Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:4368

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
19-10-2015
Datum publicatie
26-10-2015
Zaaknummer
23-004530-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Diefstal in vereniging van lokfiets. Redelijk vermoeden van schuld op grond van schichtig gedrag bij arriveren politie op locatie geactiveerde baken. Bewijs mede gegrond op aanwezig hebben verbroken fietsslot.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-004530-14

datum uitspraak: 19 oktober 2015

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 20 november 2014 in de strafzaak onder parketnummer 13-703161-14 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1989,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 5 oktober 2015 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv), het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot twee weken gevangenisstraf.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit bevestigen met dien verstande dat het hof de door de raadsman in hoger beroep gevoerde verweren zal bespreken en dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht wordt toegepast.

Bespreking van de verweren

De raadsman heeft primair betoogd dat de staandehouding en de doorzoeking van de handtas van de verdachte onrechtmatig zijn. De raadsman verbindt hieraan de conclusie dat al het nadien verkregen bewijs moet worden uitgesloten van de bewijsvoering. Wegens het ontbreken van voldoende bewijs zou vervolgens vrijspraak moeten volgen. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat het bestanddeel ‘tezamen en in vereniging met een ander’ niet bewezen kan worden, omdat geen sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachte in de zin van medeplegen.

Het hof overweegt het navolgende.

Het proces-verbaal van bevindingen met nummer 2014274586-9 van 8 november 2014 houdt in, dat de verbalisanten zich naar aanleiding van een signaal van een baken op een (door de politie geplaatste) zogenoemde lokfiets zich naar metrostation Holendrecht hebben begeven, alwaar het baken zich op dat moment zou bevinden. Ter plaatse aangekomen, zagen de verbalisanten dat de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] ineens hun looprichting veranderden, dat [medeverdachte] afgescheurde affiches begon te bekijken, dat [medeverdachte] geschrokken leek door hun komst en dat zij het idee kregen dat [medeverdachte] en de verdachte zich niet zo goed een houding wisten te geven.

Het hof is van oordeel dat op grond van deze feiten en omstandigheden de verbalisanten de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] als verdachten konden aanmerken in de zin van artikel 27 Sv en bovendien mochten staande houden ter vaststelling van hun identiteit zoals bedoeld in artikel 52 Sv. Op grond van artikel 95, eerste lid, Sv waren de verbalisanten na de staande-houding gelegitimeerd om door medeverdachte [medeverdachte] en de verdachte meegevoerde voorwerpen in beslag te nemen. Ter effectuering van deze bevoegdheid konden de verbalisanten de door de verdachte meegevoerde handtas en de fietstassen van de medeverdachte doorzoeken. De staande-houding en de daarop volgende inbeslagname van het doorgeknipte kabelslot in de handtas van de verdachte en de kniptang in de fietstas van de medeverdachte zijn aldus rechtmatig.

Ten aanzien van het verweer betreffende het bewijs van het bestanddeel ‘tezamen en in vereniging met een ander’, oftewel het medeplegen, overweegt het hof het volgende.

De verdachte is, kort nadat het peilbaken ten gevolge van de diefstal is geactiveerd, samen met de medeverdachte nabij, te weten op ongeveer tien meter afstand van de locatie van de kort tevoren gestolen lokfiets aangetroffen. De medeverdachte [medeverdachte] was in het bezit van gereedschap waaronder een kniptang, in de handtas van de verdachte droeg zij een doorgeknipt kabelslot waarvan is vastgesteld dat dit slot afkomstig was van de lokfiets. Gelet hierop is naar het oordeel van het hof bewezen dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachte in de zin dat de verdachte ‘tezamen en in vereniging met een ander’ zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal door middel van verbreking. Het hof verwerpt het verweer.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof bepaalt dat de op te leggen straf mede is gegrond op artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R. Veldhuisen, mr. A.E.M. Röttgering en mr. M.J.A. Plaisier, in tegenwoordigheid van

A.F. Verbunt, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

19 oktober 2015.

=========================================================================

[....]