aangereden. Op het moment dat de verdachte daar reed diende de verdachte zich bewust te zijn van het gevaar dat hij een voetganger kon aanrijden. Daarom had hij zich er voortdurend van moeten verzekeren dat de voetgangers, die voor zijn auto liepen, op tijd aan de kant konden gaan dan wel dat hij zijn auto op tijd tot stilstand kon brengen. Nu de verdachte dit niet heeft gedaan, heeft verdachte gevaar in de zin van artikel 5 van de Wegenverkeerswet veroorzaakt.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit wegens het ontbreken van schuld.

Het oordeel van het hof

Het hof acht het onder 9 tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen en overweegt daartoe het volgende.

Het kernverwijt dat de verdachte blijkens de tenlastelegging wordt gemaakt, is dat hij met zijn auto een straat is ingereden, die voor gemotoriseerd verkeer was afgesloten. Zoals het openbaar ministerie terecht heeft aangegeven kan dit onderdeel niet wettig en overtuigend worden bewezen, nu uit het dossier blijkt dat van enige afsluiting van de onderhavige straat geen sprake was. Nu het resterende deel van de tenlastelegging niet inhoudt dat de verdachte zich anderszins zodanig heeft gedragen, dat daardoor gevaar of hinder op de weg werd veroorzaakt – het enkele ‘rijden’ kan immers niet als een zodanige gedraging worden aangemerkt – zal het hof de verdachte vrijspreken van dit feit.

6.2. Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 tweede cumulatief/alternatief, 2 eerste cumulatief/alternatief, 3 subsidiair, 4 en 7 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

(Sensation)

hij op 8 juli 2012 te Amsterdam aan een [slachtoffer 1] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (enkelfractuur en aangezichtsfracturen) heeft toegebracht, door hem opzettelijk met kracht tegen het gezicht te stompen en/of te trappen en tegen de enkel te trappen;

2.

(Jimmy Woo)

hij op 12 mei 2012 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet een glas in het gezicht van voornoemd persoon heeft kapot geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

3. subsidiair

(Club Air)

hij op 17 juli 2011 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 3] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met kracht die [slachtoffer 3] tegen het gezicht heeft gestompt en getrapt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

4 .

(Club Air)

hij op 17 juli 2011 te Amsterdam opzettelijk mishandelend [slachtoffer 4] met kracht tegen het gezicht en tegen de zij heeft gestompt, waardoor voornoemde [slachtoffer 4] letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

7. subsidiair

hij op 2 december 2011 te Amsterdam opzettelijk mishandelend [slachtoffer 5] een kopstoot heeft gegeven, waardoor voornoemde [slachtoffer 5] letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

Hetgeen onder 1, 2, 3 subsidiair, 4 en 7 subsidiair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. De bewijsmiddelen zijn als bijlage aan het arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

7. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 tweede cumulatief/alternatief, 2 eerste cumulatief/alternatief, 3 subsidiair, 4 en 7 subsidiair bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 tweede cumulatief/alternatief bewezen verklaarde levert op:

zware mishandeling.

Het onder 2 eerste cumulatief/alternatief en onder 3 subsidiair bewezen verklaarde levert op:

telkens: poging tot zware mishandeling.

Het onder 4 en 7 subsidiair bewezen verklaarde levert op:

telkens: mishandeling.

8. Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 tweede cumulatief/alternatief, 2 eerste cumulatief/alternatief, 3 subsidiair, 4 en 7 subsidiair bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

9. Oplegging van straf

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte vrijgesproken van het onder 2 tenlastegelegde medeplegen van een poging tot zware mishandeling van en openlijke geweldpleging jegens [slachtoffer 2] , de onder 5 tenlastegelegde mishandeling van [aangeefster] en de onder 6 tenlastegelegde vernieling. De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 bewezenverklaarde medeplegen van zware mishandeling van en openlijk in vereniging plegen van geweld jegens [slachtoffer 1] , de onder 3 subsidiair bewezenverklaarde poging tot zware mishandeling van [slachtoffer 3] , de onder 4 en 7 subsidiair bewezenverklaarde mishandelingen van respectievelijk [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] , en het onder 8 bewezen verklaarde openlijk in vereniging plegen van geweld jegens [slachtoffer 6] veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar met aftrek van voorarrest. De rechtbank heeft de verdachte voorts voor de onder 9 bewezenverklaarde overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet veroordeeld tot en een geldboete van € 750,-, subsidiair 15 dagen hechtenis. De rechtbank heeft voorts de vorderingen van benadeelde partijen gedeeltelijk toegewezen en de schadevergoedingsmaatregel ter zake opgelegd.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte en het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld.

Het openbaar ministerie heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 tenlastegelegde medeplegen van zware mishandeling en het openlijk in vereniging plegen van geweld jegens [slachtoffer 1] , de onder 2 en 3 subsidiair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling van respectievelijk [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] , de onder 4 en 7 subsidiair tenlastegelegde mishandeling van respectievelijk [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] en voor het onder 8 tenlastegelegde openlijk in vereniging plegen van geweld jegens [slachtoffer 6] zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie jaren met aftrek van voorarrest. Het openbaar ministerie heeft voorts gevorderd dat de verdachte voor het onder 9 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 750 euro, subsidiair 15 dagen hechtenis.

De verdediging heeft betoogd dat in de onderhavige strafzaak volstaan kan worden met een gevangenisstraf, waarvan het onvoorwaardelijk deel de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht niet overschrijdt, gecombineerd met een werkstraf. Daartoe is door de verdediging het volgende aangevoerd. De verdachte heeft lange tijd in voorarrest doorgebracht. Dit heeft zijn sportieve carrière zeer nadelig beïnvloed. Het voorarrest en de overweldigende aandacht voor deze zaak en de persoon van de verdachte in de media hebben ertoe geleid dat potentiële sponsors zijn afgehaakt en dat grote toernooien zijn afgelast, waardoor verdachte veel inkomsten is misgelopen. De verdachte kan voorts nog in geval van een bewezenverklaring in de Sensation-zaak een forse civiele claim tegemoet zien. De ronduit negatieve bejegening van de verdachte op sociale media en op straat hebben ertoe bijgedragen dat de verdachte zich niet langer welkom voelt in Nederland en om die reden is uitgeweken naar Marokko. Er is vanuit het oogpunt van vergelding reeds voldoende vergolden. De zaken zijn bovendien al drie jaar oud of ouder. De verdachte bevindt zich thans ruim tweeënhalf jaar op vrije voeten en al die tijd hebben zich geen nieuwe incidenten voorgedaan. De verdachte heeft voorts in de afgelopen jaren op persoonlijk vlak een positieve ontwikkeling doorgemaakt, hetgeen ertoe heeft bijgedragen dat hij niet opnieuw dezelfde fouten maakt als die hij in het verleden heeft gemaakt. De verdachte heeft zijn sportieve carrière weer enigszins op de rit en is druk doende weer op zijn oude niveau te geraken. Hem terugsturen naar de gevangenis zou dit alles doorkruisen, hetgeen het verdere verloop van zijn carrière zal schaden.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een zware mishandeling van het slachtoffer [slachtoffer 1] in een Skybox van de Amsterdam Arena tijdens het evenement Sensation White. [slachtoffer 1] heeft hierdoor ernstig letsel opgelopen, met deels blijvende gevolgen. Bij de mishandeling heeft [slachtoffer 1] een enkelfractuur met een open wond, gescheurde enkelbanden, meerdere bloeduitstortingen rondom beide ogen en aangezichtsfracturen (breuken in de binnenste wand en de bodem van de linker oogkas, met verplaatsing van botdelen) en een gebroken neus met verplaatsing van botdelen, opgelopen. Het enkelletsel is dusdanig ernstig, dat [slachtoffer 1] ook thans – ruim drie jaar na het incident – nog steeds belemmeringen ondervindt in zijn dagelijkse bezigheden. Onder andere is sportbeoefening in de diversiteit en intensiteit zoals [slachtoffer 1] dat gewend was niet meer mogelijk. De verwachting is dat de enkel nooit volledig zal kunnen herstellen en in die zin is sprake van blijvend letsel. Daarnaast heeft [slachtoffer 1] van het door verdachte toegepaste geweld ook langere tijd de nadelige psychische gevolgen ondervonden, zoals valt op te maken uit zijn slachtofferverklaringen in eerste aanleg en in hoger beroep.

De verdachte heeft zich, naast de ernstige mishandeling van [slachtoffer 1] tijdens Sensation White, ook in verschillende Amsterdamse uitgaansgelegenheden ernstig misdragen.

Zo heeft de verdachte heeft zich in Club Jimmy Woo schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling door een glas in het gezicht van het slachtoffer [slachtoffer 2] kapot te slaan, waardoor [slachtoffer 2] een snee in zijn wang opliep.

In Club Air heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling door het slachtoffer [slachtoffer 3] in zijn gezicht te slaan en vervolgens in zijn gezicht te schoppen toen hij al op de grond lag, waardoor [slachtoffer 3] twee voortanden is kwijtgeraakt. In Club Air heeft de verdachte bij diezelfde gelegenheid ook nog een Italiaanse gast van [slachtoffer 3] mishandeld door deze te stompen tegen het gezicht en lichaam.

In de uitgaansgelegenheid Cooldown Café heeft de verdachte een kopstoot gegeven aan het slachtoffer [slachtoffer 5] . Dit feit – dat duidelijk op camerabeelden staat – heeft de verdachte bekend.

Het hof merkt op dat het, gelet op de aard en ernst van het toegepaste geweld jegens [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] , slechts toeval is dat zij geen ernstiger letsel hebben opgelopen.

Alle door de verdachte gepleegde geweldsincidenten vonden plaats in openbare uitgaansgelegenheden in het bijzijn van vele omstanders, die hierdoor ongevraagd en ongewild geconfronteerd werden met geweld. De verdachte heeft door zijn handelen bijgedragen aan reeds in de samenleving levende gevoelens van onrust en onveiligheid, met name in uitgaansgebieden.

De bewezenverklaarde mishandelingen hebben met elkaar gemeen dat daaraan telkens een onbeduidende woordenwisseling vooraf ging, waarop de slachtoffers vervolgens zeer plotseling en onverwacht werden geconfronteerd met heftig geweld van de zijde van de verdachte. Geen van de slachtoffers was in staat zich te verweren. Het heeft de verdachte in alle situaties kennelijk ontbeerd aan zelfbeheersing en vermogens om de conflictsituaties – zo daarvan al sprake was – op andere manieren op te lossen dan hij in de voorkomende gevallen heeft gedaan.

De verdachte moet zich, als professioneel kickbokser, als geen ander bewust zijn geweest van de schade die hij kon aanrichten en heeft aangericht. Het hof neemt het de verdachte zeer kwalijk dat hij zich hierdoor niet heeft laten weerhouden om geweld toe te passen, maar op grove en ontoelaatbare wijze misbruik heeft gemaakt van zijn fysieke overwicht ten opzichte van zijn slachtoffers.

Het hof is gezien de ernst van het geweld en de omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd van oordeel dat een gevangenisstraf op zijn plaats is en dat niet kan worden volstaan met een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest gecombineerd met een werkstraf, zoals door de verdediging is bepleit en evenmin met een gevangenisstraf zoals door de rechtbank is opgelegd. Het hof zal daarbij evenmin als de rechtbank afzonderlijk rekening houden met het feit dat de carrière van de verdachte, als een professioneel kickbokser, door een gevangenisstraf mogelijk in gevaar komt. Het hof acht dit – net als de negatieve publiciteit en het daardoor afhaken van mogelijke geldschieters – een voorzienbaar risico van het plegen van feiten als waarvan hier sprake is.

Het lijdt geen twijfel dat de media-aandacht voor de onderhavige strafzaak en voor de persoon van de verdachte aanzienlijk en meer dan gemiddeld is geweest. Het hof wil aannemen dat de verdachte deze aandacht als zwaar en belastend heeft ervaren en dat deze nadelig is geweest voor zijn sportieve carrière. De verdachte heeft door het plegen van de bewezenverklaarde feiten deze aandacht echter zelf over zich afgeroepen. De verdachte had er, gelet op het feit dat hij al voorafgaande aan dit feit landelijke bekendheid genoot, rekening mee kunnen houden dat het plegen van een ernstig strafbaar feit, zoals zich dat op 8 juli 2012 in de Arena heeft voorgedaan, de nodige (negatieve) media-aandacht zou genereren. Daarnaast is gebleken dat verdachte ook zelf die media actief heeft benaderd. Het hof ziet hierin dan ook geen aanleiding tot matiging van de op te leggen straf.

Het hof heeft voorts acht geslagen op een de persoon van de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële documentatie van 11 september 2015, waaruit volgt dat de verdachte in het verleden eerder voor mishandeling is veroordeeld tot gevangenisstraf. Daaruit volgt ook dat de verdachte de afgelopen jaren niet wederom met politie en justitie in aanraking is gekomen voor nieuwe strafbare feiten. Dit lijkt te bevestigen dat de verdachte een nieuwe weg is ingeslagen en het verleden van een opeenstapeling van geweldsincidenten achter zich heeft gelaten. Het hof heeft hiermee alsmede met het feit dat de bewezenverklaarde feiten al wat ouder zijn in strafmatigende zin rekening gehouden.

Het hof heeft bij de strafoplegging geen acht geslagen op de inhoud van het Reclasseringsrapport van 17oktober 2012 en het Pro Justitia Rapport van 29 oktober 2012, omdat de daarin vervatte informatie thans verouderd is.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van 24 maanden passend en geboden. Het hof zal een deel van die straf, 10 maanden groot, voorwaardelijk opleggen en hieraan een proeftijd van twee jaren koppelen. Het voorwaardelijk strafdeel strekt met name ter normmarkering en ter voorkoming dat de verdachte zich in de toekomst schuldig zal maken aan soortgelijke feiten.

10. Voorlopige hechtenis

Ten aanzien van de schorsing van de voorlopige hechtenis overweegt en oordeelt het hof als volgt.

Een bevel schorsing voorlopige hechtenis kan op grond van artikel 82 lid 1 Sv te allen tijde worden opgeheven zelfs als de verdachte zich aan de hem gestelde voorwaarden houdt, aangezien het gaat om een aan de rechter toekomende discretionaire bevoegdheid. Deze discretionaire bevoegdheid brengt echter tevens mee dat de rechter evenmin verplicht is de schorsing op te heffen. Alhoewel aan de uitoefening van een discretionaire bevoegdheid geen vergaande motiveringseisen worden gesteld, overweegt het hof het navolgende.

De rechter dient bij het nemen van die beslissing de belangen van de samenleving, het slachtoffer en de verdachte tegen elkaar af te wegen en na te gaan of een bevel opheffing schorsing voorlopige hechtenis wenselijk is. Bij die belangenafweging speelt de eis van rechtshandhaving een rol, maar ook het bepaalde van art. 5 EVRM. Doelstelling van art. 5 EVRM is de persoonlijke vrijheid en veiligheid te beschermen tegen willekeurige inbreuken. Om deze doelstelling te bereiken, is aan een ieder het recht op persoonlijke vrijheid en veiligheid toegekend en is voorts limitatief aangegeven in welke gevallen en onder welke voorwaarden een inbreuk op dit recht mag worden gemaakt. Er moet voorts een balans zijn tussen het belang dat in een democratische samenleving bestaat en het recht op vrijheid . Het enkele feit dat een ernstig delict is gepleegd is op zich onvoldoende een voorlopige hechtenis te (blijven) rechtvaardigen .

In onderhavige zaak is de verdachte op 26 juli 2012 aangehouden en daarna in voorlopige hechtenis gesteld. De voorlopige hechtenis is op 21 januari 2013 door de rechtbank geschorst voor onbepaalde tijd, nadat een eerdere schorsing op 13 november 2012 was opgeheven. Gesteld noch gebleken is dat de verdachte sindsdien de hem gestelde voorwaarden niet naleeft. Gelet daarop en gezien de duur van de procedure vermag het hof niet in te zien welk doel thans is gebaat bij een bevel opheffing schorsing voorlopige hechtenis. De enkele veroordeling volstaat daarvoor niet zonder meer, nu het in iedere zaak gaat om de specifieke omstandigheden van het geval die afzonderlijk en in onderling verband bezien de grondslag vormen een verdachte in voorlopige hechtenis te stellen.

Het hof ziet derhalve geen grond voor opheffing van het bevel tot schorsing van de voorlopige hechtenis.

11. De vorderingen van de benadeelde partijen

11.1. Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze vordering bedraagt in totaal € 54.499,36, bestaande uit een bedrag van € 20.000,- aan immateriële schade bij wijze van voorschot en een bedrag van € 34.499,36, aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. De benadeelde partij heeft voorts als vergoeding van gemaakte kosten ten behoeve van rechtsbijstand een bedrag van € 8.940,- gevorderd.

De rechtbank heeft een bedrag van van € 15.000,- aan immateriële schade (bij wijze van voorschot) en een bedrag van van € 3.375,31 aan materiële schade toegewezen. De rechtbank heeft het toegewezen bedrag vermeerderd met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel opgelegd. De rechtbank heeft de vordering met betrekking tot de post ‘taxikosten’ afgewezen en de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering. De rechtbank heeft voorts een bedrag van € 1356,- aan rechtsbijstandkosten toegekend.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

Standpunt van het openbaar ministerie

Het openbaar ministerie heeft zich op het stanpdunt gesteld dat de vordering integraal dient te worden toegewezen, met uitzondering van post 11 (taxikosten ad € 141,12), aangezien de daarin opgevoerde kosten niet rechtstreeks voortvloeien uit het bewezenverklaarde feit.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft het hof verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering, dan wel de vordering af te wijzen, met uitzondering van de schade die door de benadeelde partij is geleden als gevolg van de door verdachte gegeven klap. De verdediging refereert zich ten aanzien van de hoogte van de voor dat deel te vergoeden schade aan het oordeel van het hof.

Oordeel van het hof

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 tweede cumulatief/alternatief bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

De door de benadeelde partij gevorderde immateriële schade onder punt 1 wordt door het hof als voorschot vastgesteld op € 15.000,-. Het hof heeft ten aanzien van de hoogte van dit toe te wijzen bedrag aansluiting gezocht bij wat doorgaans wordt toegewezen in vergelijkbare gevallen. Voor het overige gedeelte van de vordering wordt de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard. Het hof ziet in hetgeen de advocaat van de benadeelde partij in hoger berop heeft aangevoerd geen aanleiding om een hoger bedrag toe te kennen.

Met betrekking tot de post 2, de gevorderde schade van € 17.850,- voor de betaalde deelname aan

de Quote Challenge 2012, waaraan de benadeelde partij als gevolg van het opgelopen enkelletsel niet heeft kunnen deelnemen, overweegt het hof dat in hoger beroep door middel van overgelegde stukken is aangetoond dat deze kosten door de benadeelde partij zijn gemaakt. Het betreft uitgaven die de benadeelde partij heeft gedaan ter verkrijging van een op zichzelf niet op geld waardeerbaar onstoffelijk voordeel. De verdachte heeft dit voordeel moeten missen door toedoen van het zwaar lichamelijk letsel dat hem door de verdachte is toegebracht. De door de benadeelde partij geleden schade – die gelijk te stellen is aan de gedane uitgaven die hun doel hebben moet missen – komt voor vergoeding in aanmerking. Nu deze kosten door de verdediging niet gemotiveerd zijn betwist, zal het hof dit onderdeel van de vordering toewijzen.

De onder post 11 opgevoerde taxikosten ad € 140,12 komen op dezelfde voet voor toewijzing in aanmerking. Het hof wijst deze schade – nu deze evenmin gemotiveerd door de verdediging zijn betwist – eveneens toe.

De posten 4 (de tandheelkundige kosten ad € 3.375,31), 7 (eigen bijdrage zorg CAK ad € 282,05), 8 (eigen risico zorgverzekering ad € 413,-), 9 (vernietigde kleding ad € 150,-), 10 (chiropractor van € 54,-) en 13 (kosten ‘walker’ van € 161,94), zijn met facturen onderbouwd, vloeien rechtstreeks voort uit het bewezenverklaarde feit en zijn niet gemotiveerd betwist. Het hof wijst deze posten derhalve toe.

Met betrekking tot post 3 (kosten verpleging/verzorging thuis ad € 10.865,-) overweegt het hof dat de overgelegde facturen niet meer inhouden dan een specificatie van de gewerkte uren en dat dus onduidelijk is gebleven, welke werkzaamheden zijn verricht. Derhalve kan niet worden beoordeeld in hoeverre deze noodzakelijk waren en geen werkzaamheden betroffen, die door de benadeelde partij zelf verricht konden worden.

De onder de posten 5 (kosten radiologie Hirslanden Klinik ad € 785,94) en 6 (rekening voetchirurg ad € 422,-) opgevoerde kosten betreffen kosten die zijn gemaakt in verband met een second opinion in het buitenland. Niet gesteld noch gebleken is dat deze gemaakte kosten noodzakelijk waren in het licht van het reeds ingezette behandelings- en revalidatietraject en evenmin dat zij hebben bijgedragen aan een spoediger en of vollediger herstel van de enkel.

De beoordeling van deze onderdelen vergt nader onderzoek. De behandeling hiervan levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in dit onderdeel van de vordering niet worden ontvangen en kan zij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Het hof bepaalt dat het toegewezen bedrag aan schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten 8 juli 2012.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Het hof zal de verdachte voorts veroordelen tot betaling van de door de benadeelde partij gemaakte kosten in verband met rechtsbijstand en de nog te maken kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze beslissing. Het hof acht, in aansluiting op het in het civiele recht van toepassing zijnde liquidatietarief rechtbanken en gerechtshoven, een vergoeding van € 8.940,-, zoals verzocht, voor het indienen en toelichten van de vordering ter terechtzitting in beide instanties, redelijk.

11.2. Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 8.888,96, bestaande uit een bedrag van € 6.388,96 aan materiële schade en een bedrag van € 2.500,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. De benadeelde partij heeft voorts als vergoeding van gemaakte kosten ten behoeve van rechtsbijstand een bedrag van € 2.512,21 gevorderd.

De rechtbank heeft een bedrag van € 750,- aan immateriële schade toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel opgelegd. De rechtbank heeft de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijke verklaard in haar vordering. De rechtbank heeft voorts een bedrag van € 384, aan rechtsbijstandkosten toegekend.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

Het openbaar ministerie heeft gevorderd dat het hof de gevorderde materiële en immaterële schade integraal zal toewijzen, een bedrag van € 1356,- aan rechtsbijstandkosten zal toekennen en de schadevergoedingsmaatregel zal opleggen.

De verdediging heeft de vordering slechts in zijn algemeenheid betwist door te stellen dat de verdachte zich niet schuldig heeft gemaakt aan hetgeen hem onder 3 is tenlastegelegd. Op de afzonderlijke componenten van de vordering is geen verweer gevoerd.

Het hof heeft onder 3 bewezenverklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van [slachtoffer 3] . Bewezen is dat de verdachte [slachtoffer 3] in het gezicht heeft gestompt waardoor [slachtoffer 3] op de grond is gevallen, waarna de verdachte hem vervolgens in zijn gezicht heeft getrapt. Door de trap in het gezicht zijn twee voortanden van de benadeelde partij afgebroken.

De door de benadeelde partij gevorderde immateriële schade, wordt door het hof vastgesteld op € 750,00. Dit bedrag komt overeen met hetgeen in vergelijkbare gevallen doorgaans pleegt te worden toegewezen binnen dit ressort. Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de immateriële component van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Blijkens de schriftelijke toelichting op vordering heeft de benadeelde partij kort na de mishandeling drie gebitsherstellende operaties ondergaan. Hierbij zijn de afgebroken voortanden en acht omliggende tanden vervangen door kronen. De kosten van deze operaties bedraagt € 6.138,96. Deze kosten zijn met facturen onderbouwd. De benadeelde partij vordert vergoeding van deze kosten in de onderhavige strafzaak. Het hof is van oordeel dat deze kosten als rechtstreekse schade zijn aan te merken. Nu deze kosten door de verdachte niet gemotiveerd zijn betwist, zal het hof dit onderdeel van de vordering toewijzen.

De benadeelde partij heeft voorts een schadevergoeding verzocht in verband met een gescheurde broek. De hoogte van deze schadepost bedraagt € 250,-. De benadeelde partij heeft gesteld dat de scheur is ontstaan bij het neervallen op de grond door toedoen van een vuistslag van de verdachte. Ook deze kosten komen voor vergoeding in aanmerking. De verdediging heeft deze schadepost niet gemotiveerd betwist. Het hof wijst dit onderdeel van de vordering derhalve eveneens toe.

Het hof bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten 17 juli 2011.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze, vermeerderd met de wettelijke rente.

Het hof zal de verdachte voorts veroordelen tot betaling van de door de benadeelde partij gemaakte kosten in verband met rechtsbijstand en de nog te maken kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze beslissing. Het hof acht, in aansluiting op het in het civiele recht van toepassing zijnde liquidatietarief rechtbanken en gerechtshoven, een vergoeding van € 1.016,- (tarief I: één punt in eerste aanleg ad € 384,- en één punt in hoger beroep ad € 632,-) voor het indienen van de vordering ter terechtzitting in beide instanties, redelijk.

11.3. Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 4.000,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. De benadeelde partij heeft voorts als vergoeding van gemaakte kosten ten behoeve van rechtsbijstand een bedrag van € 4.235,- gevorderd.

De rechtbank heeft de vordering toegewezen tot een bedrag van € 375,-, vermeerderd met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel opgelegd. De benadeelde partij is voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering. De rechtbank heeft voorts een bedrag van € 384,- aan rechtsbijstandkosten toegekend.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

Het openbaar ministerie heeft gevorderd dat het hof de vordering zal toewijzen tot een bedrag van € 2.500,- en een bedrag van € 1152,- aan rechtsbijstandkosten zal toekennen en de schadevergoedingsmaatregel zal opleggen.

De verdededing heeft het hof verzocht de beslissingen van de rechtbank over te nemen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 7 subsidiair bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden tot een bedrag van € 375,-. Dit bedrag komt overeen met hetgeen in vergelijkbare gevallen doorgaans pleegt te worden toegewezen binnen dit ressort. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente.

Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Het hof zal de verdachte voorts veroordelen tot betaling van de door de benadeelde partij gemaakte kosten in verband met rechtsbijstand en de nog te maken kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze beslissing. Het hof acht, rekening houdend met het in het civiele recht van toepassing zijnde liquidatietarief rechtbanken en gerechtshoven, een vergoeding van € 1.016,- (tarief I: één punt in eerste aanleg ad € 384,- en één punt in hoger beroep ad € 632,-) voor het indienen van de vordering ter terechtzitting in beide instanties, redelijk.

12. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 45, 57, 300 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

13. BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissingen ter zake van het onder 2, 5 en 6 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 eerste, derde en vierde cumulatief/alternatief, 2 tweede cumulatief/alternatief, 3 primair, 5, 6, 7 primair, 8 en 9 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 tweede cumulatief/alternatief, 2 eerste cumulatief/alternatief, 3 subsidiair, 4 en 7 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 tweede cumulatief/alternatief, 2 eerste cumulatief/alternatief, 3 subsidiair, 4 en 7 subsidiair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 10 (tien) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] :

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het onder 1 tweede cumulatief/alternatief bewezen verklaarde tot het bedrag van € 37.426,42 (zevenendertig duizend vierhonderd zesentwintig euro en tweeënveertig cent) bestaande uit € 22.426,42 (tweeëntwintig duizend vierhonderd zesentwintig euro en tweeënveertig cent) materiële schade en € 15.000,- (vijftien duizend euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 8 juli 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 8.940,- (acht duizend negenhonderdveertig euro).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1] , ter zake van het onder 1 tweede cumulatief/alternatief bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 37.426,42 (zevenendertig duizend vierhonderd zesentwintig euro en tweeënveertig cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 222 (tweehonderd tweeëntwintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 8 juli 2012 tot aan de dag der algehele voldoening

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 3] ter zake van het onder 3 subsidiair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 7.138,96 (zevenduizend honderdachtendertig euro en zesennegentig cent) bestaande uit € 6.388,96 (zesduizend driehonderd achtentachtig euro en zesennegentig cent) aan materiële schade en € 750,- (zevenhonderdvijftig euro) aan immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 17 juli 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 1.016,- (duizend zestien euro).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 3] , ter zake van het onder 3 subsidiair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 7.138,96 (zevenduizend honderdachtendertig euro en zesennegentig cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 70 (zeventig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 17 juli 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5] :

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 5] ter zake van het onder 7 subsidiair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 375,- (driehonderd vijfenzeventig euro) aan immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 2 december 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 1.016,- (duizend zestien euro).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 5] , ter zake van het onder 7 subsidiair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 375,- aan immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 7 (zeven) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 2 december 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. H.S.G. Verhoeff, mr. A.E.M. Röttgering en mr. M.J.A. Plaisier, in tegenwoordigheid van mr. J.K.D. Bakker, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 29 oktober 2015.

BIJLAGE BEWIJSMIDDELEN

ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde:

1. Een proces-verbaal van beschrijving opgenomen beelden Arena met nummer 2012178492 van 13 augustus 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar T-359 (zaaksdossier Sensation: doorgenummerde dossierpagina’s 02 130- 02 153).

Op 8 juli 2012 omstreeks 3:30 uur vond tijdens het dance-event Sensation White een zware mishandeling plaats in Skybox [nummer] in de Amsterdam Arena te Amsterdam.

Beschrijving beelden

Beeldmateriaal van camera Skybox galerij links zondag 8 juli 2012 03:14:20 uur

Ik, verbalisant, zie dat [slachtoffer 1] vanuit de skybox in de richting van de galerij op vallen. Ik zie dat [slachtoffer 1] met beide handen de reling van de galerij vast grijpt. Ik zie dat een beveiliger naar [slachtoffer 1] rent en hem bij zijn arm pakt. Ik zie dat [slachtoffer 1] zijn linker been omhoog brengt. Ik zie dat de linkervoet van [slachtoffer 1] in een ongewone hoek staat ten opzichte van zijn been.

Beeldmateriaal van camera Lobby Roltrap zondag 8 juli 2012 03:25:57 uur

Ik, verbalisant, zie dat [verdachte] en [medeverdachte] vanuit het trappenhuis door de deur van de lobby loopt. Ik zie dat [verdachte] zijn rechterhand naar zijn mond brengt.

Beeldmateriaal van camera Lobby Roltrap zondag 8 juli 2012 03:27:06 uur

Ik zie dat [verdachte] zijn rechterhand ter hoogte van zijn mond heeft. Ik zie dat [medeverdachte] en hij de roltrap af gaan en dat [verdachte] weer zijn rechterhand naar zijn mond gaat. Ik zie dat zijn knokkels ter hoogte van zijn mond zijn.

Beeldmateriaal van camera ingang E zondag 8 juli 2012 03:27:53 uur

Ik zie [naam 5] en [verdachte] in beeld komen. Ik zie dat [verdachte] met zijn rechterhand ter hoogte van zijn mond zit.

2. Een geschrift, zijnde een woordelijke uitwerking van het politieverhoor van de verdachte [verdachte] van 26 juli 2012 (zaaksdossier Sensation: doorgenummerde dossierpagina’s 5 111- 5 161).Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijke weergegeven, als verklaring van de verdachte:

Ik was op het Sensation feest in de Amsterdam Arena (het hof begrijpt: op 8 juli 2012 te Amsterdam). Ik was uitgenodigd in de skybox van [naam 11] . Het was een kleine box.

(p. 5 120 e.v.)

Op een gegeven moment kwam die man binnen. Die [slachtoffer 1] (het hof begrijpt: het slachtoffer [slachtoffer 1] ).

Toen keek hij, toen zei hij: “Was Ruud zijn geld op?” Ik was woedend weet je. Ik ben het nog steeds als ik er nu aan denk. Ik wist niet goed hoe ik daar eigenlijk op moest reageren en… Ik voelde me helemaal eh… Ja, ik was gewoon helemaal… Weet je.. Ik stond te koken. Toen ben ik effe gaan zitten op die bank. Ik dacht: “Dat zegt hij niet”. En toen liep ik naar bar om voor mijzelf wat in te schenken en toen liep hij of de box binnen of uit het toilet en toen keek hij mij zo aan en gaf hij mij een knipoog. Ik ervoer dat als denigrerend. Ik liet mezelf gaan. Toen sloeg ik hem.

(p. 5 129 e.v.)

Soms probeer ik gewoon voor mezelf te denken waarom ik sommige dingen doe. Ik denk dat ik gewoon terugval op waar ik eigenlijk het beste in ben. het middelpunt van mezelf. In vechtsport. Als ik boos word, als er iets gebeurt dat mij triggert, dan doe ik het gewoon uit het niets. Ik gaf hem vanuit stand een tik met mijn open hand. Boem. Volgens mij raakte ik hem wel met mijn knokkel, want ik heb een wondje aan mijn knokkel.

(p. 5 147 e.v.)

Ik had een wondje op de knokkel en middelvinger van mijn rechterhand. Volgens mij bloedde dat wel gelijk.

3. Een geschrift, zijnde een woordelijke uitwerking van het politieverhoor van de verdachte [medeverdachte] van 1 augustus 2012 (zaaksdossier Sensation: doorgenummerde dossierpagina’s 5 076- 5 110). Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijke weergegeven, als de op 1 augustus 2012 afgelegde verklaring van de medeverdachte [medeverdachte]:

(p. 5 082 e.v.)

Ik wou naar de Koninklijke loge, ik loop naar de uitgang toe en op een gegeven moment zie ik de deur open gaan van de wc, en echt waar, dat duurde niet lang, een paar klappen en in één keer: boem boem boem. Ik zag [verdachte] slaan. Ik zag het meteen toen de deur open ging. Hij maakte zich klein en hij sloeg, dat ging heel snel. Ik zag hem ook een trappende beweging maken.

(p. 5 086 e.v.)

Ik zal zeggen wat ik zag toen ik binnen kwam. Ik kwam binnen en zag [verdachte] zitten. Ik zat op hem te letten omdat hij tegen zijn vuist aan het slaan was. Dat trok mijn aandacht. Ik hoorde hem zeggen: “Hij is de mijne”.

(p. 5 089)

Het ging heel snel. Die [verdachte] sloeg gewoon in één keer. Ik zag hem indraaien. Hij maakte zichzelf klein en daarna ging er weer een klap achteraan en weer achteraan een klap en toen een trap.

4. Een proces-verbaal van bevindingen van 9 juli 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] (zaaksdossier Sensation: doorgenummerde dossierpagina’s 02 006- 02 007. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 9 juli 2012 tegenover de verbalisant afgelegde telefonische verklaring van NN-vrouw (personalia bekend bij de verbalisanten):

Op 9 juli 2012 heb ik telefonisch een getuige gehoord ter zake een zware mishandeling gepleegd in de Amsterdam Arena. De getuige verklaarde mij het volgende:

“Ik was zaterdag (het hof begrijpt: op 8 juli 2012) op het feest (het hof begrijpt Sensation White in de Amsterdam Arena te Amsterdam). Ik heb mij in de skybox (het hof begrijpt: de skybox waar [slachtoffer 1] en de verdachte eveneens aanwezig waren) tussen de mensen begeven. Een paar minuten later zag ik dat [slachtoffer 1] (het hof begrijpt: [slachtoffer 1] ) in een hoek werd geduwd. Ik zag dat hij door één persoon werd mishandeld. Ik zag dat hij op de grond viel. Ik zag dat hij hierna meerdere malen werd geschopt door dezelfde persoon. De persoon die [slachtoffer 1] een kopstoot gaf en en schopte betrof een grote man, breed en gespierd, gezichtsbeharing. Het hele incident was binnen een paar seconden afgelopen.

5. Een geschrift, te weten een brief afkomstig van het NFI aan de rechter-commissaris mr. [naam 12] van 15 januari 2013, opgemaakt door D. [naam 9] , forensisch arts KNMG (zaaksdossier Sensation: doorgenummerde dossierpagina’s 9 044 - 9 052). Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijke weergegeven:

Betreft

Beoordeling van aard en oorzaak van letsels bij de heer [slachtoffer 1] .

Bespreking/samenvatting/beantwoording vraagstelling

Er vond onderzoek plaats naar de aard en oorzaak van letsels die op 8 juli 2012 zijn geconstateerd bij de heer [slachtoffer 1] . Hiertoe waren medische gegevens beschikbaar en enkele foto’s van uitwendige letsels.

De foto van het gelaat in het pdf-bestand toont diverse letsels:

- De zwellingen en roodpaarse huidverkleuringen worden veroorzaakt door onderhuidse bloeduitstortingen welke het gevolg zijn van kneuzingen van weke delen door uitwendige inwerking van stomp botsend (of samendrukkend) mechanisch geweld, zoals bijvoorbeeld door slaan, stompen, schoppen of vallen.

- Oppervlakkige huidbeschadigingen (ontvellingen), veroorzaakt door afschavende werking van een ruw, kantig of scherprandig voorwerp of oppervlak (zoals bijvoorbeeld sierraden of een ruwe ondergrond). Dit type letsels bevindt zich o.a. aan de rechterzijde van de neus en bij de linkermondhoek.

- Verscheuring van huid en onderhuidse weke delen (‘laceratie’) door uitwendige inwerking van stomp botsend (of samendrukkend) mechanisch geweld, waarbij verscheuring cq. ‘crushen’ van weefsels optreedt tegen een oppervlakkig gelegen bot(rand). Een dergelijk letsel bevindt zich in het rechterbovenooglid.

Uit het medisch dossier bleek sprake van:

- breuken van de linkeroogkas (binnenste wand en oogkasbodem),

- een breuk aan de rechterzijde van de neusbasis,

- diverse wonden aan het gelaat, o.a. aan het rechterbovenooglid en links bij de mond, en

- een breuk van de linkerenkel met een open wond aan de binnenzijde van de enkel, waardoor het bot van de binnenenkel zichtbaar was. Tevens bleken hier de enkelband(en) gescheurd te zijn.

De letsels van het aangezicht kunnen slechts verklaard worden door minimaal twee geweldsinwerkingen (maar waarschijnlijk meer geweldsinwerkingen), zoals bijvoorbeeld één of meerdere vuistslagen, een kopstoot, al dan niet in combinatie met een val tegen harde ondergrond.

Er is stompe geweldsinwerking geweest nabij het linkeroog komend van voor en/of zijwaarts, waardoor de oogbol achterwaarts is verplaatst en breuken zijn ontstaan in de binnenste wand en de oogkasbodem. Er is tevens geweldsinwerking geweest waarbij de basis van de neus vanaf rechts is geraakt.

De letsels aan de linkerenkel zijn meest aannemelijk het gevolg van één krachtige geweldsinwerking tegen de buitenzijde van de enkel terwijl het slachtoffer zich in staande positie bevond. Het veroorzaken van een dergelijke breuk bij een liggend slachtoffer wordt door de geraadpleegde deskundigen niet onmogelijk geacht maar minder waarschijnlijk. Struikelen over het been van het liggende slachtoffer cq. blijven haken achter een obstakel wordt zeer onwaarschijnlijk geacht als causaal mechanisme.

Ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde:

6. Een proces-verbaal van verhoor getuige van 5 december 2012, opgemaakt door mr. [naam 12] , rechter-com­mis­saris belast met de behan­deling van strafzaken in de rechtbank Amsterdam. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 5 december 2012 tegenover de rechter-commissaris afgelegde verklaring van de getuige [getuige 9] [getuige 9]:

Ik herinner mij van die avond (het hof begrijpt: van 12 mei 2012) het volgende. Ik was met vier collega’s aan het werk bij de Jimmy Woo (het hof begrijpt: te Amsterdam). Het slachtoffer stond op een gegeven moment met zijn rug naar de uitgang gebogen over het tafeltje dat dient als kassa. [verdachte] stond rechts naast hem en hield het slachtoffer met zijn linkerhand bij zijn kraag of rug vast. Ik stond weer rechts naast [verdachte] . Dat was ongeveer op armlengte afstand. Ik hoor dat het slachtoffer een opmerking maakt, maar ik weet niet wat hij zei. Vervolgens zie ik dat in een flits [verdachte] een glas dat op dat tafeltje stond met een vegende beweging tegen het gezicht van het slachtoffer duwt. Ik zei toen tegen [verdachte] wat doe je nu en hij zei maar ik heb toch niks gedaan [getuige 9] . Toen keek hij naar zijn hand en zag kennelijk dat die bloedde. Toen is hij naar buiten gegaan. Ik heb zelf gezien dat het glas het gezicht raakte van het slachtoffer.

7. Een proces-verbaal van bevindingen betreffende uitwerking camerabeelden Jimmy Woo, met nummer 2012126092, van 25 juli 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde verbalisant T-358 (zaaksdossier Jimmy Woo: doorgenummerde dossierpagina’s 008-023). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als bevindingen van de verbalisant:

Op 18 mei 2012 zijn op vordering van de officier van justitie de camerabeelden van de Jimmy Woo van zaterdag 12 mei 2012 tussen 3:45 uur en 4:10 uur opgevraagd en verstrekt. Deze beelden zijn door mij bekeken. Dit proces-verbaal bevat een beschrijving van die beelden.

Fragment 3

In dit fragment geeft de camera zicht op de in- en uitgang van de Jimmy Woo. Rechtsonder is een tafel zichtbaar. Dit fragment begint om 3:41:39 uur en eindigt om 3:44:11 uur.

[verdachte] duwt NN-2 weg met zijn linkerhand. Met zijn rechterhand pakt hij het slachtoffer vast aan zijn kleding ter hoogte van de kraag. Direct hierna komen meerdere mannen, waaronder meerdere beveiligers van de trap gelopen. De beveiligers [getuige 9] en [naam 10] proberen tussen het slachtoffer en de overige personen te komen. [verdachte] houdt het slachtoffer nog steeds vast. Vervolgens is aan de beweging van de rechterarm te zien dat [verdachte] een voorwaartse beweging maakt met zijn rechterarm in de richting van het slachtoffer. De voornoemde voorwaartse beweging gaat gepaard met enige kracht. Doordat het slachtoffer uit het zicht van de camera is, is niet waar te nemen waar deze voorwaartse beweging uit bestaat en wat de gevolgen van deze voorwaartse beweging zijn. Op datzelfde moment draait beveiliger [getuige 9] zich om en kijkt hij in de richting van [verdachte] en het slachtoffer. Direct hierna duwt beveiliger [getuige 9] [verdachte] weg bij het slachtoffer en leidt hij [verdachte] naar de uitgang van de Jimmy Woo. Beveiliger [getuige 9] en [verdachte] kijken elkaar aan en [verdachte] zegt iets tegen beveiliger [getuige 9] . Vervolgens weet [verdachte] zich te ontdoen van beveiliger [getuige 9] en loopt richting de trap. [verdachte] houdt vervolgens - voor ongeveer 2 seconden - de palm van zijn rechterhand open en kijkt naar zijn rechterhand. Vervolgens loopt [verdachte] naar de uitgang van de Jimmy Woo. Hij verdwijnt uit het zicht van de camera.

(p.22)

Identiteit NN-personen:

NN-2: [betrokkene 2]

NN-3: [betrokkene 3]

8. Een proces-verbaal van bevindingen, met nummer PL 1305 2012126092-3, van 24 mei 2012 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 6] (zaaksdossier Jimmy Woo: doorgenummerde dossierpagina’s 003-004). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als bevindingen van de verbalisanten, dan wel van één van hen:

Op 12 mei 2012 omstreeks 3:38 uur bevonden wij ons in uniform gekleed en met toezicht op het uitgaansgebied Leidseplein belast, op de openbare weg, het Leidseplein te Amsterdam. Wij hoorden via de portofoon dat er gevochten zou zijn in de horecagelegenheid Jimmy Woo in de Korte Leidsedwarsstraat te Amsterdam. Hierop zijn wij onmiddellijk naar genoemde locatie gegaan.

Toen wij ter plaatse kwamen werden wij aangesproken door één van de portiers. Die vertelde ons dat het slachtoffer nog binnen was en dat de andere partij al was vertrokken.

Wij zagen vervolgens een man met een bebloed gezicht naar buiten komen (het hof begrijpt: [slachtoffer 2] ). De man had verwondingen. De man had verwondingen aan de linkerzijde van zijn gezicht rondom zijn oog en op zijn wang. Ik, verbalisant [verbalisant 5] , zag dat er een stukje glas in de snee op de wang van de man zat.

9. Een proces-verbaal van bevindingen, met nummer 2012178492, van 4 oktober 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde verbalisanten T-164 en T-423 (zaaksdossier Jimmy Woo: ongenummerd). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als bevindingen van de verbalisanten, dan wel van één van hen:

Op 4 oktober 2013 werd ik, verbalisant T-164, gebeld door een persoon die opgaf te zijn: [slachtoffer 2] . Ik hoorde hem zeggen dat hij inderdaad de persoon is die het slachtoffer was van de mishandeling die op 12 mei 2012 in uitgaansgelegenheid Jimmy Woo had plaatsgevonden. [slachtoffer 2] verklaarde onder andere:

  • dat hij ruzie kreeg met een groep jongens;

  • dat [verdachte] (het hof begrijpt: de verdachte) deel uit maakte van die groep en dat hij ertussen kwam om de boel te sussen;

  • dat [verdachte] hem in het begin afschermde van de rest van de groep;

  • dat hij op enig moment het glas in zijn gezicht voelde.

10. Een geschrift, zijnde een woordelijke uitwerking van het politieverhoor van de verdachte [verdachte] van 1 augustus 2012 (zaaksdossier Jimmy Woo: doorgenummerde dossierpagina’s 031-076).Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van de verdachte:

(p.52)

Ik ben naar de Jimmy Woo gereden. Ik kwam om half drie aan (het hof begrijpt: op 12 mei 2012). Ik stond beneden. Toen kwam er een meisje naar me toe en die zei [betrokkene 1] is zijn achternaam, heeft ruzie boven. Ik ben gaan praten met die jongen. Ik pakte hem bij zijn kraag. Toen brak het los achter me. Slaan, duwen, vechten, ik heb die jongen getrokken naar de uitgang. Op een gegeven moment kan ik een glas herinneren. Ik had hem (het hof begrijpt: [slachtoffer 2] ) vast. Ik voelde dat er iets stuk ging in mijn hand. Ik zag dat mijn hand open was, dat mijn hand bloedde.

Ten aanzien van het onder 3 subsidiair en 4 bewezenverklaarde:

11. Een proces-verbaal van aangifte, met nummer 2012178492, van 19 juli 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde verbalisanten T-114 en T-389 (zaaksdossier Club Air: doorgenummerde dossierpagina’s 001-004). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 19 juli 2012 ten overstaan van de verbalisanten afgelegde verklaring van aangever [slachtoffer 3]:

Op 17 juli 2011 rond 2.00 uur ben ik in Club Air mishandeld. Die nacht was ik met een zakelijke relatie, een Italiaan, [slachtoffer 4] in de club. Er was ook een vriend van [slachtoffer 4] bij aanwezig, ook een Italiaan, zijn naam ken ik niet. Wij liepen door de club langs de lange bar. Aan het begin van de bar stond een lange Noord-Afrikaanse man. Om te voorkomen dat we zouden botsen en de drankjes zouden vallen, legde ik mijn hand op zijn linker schouder zodat ik er langs kon. De man riep meteen: “Wat moet jij nu, wie ben jij dan?” of woorden van gelijke strekking. De man was duidelijk op zoek naar ruzie. Ik zei toen dat ik de portiers of de beveiliging wel even kon halen (of woorden van gelijke strekking). Vervolgens kreeg ik direct een vuistslag vol op mijn linkeroog. Ik was in één keer knock-out. Het volgende wat ik weet is dat ik bijkwam en op mijn knieën met gestrekte armen op de grond lag. Ik voelde bloed in mijn mond. Ik drukte mijzelf omhoog om weer te gaan staan. Ik deed mijn hoofd omhoog en voelde dat ik een keiharde trap recht op mijn mond kreeg. Ik hoorde en voelde dat er tanden afbraken. Naar later bleek waren die twee voortanden aan de bovenkant van mijn gebit.

Door de klap en schop in mijn gezicht ben ik een week misselijk geweest en had ik een week hoofdpijn. De hoofdpijn en misselijkheid is vanzelf weggegaan. Zoals ik al heb verklaard zijn er 2 voortanden afgebroken door de schop in mijn gezicht.

12. Een proces-verbaal van aangifte, met nummer 2012178492, van 17 augustus 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde verbalisanten T-163 en T-114 (zaaksdossier Club Air: doorgenummerde dossierpagina’s 032-035). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 17 augustus 2012 ten overstaan van de verbalisanten afgelegde verklaring van aangever/getuige [slachtoffer 4]:

Ik was naar Amsterdam gekomen met een vriend van mij, genaamd [getuige 10] . We hebben op een zaterdagavond (het hof begrijpt: op 17 juli 2011) de club van [slachtoffer 3] bezocht. Wij liepen met [slachtoffer 3] door de club. Op een gegeven moment was [slachtoffer 3] voor een man voorbij aan het lopen, de man die later de problemen heeft gegeven. Dit was ter hoogte van de hoek van een bar. Ik zag dat de man daarna voor [slachtoffer 3] ging staan en hem aanhield. Ik zag dat de man tegen hem sprak. Dit gebeurde zeer dicht bij zijn gezicht. Op dat moment zag ik dat de man [slachtoffer 3] een vuistslag gaf op zijn hoofd. Ik zag dat [slachtoffer 3] even zijn evenwicht verloor, ik zag hem wankelen en zag dat hij begon

te vallen. Op dat moment zag ik dat dezelfde man hem een trap gaf. Ik heb niet gezien waar hij [slachtoffer 3] raakte, omdat hij heel snel was met zijn schopbeweging. De vuistslag was ook heel snel en de trap volgde de vuistslag heel snel op. Ik zag dat de man zich naar mij omdraaide en toen gaf hij mij een vuistslag. Ik voelde dat de vuist mij hard raakte in mijn rechterzij, ter hoogte van mijn ribben. Ik zag dat de man zich hierna direct heeft omgedraaid naar [slachtoffer 3] . Ik zag dat [slachtoffer 3] nog op de grond lag en overeind probeerde te komen. Ik zag dat de man zich opnieuw naar mij omdraaide en een slaande beweging in mijn richting maakte. Ik zag en voelde dat zijn vuist mij raakte op mijn bovenlichaam. Ik zag dat de man dichterbij kwam en op mij af stapte. Ik zag dat hij een vuistslag richting mijn gezicht maakte. Ik zag en voelde dat de vuist van de man mij hard raakte op de linkerkant van mijn mond. Ik voelde dat mijn lip direct begon op te zwellen en had een vreemd gevoel bij mijn tanden. Ik had op dat moment nog een beugel. Ik voelde ook direct met mijn tong dat de beugel niet meer zat zoals het hoorde. Later is gebleken dat mij beugel gebroken was. Bij de bar in de club hoorde ik meerdere mensen zeggen dat de man die ons geslagen had [verdachte] is. De mensen spraken tegen mij in het Engels. Kennelijk kenden deze mensen hem allemaal.Het was een lange man met een heel gespierd postuur. Marrokkaans uiterlijk met een getinte dan wel zongebruinde huid.

13. Een proces-verbaal van verhoor getuige, met nummer 2012178492, van 17 augustus 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde verbalisanten T-163 en T-114 (zaaksdossier Club Air: doorgenummerde dossierpagina’s 028-031). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 17 augustus 2012 ten overstaan van de verbalisanten afgelegde verklaring van de getuige [getuige 10]:

Ik was in de club samen met [slachtoffer 4] , een vriend van mij en een bekende van [slachtoffer 4] , genaamd [slachtoffer 3] . We waren daar op uitnodiging van deze [slachtoffer 3] . We liepen achter elkaar aan. [slachtoffer 3] liep voorop, daarachter [slachtoffer 4] en daarna ik. Op een gegeven moment zie ik dat [slachtoffer 3] stopt en ik zie hem een gebaar maken met zijn handen naar een man. Ik herinner me dat die man van de bar afkwam en [slachtoffer 3] een klap gaf met zijn vuist in zijn gezicht. Ik herinner me dat ik zag dat [slachtoffer 4] met zijn beide handen uiteen en omhoog een gebaar maakte naar de man. Ik hoorde hem hierbij ook roepen: “Stop, stop, please stop”. Ik zag dat de man zich toen omdraaide naar [slachtoffer 4] en [slachtoffer 4] een vuistslag gaf op zijn bovenlichaam. Ik wilde [slachtoffer 4] bij het gevecht weg houden. Ondertussen zag ik de man [slachtoffer 3] meerdere keren een trap tegen zijn lichaam geven, terwijl die op de grond lag. Het ging allemaal heel snel. Voor ik het wist pakte die bokser de linker arm van [slachtoffer 4] vast en gaf met zijn andere hand een enorme vuistslag in het gezicht van [slachtoffer 4] . Ik kon dit heel goed zien omdat ik er toen vlak achter stond. Ik zag dat er bij [slachtoffer 3] twee tanden ontbraken.

De man was ongeveer 1,90 meter lang. Hij had kort zwart haar, beetje opgeschoren. Hij had een goed afgetraind sportschool lichaam. Je zag dat hij van Noord-Afrikaanse afkomst is.

14. Een geschrift, zijnde een woordelijke uitwerking van het politieverhoor van de verdachte [verdachte] van 26 juli 2012 (zaaksdossier Jimmy Woo: doorgenummerde dossierpagina’s 107-142).Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijke weergegeven, als verklaring van de verdachte:

(p. 142)

Hij (het hof begrijpt: [slachtoffer 3] ) liep tegen me op. Maar op een manier dat ik dacht wacht effetjes, dit is wel heel brutaal. Nou, daar sprak ik hem op aan. Ik zei ik weet niet waar je naartoe wil, maar je kan moeilijk door me heen. Hij zegt ik ben hier de eigenaar.

Ten aanzien van het onder 7 subsidiair bewezen verklaarde:

15. Een geschrift, zijnde een woordelijke uitwerking van het politieverhoor van de verdachte [verdachte] van 1 augustus 2012 (zaaksdossier Cooldown: doorgenummerde dossierpagina’s 044-45). Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijke weergegeven, als de op 1 augustus 2012 door de verdachte ten overstaan van verbalisanten afgelegde bekennende verklaring van de verdachte:

De verdachte worden beelden getoond van het Cooldown café van 2 december 2011 (het hof begrijpt: te Amsterdam).

Verdachte: Ik herken [slachtoffer 5] .

Verhoorder: wat is hier gebeurd [verdachte] ?

Verdachte: [slachtoffer 5] is een vervelend mannetje. Ik gaf hem een kopstoot omdat ik boos op hem was.

16. Een proces-verbaal van aangifte, met nummer 2012178492, van 14 augustus 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde verbalisanten T-114 en T-141 (zaaksdossier Cooldown: doorgenummerde dossierpagina’s 056-059), houdende de voor verdachte belastende verklaring van aangever [slachtoffer 5].

17. Een geschrift, te weten een letselverklaring van [slachtoffer 5] van 3 december 2011, opgemaakt door [naam 13] , behandelend arts van de Afdeling Spoedeisende Hulp te Amsterdam (zaaksdossier Cooldown: doorgenummerde dossierpagina 065)