Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:4348

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
17-09-2015
Datum publicatie
22-10-2015
Zaaknummer
23-001570-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Minderjarige verdachte schuldig aan een poging tot medeplegen van afdreiging.

Het hof is van oordeel dat het plaatsen zonder toestemming van foto’s en of filmpjes met afbeeldingen of handelingen van intieme, seksuele aard op internet, en deze te (laten) verspreiden via social media, dan wel het dreigen daarmee, in een tijd waarin van social media in brede kring en vooral door jongeren veelvuldig gebruik wordt gemaakt, een dermate ernstige inbreuk maakt op de lichamelijke integriteit en de privacy van de slachtoffers, dat bij een straf niet kan worden volstaan met het enkel opleggen van een werkstraf. Het hof zal dan ook tevens een voorwaardelijke jeugddetentie opleggen, overeenkomstig de eis van de advocaat-generaal.

Artikel 94 Sv bepaalt dat alle voorwerpen die kunnen dienen om de waarheid aan het licht te brengen vatbaar zijn voor inbeslagneming. Voor de waarheidsvinding mag onderzoek worden gedaan aan inbeslaggenomen voorwerpen teneinde gegevens voor het strafrechtelijk onderzoek ter beschikking te krijgen. In computers opgeslagen gegevens zijn daarvan niet uitgezonderd (HR 29 maart 1994, ECLI:NL:HR:1994:AD2076). Er is geen reden om ten aanzien van een smartphone anders te oordelen. De iPhone van de verdachte is dan ook met de oog op de waarheidsvinding rechtmatig in beslag genomen. Artikel 94 Sv vormt een voldoende duidelijke en voorzienbare wettelijke grondslag voor de inbeslagname en het daaropvolgende onderzoek in de smartphone van de verdachte. Er is derhalve geen sprake van een vormverzuim

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-001570-15

datum uitspraak: 17 september 2015

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 31 maart 2015 in de strafzaak onder parketnummer 13-684472-14 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 1997,

adres: [adres 1].

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is door rechtbank Amsterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 2 is ten laste gelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

3 september 2015 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging is - voor zover in hoger beroep aan de orde - aan de verdachte ten laste gelegd dat:

1. primair:
hij in of omstreeks de periode van 17 mei 2014 tot en met 25 mei 2014 te Amsterdam, in ieder geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, door bedreiging met smaad en/of smaadschrift en/of openbaring van (een) geheim(en) [slachtoffer] (geboren [geboortedag 2] 1999) te dwingen tot de afgifte van een geldbedrag van EURO 150,-, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer], althans aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), hebbende hij, verdachte en/of één van zijn mededader(s), daartoe:

- met een telefoon één of meer foto('s) en/of filmpje(s), althans beeldmateriaal, van voornoemde [slachtoffer] gemaakt terwijl voornoemde [slachtoffer] naakt was en/of seksuele handeling(en) onderging en/of uitvoerde en/of

- ( vervolgens) voornoemde [slachtoffer] één of meer Whatsapp-berichten gestuurd waarin hij, verdachte en/of zijn mededader(s), aangaf dat hij/zij in het bezit was/waren van één of meer naakt/seks-foto's en/of filmpjes van voornoemde [slachtoffer] en/of

- voornoemde [slachtoffer] in één of meer Whatsapp-bericht(en) gevraagd hem, verdachte en/of zijn mededader(s), een bedrag van EURO 150,- te betalen teneinde te voorkomen dat voornoemde naakt/seks-foto's en/of filmpjes door hem, verdachte en/of zijn mededader(s), op social media zouden worden geplaatst en/of

- voornoemde [slachtoffer] in één of meer Whatsapp-bericht(en) heeft/hebben gedreigd de foto's uit te printen en/of in de brievenbus van de ouders van voornoemde [slachtoffer] te stoppen wanneer voornoemde [slachtoffer] de politie en/of haar ouders over voornoemde eisen van verdachte zou inlichten,

terwijl de uitvoering van het misdrijf niet is voltooid;

1. subsidiair:
hij op of omstreeks 21 mei 2014 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen [slachtoffer], door geweld of enige andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid gericht tegen voornoemde [slachtoffer] wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, niet te doen of te dulden, immers heeft verdachte daartoe:

- met een telefoon één of meer foto('s) en/of filmpje(s), althans beeldmateriaal, van voornoemde [slachtoffer] gemaakt terwijl voornoemde [slachtoffer] naakt was en/of seksuele handeling(en) onderging en/of uitvoerde en/of

- ( vervolgens) voornoemde [slachtoffer] één of meer Whatsapp-berichten gestuurd waarin hij, verdachte en/of zijn mededader(s), aangaf dat hij/zij in het bezit was/waren van één of meer naakt/seks-foto's en/of filmpjes van voornoemde [slachtoffer] en/of

- voornoemde [slachtoffer] in één of meer Whatsapp-bericht(en) gevraagd hem, verdachte en/of zijn mededader(s), een bedrag van EURO 150,- te betalen teneinde te voorkomen dat voornoemde naakt/seks-foto's en/of filmpjes door hem, verdachte en/of zijn mededader(s), op social media zouden worden geplaatst en/of

- voornoemde [slachtoffer] in één of meer Whatsapp-bericht(en) heeft/hebben gedreigd de foto's uit te printen en/of in de brievenbus van de ouders van voornoemde [slachtoffer] te stoppen wanneer voornoemde [slachtoffer] de politie en/of haar ouders over voornoemde eisen van verdachte zou inlichten,

terwijl de uitvoering van het misdrijf niet is voltooid;

3:
(gevoegde zaak 13/684090-15)

hij op of omstreeks 18 februari 2015 te Utrecht, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een tablet (merk Apple, type Ipad), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de Mediamarkt (Vestiging [adres 2]), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en / of zijn mededader(s).

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen zal worden vernietigd, omdat het hof een andere bewijsconstructie hanteert en voorts tot andere beslissingen komt ten aanzien van de strafoplegging, het beslag en de vordering van de benadeelde partij.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1. primair:
hij in de periode van 17 mei 2014 tot en met 25 mei 2014 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, door bedreiging met openbaring van geheimen [slachtoffer] (geboren [geboortedag 2] 1999) te dwingen tot de afgifte van een geldbedrag van EURO 150,-, toebehorende aan die [slachtoffer], hebbende hij, verdachte en/of één van zijn mededaders, daartoe:

- met een telefoon foto's en filmpjes van voornoemde [slachtoffer] gemaakt terwijl voornoemde [slachtoffer] naakt was en seksuele handelingen onderging en/of uitvoerde en

- vervolgens voornoemde [slachtoffer] Whatsapp-berichten gestuurd waarin hij, verdachte en/of zijn mededaders, aangaf/aangaven dat hij/zij in het bezit was/waren van één of meer naakt/seks-foto's en filmpjes van voornoemde [slachtoffer] en

- voornoemde [slachtoffer] in Whatsapp-berichten gevraagd hem, verdachte en/of zijn mededaders, een bedrag van EURO 150,- te betalen teneinde te voorkomen dat voornoemde naakt/seks-foto's en filmpjes door hem, verdachte en/of zijn mededaders, op social media zouden worden geplaatst en

- voornoemde [slachtoffer] in Whatsapp-berichten heeft/hebben gedreigd de foto's uit te printen en in de brievenbus van de ouders van voornoemde [slachtoffer] te stoppen wanneer voornoemde [slachtoffer] de politie en/of haar ouders over voornoemde eisen van verdachte zou inlichten,

terwijl de uitvoering van het misdrijf niet is voltooid;

3:
hij op 18 februari 2015 te Utrecht, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een tablet (merk Apple, type Ipad) toebehorende aan de Mediamarkt (Vestiging [adres 2]).

Hetgeen onder 1 primair en 3 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het aanwenden van een rechtsmiddel zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Bewijsmotivering

Bespreking verweer tot bewijsuitsluiting ten aanzien van feit 1

De raadsvrouw van de verdachte heeft betoogd dat het onderzoek aan de smartphone van het merk iPhone op grond van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) onrechtmatig is geweest omdat niet alleen toegang tot verkeersgegevens maar ook tot de inhoud van communicatie en privé-informatie van de gebruiker van de smartphone is verkregen. Daartoe voert zij aan dat het lichten van de gegevens op die smartphone een inbreuk vormt op het bij artikel 8 EVRM gewaarborgde recht op privacy, terwijl artikel 94 Sv daarvoor een onvoldoende wettelijke grondslag biedt. Zij heeft zich hierbij beroepen op het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 22 april 2015 (gepubliceerd onder ECLI:NL:GHARL:2015:2954). De raadsvrouw stelt dat dit een zodanig ernstig vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv oplevert, dat het gevolg daarvan moet zijn dat al het bewijs dat door het uitlezen van de gegevens van de smartphone van de verdachte is verkregen - in het bijzonder de Whatsapp-berichten - van het bewijs moet worden uitgesloten.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de smartphone van de verdachte op rechtmatige wijze in beslag is genomen. In artikel 94 Sv is bepaald dat alle voorwerpen die kunnen dienen om de waarheid aan het licht te brengen, in beslag kunnen worden genomen. Het is niet onrechtmatig als in de telefoon wordt gekeken om onderzoek te doen naar het telefoonverkeer.

Volgens de advocaat-generaal is geen sprake van het door de raadsvrouw gestelde vormverzuim en kan de informatie, verkregen door het uitlezen van de gegevens op de smartphone, aan het bewijs van het ten laste gelegde bijdragen.

Het hof overweegt als volgt.

Artikel 94 Sv bepaalt dat alle voorwerpen die kunnen dienen om de waarheid aan het licht te brengen vatbaar zijn voor inbeslagneming. Voor de waarheidsvinding mag onderzoek worden gedaan aan inbeslaggenomen voorwerpen teneinde gegevens voor het strafrechtelijk onderzoek ter beschikking te krijgen. In computers opgeslagen gegevens zijn daarvan niet uitgezonderd (HR 29 maart 1994, ECLI:NL:HR:1994:AD2076). Er is geen reden om ten aanzien van een smartphone anders te oordelen. De iPhone van de verdachte is dan ook met de oog op de waarheidsvinding rechtmatig in beslag genomen. Artikel 94 Sv vormt een voldoende duidelijke en voorzienbare wettelijke grondslag voor de inbeslagname en het daaropvolgende onderzoek in de smartphone van de verdachte. Er is derhalve geen sprake van een vormverzuim.

Het hof verwerpt het verweer.

Medeplegen (feit 1)

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van het onder 1 ten laste gelegde, omdat geen sprake is van een nauwe of bewuste samenwerking met degene die telefoonnummer + [telefoonnummer 1] heeft gebruikt. Het eerste contact met dat nummer heeft pas op 24 mei 2014 plaatsgevonden. De foto die aan aangeefster is toegezonden is niet op de telefoon van de verdachte aangetroffen, aldus de raadsvrouw.

Het hof overweegt als volgt.

Met de rechtbank en de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat de verdachte zich samen met anderen heeft schuldig gemaakt aan het primair ten laste gelegde feit.

De verdachte heeft op de terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij foto’s heeft genomen van het naakte slachtoffer, nadat hij de deken van haar had afgetrokken, dat hij met het telefoonnummer +[telefoonnummer 2] heeft deelgenomen aan een Whatsapp-groep en dat het plan van de groep was om samen [slachtoffer] te chanteren met de beelden. Het telefoonnummer +[telefoonnummer 1] heeft rechtstreeks contact gehad met [slachtoffer] en maakte tevens deel uit van voornoemde Whatsapp-groep.

Op de terechtzitting in hoger beroep zijn de berichten van de Whatsapp-groep zoals in het dossier opgenomen op pagina 38 t/m 45 aan de verdachte voorgehouden. Op 23 mei 2014 om 22.50 uur stuurt de verdachte de volgende berichten aan ‘[medeverdachte 1]’ (vermoedelijk [medeverdachte 1]). “wat moet k zeggen”, “Ik ga dr kk hard bedeijen”, “moet ik dr een waarschuwingsfoto sturen”, waarop [medeverdachte 1] antwoordt: “als je die pica stuurt waarop ik ben weg gestreept miss is het optie.” Op de telefoon van de verdachte zijn foto’s te zien van [slachtoffer] en [medeverdachte 1]. Op de ene foto is [medeverdachte 1] wel te zien. Op de andere foto is hij met een zwarte vlek bedekt, zodat hij niet zichtbaar is (p. 32, p. 34-35). De verdachte heeft op de terechtzitting verklaard dat hij met “dr” de aangeefster [slachtoffer] bedoelde.

De verdachte heeft voorts verklaard dat ze naar iemand zochten die het geld in ontvangst kon nemen.

Het hoorde bij het plan om [medeverdachte 1] langs te sturen. En later werd bedacht om het geld door [medeverdachte 2] te laten ophalen. Dit zou bij de Plus supermarkt gebeuren. De verdachte heeft op de terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij heeft gezegd dat hij met [slachtoffer] contact zou leggen via Whatsapp. Dit blijkt ook uit de reactie die de verdachte op 24 mei 2014 om 11:05:22 geeft: “Ja heb k gezegd” op een eerder bericht “Oke zeg tegen [slachtoffer] maak foto van alles 250 moet het zijn” (p. 43). Op 24 mei 2014 om 11:45:09 stuurt de verdachte het bericht : “we zijn daar” (p. 45 onderaan). Op de terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat hij met ‘daar’ bedoelde dat ze bij de Plus stonden te wachten.

Het hof is van oordeel dat voornoemde feiten en omstandigheden, in onderling verband bezien, moeten worden beschouwd als gedragingen die zijn gericht op het – samen met anderen – afdreigen van een geldbedrag van het slachtoffer. Dat niet vaststaat dat de verdachte rechtstreeks contact met het slachtoffer heeft gehad en de foto die naar het slachtoffer is gestuurd niet op de telefoon van de verdachte is aangetroffen – zoals door de raadsvrouw betoogd – doet aan dit oordeel niet af, nu de verdachte gelet op de inhoud en strekking van voornoemde berichten in de Whatsapp-groep actief betrokken is geweest bij de uitvoering en afhandeling van het delict.

Vrijwillige terugtred (feit 1)

De raadsvrouw heeft (subsidiair) aangevoerd dat sprake is geweest van vrijwillige terugtred door de verdachte. Ook bij een voltooide poging is dit mogelijk, aldus de raadsvrouw.

Het hof verwerpt het verweer van de raadsvrouw op grond van het volgende. Zoals hiervoor overwogen heeft de verdachte op 24 mei 2014 met anderen gesproken over het geldbedrag dat zij van het slachtoffer wilden ontvangen, waar het slachtoffer dat geldbedrag naar toe moest brengen en wie dat geldbedrag voor de verdachte en de medeverdachten zou moeten ophalen. De verdachte is de volgende dag op 25 mei 2014 omstreeks 14:00 uur aangehouden. Het hof is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat de verdachte op enig moment zijn betrokkenheid daadwerkelijk heeft beëindigd en derhalve vrijwillig is teruggetreden voordat het delict was voltooid door een omstandigheid van zijn wil afhankelijk. Dat er op 24 mei 2014 uiteindelijk geen afspraak met de aangeefster tot stand is gekomen, is blijkens het proces-verbaal van relaas (blad 3) in ieder geval niet veroorzaakt door een dergelijke omstandigheid.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 primair en 3 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

het onder 1 primair bewezen verklaarde levert op:

poging tot medeplegen van afdreiging.

het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

diefstal door twee of meer verenigde personen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 primair en 3 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen en maatregel

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 primair en 3 bewezen verklaarde veroordeeld tot een werkstraf van 200 uren, subsidiair 100 dagen jeugddetentie, waarvan

80 uren, subsidiair 40 dagen jeugddetentie, voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Als bijzondere voorwaarden zijn aan de verdachte een meldplicht bij de jeugdreclassering en het meewerken aan een PO opgelegd.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 primair en 3 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een werkstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen jeugddetentie, en een voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 4 weken, met een proeftijd van 2 jaar. Als bijzondere voorwaarde heeft de advocaat-generaal een meldplicht bij Reclassering Nederland gevorderd, ook indien dit inhoudt dat de verdachte moet meewerken aan een persoonlijkheidsonderzoek.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft samen met anderen geprobeerd om een 15-jarig meisje te dwingen 150 euro aan hen te betalen door te dreigen naaktfoto’s en filmpjes van haar openbaar te maken op social media en bij haar ouders. De verdachte en de medeverdachten hebben haar daartoe verscheidene Whatsapp-berichten gestuurd. Welke impact dit feit op het slachtoffer heeft gehad blijkt uit haar schriftelijke slachtofferverklaring. Hierin heeft zij vermeld dat de grond onder haar wegzakte toen ze de Whatsapp-berichten op haar telefoon ontving. Ze was erg bang dat de beelden op internet zouden verschijnen. Ook was ze bang dat er iets ergs met haar zou gebeuren als ze naar de politie zou gaan. Uit de verklaring van de moeder van het slachtoffer ter terechtzitting van 3 september 2015 blijkt dat het slachtoffer nog steeds met de feitelijke en psychisch nadelige gevolgen van dit feit kampt.

Dit is een zeer ernstig feit. Het hof rekent het de verdachte zeer aan, te meer nu hij degene is geweest die de deken van het slachtoffer heeft weggetrokken waardoor zij naakt zichtbaar werd, terwijl er door verdachte en anderen foto’s en filmpjes van haar werden gemaakt. De verdachte heeft zich op dat moment, maar ook gedurende de dagen daarna, kennelijk op geen enkel moment bekommerd om de gevolgen die dit feit voor het slachtoffer zou hebben.

Voorts heeft de verdachte samen met een ander een iPad gestolen uit de Mediamarkt. Dit is een ergerlijk feit waarmee inbreuk wordt gemaakt op het eigendomsrecht van de winkelier en dat deze winkelier hinder en overlast heeft bezorgd.

Het hof heeft kennisgenomen van het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 5 maart 2015 waarin de Raad adviseert een voorwaardelijke jeugddetentie en een werkstraf op te leggen, met de bijzondere voorwaarde dat verdachte zich houdt aan de aanwijzingen van de jeugdreclassering uitgevoerd door JBRA. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de Raad het advies gewijzigd in die zin dat thans geadviseerd wordt het reclasseringstoezicht door Reclassering Nederland te laten uitvoeren, nu de verdachte inmiddels meerderjarig is.

Het hof is van oordeel dat het plaatsen zonder toestemming van foto’s en of filmpjes met afbeeldingen of handelingen van intieme, seksuele aard op internet, en deze te (laten) verspreiden via social media, dan wel het dreigen daarmee, in een tijd waarin van social media in brede kring en vooral door jongeren veelvuldig gebruik wordt gemaakt, een dermate ernstige inbreuk maakt op de lichamelijke integriteit en de privacy van de slachtoffers, dat bij een straf niet kan worden volstaan met het enkel opleggen van een werkstraf. Het hof zal dan ook tevens een voorwaardelijke jeugddetentie opleggen, overeenkomstig de eis van de advocaat-generaal. Daaraan zal het hof verplicht reclasseringstoezicht als bijzondere voorwaarde verbinden, zoals geadviseerd door de Raad voor de Kinderbescherming, ook als dat deelname door de verdachte aan een persoonlijkheidsonderzoek inhoudt.

Het onder 1 primair ten laste gelegde en bewezen verklaarde is begaan met behulp van het hierna te noemen in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerp. Het behoort de verdachte toe. Het zal daarom worden verbeurd verklaard.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.531,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 750,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

Voor wat betreft het gevorderde bedrag ten aanzien van ‘de oude telefoon’ ad € 531,00 zal het hof bepalen dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is, nu de verdachte door de rechtbank is vrijgesproken van de diefstal van de telefoon en dit onderdeel van de tenlastelegging in hoger beroep dus niet meer aan de orde is.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 primair bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag. Anders dan de raadsvrouw is het hof van oordeel dat uit de onderbouwing van de schade, mede door de schriftelijke slachtofferverklaring, genoegzaam is komen vast te staan dat de gevorderde schade reeds is ontstaan door de bewezenverklaarde afdreiging.

De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 33, 33a, 36f, 45, 47, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77gg, 311 en 318 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 3 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair en 3 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een werkstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 (zestig) dagen jeugddetentie.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Veroordeelt de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 4 (vier) weken.

Bepaalt dat de jeugddetentie niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden, of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde verplicht is zich gedurende de volledige proeftijd op de door de reclassering aangegeven tijdstippen te melden bij Reclassering Nederland, Wibautstraat 12 te Amsterdam, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

Geeft opdracht aan de Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden, ook als dat deelname door de verdachte aan een persoonlijkheidsonderzoek inhoudt.

Verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

3) 1.00 STK Zaktelefoon, kleur: zwart, iPhone 5s, 4764571.

Gelast de teruggave aan de verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: 1) 1.00 STK Zaktelefoon, kleur: zwart, NOKIA 100, 4764566.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het onder 1 primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.000,00 (duizend euro) ter zake van immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 17 mei 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd

[slachtoffer], ter zake van het onder 1 primair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 1.000,00 (duizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 20 (twintig) dagen jeugddetentie, met dien verstande dat de toepassing van die jeugddetentie de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 17 mei 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M. Iedema, mr. J.A.M. de Wit en mr. P.F.E. Geerlings, in tegenwoordigheid van

mr. S.M. Schouten, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

17 september 2015.