Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:4322

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
05-10-2015
Datum publicatie
28-10-2015
Zaaknummer
200.137.535/01 OK
Rechtsgebieden
Ondernemingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

OK; Enquete; verhoging van het onderzoeksbudget, vaststelling van de vergoeding van de onderzoeker; art. 2:350 lid 3 BW.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 2 350
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JONDR 2014/784
AR 2015/2056
ARO 2015/223
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

___________________________________________________________________

GERECHTSHOF AMSTERDAM

ONDERNEMINGSKAMER

zaaknummer: 200.137.535/01 OK

beschikking van de Ondernemingskamer van 5 oktober 2015

inzake:

[A] ,

wonende te [....] ,

VERZOEKER,

advocaten: mrs. F.M. Peters en M.D. Hazenberg, kantoorhoudende te Amsterdam,

t e g e n

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

LEADERLAND TTM B.V.,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

LEADERLAND TTM I B.V.,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

LEADERLAND TTM II B.V.,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

LEADERLAND TTM III B.V.,

allen gevestigd te Hilversum,

VERWEERSTERS,

niet verschenen,

e n t e g e n

1 Serguei Ivanovitsj [B] ,

wonend te [....] ,

BELANGHEBBENDE,

advocaat: mr. C.J. Jager, kantoorhoudende te Amsterdam,

e n t e g e n

2 [D] ,

wonende te [....] ,

BELANGHEBBENDE,

advocaten: mrs. J.A. Meijer en K. ter Hart, beiden kantoorhoudende te Den Haag,

e n t e g e n

3 [C] ,

wonende te [....] ,

BELANGHEBBENDE,

advocaten: mrs. I.S. Oosterhoff en R.J.T. Kamstra, kantoorhoudende te Amsterdam.

1 Het verloop van het geding

1.1

Partijen en andere personen zullen hierna als volgt worden aangeduid:

  • -

    verzoeker als [A] ;

  • -

    verweersters 1 tot en met 4 ieder afzonderlijk als respectievelijk Leaderland TTM, Leaderland I, Leaderland II en Leaderland III en gezamenlijk als Leaderland c.s.;

  • -

    belanghebbende 1 als [B] ;

  • -

    belanghebbende 2 als [D] ;

  • -

    belanghebbende 3 als [C] .

1.2

Voor het eerdere verloop van het geding verwijst de Ondernemingskamer naar haar beschikkingen van 18 maart 2014, 11 juli 2014, 24 juli 2014, 5 december 2014, 15 december 2014, 3 februari 2015, 28 april 2015 en 29 mei 2015, 5 juni 2015, 22 juli 2015 en 5 oktober 2015.

1.3

Bij haar beschikking van 18 maart 2014 heeft de Ondernemingskamer onder andere en voor zover hier van belang:

- een onderzoek bevolen naar het beleid en de gang van zaken van Leaderland c.s. over de periode vanaf 1 oktober 2012;

- Mr. F.D. Stibbe te Amsterdam en drs. N. van der Noll te Oosthuizen (hierna ook aan te duiden als de onderzoekers) benoemd tot onderzoekers en het bedrag dat het onderzoek ten hoogste mag kosten vastgesteld op € 80.000, de verschuldigde omzetbelasting daarin niet begrepen.

1.4

Bij brief van 14 april 2015 hebben de onderzoekers de Ondernemingskamer verzocht – zo begrijpt de Ondernemingskamer – om het bedrag dat het onderzoek mag kosten te verhogen en vast te stellen op € 100.250, te vermeerderen met BTW.

1.5

Bij emailbericht van 21 april 2015 heeft de secretaris van de Ondernemingskamer partijen in de gelegenheid gesteld om voor 1 mei 2015 te 17.00 uur op het verzoek van de onderzoekers te reageren.

1.6

Het verslag van het door de onderzoekers verrichte onderzoek met bijlagen (hierna het onderzoeksverslag te noemen) is op 28 april 2015 ter griffie van de Ondernemingskamer neergelegd. Bij de op die dag gegeven beschikking heeft de Ondernemingskamer onder andere bepaald dat het onderzoeksverslag ter griffie van de Ondernemingskamer ter inzage ligt voor belanghebbenden.

1.7

Bij brief van 1 mei 2015 heeft mr. Meijer namens [D] de Ondernemingskamer verzocht het verzoek van de onderzoekers om de kosten te verhogen af te wijzen en verzocht te bepalen dat de onderzoekers van het betaalde voorschot van € 80.000 een gedeelte ter grootte van € 8.160, zijnde het bedrag dat te veel aan de onderzoekers zou zijn betaald, terugbetalen. [D] heeft daartoe in de eerste plaats aangevoerd dat vaststelling van de kosten van het onderzoek prematuur is, omdat het door [D] ingediende verzoek tot ontheffing van de onderzoekers ertoe moet leiden dat de onderzoekers geen of slechts een geringe beloning toekomt. Voorts heeft [D] aangevoerd dat alle prestaties en diensten verstrekt aan of ten behoeve van [A] buiten beschouwing moeten blijven. Daarnaast komen de door O. Vynarchyk (een door de onderzoekers ingeschakelde tolk, zo begrijpt de Ondernemingskamer) verrichte werkzaamheden niet voor vergoeding in aanmerking, omdat Vynarchyk niet door de Ondernemingskamer is benoemd en het gehanteerde tarief van de onderzoekers dusdanig is dat daarin de kosten van de hulppersonen zijn inbegrepen, aldus [D] . [D] heeft ook gesteld dat [D] , [B] en [A] gelijk moeten worden behandeld door de onderzoekers en dat alle uren boven het laagst aantal uren besteed aan (gesprekken) met [B] en [D] van de aan [A] bestede tijd moet worden afgetrokken. Tenslotte heeft [D] aangevoerd dat de uren van mr. Stibbe, drs. Van der Noll en Vynarchyk niet syndroom lopen en dat er posten zijn gedeclareerd die onzorgvuldig zijn.

1.8

Bij brief van 1 mei 2015 heeft mr. Jager namens [B] de Ondernemingskamer verzocht het verzoek van de onderzoekers om de kosten te verhogen en vast te stellen op € 100.250, af te wijzen. [B] heeft aangevoerd dat het bovengenoemde bedrag niet in verhouding staat tot de omvang en kwaliteit van het onderzoeksrapport, er geen diepgaand onderzoek heeft plaatsgevonden, de onderzoekers weinig inhoudelijke gesprekken met belanghebbenden hebben gevoerd en dat de onderzoekers onvoldoende hoor en wederhoor hebben toegepast. Voorts heeft [B] zich aangesloten bij het standpunt van [D] als verwoord in de brief van mr. Meijer van 1 mei 2015.

1.9

Bij brief van 1 mei 2015 hebben mrs. Kamstra en Oosterhoff namens [C] de standpunten en argumenten van [D] in de brief van 1 mei 2015 onderschreven.

1.10

Bij brief van 13 mei 2015 heeft de secretaris van de Ondernemingskamer partijen bericht dat de Ondernemingskamer zich voldoende voorgelicht acht over de standpunten van partijen met betrekking tot het verzoek van de onderzoekers tot verhoging van het onderzoeksbudget en vaststelling van de vergoeding en dat zij een beschikking zal geven na de mondelinge behandeling op 2 juli 2015 van het verzoekschrift van [D] van 24 maart 2015.

2 De gronden van de beslissing

2.1

De Ondernemingskamer oordeelt als volgt.

2.2

Bij beschikking van heden (in de zaak met nummer 200.137.535/05 OK) heeft de Ondernemingskamer het verzoek van [D] strekkende tot ontheffing van de onderzoekers en benoeming van nieuwe onderzoekers die het hele onderzoek opnieuw zullen doen, afgewezen. De aan dit verzoek ontleende argumenten tegen toewijzing van het onderhavige verzoek van onderzoekers behoeven dus geen bespreking.

2.3

De stelling van [D] dat de urenspecificatie van onderzoekers mede “prestaties en diensten aan [A] ” omvat (die daarom niet voor vergoeding in aanmerking komen) ontbeert feitelijke grondslag.

2.4

Het is in beginsel aan de onderzoekers om te bepalen op welke wijze zij het onderzoek inrichten en of zij het noodzakelijk vinden om derden, zoals in dit geval Vynarchyk, in te schakelen.

2.5

De kennelijke opvatting van [D] dat de onderzoekers gehouden waren met elke van betrokkenen evenveel tijd te spreken is onjuist.

2.6

De overige opmerkingen van [D] over de urenspecificatie rechtvaardigen evenmin de conclusie dat de gespecificeerde werkzaamheden niet voor vergoeding in aanmerking komen.

2.7

Het standpunt van [B] dat de kosten niet in verhouding staan tot de omvang en kwaliteit van het onderzoeksrapport is te onbepaald en behelst geen voldoende gemotiveerd bezwaar tegen de omvang van de gespecificeerde kosten van het onderzoek.

2.8

Nu het door de onderzoekers overgelegde kostenoverzicht de Ondernemingskamer verder niet onjuist of onredelijk voorkomt, zal zij - met gelijktijdige verhoging van het maximum tot dat bedrag - de vergoeding van de onderzoekers - overeenkomstig artikel 2:350 lid 3 BW - bepalen als hierna te vermelden.

3 De beslissing

De Ondernemingskamer:

verhoogt het bedrag dat het bij de beschikking van 18 maart 2014 in deze zaak bevolen onderzoek ten hoogste mag kosten tot € 100.250, de verschuldigde omzetbelasting daarin niet begrepen;

bepaalt de vergoeding van de onderzoekers overeenkomstig artikel 2:350 lid 3 BW op

€ 100.250, de verschuldigde omzetbelasting daarin niet begrepen.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. G.C. Makkink, voorzitter, mr. A.M.L. Broekhuijsen-Molenaar en mr. M.M.M. Tillema, raadsheren, en, drs. P.R. Baart en H. de Munnik, raden, in tegenwoordigheid van mr. R. Verheggen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de Ondernemingskamer van 5 oktober 2015.