Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:4327

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
20-10-2015
Datum publicatie
10-11-2015
Zaaknummer
200.147.713/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aansprakelijkheid kadaster-notaris- te ontwikkelen hotel- voorbelasting- meerdere hypotheken- tussenarrest

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTHR 2016, afl. 2, p. 96
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I AOF

zaaknummer : 200.147.713/01

zaak-/rolnummer rechtbank Noord-Holland : C//15/198289/ HAZA 12-544

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 20 oktober 2015

inzake

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

advocaat mr. R. LeGrand te Rotterdam,

tegen

1 maatschap [X] NOTARISSEN,

gevestigd te Zaandam,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid HEDEN VERSCHEEN B.V.,

gevestigd te Zaanstad ,

3. [geïntimeerde sub 3] ,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat mr. J. Mencke te Amsterdam

4 de publiekrechtelijke rechtspersoon

DIENST VOOR HET KADASTER EN DE OPENBARE REGISTERS,

zetelend te Apeldoorn,

advocaat mr. A.T. Bolt te Arnhem,

geïntimeerden.

1 Het geding in hoger beroep

Appellant wordt hierna [appellant] genoemd. Geïntimeerden 1 tot en met 3 worden de maatschap, de BV en [geïntimeerde sub 3] genoemd dan wel, tezamen (in mannelijk enkelvoud) de notaris. Geïntimeerde sub 4 wordt aangeduid als het Kadaster.

[appellant] is bij dagvaarding van 14 respectievelijk 15 april 2014 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Noord-Holland, van 15 januari 2014, onder bovenvermeld zaak-/rolnummer gewezen tussen [appellant] als eiser en de notaris en het Kadaster als gedaagden.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;

- memorie van antwoord van de notaris, met producties;

- memorie van antwoord van het Kadaster, met producties.

Partijen hebben de zaak ter zitting van 13 oktober 2014 doen bepleiten door hun advocaten, ieder aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. De notaris heeft bij die gelegenheid nog een productie in het geding gebracht.

Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellant] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en - uitvoerbaar bij voorraad - alsnog zijn vorderingen zal toewijzen en de notaris en het Kadaster zal veroordelen tot terugbetaling van hetgeen reeds voldaan mocht zijn, met veroordeling van de notaris en het Kadaster in de kosten van het geding in beide instanties.

De notaris heeft geconcludeerd tot bekrachtiging, met - uitvoerbaar bij voorraad - veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep met nakosten en rente.

Het Kadaster heeft geconcludeerd tot bekrachtiging, met - uitvoerbaar bij voorraad - veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep met nakosten en rente.

Alle partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

2 Feiten

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 4.1 tot en met 4.8 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt.

3 Beoordeling

3.1

Het gaat in deze zaak om aansprakelijkheid van het Kadaster voor een onjuiste vermelding in de basisregistratie en beroepsaansprakelijkheid van de notaris in verband met een hypotheekakte. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, komen de feiten neer op het volgende.

3.1.1

Het voormalig KPN-kantoorgebouw aan het [adres] (hierna het pand) werd in 2009 en 2010 door zijn eigenaar Trinca BV (hierna: Trinca) door middel van een grootscheepse verbouwing omgevormd tot hotel met bijbehorend restaurant (Zaan Inn hotel). Eind december 2010 diende Trinca een bedrag te betalen aan de aannemer en een financier (de hierna te noemen [Y] (hierna: [Y] ) en/of [Y] Beheer B.V. ( [Y] Beheer)). PVH Adviesgroep B.V. (hierna: PVH) wenste het pand van Trinca te kopen en had daarom voor eind december 2010 behoefte aan € 1.250.000,= om een aanbetaling aan Trinca te kunnen doen.

3.1.2

Het pand was op 25 augustus 2010 getaxeerd op € 13.600.000,= na voltooiing van de verbouwing (die volgens het rapport nog € 6,5 miljoen aan investering zou vergen); de executiewaarde vrij van huur en gebruik is in het van de taxatie opgemaakte rapport van 30 augustus 2010 getaxeerd op € 12.240.000. In dit rapport is tevens vermeld dat het pand op dat moment verhuurd is voor een kale huursom van € 800.000 per jaar.

3.1.3

[appellant] heeft zich op 29 december 2010 bereid verklaard om € 500.000,= te financieren.

3.1.4

Op het pand rustten sedert 17 juli 2009 een eerste en een tweede hypotheek ten gunste van [Y] respectievelijk [Y] Beheer. De betreffende akten waren door een andere notaris verleden en hielden een bezwaringsverbod in, te weten dat het pand zonder hun schriftelijke toestemming niet met verdere hypotheken mocht worden bezwaard.

3.1.5

Bij akte van 31 december 2010, verleden door de notaris, heeft Trinca op het pand, tot zekerheid van een door [appellant] aan PVH verstrekte geldlening, aan [appellant] een derde hypotheek verleend voor een bedrag van € 500.000 vermeerderd met rente en kosten, begroot op € 200.000.

In evenbedoelde akte van 31 december 2010 is onder meer vermeld:

“(…) Voormeld registergoed is niet anders bezwaard dan met:

- een eerste hypothecaire inschrijving groot driemiljoen euro (€ 3.000.000,00) ten behoeve van de heer [Y] , (…) en

- een tweede hypothecaire inschrijving groot tweemiljoen euro (€ 2.000.000,00) ten behoeve van [Y] Beheer B.V. (…)

- een derde hypothecaire inschrijving groot een miljoen euro (€ 1.000.000,00) ten behoeve van [PVH] (…)

[PVH] verklaarde dat de krachtens de onderhavige akte ten behoeve van (…) [appellant] te vestigen hypotheek en pandrechten een hogere rangorde hebben dan het recht van hypotheek ten behoeve van [PVH] (…)”

3.1.6

De notaris heeft onderzoek naar de zogenoemde voorbelasting op het pand gedaan in de Basisregistratie Kadaster. Hierin was opgenomen dat deze voor de eerste, tweede en derde hypotheek tezamen € 5.500.000 bedroeg. De notaris heeft het hiervoor genoemde recht van (vierde) hypotheek ten behoeve van [appellant] (dat na rangwisseling met PVH derde in rang zou zijn) gevestigd, zonder dat schriftelijke toestemming van [Y] en [Y] Beheer gevraagd en/of gegeven was.

3.1.7

In afwijking van hetgeen de Basisregistratie Kadaster hieromtrent vermeldde, bedroeg de hypothecaire voorbelasting echter een hoger bedrag. De betreffende akten vermelden een aan [Y] verleend eerste recht van hypotheek op het pand voor een hoofdsom van € 4.000.000 te vermeerderen met rente en kosten, begroot op € 2.400.000 en aan [Y] Beheer B.V. een tweede recht van hypotheek voor een hoofdsom van € 2.000.000 te vermeerderen met rente en kosten, begroot op

€ 1.200.000.

3.1.8

Op 20 september 2011 heeft de Bewaarder van het Kadaster en de Openbare Registers met betrekking tot het eerste recht van hypotheek het volgende verklaard:

“(…) Abusievelijk is in het onderhavige geval in de Basisregistratie Kadaster het bedrag van de geldlening ad € 3.000.000 vermeld in plaats van het bedrag van de hypotheekstelling ad € 4.000.000. Wanneer het brondocument uit het Openbaar Register was geraadpleegd was duidelijk geworden dat het bedrag waarvoor hypotheek werd verleend € 4.000.000 bedroeg. De verwijzing naar het brondocument (het deel en nummer van inschrijving) was aanwezig in de Basisregistratie Kadaster. De fout (…) is gecorrigeerd na een melding (…) en na het raadplegen van de openbare registers door een medewerker van het Kadaster.(…)”

3.1.9

Bij koopovereenkomst van 31 december 2010 is het pand door Trinca aan PVH verkocht voor een prijs van € 7.050.000. Deze koopovereenkomst is niet geëffectueerd.

3.1.10

Op 15 december 2011 is PVH gefailleerd.

3.1.11

Op 22 juni 2012 is het pand executoriaal verkocht voor € 4.660.000.

3.1.12

Aan [appellant] heeft geen uitkering plaatsgevonden.

3.2

[appellant] vordert, kort samengevat, hoofdelijke veroordeling van de notaris en het Kadaster tot betaling aan hem van € 500.000 alsmede een verklaring voor recht dat de BV en de maatschap voor een gelijke som en gelijk deel aansprakelijk zijn. De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen. Zij heeft die beslissing gebaseerd op het oordeel dat, voor zover er door het Kadaster en de notaris fouten zijn gemaakt, deze de gestelde schade niet hebben veroorzaakt.

3.3

Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [appellant] met zes grieven op.

De grieven stellen de door het Kadaster en/of de notaris gemaakte fouten aan de orde, alsmede het causaal verband tussen deze fouten en de schade van [appellant] , bestaande in het niet terugbetaald zijn van de geleende gelden. Zij lenen zich voor gezamenlijke bespreking.

Fout kadaster

3.4

Het hof is van oordeel dat het verwijt aan het adres van het Kadaster doel treft. Art. 48 lid 2 onder g (sub i) van de Kadasterwet (Kw) verplicht het Kadaster om, ingeval op een onroerende zaak een hypotheekrecht rust, het bedrag waarvoor deze is gevestigd op te nemen. Dat heeft het Kadaster gedaan, doch daarbij is € 3 miljoen in plaats van € 4 miljoen ter zake van het eerste hypotheekrecht van [Y] vermeld. Dat een fout is gemaakt staat daarmee vast. Dat de Kadasterwet, in art.117 lid 3, voorziet in aansprakelijkheid van het Kadaster voor (de gevolgen van) een dergelijke fout (in de tekst van het artikel: vergissing) evenzeer. Dat [appellant] als, op dat moment potentiele hypotheeknemer, belang had bij juistheid van de basisregistratie op dat punt is evident. Ook als, met het Kadaster, wordt aangenomen dat het belang van de basisregistratie vooral gelegen is in het ontsluiten van de openbare registers is immers de vermelding van het bedrag van de lening waarvoor het eerste hypotheekrecht is gevestigd voor een potentiele nieuwe hypotheeknemer een relevant gegeven, dat door het Kadaster in de basisregistratie opgenomen is. Dat [appellant] niet zelf de basisregistratie heeft ingezien (maar dat heeft overgelaten aan de notaris) is in dat verband zonder belang. In hoeverre ook de notaris een verwijt valt te maken en welke gevolgen daaraan te verbinden zijn voor de onderlinge draagplicht tussen hen is louter van belang in de onderlinge verhouding tussen de notaris en het Kadaster, en niet in dit geding.

Nu het hier gaat om aansprakelijkheid op grond van de wet is nadere beschouwing van de contractuele verhoudingen in dit verband niet nodig.

Fouten notaris

3.5

De notaris heeft een beroepsfout gemaakt door te volstaan met het raadplegen van de basisregistratie zonder de onderliggende akten in te zien. Van een redelijk zorgvuldig en redelijk handelend notaris mag worden verlangd dat hij in een geval als dit niet klakkeloos vertrouwt op de vermelding in de basisregistratie. De basisregistratie is niet bedoeld als vervanging voor de openbare registers. Het was voor hem in redelijkheid kenbaar dat de voorbelasting voor [appellant] van belang was. Dat er maar zelden fouten in de basisregistratie voorkomen, doet daaraan niet af, en dat het destijds niet zonder meer gebruikelijk was om ook de onderliggende akten in te zien evenmin. Het betrof hier geen standaard geval, maar een zakelijke transactie waarbij (niet een professionele geldschieter, zoals een bank, maar) een natuurlijk persoon een groot bedrag investeerde, terwijl er al drie eerdere hypotheken op hetzelfde pand rustten. Het onderzoek in de onderliggende akten naar de juiste bedragen was bovendien eenvoudig en weinig tijdrovend.

Voor de daardoor veroorzaakte schade bij [appellant] is de notaris dan ook aansprakelijk.

3.6

Vast staat ook dat de notaris aan [Y] / [Y] Beheer geen toestemming heeft verzocht voor het vestigen van het hypotheekrecht van [appellant] , hoewel de hypotheekakte van [Y] / [Y] Beheer daartoe de verplichting bevatte. [appellant] stelt dat ook dit nalaten een beroepsfout is en jegens hem onrechtmatig.

3.7

Het toetsingskader laat zich als volgt samenvatten.

Art. 21 lid 1 van de Wet op het notarisambt (Wna) verplicht de notaris de hem bij of krachtens de wet opgedragen of de door een partij verlangde werkzaamheden te verrichten. Hij dient zijn dienst evenwel onder omstandigheden te weigeren (art. 21 lid 2 Wna). De functie van de notaris in het rechtsverkeer verplicht hem onder bijzondere omstandigheden ook tot een zekere zorg voor de belangen van derden welke mogelijkerwijs zijn betrokken bij de door zijn cliënten van hem verlangde ambtsverrichtingen (vergelijk laatstelijk de beslissing van de Hoge Raad gepubliceerd in ECLI:NL:HR: 2015:831). Deze zorgplicht kan ertoe leiden dat de notaris gegronde redenen heeft als bedoeld in art. 21 lid 2 Wna om de van hem gevraagde dienstverlening te weigeren of op te schorten. Verleent hij de gevraagde dienst toch, dan kan dit zijn civielrechtelijke aansprakelijkheid jegens de betrokken derde(n) meebrengen. De belangen van derden zijn onder meer betrokken bij de verlangde ambtsverrichting indien deze betrekking heeft op de vestiging van een beperkt recht op een goed, zoals een hypotheek, terwijl ook een derde ter zake van dat goed rechten kan doen gelden. In zodanig geval behoort de notaris zich terughoudend op te stellen. Indien de notaris aanleiding heeft te vermoeden dat sprake is van rechten van derden ter zake van het goed waarop de gevraagde dienstverlening betrekking heeft, dient hij daarover met partijen te overleggen en zo nodig nader onderzoek te doen, teneinde zich een oordeel te vormen over de vraag of het recht van de derde een beletsel behoort te vormen voor de beoogde bezwaring. Daarbij moet in aanmerking genomen worden dat de notaris in verband met de geheimhoudingsplicht slechts beperkte onderzoeksmaatregelen kan nemen.

Indien de voor de notaris kenbare feiten het oordeel rechtvaardigen dat het recht van de derde een beletsel vormt voor de beoogde bezwaring, dan dient hij – tenzij de betrokken derde verklaart geen bezwaar te hebben tegen de bezwaring – zijn ministerie te weigeren.

3.8

De notaris heeft aangevoerd dat van hem niet meer verwacht kan worden dan studie van de aankomsttitel en raadpleging van de basisregistratie van het Kadaster. Dat is, gelet op bovenvermeld toetsingskader, een te beperkte taakopvatting. In dit geval staat vast dat de notaris wist van de voorgaande hypotheek van [Y] Beheer en [Y] . Daarmee moet hij geacht worden ook geweten te hebben van het (gebruikelijke) bezwaringsverbod. Weliswaar staat vast dat hij niet zelf de akten had verleden waarin het bezwaringsverbod voorkwam en gaan partijen er beiden vanuit dat het destijds ongebruikelijk was dat de notaris de eerdere hypotheekakte(n) inzag (omdat werd volstaan met raadpleging van de basisregistratie), maar dat neemt niet weg dat de notaris er in redelijkheid vanuit moest gaan dat daarin een dergelijk verbod voorkwam.

3.9

Het hof is echter van oordeel dat de notaris, gelet op vorenbedoelde norm, in dit opzicht toch geen wanprestatie of onrechtmatige daad jegens [appellant] heeft gepleegd. Dit wordt als volgt toegelicht.

Het bezwaringsverbod is obligatoir van karakter, zonder zakelijke werking. Het vestigen van een rechtsgeldige opvolgende hypotheek wordt daardoor dus niet onmogelijk. Voorts volgt uit het feit dat Trinca zich jegens [Y] en [Y] Beheer had verbonden geen nieuwe hypotheken te vestigen zonder hun instemming, doch anderzijds jegens (PVH en) [appellant] had ingestemd met de nieuwe hypotheken, zij tegenstrijdige verplichtingen op zich had genomen. Tussen deze tegenstrijdige verplichtingen is geen rangorde aan te brengen en het was aan Trinca, niet aan de notaris, om een keuze te maken welke verplichting zij zou nakomen. Zo was het ook aan Trinca om [appellant] te waarschuwen.

Niet in te zien valt, en niet (behoorlijk toegelicht) is aangevoerd, welke bijzondere omstandigheid meebrengt dat de notaris in deze situatie jegens [appellant] toch onrechtmatig handelde door in weerwil van het bezwaringsverbod de akte te verlijden en dus de hypotheek te vestigen. Het belang van [appellant] werd daarmee immers gediend. Dat de notaris niet heeft gewaarschuwd kan hem evenmin worden tegengeworpen. Dat hij geacht moest worden te weten van het bezwaringsverbod brengt nog niet mee dat hij [appellant] , wie dat verbod in beginsel niet deerde, moest waarschuwen. [appellant] heeft immers in deze situatie een zekerheidsrecht verkregen dat hij anders niet gehad had.

3.10

Dat/of de notaris geen geldige rangwisseling (met de hypotheek van PVH) heeft bereikt, zoals [appellant] stelt, is niet van belang. Gelet op de hoogte van de leningen waarvoor de eerste twee hypotheekrechten waren gevestigd (in hoofdsom € 6 miljoen), en de vaststaande executie-opbrengst, die nog geen € 5 miljoen bedroeg, heeft een mogelijke fout op dat punt geen schade tot gevolg gehad. Vast staat immers, dat het hypotheekrecht van [appellant] hoe dan ook geen hogere dan een derde rang zou hebben gehad. Stellingen in andere zin heeft [appellant] hieromtrent niet betrokken.

Wel kan de vaststaande wens van [appellant] tot rangwisseling van belang zijn bij de beoordeling van het causaal verband.

Causaal verband

3.11

Vast staat dat het Kadaster en de notaris een fout hebben gemaakt als het gaat om de hoogte van de voorbelasting. In geschil is of causaal verband bestaat tussen deze fout en de door [appellant] gestelde schade. De rechtbank heeft, als vermeld, geoordeeld dat daarvan geen sprake is en daartegen is gegriefd.

3.12

[appellant] neemt terecht tot uitgangspunt dat in het algemeen aannemelijk is dat onjuiste, in de zin van te lage, vermelding van voorbelasting voor een opvolgend hypotheeknemer tot schade kan leiden. Dat neemt echter niet weg dat op [appellant] de stelplicht en bewijslast rust dat hij in dit geval, daadwerkelijk, schade ten gevolge van die fouten heeft geleden. Voor toepassing van de omkeringsregel ziet het hof geen ruimte; het betreft hier een norm waarvan de strekking slechts daarin is gelegen dat de wederpartij een verantwoorde beslissing kan nemen.

3.13

De situatie ten tijde van het lenen van de € 500.000 aan PVH was, naar vast staat, als volgt. Er was een hotel in aanbouw, dat enige maanden daarvoor op € 13,6 miljoen aan vrije verkoopwaarde en € 12,24 miljoen (na € 6,5 miljoen aan investeringen in de vorm van verbouwingskosten) aan executiewaarde was getaxeerd. Sedert de taxatie van eind augustus 2010 was een deel van de verbouwing voltooid. Er waren drie eerdere hypotheken, met een totaal aan hoofdsommen van, naar [appellant] op basis van de informatie van de notaris/het Kadaster mocht aannemen, € 5 miljoen. [appellant] wist in algemene zin dat hypotheken in het algemeen ook strekken tot zekerheid van rente en kosten, naast en bovenop de hoofdsom. [appellant] had een rangwisseling van zijn hypotheekrecht met dat van PVH bedongen. Er bestond op dat moment reeds een koopovereenkomst tussen Trinca en PVH, waarvan [appellant] op de hoogte was. De leningsovereenkomst van [appellant] , tot zekerheid waarvan de hypotheek strekte, voorzag in een financiering van 6 tot maximaal 12 maanden (tegen zeer hoge vergoedingen). Op 31 december 2010 bestonden geen achterstanden op de leningen van [Y] / [Y] Beheer en dat wist [appellant] .

3.14

[appellant] stelt, naar het hof begrijpt, dat hij ervan uitging dat de daadwerkelijke executiewaarde van het pand eind december 2010 voldoende zou zijn om zijn investering (met € 200.000 kosten) te dekken, te weten € 5.740.000 (€ 12.240.000 executiewaarde conform het taxatatierapport min € 6.500.000 aan investeringen).

De notaris en het Kadaster betwisten dat bedrag en stellen dat de executiewaarde bij het verstrekken van de lening geen rol gespeeld heeft of kan hebben. De notaris en het Kadaster menen dat de investeringsbeslissing van [appellant] los stond van enige inschatting van de executiewaarde, doch louter werd ingegeven door vertrouwen in de goede afloop van het project als zodanig.

3.15

Het hof is van oordeel dat op grond van de vaststaande gegevens het causaal verband tussen de fout van het kadaster en de fout van de notaris enerzijds en de schade die [appellant] stelt als gevolg daarvan te hebben geleden anderzijds tot dusver onvoldoende is bewezen, ook niet voorshands. Evenmin staat echter vast dat van causaal verband tussen de fouten en de schade geen sprake kan zijn. Nadere bewijslevering, door [appellant] als degeen op wie de bewijslast rust en die bewijs heeft aangeboden, is dus noodzakelijk. Dat wordt als volgt nader toegelicht.

Aannemelijk is voorshands dat in de laatste dagen van 2010 Trinca grote behoefte had aan extra financiering en eveneens dat alle betrokken partijen -ook [appellant] - er goede hoop op hadden dat, als die financiering beschikbaar kwam, het hotel gerealiseerd zou kunnen worden en -uiteindelijk- alle financiers zouden worden betaald. Dat enkele uitgangspunt brengt echter niet mee dat [appellant] hoe dan ook, ongeacht de voorbelasting en de executiewaarde, zoveel vertrouwen had in de goede afloop van het project dat hij bereid was om € 500.000 aan PVH te lenen. De omstandigheid dat hij een hypotheekrecht wenste en dat hij hechtte aan een zo hoog mogelijke rang daarvan, in combinatie met de korte duur en aanzienlijke rente van de door hem verstrekte lening, wijst er op dat hij wel degelijk rekening hield met de mogelijkheid dat zijn lening niet zou worden terugbetaald en dat hij voor die situatie zekerheid wenste. In hoeverre de onjuiste informatie over de voorbelasting daarbij van belang was, hangt met name af van de vraag van welke executiewaarde [appellant] uitging. Die bepaalde immers de waarde van zijn hypotheekrecht. [appellant] zal dus toegelaten worden tot het bewijs dat voor zijn investeringsbeslissing de omvang van de voorbelasting wezenlijk was en, in dat verband, dat hij uitging van een executiewaarde van het pand van € 5.740.000.

3.16.

Als [appellant] slaagt in dat bewijs bestaat er causaal verband tussen de door het kadaster en de notaris gemaakte fouten en komt het hof vervolgens toe aan de omvang van de schade en andere geschilpunten.

Als [appellant] niet slaagt in het bewijs en ervan moet worden uitgegaan dat [appellant] alvorens zijn lening te verstrekken en daarvoor een hypotheek te doen vestigen de executiewaarde van het pand niet heeft geverifieerd althans daarvan niet het beeld had dat deze (minstens) € 5.740.000 bedroeg, moet worden aangenomen dat [appellant] er vrede mee had dat hij een aanzienlijk risico liep dat niet door een hypotheekrecht gedekt werd en moet dus worden aangenomen dat bekendheid met de juiste cijfers aangaande de voorbelasting geen doorslaggevende rol gespeeld zou hebben bij de beslissing tot het uitlenen van het betrokken bedrag.

Ook als na de bewijslevering wordt vastgesteld dat [appellant] uitgegaan is/ moet zijn van een veel hogere executiewaarde moet worden aangenomen dat de onbekende hogere voorbelasting geen verschil heeft gemaakt, omdat de hypotheek dan ook bij een voorbelasting van € 6 in plaats van € 5 miljoen nog voldoende zekerheid bood. In die beide scenario’s moet dus worden aangenomen dat bekendheid met de juiste cijfers geen doorslaggevende rol gespeeld kan hebben bij de beslissing tot het uitlenen van het betrokken bedrag. Dan is het causaal verband niet komen vast te staan en zal het vonnis bekrachtigd worden.

3.17

Het hof houdt iedere verdere beslissing aan tot na de bewijslevering.

4 Beslissing

Het hof:

Laat [appellant] toe tot bewijs van zijn stelling dat voor zijn investeringsbeslissing de omvang van de voorbelasting wezenlijk was en, in dat verband, dat hij uitging van een executiewaarde van het pand van € 5.740.000;

beveelt dat, indien (een van) partijen getuigen wil doen horen, een getuigenverhoor zal plaatshebben voor mr. Hofmeijer-Rutten, daartoe tot raadsheer‑commissaris benoemd, in het Paleis van Justitie, IJdok 20 te Amsterdam op een nader te bepalen dag en uur;

bepaalt dat de advocaten aan beide zijden uiterlijk 4 weken na heden schriftelijk en onder opgave van de verhinderdata van alle voornoemde betrokkenen in de periode van december 2015 tot en met maart 2016 aan het (enquêtebureau van het) hof dient te verzoeken een datum te bepalen;

bepaalt dat elk van partijen het in te brengen schriftelijk bewijsmateriaal uiterlijk vier weken voor het eerste getuigenverhoor aan het hof en de wederpartij dient toe te zenden;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.S. Arnold, P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten en A. Bockwinkel en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 20 oktober 2015.