Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:4354

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
19-10-2015
Datum publicatie
22-10-2015
Zaaknummer
23-001165-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof oordeelt dat geen sprake is van een onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in art. 359a Sv, nu voor verbalisanten redelijkerwijs aanleiding bestond de verdachte aan zijn kleding te onderzoeken o.b.v. de door de verbalisanten verkregen informatie, de ambtshalve kennis van de verbalisanten en de overige omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2016/29
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 23-001165-15

Datum uitspraak: 19 oktober 2015

VERSTEK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 5 maart 2015 in de strafzaak onder parketnummer 13-669003-15 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1963,

thans zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 5 oktober 2015 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 1 januari 2015 te Amsterdam een of meer wapens van categorie III, te weten een pistool van het merk Heckler&Kock (model USP-Compact), en/of munitie van categorie III, te weten

12 9mm Luger patronen, voorhanden heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, reeds omdat het hof tot een ander oordeel komt dan de rechtbank omtrent het verweer strekkende tot bewijsuitsluiting.

Bewijsoverweging

Uit de inhoud van het dossier (proces-verbaalnummer PL1300-2015000724-7 d.d. 1 januari 2015, opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2]) volgt

dat de verbalisanten op 1 januari 2015 enige tijd een personenauto hebben gevolgd van het merk BMW, type X Reihe, en voorzien van kentekennummer [kentekennummer]. Terwijl de verbalisanten de personenauto volgden, hebben zij de historie van dit kentekennummer opgezocht in de betreffende politiesystemen. Daarna gaven zij het voertuig een stopteken. De tenaamgestelde van het voertuig bleek te zijn:

[naam]; een persoon die in de politiesystemen voorkwam als een crimineel die bepalend zou zijn in de Turkse onderwereld en in 2010 is veroordeeld wegens het voorhanden hebben van een vuurwapen.

Voorts blijkt uit het dossier (proces-verbaalnummer PL1300-2015000724-6) dat de verbalisanten ambtshalve bekend waren met de omstandigheden dat in deze periode in Nederland alsook in Turkije diverse personen uit de Turkse onderwereld waren geliquideerd. Zo waren op 31 december 2014 twee Turkse personen geliquideerd die banden bleken te hebben met de Turkse onderwereld.

Nadat het voertuig is staande gehouden, is gebleken dat zich in het voertuig twee personen met

de Turkse nationaliteit bevonden, onder wie de verdachte. De verdachte is vervolgens onderworpen aan een onderzoek aan zijn kleding waarbij een vuurwapen is aangetroffen en in beslag is genomen.

Gelet op hetgeen door de advocaat-generaal ter zitting in hoger beroep naar voren is gebracht omtrent de aanleiding om over te gaan tot de fouillering van de verdachte en de vraag of sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv, overweegt het hof als volgt.

Artikel 52, tweede lid, van de Wet Wapens en Munitie (hierna: WWM) luidt:

De opsporingsambtenaren zijn bevoegd personen aan hun kleding te onderzoeken indien daartoe redelijkerwijs aanleiding bestaat op grond van:

a. een gepleegd strafbaar feit waarbij wapens zijn gebruikt;

b. een gepleegde overtreding van de artikelen 13, 26 of 27;

c. aanwijzingen dat een strafbaar feit als bedoeld onder a of b zal worden gepleegd.

Uit de wetsgeschiedenis volgt dat voor de invulling van het begrip ‘aanleiding’ aansluiting is gezocht bij de betekenis van dat begrip in de artikelen 50 en 51 WWM (Kamerstukken II, 1999-2000, 26 865, nr. 5, p. 7-8 en Kamerstukken II, 2000-2001, 26 865, nr. 7, p. 2-3). De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot wijziging van onder meer art. 52 WWM, houdt ten aanzien van dit artikel zoals dat thans luidt, voor zover van belang, het volgende in (Kamerstukken II, 1999/2000, 26 865, nr. 5, p. 7 en 8):

“5.2. Het strafvorderlijke spoor: onderzoek naar vuurwapens buiten veiligheidsrisicogebieden

5.2.1. Inleiding

De wijziging die middels dit wetsvoorstel wordt aangebracht in de Wet wapens en munitie is aanzienlijk beperkter dan de wijziging in de Gemeentewet die voortvloeit uit de aanwijzing van een veiligheidsrisicogebied. Dit is zowel principieel als inhoudelijk het geval. Principieel,

omdat buiten de veiligheidsrisicogebieden van preventief optreden geen sprake zal zijn, en inhoudelijk omdat de tekstuele aanpassingen in de Wet wapens en munitie relatief beperkt zijn. Desalniettemin wordt met de voorgestelde wijziging van de Wet wapens en munitie een belangrijk knelpunt in de opsporing van wapens opgeheven.

In de huidige situatie heeft een opsporingsambtenaar de bevoegdheid tot het onderzoeken van vervoermiddelen op de aanwezigheid van verboden wapens enkel indien daartoe redelijkerwijs aanleiding bestaat op grond van een gepleegd strafbaar feit waarbij wapens zijn gebruikt of op grond van aanwijzingen dat een dergelijk strafbaar feit zal worden gepleegd (artikel 51 WWM). Deze bevoegdheid kan slechts worden uitgeoefend ten aanzien van bepaalde vervoermiddelen, indien daartoe «jegens deze aanleiding bestaat». Het «begrip aanleiding» is in de nota naar aanleiding van het eindverslag bij de Wet wapens en munitie als volgt uitgelegd:

«Het gaat te ver om te eisen dat er een concrete verdenking is dat de betrokken burger zich heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit. De burger zou dan overheidsoptreden jegens hem zich slechts hoeven te laten welgevallen indien hij overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek

van Strafvordering als verdachte kan worden aangemerkt. Het is echter nodig om in bepaalde omstandigheden een bevoegdheid jegens een groep van personen te kunnen uitoefenen, zonder dat al een bepaalde persoon als verdachte aanwijsbaar is. In het wetsontwerp is deze groep

niet gekenmerkt door een bepaalde functie. (..) Voor de controlebevoegdheid (..) is vereist dat er een bijzondere aanleiding bestaat om de controlebevoegdheid uit te oefenen. Er moet dus een concreet aanwijsbare aanleiding zijn om te veronderstellen dat de wet wordt of dreigt te worden

overtreden. Zulk een aanleiding kan bij voorbeeld zijn een zojuist gepleegde gewapende overval of een serieus te nemen aanwijzing dat deze zal worden gepleegd. Het moge duidelijk zijn dat de bevoegdheid (..) niet kan worden gebruikt met het doel om vast te stellen dat de wet goed wordt nageleefd. Er moet steeds een concrete aanwijzing zijn van wapengebruik of de dreiging daartoe, die de aanleiding vormt tot gebruikmaking van de bevoegdheid.»

De gevallen waarin opsporingsambtenaren onderzoek kunnen verrichten aan vervoermiddelen op illegaal wapenbezit zijn in de bestaande wet tot uitzonderlijke situaties beperkt, te weten een directe relatie met een misdrijf waarbij wapens worden gebruikt. De aanleiding kan derhalve niet

liggen in bijvoorbeeld concrete aanwijzingen dat sprake is van overtreding van de Wet wapens en munitie door het dragen of voorhanden hebben van een wapen. Met dit wetsvoorstel wordt beoogd dat wel mogelijk te maken. Een effectiever optreden vereist dat niet moet behoeven te worden gewacht totdat wapens zijn gebruikt of dreigen te worden gebruikt.

5.2.2. Aard van de verdenking

De directie relatie met een misdrijf waarbij wapens zijn of dreigen te worden gebruikt komt met het onderhavige wetsvoorstel te vervallen.

Maar de noodzaak van een concrete aanleiding, en daarmee het strafvorderlijke karakter, blijft. Er wordt dus geen algemene controlebevoegdheid geschapen, zoals de bepaling van artikel 5:19 van de Algemene wet bestuursrecht. De aanleiding kan volgens dit voorstel naast een gepleegd

strafbaar feit waarbij wapens zijn gebruikt of aanwijzingen dat een dergelijk strafbaar feit zal worden gepleegd, betrekking hebben op een gepleegde overtreding van de artikelen 13, 26 of 27 van de Wet wapens en munitie dan wel aanwijzingen daartoe. Hiermee wordt een klemmende

beperking van de huidige wet losgelaten. De bevoegdheid tot het onderzoek aan verpakkingen en reisbagage is in de bestaande wet eveneens beperkt tot gevallen waarbij sprake is van een directe relatie met een gepleegd of dreigend vuurwapendelict (artikel 50 WWM). Ook deze beperking

wordt in de nieuwe tekst losgelaten. Net als in de huidige tekst moet het redelijk vermoeden betrekking hebben op bepaalde personen indien daartoe jegens hen aanleiding bestaat.

In artikel 52, tweede lid, is eveneens aansluiting gezocht bij het begrip «aanleiding» in de artikelen 50 en 51. In de huidige wet is blijkens de wetsgeschiedenis fouillering slechts toegestaan van iemand, «tegen wie ernstige bezwaren bestaan in verband met het voorhanden hebben van wapens en munitie.». Dit is blijkens de wetsgeschiedenis bedoeld als een

beperkte verruiming van de bepaling in artikel 56 Wetboek van strafvordering.

De bepaling in de Wet wapens en munitie is vooral is bedoeld om vuurwapengevaarlijke verdachten al voor de aanhouding te kunnen fouilleren. De volgende passage toont aan dat door de wetgever in de eerste plaats aan de veiligheid van de politieambtenaar is gedacht, een soort

veiligheidsfouillering dus: «Gelet op het feit dat de aanwezigheid van wapenen bij verdachten voor opsporingsambtenaren bedreigender is dan andere verboden voorwerpen, achten wij de naar verhouding geringe uitbreiding van de opsporingsbevoegdheden op dit gebied gerechtvaardigd.»

De wijziging die nu wordt voorgesteld komt in de eerste plaats voort uit het gevaar voor burgers dat het bezit van wapens met zich meebrengt. In de inleiding is ingegaan op de toename van het wapen bezit en -gebruik. De ontwikkeling sedert de totstandkoming van de Wet Wapens en munitie eind jaren ’80, maakt een verruiming van de fouilleringsbevoegdheid noodzakelijk.”

De nota naar aanleiding van het verslag bevat de volgende toelichting (Kamerstukken II, 2000-2001, 26 865, nr. 7, p. 2-3):

“Ook na de door middel van dit wetsvoorstel aangebrachte wijzigingen speelt het begrip «redelijkerwijs aanleiding» een belangrijke rol. Deze toelichting bij de wet uit 1989 luidt aldus: «De bevoegdheid is niet toegespitst op individuele personen, zoals in het Wetboek van Strafvordering, of op bepaalde groepen, zoals in bijzondere wetten die zich richten op een bepaalde beroepsgroep, maar op bepaalde situaties. In het onderhavige wetsontwerp is het de situatie dat er een concrete aanwijzing is van wapengebruik of de dreiging daartoe. De aanvullende eis dat er «redelijkerwijs» aanleiding moet zijn, betekent dat niet elke aanwijzing de bevoegdheid doet ontstaan, doch slechts zodanige aanwijzingen dat het belang van toepassing

van de bevoegdheid zwaarder weegt dan het belang dat de burger zich vrijelijk en ongemoeid kan bewegen.»

Op basis van de huidige wetgeving is voor onderzoek aan de kleding (artikel 52 WWM) een «aanleiding» niet voldoende. Er moeten tegen betrokkene ernstige bezwaren bestaan. Dat is een zware eis. De Hoge Raad heeft uitgesproken dat «voor het bestaan van ernstige bezwaren ter zake van de in art. 52, tweede lid, WWM genoemde strafbare feiten meer is vereist dan een enkel redelijk vermoeden van schuld aan die feiten.» In de betreffende zaak vond de Hoge Raad concrete RCID informatie, waaruit bleek dat de verdachte als «wapendrager» aangemerkt kon worden, voldoende om «ernstige bezwaren» aanwezig te achten. Omdat het onderzoek aan de kleding een zwaardere inbreuk op de persoonlijke integriteit van een persoon met zich meebrengt dan het onderzoek van een vervoermiddel of verpakkingen van goederen, heeft de wetgever hieraan indertijd zwaardere eisen gesteld. Gevolg hiervan is wel dat een persoon eenvoudig kan voorkomen dat een wapen wordt ontdekt, door het niet los in zijn auto of bagage mee te voeren, maar door het tussen zijn kleding te dragen. De verruiming van de bevoegdheden die ik met dit wetsvoorstel beoog ten aanzien van het onderzoek van voertuigen en verpakkingen van goederen op wapens, zou te niet worden gedaan wanneer niet ook het onderzoek aan de kleding wordt vereenvoudigd. Om die reden stel ik voor om ook voor het onderzoek aan de kleding de

«aanleiding» voldoende te achten. In de praktijk kan de wijziging van artikel 52 bijvoorbeeld betekenen dat, wanneer de politie informatie krijgt dat zich op een bepaalde plaats een persoon met een wapen bevindt, alle personen op die plaats kunnen worden gefouilleerd, en dat niet behoeft te worden afgewacht tot een verdachte is geïdentificeerd.”

Het hof is van oordeel dat de – in de processen verbaal van bevindingen genoemde – door de verbalisanten verkregen informatie, de ambtshalve kennis van de verbalisanten en de overige omstandigheden, aanwijzingen konden vormen dat een strafbaar feit als bedoeld in artikel 52, tweede lid, onder a of b, WWM zou worden of dreigde te worden gepleegd, wat voor de verbalisanten redelijkerwijs aanleiding kon zijn de verdachte aan zijn kleding te onderzoeken. Uit de inhoud van het dossier blijkt immers dat het onderzoek aan de kleding van de verdachte heeft plaatsgevonden op grond van de wetenschap dat op 31 december 2014 twee liquidaties hebben plaatsgevonden die verband hielden met de Turkse onderwereld – één dag voor het ten laste gelegde feit –, alsmede op grond van de omstandigheid dat de verdachte zich in een personenauto bevond die – zo heeft onderzoek naar het kentekennummer uitgewezen – op naam stond van een crimineel die bekend was in de Turkse onderwereld en is veroordeeld wegens wapenbezit.

Nu voor de verbalisanten redelijkerwijs aanleiding bestond de verdachte aan zijn kleding te onderzoeken, is naar het oordeel van het hof geen sprake van een onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 1 januari 2015 te Amsterdam een wapen van categorie III, te weten een pistool van het merk Heckler&Kock (model USP-Compact) en munitie van categorie III, te weten twaalf 9mm Luger patronen, voorhanden heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het aanwenden van een rechtsmiddel zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf en maatregel

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) weken met aftrek van voorarrest.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden met aftrek van voorarrest.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een met munitie geladen pistool in een auto op de openbare weg. Het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie vormt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen. Daarnaast creëert het ongecontroleerde bezit van vuurwapens het risico van gebruik van die wapens en brengt het gevoelens van onveiligheid mee.

Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf aansluiting gezocht bij de oriëntatiepunten voor straftoemeting, opgesteld door het Landelijk Overleg van Voorzitters Strafsectoren (LOVS). Voor het voorhanden hebben van een vuurwapen geldt als uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden. In het onderhavige geval houdt het hof in straf vermeerderende zin rekening met de omstandigheid dat de verdachte – naar eigen zeggen – in Turkije reeds eerder is veroordeeld ter zake van het voorhanden hebben van een vuurwapen. Het hof zal, gelet op deze omstandigheden alsmede op de ernst van het feit, een hogere straf opleggen dan door rechtbank is opgelegd en de advocaat-generaal heeft gevorderd.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 23 september 2015 is de verdachte niet eerder in Nederland onherroepelijk veroordeeld.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Beslissingen over in beslag genomen voorwerpen

Uit de processen-verbaal van bevindingen van 1 januari 2015 en het proces-verbaal van technisch onderzoek van 2 januari 2015 blijkt dat onder de verdachte de volgende voorwerpen in beslag zijn genomen:

  • -

    3x biljet van € 500;

  • -

    2x biljet van € 100;

  • -

    2x biljet van € 50;

  • -

    9x biljet van € 20;

  • -

    2x biljet van € 10;

  • -

    horloge van het merk Franck Muller, type Geneve Singapore GP 2009;

  • -

    2 telefoons;

  • -

    een paspoort;

  • -

    personenauto, merk BMW, type X Reihe, kentekennr. [kentekennummer];

  • -

    een pistool, merk Heckler&Koch;

  • -

    12 9mm Luger patronen.

Onttrekking aan het verkeer

Het ten laste gelegde en bewezen verklaarde is begaan met behulp van het in beslag genomen en nog niet teruggegeven pistool, merk Heckler&Koch, en de in beslag genomen en nog niet teruggegeven twaalf 9mm Luger patronen. Deze voorwerpen behoren aan de verdachte toe en kunnen dienen tot het begaan van soortgelijke feiten. Zij zullen aan het verkeer worden onttrokken aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang en de wet.

Bewaring ten behoeve van rechthebbende en teruggave aan de verdachte

De in beslag genomen en nog niet teruggegeven personenauto, merk BMW, type X Reihe, kentekennr. [kentekennummer], zal in bewaring worden gesteld ten behoeve van de rechthebbende.

De overige in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten: de bankbiljetten, het horloge, de twee telefoons en het paspoort zullen worden teruggegeven aan de verdachte.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36b, 36c en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- een pistool, merk Heckler&Koch;

- 12 9 mm Luger patronen.

Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- 3 x biljet van € 500;

- 2 x biljet van € 100;

- 2 x biljet van € 50;

- 9 x biljet van € 20;

- 2 x biljet van € 10;

- horloge van het merk Franck Muller, type Geneve Singapore GP 2009;

- 2 telefoons;

- een paspoort.

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

- personenauto, merk BMW, type X Reihe, kentekennr. [kentekennummer].

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M. Jurgens, mr. S. Clement en mr. R.C.P. Haentjens, in tegenwoordigheid van

mr. M. Gieske, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

19 oktober 2015.

=========================================================================

[....]