Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:4334

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
20-10-2015
Datum publicatie
04-07-2016
Zaaknummer
200.159.027/01 en 200.159.031/01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHAMS:2015:468
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kort geding. Gebod aan Greenpeace om tankschip met Noordpoololie ongemoeid te laten in Nederland. Kantoorbetekening als voorzien in art. 63 lid 1 Rv is voldoende ten aanzien van in Cyprus gevestigde vennootschap. Nu de periode waarvoor het gebod was gegeven, is verstreken, en de proceskostenveroordeling niet wordt geëxecuteerd, wordt het hoger beroep verworpen wegens gebrek aan belang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&S 2016/17
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummers in de gevoegde zaken : (zaak 1) 200.159.027/01 en

(zaak 2) 200.159.031/01

zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/573557/ KG ZA 14/1258

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 20 oktober 2015

inzake

STICHTING GREENPEACE NEDERLAND,

gevestigd te Amsterdam,

appellante in zaak 1,

advocaat: mr. R. Hörchner te Breda,

en

1 STICHTING IRIS,

2 STICHTING PHOENIX,

beide gevestigd te Amsterdam,

appellanten in zaak 2,

advocaat mr. E.L.F. de Meijer te Amsterdam

tegen

BLUEWARD SHIPPING COMPANY LTD.,

gevestigd te Limassol, Cyprus,

in eerste aanleg woonplaats gekozen hebbende ten kantore van

mr. H.C.A. van der Houven van Oordt en mr. J.J. van Blaaderen te Rotterdam,

telkens geïntimeerde in de zaken 1 en 2,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna Greenpeace, Iris, Phoenix (en Iris en Phoenix samen: de stichtingen) en Blueward genoemd.

Het hof heeft in de incidenten in de zaken 1 en 2 op 17 februari 2015 een tussenarrest gewezen. Voor het verloop van het geding tot die datum wordt verwezen naar dat tussenarrest. Bij genoemd arrest zijn beide zaken gevoegd en is de beslissing omtrent de proceskosten in de incidenten aangehouden. De hoofdzaken zijn naar de rol verwezen voor beraad partijen.

Partijen hebben de (hoofd)zaken ter zitting van 8 september 2015 doen bepleiten, Greenpeace door mr. Hörchner voornoemd, de stichtingen door mr. B.J. van Spaendonck, bestuurder daarvan, en Blueward door mr. H.C.A. van der Houven van Oordt en mr. J.J. van Blaaderen voornoemd, ieder aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd.

Ten slotte is arrest gevraagd in beide zaken.

Greenpeace en de stichtingen hebben geconcludeerd dat het hof bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het bestreden vonnis van 4 oktober 2014 zal vernietigen en alsnog de vorderingen van Blueward zal afwijzen, met veroordeling van Blueward in de kosten van het geding in beide instanties, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover.

Blueward heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis. Daarnaast heeft zij haar eis (voorwaardelijk) vermeerderd in die zin dat Greenpeace en de stichtingen wordt geboden zich voor onbepaalde tijd, althans voor een periode van twee jaar, te onthouden van verdere acties met betrekking tot de olietanker Mikhail Ulyanov, op straffe van een dwangsom.

2 Geldigheid van de appeldagvaarding

2.1

Blueward heeft betoogd dat de dagvaarding in hoger beroep niet juist aan haar is betekend omdat zij op Cyprus is gevestigd, de Verordening (EG) nr. 1393/2007 (hierna: de Betekeningsverordening II) daarom van toepassing is en de dagvaarding uit dien hoofde, vergezeld van een vertaling in een taal die Cyprus heeft aanvaard en van de juiste formulieren, naar de ontvangende instantie op Cyprus had dienen te worden gezonden. Dit is niet gebeurd, nu de dagvaarding slechts ten kantore van de advocaten van Blueward is betekend. Blueward verwijst in dit verband naar een uitspraak van het Hof van Justitie van de EU van 19 december 2012, nummer C-325/11, waaruit volgens haar volgt dat kantoorbetekening zich niet met de door de Betekeningsverordening II beoogde verwezenlijking van de doelstelling van de rechten van de verdediging verdraagt. Daarnaast heeft Greenpeace volgens haar op een te korte termijn (van zeven dagen) gedagvaard.

2.2

In deze zaak heeft Blueward in eerste aanleg woonplaats gekozen ten kantore van haar voornoemde advocaten. In die situatie is art. 63 lid 1 Rv van toepassing dat bepaalt dat een exploot waarbij hoger beroep wordt ingesteld, ook kan worden gedaan aan het kantoor van de advocaat of deurwaarder bij wie degene voor wie het exploot is bestemd, laatstelijk ter zake woonplaats heeft gekozen, ook indien deze een bekende woonplaats of bekend werkelijk verblijf heeft in een Staat waar de Betekeningsverordening II van toepassing is. De HR nog zeer onlangs bepaald (ECLI:NL:HR:2015:310) dat de kantoorbetekening strookt met het doel en de strekking van zowel het Haags Betekeningsverdrag als de Betekeningsverordening II, te weten om op eenvoudige en snelle wijze te bewerkstelligen dat de geadresseerde die in een andere verdragstaat of lidstaat zijn woonplaats of bekend werkelijk verblijf heeft, van het stuk kennis neemt, nu zij beoogt een waarborg te scheppen dat het exploot ook werkelijk tijdig degene bereikt voor wie het is bestemd. Ook heeft de Hoge Raad in dit verband overwogen dat de advocaat aan wiens adres op de voet van art. 63 lid 1 Rv het exploot wordt betekend, is gehouden te bevorderen dat het exploot tijdig degene bereikt voor wie het is bestemd, hetgeen met de moderne communicatiemiddelen binnen de korte termijn van een week in de regel mogelijk zal zijn, en dat dat bij kantoorbetekening van een rechtsmiddelexploot op de voet van art. 63 lid 1 Rv kan worden volstaan met de in art. 115 lid 3 Rv voorgeschreven termijn van dagvaarding van ten minste een week, indien degene voor wie het stuk is bestemd, een bekende woonplaats of een bekend werkelijk verblijf heeft in een lidstaat waar de Betekeningsverordening II van toepassing is, dan wel in een (al dan niet in Europa gelegen) staat die partij is bij het Haags Betekeningsverdrag. Indien de advocaat aan wiens kantoor het rechtsmiddelexploot is gedaan, eigener beweging of desgevraagd meedeelt dat hij (nog) niet erin is geslaagd zijn (voormalige) cliënt op de hoogte te stellen van de inhoud van het stuk, dient de rechter dit in zijn oordeelsvorming te betrekken, zo oordeelt de HR. Blueward verliest kennelijk uit het oog dat ook de Betekeningsverordening II niet in alle gevallen betekening voorschrijft conform de daarin gegeven voorschriften, nu de considerans onder (8) bepaalt dat de Betekeningsverordening II niet van toepassing is op de betekening en de kennisgeving van een stuk aan de gevolmachtigde vertegenwoordiger van de partij in de lidstaat waar de procedure plaatsvindt, ongeacht de woonplaats van die partij. Het verweer wordt daarom verworpen. Bovendien geldt dat Blueward in appel is verschenen en (uitvoerig) verweer heeft gevoerd tegen de door Greenpeace en de stichtingen aangevoerde grieven, zodat een eventueel betekeningsgebrek haar niet onredelijk in haar belangen heeft geschaad (art. 122 Rv).

3 Feiten

De voorzieningenrechter heeft in het vonnis onder 2.1 tot en met 2.3 de uitgangspunten opgesomd die hij bij de beoordeling van de zaak als vertrekpunt heeft genomen. Deze zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt.

4 Beoordeling

4.1

Het gaat in deze zaak om het volgende.

(i) Iris is eigenaar van het schip Rainbow Warrior. Phoenix is eigenaar van het schip Arctic Sunrise. Stichting Greenpeace Council chartert deze schepen.

(ii) In de nacht van 4 op 5 oktober 2014, de nacht na de zitting in eerste aanleg in deze zaak, werd de olietanker Mikhail Ulyanov verwacht in de haven van Rotterdam. De tanker vervoerde een lading ruwe olie vanuit de Barentszzee.

(iii) Op 4 oktober 2014 om ongeveer 16:00 uur heeft Greenpeace een persbericht doen uitgaan waarin zij aankondigde te zullen demonstreren tegen de aflevering door de tanker van de tweede lading Noordpoololie in Rotterdam. Het schip Arctic Sunrise wachtte de olietanker op bij de havenmond van Rotterdam.

(iv) Al eerder, op 1 mei 2014, had Greenpeace een actie gehouden tegen de olietanker toen deze wilde afmeren in de Rotterdamse haven, met als doel de lossing van Noordpoololie te verhinderen. Daarbij is de politie in actie gekomen.

4.2

In dit kort geding heeft Blueward bij inleidende dagvaarding van 4 oktober 2014 gevorderd - zakelijk weergegeven - Greenpeace en de stichtingen hoofdelijk te gebieden alle mogelijke acties met betrekking tot de tanker Mikhail Ulyanov (hierna: de tanker) en Blueward met onmiddellijke ingang te staken, in te trekken althans zich daarvan te onthouden en te verbieden om die tanker op enigerlei wijze te bekladden, beschadigen, belemmeren of hinderen bij haar vaart, toegang tot de haven, lossing en vertrek, op straffe van verbeurte van een dwangsom. Blueward heeft daartoe onder meer aangevoerd dat eerder door Greenpeace actie was gevoerd tegen de tanker, welke actie onverantwoord en buitenproportioneel is geweest, dat de tanker in de nacht van 4 op 5 oktober 2014 wederom verwacht werd in de haven van Rotterdam en dat Greenpeace opnieuw een actie had gepland tegen de tanker, welke geen belang diende, buitenproportioneel zou zijn en onrechtmatig.

4.3

Bij het bestreden vonnis van 4 oktober 2014 heeft de voorzieningenrechter Greenpeace en de stichtingen op straffe van verbeurte van een dwangsom, met ingang van de datum van het vonnis gedurende vier weken, verboden om de tanker in Nederland op enigerlei wijze te bekladden, te beschadigen, te belemmeren of hinderen bij haar vaart, toegang tot de haven, de lossing en haar vertrek. De voorzieningenrechter heeft Greenpeace en de stichtingen in de proceskosten van Blueward veroordeeld. Hetgeen de voorzieningenrechter heeft overwogen, kan als volgt worden samengevat. In beginsel staat het Greenpeace vrij om actie te voeren, maar het recht op betoging is niet onbegrensd en moet worden afgewogen tegen de rechtmatige belangen van Blueward. Eerdere actie van Greenpeace op 1 mei 2014 heeft veel persaandacht gekregen en het onderwerp van de actie, olieboringen in het Noordpoolgebied, heeft al veel (ook politieke) aandacht gehad. Greenpeace maakt niet bekend welke vorm de voorgenomen actie zal hebben en daarom moet er rekening mee worden gehouden dat deze actie vertraging van de lossing van olie en daardoor schade voor Blueward zal opleveren. De nog onbekende actie van Greenpeace moet voldoen aan de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit. Ten aanzien van de subsidiariteit geldt dat Greenpeace al veel heeft bereikt en niet is gebleken dat de actie meer zal opleveren dan alleen extra publicitaire aandacht. Wat de proportionaliteit betreft, weegt het belang van Blueward bij voorafgaande duidelijkheid zwaarder dan het belang van Greenpeace bij een herhaalde verrassingsactie. Nu Greenpeace die duidelijkheid niet geeft, terwijl aannemelijk is dat de vorige actie relevante schade heeft veroorzaakt en publieke middelen heeft gekost, wordt Greenpeace gelast om, indien zij de actie laat doorgaan, de tanker ongemoeid te laten.

4.4

Tegen de hierboven genoemde beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen komen Greenpeace en de stichtingen op in dit hoger beroep.

4.5

Vast is komen te staan dat de tanker in de desbetreffende nacht de haven van Rotterdam is binnengevaren en dat Greenpeace noch die nacht noch in de vier weken nadien actie heeft gevoerd, waarbij de tanker was betrokken.

4.6

Van de zijde van Blueward is aangevoerd dat partijen bij deze stand van zaken worden geconfronteerd met een situatie waarin het hoger beroep, ook als het vonnis zou worden vernietigd en de vorderingen van Blueward alsnog in hun geheel zouden worden afgewezen, geen verandering kan brengen in de feitelijke situatie zoals deze zich thans voordoet. Nu Greenpeace en de stichtingen geen materieel belang hebben bij de behandeling van het hoger beroep, dient zij niet-ontvankelijk te worden verklaard, aldus Blueward.

4.7

Greenpeace heeft in haar memorie van grieven gesteld dat het belang van het hoger beroep niet alleen gelegen is in de proceskosten, maar ook in het feit dat een dwangsom is uitgesproken en bovenal in het feit dat het vonnis een belangrijk ‘chilling effect’ heeft gehad en nog heeft. Het vonnis is volgens haar op onjuiste gronden gebaseerd en strijdig met Europeesrechtelijke en nationale jurisprudentie. De vrijheid van meningsuiting en van betoging, als bedoeld in de artikelen 10 en 11 van het EVRM zijn in het geding. Greenpeace moet het recht hebben op een effectief rechtsmiddel om op te komen tegen schending van genoemde artikelen. Ten tweede is sprake van een ‘chilling effect’ ten aanzien van betogingen die Greenpeace op korte termijn nog wil houden. Voorbereidingen van dergelijke acties worden met dit vonnis gefrustreerd, omdat het voor betrokkenen bij de oliewinning en -transport nu eenvoudig is om dat op het laatste moment te voorkomen, aldus steeds Greenpeace.

4.8

De stichtingen hebben gesteld dat ook zij belang hebben bij een uitspraak in appel. Volgens Blueward dient het vonnis immers mede om toekomstige acties te voorkomen. Daarnaast heeft Blueward haar eis vermeerderd en om een verbod voor onbepaalde tijd op verdere protestacties gevraagd, aldus de stichtingen.

4.9

Ter zitting in hoger beroep heeft Blueward nader toegelicht dat haar vermeerdering van eis subsidiair is ingesteld, namelijk alleen en voor zover het hof het verweer zou verwerpen dat Greenpeace en de stichtingen geen belang hebben bij het hoger beroep. Met betrekking tot de proceskosten van de eerste aanleg heeft zij benadrukt dat deze in eerste aanleg noch door haar, noch door Greenpeace of de stichtingen zijn gevorderd, dat de voorzieningenrechter deze desondanks heeft toegekend, maar dat die kosten niet zijn of zullen worden geëxecuteerd.

4.10

Met Blueward moet worden geoordeeld dat het hoger beroep geen verandering kan brengen in de thans bestaande feitelijke situatie. De periode waarvoor de bestreden beslissing geldt, is immers op 1 november 2014 verstreken, zodat vernietiging van die beslissing geen effect meer kan sorteren. De inzet van het onderhavige hoger beroep heeft derhalve geen feitelijke betekenis meer. Voor zover Greenpeace bij een beoordeling van haar grieven in dit kort geding een principieel belang heeft, geldt dat zodanig belang niet een voldoende belang bij het ingestelde beroep oplevert. Nu het vonnis geen verbod inhoudt voor de periode na 1 november 2014, kan dat geen belemmering vormen voor de planning van eventuele andere acties. Ter zake zal dan zo nodig een nieuwe rechterlijke afweging volgen. In zoverre is dan ook van een ‘chilling effect’ voor de toekomst geen sprake. Aan het belang betreffende de proceskostenveroordeling van de eerste aanleg, dat overigens noch door Greenpeace noch door de stichtingen is toegelicht, is de grondslag komen te ontvallen doordat ter zitting in hoger beroep uitdrukkelijk door Blueward is toegezegd dat zij de proceskostenveroordeling niet zal executeren, terwijl zowel door Greenpeace als door de stichtingen ter zitting in hoger beroep is erkend dat zij tot dusver niet tot betaling zijn aangesproken.

4.11

Het voorgaande brengt mee - ook al zouden Greenpeace en de stichtingen voor het overige het gelijk aan hun zijde hebben - dat het door hen ingestelde hoger beroep telkens wegens gebrek aan belang moet worden verworpen. Greenpeace en de stichtingen zullen in de proceskosten van de beide appellen worden veroordeeld.

4 Beslissing

Het hof:

verwerpt het hoger beroep;

veroordeelt Greenpeace in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van Blueward begroot op 704,- aan verschotten en 2.684,- voor salaris;

veroordeelt de stichtingen in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van Blueward begroot op 704,- aan verschotten en 2.682,- voor salaris;

verklaart deze kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. R.J.M. Smit, L.A.J. Dun en A.E. Oderkerk en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 20 oktober 2015.