Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:4321

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
20-10-2015
Datum publicatie
18-11-2015
Zaaknummer
23-004509-14
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2017:1167, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte wordt veroordeeld voor het aanwezig hebben van cocaïne in zijn huis en auto. Ontslag van alle rechtsvervolging ten aanzien van het bewezenverklaarde voorhanden hebben van een geldbedrag, aangezien dit niet kan worden gekwalificeerd als witwassen. Verbeurdverklaring geldbedrag. Verweren vormverzuimen verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-004509-14

datum uitspraak: 20 oktober 2015

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 10 november 2014 in de strafzaak onder parketnummer 13-665791-13 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969 ,

adres: [adres] .

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is door de rechtbank Amsterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem ten aanzien van feit 1 onder het derde gedachtestreepje (‘(in totaal) (ongeveer) 0,38 gram cocaïne (in zijn, verdachtes, kleding)’) en ten aanzien van feit 2 impliciet cumulatief (‘en/of 740 Engelse ponden en/of 2500 Dirhams’) is ten laste gelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven deelbeslissingen tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissingen geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven deelbeslissingen tot vrijspraak.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 6 oktober 2015 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1:
hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 05 november 2013 tot en met 06 november 2013 te Amsterdam tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad een of meer heveelh(i)d(en) (van in totaal 1,499 kilogram cocaine) (bestaande uit de navolgende hoeveelhe(i)d(en)

- ( in totaal (ongeveer) 1 kilogram cocaïne (in een pand aan perceel [adres] )) en/of

- ( in totaal (ongeveer) 499 gram cocaïne (in een (personen)auto (merk Peugeot, met kenteken [kenteken] ) en/of

- ( in totaal) (ongeveer) 0,38 gram cocaïne (in zijn, verdachtes, kleding)),

in elk geval (telkens) een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, in elk geval een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2:
hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 04 augustus 2011 tot en met 05 november 2013, te Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en) een voorwerp, te weten

- een of meer geldbedrag(en) (van in totaal (ongeveer) 186205 euro en/of 740 Engelse ponden en/of 2500 Dirhams (in een pand aan perceel [adres] te Amsterdam))

heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans van een voorwerp, te weten voornoemde geldbedrag(en), gebruik heeft gemaakt, terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat bovenomschreven voorwerp – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig misdrijf.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de rechtbank.

Ter terechtzitting gevoerde verweren

De start van het onderzoek

De raadsman heeft aangevoerd dat het onderzoek naar de medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) is gestart zonder dat er op dat moment voldoende feiten en omstandigheden bestonden die een verdenking tegen hem konden rechtvaardigen. Aangezien de verdenking van de verdachte [verdachte] rechtstreeks voortvloeit uit de verdenking jegens [medeverdachte] , moet de aanhouding van de verdachte worden beschouwd als onrechtmatig. De als uitvloeisel daarvan inbeslaggenomen goederen dienen van het bewijs te worden uitgesloten. Bij deze stand van zaken dient de verdachte te worden vrijgesproken van het aan hem onder 1 en 2 ten laste gelegde, aldus de raadsman.

Het hof overweegt dat de toepassing van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) op grond van bestendige jurisprudentie is beperkt tot vormverzuimen die zijn begaan in het voorbereidend onderzoek. Daarbij heeft de term ‘voorbereidend onderzoek’ uitsluitend betrekking op het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte ter zake het aan hem ten laste gelegde feit, waarover de rechter heeft te oordelen. Als uitgangspunt heeft te gelden dat verdachten zich in beginsel niet kunnen beroepen op eventuele onregelmatigheden in het voorbereidend onderzoek in de strafzaak tegen een medeverdachte (de zogeheten Schutznorm). Een uitzondering op dit uitgangspunt bestaat slechts in gevallen waarin sprake is van – kort gezegd – een zeer ernstige inbreuk op de rechten van de verdachte, waarbij in het bijzonder moet worden gedacht aan strijd met fundamentele beginselen van het strafprocesrecht.

Het hof overweegt dat, wat er zij van het antwoord op de vraag of jegens [medeverdachte] kon worden gesproken van een redelijk vermoeden van schuld, noch uit de inhoud van het dossier noch uit het verhandelde ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep blijkt dat sprake is geweest van zeer uitzonderlijke omstandigheden die het doorbreken van de Schutznorm ten voordele van de verdachte rechtvaardigen. Het verweer wordt reeds om die reden verworpen.

Rechtmatigheid aanhouding

Door de raadsman is aangevoerd dat nu op het moment van aanhouding van de verdachte op 5 november 2013 op grond van de constateringen van die dag onvoldoende feiten en omstandigheden bestonden die enige verdenking met betrekking tot het aanwezig hebben van verdovende middelen dan wel witwassen konden rechtvaardigen, er op 5 november 2013 geen redelijk vermoeden van schuld bestond op grond waarvan de verdachte kon worden aangehouden. De aanhouding en ook de daaropvolgende doorzoekingen moeten derhalve als onrechtmatig worden beschouwd, met als gevolg dat de als uitvloeisel daarvan inbeslaggenomen goederen ook hierom niet tot bewijs kunnen dienen. De verdachte moet ook hierom worden vrijgesproken van het aan hem onder 1 en 2 ten laste gelegde, aldus de raadsman.

Door de raadsman is niet uiteengezet welk strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel is geschonden of wat het belang is dat dit voorschrift dient, noch is betoogd wat de ernst is van het verzuim of welk nadeel daardoor is veroorzaakt. Van de verdediging, die een beroep doet op schending van een vormvoorschrift als bedoeld in artikel 359a Sv, mag worden verlangd dat duidelijk en gemotiveerd aan de hand van voornoemde factoren uit het tweede lid van die bepaling wordt aangegeven tot welk in artikel 359a Sv omschreven rechtsgevolg dit dient te leiden. Nu het verweer niet voldoet aan de eisen die daaraan worden gesteld, wordt er reeds om die reden aan voorbijgegaan.

Het hof ziet echter ambtshalve aanleiding verder in te gaan op de rechtmatigheid van de aanhouding van de verdachte op 5 november 2013. Met de raadsman is het hof van oordeel dat, ook indien de voorgeschiedenis in het onderzoek naar de medeverdachte [medeverdachte] erbij wordt betrokken, er op het moment van aanhouding van de verdachte geen redelijk vermoeden van schuld bestond aan enig strafbaar feit en hij niet als verdachte als bedoeld in artikel 27 Sv kon worden aangemerkt. Derhalve hadden de verbalisanten niet mogen overgaan tot de aanhouding van de verdachte. Door de verdachte op deze wijze aan te houden hebben verbalisanten een inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte als bedoeld in artikel 8 EVRM, alsmede op zijn door dat voorschrift gewaarborgde belangen. Daarmee is sprake van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv, dat niet kan worden hersteld.

Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of deze geconstateerde inbreuk op de privacy moet leiden tot uitsluiting van het vervolgens verkregen bewijs in deze zaak. Het hof acht dit geconstateerde vormverzuim, alles afwegende, weliswaar een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte maar onvoldoende grond om te concluderen tot bewijsuitsluiting, temeer nu dit verzuim geen enkele afbreuk doet aan de betrouwbaarheid van het aldus verkregen bewijsmateriaal. Uit bestendige jurisprudentie valt op te maken dat toepassing van de sanctie bewijsuitsluiting minder voor de hand ligt in gevallen waarin het geconstateerde onherstelbare vormverzuim niet (mogelijk) nadelig van invloed is geweest op de betrouwbaarheid van het verkregen bewijsmateriaal. Bewijsuitsluiting kan als op grond van artikel 359a, eerste lid, Sv voorzien rechtsgevolg uitsluitend aan de orde komen indien het bewijsmateriaal door het verzuim is verkregen, en komt slechts in aanmerking indien door de onrechtmatige bewijsgaring een belangrijk (strafvorderlijk) voorschrift of rechtsbeginsel in aanzienlijke mate is geschonden. Wat dat laatste betreft geldt dat een schending van het in artikel 8 EVRM gegarandeerde recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer niet zonder meer een inbreuk oplevert op de in artikel 6 EVRM vervatte waarborg van een eerlijk proces. Het hof zal aldus niet concluderen tot bewijsuitsluiting, maar acht wel termen aanwezig om de geconstateerde inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte te verdisconteren in de strafmaat.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Alternatief scenario ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

De verdachte heeft verklaard dat hij de sleutel van zijn woning heeft uitgeleend aan een persoon, wiens naam hij niet wil noemen uit angst voor represailles en dat deze persoon de cocaïne in zijn woning en auto heeft achtergelaten. Ook ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte desgevraagd de naam van deze persoon niet willen noemen, zodat zijn stelling onverifieerbaar blijft. Het door de verdachte geschetste alternatieve scenario voor de aanwezigheid van de cocaïne in zijn auto en woning is derhalve niet onderbouwd en ook overigens niet aannemelijk geworden. Het hof acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de cocaïne in zijn auto en woning opzettelijk aanwezig heeft gehad.

Feit 2

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting betoogd dat, nu bij de verdachte op verschillende plekken in zijn woning een grote hoeveelheid contant geld is aangetroffen, sprake is van een vermoeden van witwassen. Onder die omstandigheden mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft voor de herkomst van dat geld. Nu deze verklaring ontbreekt, kan met voldoende mate van zekerheid worden uitgesloten dat de goederen een legale herkomst hebben. Aannemelijk is echter dat het geld afkomstig is van eigen misdrijf van de verdachte. De verdachte dient derhalve te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, aangezien hij geen verhullende handelingen heeft verricht met betrekking tot het geld en het enkele voorhanden hebben van goederen afkomstig uit eigen misdrijf niet kwalificeert als witwassen, aldus de advocaat-generaal.

De raadsman heeft aangevoerd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken omdat deze een aannemelijke verklaring heeft gegeven voor de herkomst van de in zijn woning aangetroffen geldbedragen. De zwager van de verdachte, [zwager] , heeft hem een bedrag van € 150.000 uitgeleend in contanten. De verdachte heeft jarenlang in het hotel van [zwager] gewerkt. Na de verkoop van dit hotel is aan de verdachte geen ontslagvergoeding uitgekeerd, maar in plaats daarvan is hem deze lening verstrekt. De verdachte was voornemens het geldbedrag te storten op een zakelijke rekening als startkapitaal voor een extra lening van de bank om te gebruiken voor de aankoop van een nieuw hotel. Omdat de verdachte het weekend, nadat hij het geld had gekregen, weg was en zijn huis inbraakgevoelig is heeft hij het geld in zijn huis gespreid bewaard. Toen hij op dinsdag 5 november 2013 werd aangehouden, was hij nog niet in de gelegenheid geweest het geld naar de bank te brengen.

Het hof overweegt als volgt.

Naar bestendige jurisprudentie kan in een geval als het onderhavige, waarin geen direct bewijs aanwezig is voor inkomsten uit brondelicten, witwassen bewezen worden geacht, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat – zoals door de advocaat-generaal aangevoerd – de geldbedragen afkomstig zijn uit enig misdrijf. Het ligt op de weg van het openbaar ministerie om zicht te bieden op het bewijs waaruit zodanige feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid.

De toetsing door de rechter dient daarbij de volgende stappen te doorlopen.

Allereerst zal moeten worden vastgesteld of de aangedragen feiten en omstandigheden van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen. Indien zulks zich voordoet, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld. Die verklaring dient concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk te zijn. Bij de beoordeling van deze verklaring spelen de omstandigheden waaronder en het moment en de wijze waarop deze tot stand is gekomen mede een rol. Zo kan het van belang zijn of de verdachte van meet af aan een tegenwicht tegen de verdenking heeft geboden dan wel dat hij eerst in een laat stadium van het onderzoek is gaan verklaren op een wijze die aan de hiervoor genoemde vereisten voldoet.

Zodra het door de verdachte geboden tegenwicht daartoe aanleiding geeft, ligt het vervolgens op de weg van het openbaar ministerie om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdachte blijkende, alternatieve herkomst van het geld. Uit de resultaten van een dergelijk onderzoek zal dienen te blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het geld waarop de verdenking betrekking heeft een legale herkomst heeft en dat derhalve een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.

Vermoeden van witwassen

Met de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat het aantreffen op verschillende plaatsen in de woning van de verdachte van een geldbedrag van € 186.205, deels in 94 incourante coupures van € 500, in combinatie met het ontbreken van een legaal inkomen dat een dergelijk groot geldbedrag kan verklaren, een vermoeden oplevert van witwassen. Het hof betrekt bij dat oordeel de omstandigheid dat in de auto en woning van de verdachte 1.499 gram cocaïne is aangetroffen. Het is onaannemelijk dat de verdachte deze hoeveelheid voor eigen gebruik aanwezig heeft gehad. Gelet op het aantreffen van een dergelijke handelshoeveelheid cocaïne kan het niet anders dan dat de verdachte betrokken is geweest bij de handel in cocaïne en dat ook het geldbedrag daarmee verband hield.

Verklaring herkomst geld

De verdachte is door de politie uitgebreid bevraagd naar de herkomst van het aangetroffen geld. Hij heeft zich tijdens die verhoren steeds beroepen op zijn zwijgrecht. Pas tijdens zijn nadere verhoor door de rechter-commissaris op 11 augustus 2014 heeft de verdachte een verklaring afgelegd over de herkomst van het geld, te weten – zakelijk weergegeven – dat hij € 150.000 heeft geleend van zijn zwager voor de aankoop van een nieuw hotel. In plaats van de ontslagvergoeding waarop de verdachte nog recht had heeft zijn zwager hem de mogelijkheid geboden een aandeel te nemen in een aan te kopen hotelbedrijf en hem daartoe het geldbedrag in contanten geleend. Het was de bedoeling van de verdachte om de € 150.000 op een zakelijke rekening te storten zodat hij door de inzet van eigen middelen extra geld van de bank zou kunnen lenen. Het geld lag nog bij hem thuis omdat hij het pas een paar dagen voor zijn aanhouding had ontvangen. De verdachte heeft het geld verspreid in zijn huis bewaard omdat hij een inbraakgevoelig huis heeft. Het resterende aangetroffen geldbedrag in euro’s heeft hij verdiend met gokken met behulp van fruitautomaten in verschillende gokhallen in Amsterdam.

Met de rechtbank is het hof van oordeel – welk oordeel door de advocaat-generaal wordt onderschreven – dat het onlogisch is om bij wijze van een lening eerst contant geld te ontvangen en dat vervolgens op een rekening te storten om in een hotel te investeren. De verdachte noch zijn zwager hebben een aannemelijke verklaring gegeven voor deze financiële omweg. Dat de verdachte met € 150.000 aan contant geld als klant bij een zakenbank zou worden geaccepteerd en hem op basis daarvan nog eens extra geld zou worden geleend, is overigens zeer onaannemelijk. Evenmin ligt voor de hand om het gevaar van diefstal van deze som geld af te wentelen door het op verschillende plekken in een inbraakgevoelige woning te bewaren. Daarbij komt dat als de verklaring van de verdachte zou worden gevolgd, het geldbedrag van € 150.000 zich zou moeten hebbe vermengd met geld dat hij met gokken heeft verdiend, aangezien er in de woning op drie plaatsen geldbundels van in totaal € 74.700, € 50.700 en € 49.200 zijn aangetroffen met daarnaast losse biljetten van in totaal € 11.605. Twee of meer van deze bedragen tezamen, in welke samenstelling dan ook, levert geen € 150.000 op. De verdachte heeft deze verklaring voorts pas in een zeer laat stadium afgelegd. Bovendien is door de verdediging ter terechtzitting in eerste aanleg van 14 februari 2014 nog als verklaring voor de herkomst van het geld gegeven dat de verdachte zijn hele leven heeft gewerkt en gespaard van een normaal inkomen. Nadat de verdachte vervolgens in het Huis van Bewaring is bezocht door zijn zwager [zwager] heeft hij voornoemde verklaring over de geldlening afgelegd, die – daarna – op 22 september 2014 bij de rechter-commissaris is bevestigd door [zwager] . Het hof acht het waarschijnlijk dat de verklaringen van de verdachte en [zwager] op elkaar zijn afgestemd en acht, gezien hetgeen hiervoor is overwogen, de verklaring die de verdachte heeft afgelegd omtrent de herkomst van het geld niet ondubbelzinnig duidelijk en kennelijk bedoeld om de waarheid te verhullen. Deze verklaring levert in elk geval geen voldoende geconcretiseerd alternatief scenario op waarnaar het openbaar ministerie onderzoek moest doen. De bevestiging van de verklaring van de verdachte door zijn zwager [zwager] doet aan dat oordeel niet af.

Het hof is van oordeel dat, gelet op het voorgaande, het niet anders kan zijn dan dat het geld – middellijk of onmiddellijk – afkomstig was uit enig misdrijf en dat de verdachte daarvan op de hoogte was.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1:
hij in de periode van 5 november 2013 tot en met 6 november 2013 te Amsterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad de navolgende hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne:

- 1 kilogram cocaïne in een pand aan perceel [adres] en

- 499 gram cocaïne in een personenauto (merk Peugeot, kenteken [kenteken] );

2:
hij op 5 november 2013 te Amsterdam een voorwerp, te weten een geldbedrag van in totaal 186.205 euro in een pand aan perceel [adres] voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerp – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig misdrijf.

Hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het aanwenden van een rechtsmiddel zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het onder 2 bewezen verklaarde

Het onder 2 bewezen verklaarde levert geen strafbaar feit op. De verdachte dient derhalve te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Het hof overweegt daartoe dat volgens bestendige rechtspraak een gedraging slechts dan kan worden gekwalificeerd als witwassen indien de verdachte een uit eigen misdrijf verkregen voorwerp niet slechts heeft verworven of voorhanden heeft gehad, maar zijn gedragingen ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst daarvan. Het hof gaat ervan uit dat de in de woning van de verdachte aangetroffen geldbedragen afkomstig zijn uit de handel door de verdachte zelf in cocaïne. Niet is gebleken dat de verdachte gedragingen heeft verricht om de criminele herkomst van die geldbedragen te verbergen of te verhullen. Het enkele feit dat verdachte de bedragen op verschillende plaatsen in zijn huis heeft verstopt is daarvoor niet voldoende. Het bewezenverklaarde kan daarom niet worden gekwalificeerd als witwassen.

Strafbaarheid van het onder 1 bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde ontslagen van alle rechtsvervolging en ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren met aftrek van voorarrest, waarbij een gedeelte van de inbeslaggenomen goederen verbeurd is verklaard en ten aanzien van een gedeelte de teruggave is gelast aan de verdachte.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren ten aanzien van de in eerste aanleg gegeven deelvrijspraken en het vonnis waarvan beroep voor het overige zal bevestigen.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk aanwezig hebben van 1.499 gram cocaïne in zijn auto en woning. Cocaïne is een voor de gezondheid van de gebruikers ervan zeer schadelijke stof. De hoeveelheid waarvan hier sprake is, is van een zodanige omvang dat de cocaïne bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne worden zowel direct als indirect in verband gebracht met vele vormen van criminaliteit en overlast, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof. De verdachte heeft door zijn handelen de maatschappij bewust aan deze risico’s blootgesteld.

Het hof ziet, alles afwegende, aanleiding een lagere straf op te leggen dan door de rechtbank opgelegd en door de advocaat-generaal gevorderd. Het hof acht in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden passend en geboden. Gelet op de verdiscontering van het geconstateerde vormverzuim in de strafoplegging zal het hof echter volstaan met het opleggen van een gevangenisstraf voor de duur van zestien maanden.

In beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen

Het onder 1 ten laste gelegde en bewezen verklaarde is begaan met betrekking tot de voorwerpen 31 tot en met 47 op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen1, te weten een geldbedrag van in totaal € 186.205, dat de verdachte toebehoort. Het hof overweegt daartoe dat het ervan uit gaat dat dit inbeslaggenomen en nog niet teruggeven geld afkomstig is uit de handel in verdovende middelen. Het kan daarmee worden beschouwd als bedrijfskapitaal voor deze handel en betreft dus een voorwerp met betrekking tot welke het bewezen verklaarde feit – het aanwezig hebben van cocaïne – is begaan. Het geldbedrag zal daarom worden verbeurd verklaard.

Ten aanzien van de overige in beslag genomen voorwerpen zal het hof de teruggave aan de verdachte gelasten op na te melden wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 33, 33a en 57 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen het ten aanzien van feit 1 onder het derde gedachtestreepje ('(in totaal) (ongeveer) 0,38 gram cocaïne (in zijn, verdachtes, kleding)') en ten aanzien van feit 2 impliciet cumulatief ('en/of 740 Engelse ponden en/of 2500 Dirhams') ten laste gelegde.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Verklaart het onder 2 bewezen verklaarde niet strafbaar en ontslaat de verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging.

Veroordeelt de verdachte ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 (zestien) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Heft op het – op 6 oktober 2015 geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, vermeld onder de nummer 31 tot en met 47 op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen.

Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, vermeld onder de nummer 2, 9, 12, 16, 19, 25, 29, 30 en 48 op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.D.R.M. Boumans, mr. E. Mijnsberge en mr. H.A. van Eijk, in tegenwoordigheid van

mr. F.A. Dudok van Heel, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 20 oktober 2015.

1 Een kopie van de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen is als bijlage bij dit arrest gevoegd.