Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:4345

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
20-10-2015
Datum publicatie
21-12-2015
Zaaknummer
200.173.223/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2015:5904, Overig
Einduitspraak: ECLI:NL:GHAMS:2015:5268
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Tussenbeschikking
Inhoudsindicatie

Bevoegdheid tot verleningsbesluit en indiening verzoek machtiging gesloten jeugdhulp in vrijwillig kader. Volmacht en mandatering gecertificeerde instelling’

Wetsverwijzingen
Jeugdwet 6.1.2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 20 oktober 2015 (bij vervroeging)

Zaaknummer: 200.173.223/ 01

Zaaknummer eerste aanleg: C/15/224791 / JU RK 15-633

in de zaak in hoger beroep van:

[de minderjarige] ,

verblijvende te [plaatsnaam] ,

appellant,

advocaat: mr. B.J. de Groot te Haarlem,

tegen

de gecertificeerde instelling De Jeugd- en Gezinsbeschermers,

gevestigd te Haarlem,

geïntimeerde,

advocaat: mr. E. Lam te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Partijen worden hierna respectievelijk [de minderjarige] en de GI genoemd.

1.2.

[de minderjarige] is op 10 juli 2015 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 30 juni 2015 van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Holland, met kenmerk C/15/224791 / JU RK 15-633.

1.3.

De GI heeft op 19 augustus 2015 een verweerschrift ingediend.

1.4.

De zaak is op 23 september 2015 ter terechtzitting behandeld. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

1.5.

Ter terechtzitting zijn verschenen:

- namens [de minderjarige] : zijn advocaat;

- namens de GI: de gezinsmanager en haar advocaat;

- namens de gemeente Haarlem (hierna: de gemeente): mevrouw E.C. Molenkamp en mevrouw C. Laros,

- mevrouw van D.M. van Dijk, vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming, regio Noord-Holland, locatie Haarlem (hierna: de Raad);

- de heer [x] , de vader van [de minderjarige] (hierna: de vader);

- mevrouw [y] , de moeder van [de minderjarige] (hierna: de moeder);

- mevrouw [a] (de behandelcoördinator van [de minderjarige] ) en mevrouw [b] namens accommodatie voor gesloten jeugdzorg [de instelling] te [plaatsnaam] (hierna: de [de instelling] ).

2 De feiten

2.1.

Uit het huwelijk van de vader en de moeder (hierna: de ouders) is [in] 2002 [de minderjarige] geboren. De ouders zijn gescheiden. Zij hebben naast [de minderjarige] nog drie kinderen, die bij de moeder wonen. De ouders hebben gezamenlijk het gezag over [de minderjarige] . [de minderjarige] is sinds 4 mei 2010 diverse malen uit huis geplaatst geweest. Hij is op 2 mei 2014 geplaatst in de gesloten accommodatie Hoenderloo (JeugdzorgPlus), alwaar hij heeft verbleven tot 28 augustus 2014. Sindsdien verblijft hij in de gesloten accommodatie [de instelling] (JeugdzorgPlus), locatie […] in [plaatsnaam] .

2.2.

De kinderrechter heeft bij beschikking van 24 juli 2014 een machtiging verleend om [de minderjarige] te doen opnemen en te doen verblijven in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg, welke machtiging nadien is verlengd tot 1 juli 2015.

2.2.

Bij de stukken bevindt zich een instemmingsverklaring gedragswetenschapper van 30 april 2015, een Aanvraag inzet Individuele Voorziening (hierna: verleningsbeslissing) van 7 april 2015, een door de ouders ondertekende toestemmingsverklaring ouders gesloten jeugdhulp van 31 maart 2015 en een gezinsplan van 27 maart 2015.

3 Het geschil in hoger beroep

3.1.

Bij de bestreden beschikking is, op het verzoek van de GI, de machtiging gesloten jeugdhulp betreffende [de minderjarige] met ingang van 1 juli 2015 tot uiterlijk 1 januari 2016 verlengd.

3.2.

[de minderjarige] verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, de GI in haar inleidend verzoek niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel het inleidend verzoek alsnog af te wijzen.

Ter zitting in hoger beroep heeft (de advocaat van) [de minderjarige] subsidiair verzocht de zaak aan te houden voor een korte periode waarin de gemeente ervoor dient te zorgen dat aan [de minderjarige] gepaste jeugdhulp wordt verleend.

3.3.

De GI verzoekt [de minderjarige] in zijn hoger beroep niet ontvankelijk te verklaren, dan wel de bestreden beschikking te bekrachtigen en het meer of anders verzochte af te wijzen.

4 Beoordeling van het hoger beroep

4.1.

De GI heeft primair betoogd dat, aangezien partijen het eens lijken te zijn over het feit dat de verlenging machtiging uithuisplaatsing in het belang is van [de minderjarige] , hij niet-ontvankelijk is in zijn hoger beroep. Het hof overweegt als volgt. Nu [de minderjarige] ter zitting in hoger beroep bij monde van zijn advocaat heeft laten weten dat hij beëindiging van de gesloten plaatsing wenst, is zijn belang bij de onderhavige procedure gegeven. Ingevolge artikel 6.1.1 lid 2 van de Jeugdwet (Jw) is [de minderjarige] ontvankelijk in zijn hoger beroep.

4.2.

Volgens [de minderjarige] voldoet het inleidend verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing niet aan de formele wettelijke vereisten. Daartoe heeft hij – verkort weergegeven - het volgende aangevoerd. Het verzoekschrift voldoet niet aan hetgeen is bepaald in artikel 278 van het wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), onder meer nu de woonplaats van de ouders niet is vermeld en evenmin duidelijk is namens welk college van welke gemeente het verzoek is ingediend. Daarnaast is de GI niet bevoegd om een verzoek tot machtiging gesloten jeugdhulp in het vrijwillig kader in te dienen, nu deze mogelijkheid op grond van artikel 10:3 lid 1 jo 10:12 van de Algemene Wet Bestuursrecht (AWB) is uitgesloten. Bovendien is geen rechtsgeldig mandaat door de gemeente Haarlem verleend. De brief van 16 juni 2015 van de gemeente aan de GI voldoet niet aan de vereisten zoals vermeld in de artikelen 10:4 lid 1, 10:5 lid 2 en 3:42 AWB (instemming, schriftelijkheid en publicatie). Ten slotte is er geen rechtsgeldige verleningsbeslissing als bedoeld in artikel 6.1.2 lid 5 Jeugdwet overgelegd. De gemeente kan de bevoegdheid tot het nemen van een verleningsbeslissing niet aan de GI mandateren. De artikelen 2.11 lid 1 Jw en 10:3 jo 10:12 AWB staan daaraan in de weg.

Ter zitting in hoger beroep heeft de advocaat van [de minderjarige] daaraan toegevoegd dat de toekomst van [de minderjarige] , na vele jaren uit huis te zijn geplaatst, nog steeds onduidelijk is. Er is in [de instelling] geen perspectief voor hem. Hij verblijft er al 16 maanden, terwijl nog geen diagnose is gesteld, hij geen behandeling krijgt en geen onderwijs volgt. De GI heeft het Centrum voor Consultatie en Expertise (CCE) verzocht om onderzoek en advies, maar dat onderzoek en advies is nog steeds niet afgerond.

4.3.

De GI stelt dat het inleidend verzoek voldoet aan de daaraan gestelde formele vereisten, zodat de verleende machtiging tot uithuisplaatsing in stand dient te blijven. Zij heeft – kort samengevat – hiertoe het volgende aangevoerd.

De GI bestrijdt dat het verzoekschrift niet voldoet aan hetgeen is bepaald in artikel 278 Rv, nu uit de bijlagen die van het verzoekschrift deel uitmaken, blijkt wat de woonplaats van de ouders is en namens welke gemeente het verzoekschrift is ingediend.

De GI bestrijdt dat de bevoegdheid van het college tot indiening van een verzoek tot verlenging van een machtiging tot gesloten jeugdzorg overeenkomstig art 6.1.8 lid 1 Jw niet kan worden gemandateerd. Zij heeft een rechtsgeldig mandaat verkregen voor zowel het indienen van het onderhavige verzoekschrift als voor het nemen van de verlengingsbeslissing. Voor zover aan het verleende mandaat gebreken kleven, zijn deze inmiddels hersteld.

Ter zitting in hoger beroep heeft de GI meegedeeld dat op 19 oktober 2015 een eindgesprek plaatsvindt met het CCE, waarna op zoek moet worden gegaan naar een instelling die [de minderjarige] gepaste verzorging en behandeling kan bieden. Volgens de GI is thans nog niet duidelijk wat het advies van het CCE zal zijn. Over de uiteindelijke plaatsing dient de GI met de gemeente in overleg te treden. De GI heeft laten weten dat niet bekend is hoeveel tijd met een definitieve plaatsing gemoeid is.

4.4.

Ter zitting in hoger beroep heeft de Raad geadviseerd de bestreden beschikking te bekrachtigen, en heeft daartoe verwezen naar de instemmingsverklaring van de gedragsdeskundige. Hij heeft daarbij opgemerkt het van belang te achten dat [de minderjarige] zo spoedig mogelijk onderwijs en behandeling krijgt.

4.5.

De moeder heeft ter zitting in hoger beroep verklaard het noodzakelijk te achten dat [de minderjarige] op korte termijn toekomstperspectief krijgt. De vader heeft daaraan toegevoegd het noodzakelijk te achten dat [de minderjarige] zo spoedig mogelijk onderwijs krijgt.

4.6.

Het hof overweegt als volgt.

Ter zitting in hoger beroep heeft de advocaat van [de minderjarige] desgevraagd bevestigd dat het subsidiaire verzoek de zaak aan te houden voor een korte periode waarin de gemeente ervoor dient te zorgen dat [de minderjarige] in een instelling geplaatst wordt waar hij gepast onderwijs en gepaste behandeling krijgt, zwaarder weegt dan het primaire verzoek, en dat het primaire verzoek (mede) is ingediend om een doorbraak in de stagnerende situatie van [de minderjarige] te forceren.

Het hof ziet, gelet op deze toelichting en het verhandelde ter zitting, aanleiding eerst dit subsidiaire verzoek van [de minderjarige] te behandelen. De omstandigheid dat [de minderjarige] zich niet verzet tegen een gesloten uithuisplaatsing als zodanig – en dat de vraag of een gesloten uithuisplaatsing noodzakelijk is in hoger beroep strikt genomen niet aan de orde is - staan daaraan, in het belang van [de minderjarige] , thans niet in de weg. Het hof overweegt als volgt.

Een machtiging gesloten jeugdhulp op grond van artikel 6.1.2. tweede lid Jw kan slechts worden verleend indien naar het oordeel van de kinderrechter deze jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van de jeugdige naar volwassenheid ernstig belemmeren. Bovendien dient de opneming en het verblijf noodzakelijk te zijn om te voorkomen dat de jeugdige zich aan deze jeugdhulp onttrekt of daaraan door anderen wordt onttrokken.

Uit artikel 1.1 Jw volgt dat als jeugdhulp heeft te gelden:

  1. Ondersteuning van en hulp en zorg, niet zijnde preventie, aan jeugdigen en hun ouders bij het verminderen, stabiliseren, behandelen en opheffen van of omgaan met de gevolgen van psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouders of adoptiegerelateerde problemen;

  2. Het bevorderen van de deelname aan het maatschappelijk verkeer en van het zelfstandig functioneren van jeugdigen met een somatische, verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking, een chronisch psychisch probleem of een psychosociaal probleem en die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt, en

  3. Het ondersteunen bij of het overnemen van activiteiten op het gebied van de persoonlijke verzorging gericht op het opheffen van een tekort aan zelfredzaamheid bij jeugdigen met een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking of een somatisch of psychiatrische aandoening of beperking, die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt, met dien verstande dat de leeftijdgrens van achttien jaar niet geldt voor jeugdhulp in het kader van jeugdstrafrecht.

Vast staat dat [de minderjarige] sinds 2010 op diverse opvanglocaties heeft verbleven en dat hij sinds 2 mei 2014 in een accommodatie van gesloten jeugdzorg verblijft. Uit het gezinsplan van 31 maart 2015 blijkt dat, vanwege het uitblijven van resultaat van behandeling van [de minderjarige] in de gesloten instelling, op 20 maart 2015 is besloten tot onderzoek van [de minderjarige] door het CCE. De GI heeft ter zitting in hoger beroep laten weten dat het eindgesprek naar aanleiding van dit onderzoek zal plaatsvinden op 19 oktober 2015, en voorts dat het onduidelijk is wat het advies zal zijn en op welke termijn [de minderjarige] uiteindelijk de op hem toegesneden behandeling zal krijgen. Uit het gezinsplan volgt voorts dat in maart 2014 reeds is geconstateerd dat binnen de [de instelling] geen passend onderwijs aan [de minderjarige] kan worden geboden, hetgeen de GI ter zitting in hoger beroep heeft bevestigd. Dit heeft tot gevolg gehad dat [de minderjarige] sinds de zomervakantie niet of nauwelijks onderwijs volgt.

Gelet op het voorgaande stelt het hof vast dat de jeugdhulp aan [de minderjarige] , die nog maar 13 jaar oud is, lijkt te stagneren.

Aangezien op 19 oktober 2015 het door het CCE te geven eindadvies ten aanzien van de aan [de minderjarige] te verlenen jeugdhulp zal worden besproken en de GI ter zitting in hoger beroep heeft laten weten dat zij naar aanleiding van dit advies met de gemeente in overleg zal treden over de aan [de minderjarige] te verlenen jeugdhulp, zal het hof, overeenkomstig het verzoek van de advocaat van [de minderjarige] , de zaak aanhouden tot 18 november 2015 teneinde van de GI te vernemen:

- het door het CCE gegeven advies;

- de uitkomst van de bespreking van dit advies; én

- op welke wijze en op welke termijn adequaat in de behandel- en onderwijsbehoefte van [de minderjarige] zal worden voorzien.

4.7.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

5 Beslissing

Het hof:

bepaalt dat de behandeling van de zaak zal worden aangehouden tot 18 november 2015 en draagt de GI op uiterlijk 16 november 2015 aan het hof mee te delen:

- het advies van het CCE;

- de resultaten van de bespreking van het advies van het CCE ;

- op welke wijze en op welke termijn adequaat in de behandel-, onderwijs- en zorgbehoefte van [de minderjarige] zal worden voorzien;

beveelt de oproeping van partijen, hun raadslieden, belanghebbenden en de Raad tegen 18 november 2015 te 11:30 uur;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.G. Kemmers, mr. A.N. van de Beek en mr. A.R. van Wieren in tegenwoordigheid van mr. T. Mekkelholt als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 20 oktober 2015.