Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:4426

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
27-10-2015
Datum publicatie
16-03-2016
Zaaknummer
200.167.486/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Huur van reclameruimte. Eerste rechter wees bij verstek de vordering tot nakoming van een aantal huurtermijnen gedeeltelijk af, doch ten onrechte, nu niet is geoordeeld dat de vordering in zoverre onrechtmatig of ongegrond voorkwam. Artikel 139 juncto 353 Rv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
mr. J.M. Winter-Bossink en mr. N. Amiel annotatie in UDH:TvHB/13183
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.167.486/01

zaaknummer rechtbank Noord-Holland : 3346456 \ CV EXPL 14-6356

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 27 oktober 2015

inzake

[X] B.V.,

kantoorhoudend te [kantoorplaats] ,

appellante,

advocaat: mr. P.J. Stuy te Amsterdam,

tegen

[geïntimeerde] handelend onder de naam [Y],

wonend te [woonplaats] ( [land] ),

geïntimeerde,

niet verschenen.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellante] en [geïntimeerde] genoemd.

[appellante] is bij dagvaarding van 7 januari 2015 in hoger beroep gekomen van een verstekvonnis van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Zaanstad (hierna: de kantonrechter), van 23 oktober 2014, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [appellante] als eiseres en [geïntimeerde] als gedaagde. De dagvaarding bevat de grieven.

[geïntimeerde] is in hoger beroep niet verschenen. Ter rolle van 14 april 2015 is tegen hem verstek verleend.

[appellante] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en alsnog, uitvoerbaar bij voorraad, [geïntimeerde] zal veroordelen tot betaling aan [appellante] van € 4.415,94, te vermeerderen met de contractuele rente ad 1,5% per maand vanaf 17 juli 2014 tot de dag der algehele voldoening, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten van – het hof begrijpt: – het hoger beroep.

[appellante] heeft bewijs van haar stellingen aangeboden.

Ten slotte heeft [appellante] arrest gevraagd.

2 Grondslagen vordering

[appellante] heeft aan haar hierboven genoemde vordering, samengevat, het volgende ten grondslag gelegd.

2.1.

[appellante] drijft een onderneming die gespecialiseerd is in sponsorprojecten binnen voornamelijk instellingen zoals ziekenhuizen zowel in Nederland als in België. [appellante] gebruikt als mediavorm onder andere sponsor-rolstoelen, welke in ziekenhuizen geplaatst worden. Onder de armleuningen van de rolstoelen zijn panelen geplaatst waarop adverteerders reclameboodschappen kunnen plaatsen.

2.2.

Tussen [appellante] en [geïntimeerde] is op 26 april 2011 een overeenkomst gesloten voor het door [geïntimeerde] gedurende een periode van 5 jaar, te weten van 17 augustus 2011 tot 17 augustus 2016, huren van reclameruimte op een rolstoel op locatie [locatie] te [plaats] , tegen een huurprijs van € 1.200,- per jaar. Van deze overeenkomst maken deel uit algemene voorwaarden. Deze algemene voorwaarden bepalen dat indien een debiteur zich niet aan de betalingsverplichtingen houdt en in verzuim is, alle nog niet vervallen termijnen ter zake de overeenkomst direct opeisbaar zijn.

2.3.

Op verzoek van [geïntimeerde] heeft [appellante] op 24 mei 2011 de locatie waarop de rolstoelpanelen geplaatst zijn, gewijzigd van [A] , locatie [locatie] te [plaats] naar [B] te [plaats] . [geïntimeerde] heeft de hem toegezonden factuur met nummer 2131389 d.d. 15 augustus 2013 van € 600,-, alsmede de 3e huurtermijn (2e halfjaar) van € 600,- en de 4e en 5e huurtermijn van ieder € 1.200,- onbetaald gelaten.

2.4.

[appellante] heeft bij brief van 6 januari 2014 aanspraak gemaakt op de contractuele rente van 1,5% per maand, alsmede op buitengerechtelijke incassokosten. [geïntimeerde] heeft daarna ondanks aanmaning geen betalingen verricht.

3 Beoordeling

3.1.

De kantonrechter heeft [geïntimeerde] bij verstek veroordeeld tot betaling aan [appellante] van € 3.215,94, te vermeerderen met de contractuele rente over de openstaande hoofdsom vanaf 14 mei 2014 tot de voldoening, alsmede in de proceskosten. Het toegewezen bedrag betreft slechts een gedeelte van de gevorderde hoofdsom (€ 4.415,94), die voor het overige is afgewezen. De kantonrechter heeft daarbij overwogen dat de door [geïntimeerde] verschuldigde huurtermijnen worden toegewezen tot een bedrag van € 2.400,-, zijnde de huurtermijnen tot en met het vierde jaar van de onder 2.2 genoemde overeenkomst. De overige termijnen zijn niet toewijsbaar geoordeeld. Tegen de afwijzing van deze overige termijnen, te weten die ter zake het vijfde huurjaar, komt [appellante] op met een grief. De grief strekt ten betoge dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat op [appellante] een schadebeperkingsplicht rust en dat dit meebrengt dat de vijfde huurtermijn moet worden afgewezen. Ook betoogt de grief dat de kantonrechter er ten onrechte vanuit is gegaan dat [appellante] de reclameruimte na het 4e huurjaar wel verhuurd zal hebben. De vordering is gebaseerd op nakoming van de onder 2.2 genoemde overeenkomst waarbij [appellante] verwijst naar artikel 14 van de algemene voorwaarden waarin is bepaald dat in geval van verzuim van de debiteur alle nog niet vervallen termijnen direct opeisbaar zijn. [appellante] heeft uitdrukkelijk geen vordering tot schadevergoeding ingesteld, zodat de schadebeperkingsplicht geen rol kan spelen, aldus steeds de grief.

3.2

De grief slaagt. Op grond van artikel 139 Rv wordt, in eerste aanleg, na het verlenen van verstek tegen de niet verschenen gedaagde, de vordering toegewezen, tenzij deze de rechter onrechtmatig of ongegrond voorkomt. In hoger beroep geldt, gelet op het bepaalde in artikel 353 Rv, dezelfde maatstaf. De kantonrechter heeft niet overwogen dat de vordering van [appellante] onrechtmatig is. De kantonrechter heeft ook niet overwogen dat de vordering van [appellante] ongegrond is, doch slechts vermeld, zoals hierboven is overwogen, dat deze voor de huurtermijnen na het vierde jaar vooralsnog wordt afgewezen op grond van een op [appellante] rustende schadebeperkingsplicht. Dat een dergelijke plicht, zo in het voorliggende geval al aanwezig, meebrengt dat de vordering van [appellante] strekkend tot (volledige) nakoming van de betalingsverplichtingen van [geïntimeerde] uit de onder 2.2 genoemde overeenkomst ongegrond of onrechtmatig is, valt niet in te zien. Gelet op de in artikel 139 Rv neergelegde maatstaf moet die vordering derhalve onverkort worden toegewezen. Het bestreden vonnis zal daarom worden vernietigd, behoudens voor zover [geïntimeerde] daarbij in de kosten van het geding in eerste aanleg is veroordeeld. De gevorderde hoofdsom van € 4.415,94, te vermeerderen met de contractuele rente ad 1,5% per maand vanaf 17 juli 2014 tot de dag der algehele voldoening, zal alsnog worden toegewezen.

3.3

[geïntimeerde] zal als in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het hoger beroep.

4 Beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep, behoudens voor zover [geïntimeerde] daarbij is veroordeeld in de kosten van het geding in eerste aanleg en,

in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [geïntimeerde] om, tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [appellante] te betalen een bedrag van € 4.415,94, te vermeerderen met de contractuele rente ad 1,5% per maand vanaf 17 juli 2014 tot de dag der algehele voldoening;

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep voor het overige;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [appellante] begroot op € 788,84 aan verschotten en € 632,- voor salaris;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.H.F.M. Cortenraad, M.L.D. Akkaya en G.C. Boot en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 27 oktober 2015.