Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:4312

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
20-10-2015
Datum publicatie
05-11-2015
Zaaknummer
200.150.746/01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHAMS:2014:5153
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHAMS:2014:5736
Rechtsgebieden
Internationaal privaatrecht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Internationale bevoegdheid Nederlandse rechter; vervangende toestemming voor verhuizing naar buitenland; proceskostenveroordeling.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 253a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 20 oktober 2015

Zaaknummer: 200.150.746/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/13/554649 / FA RK 13-8935 (MB/AT)

in de zaak in hoger beroep van:

[de man] ,

wonende te [a] ,

appellant in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. G. Raap te Almere,

tegen

[de vrouw] ,

verblijvende te [b] (Frankrijk),

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellante in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. N.D. 't Zand te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Partijen worden hierna respectievelijk de man en de vrouw genoemd.

1.2.

Het hof verwijst naar en neemt over hetgeen is overwogen en beslist in zijn tussenbeschikking van 11 november 2014 (hierna: de tussenbeschikking).

1.3.

De Raad voor de Kinderbescherming, regio Amsterdam, locatie Amsterdam (hierna: de Raad) heeft op 9 februari 2015 het hof schriftelijk bericht dat het – bij genoemde tussenbeschikking gelaste – onderzoek niet vóór de in de beschikking van 11 november 2014 vermelde pro forma datum zal zijn afgerond en dat bij de Centrale Autoriteit een onderzoek is aangevraagd betreffende een huisbezoek bij de vrouw en de kinderen in Frankrijk.

De Raad heeft op 17 augustus 2015 rapport (zonder advies) uitgebracht.

1.4.

De vrouw heeft op 13 november 2014, 28 april 2015 en 10 juni 2015 nadere stukken ingediend.

1.5.

De man heeft op 2 december 2014 en 20 april 2015 nadere stukken ingediend.

1.6.

De zaak is op 27 augustus 2015 ter terechtzitting behandeld.

1.7.

Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- de advocaat van de vrouw;

- de heer O. Ente, vertegenwoordiger van de Raad.

1.8.

De vrouw is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter terechtzitting verschenen.

2 Verdere feiten

2.1.

Bij arrest van dit hof van 11 november 2014 (zaaknummer 200.150.301/01 KG) is – voor zover thans van belang – het vonnis in kort geding van de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam van 15 april 2014 vernietigd, zowel in conventie als in reconventie, echter met uitzondering van eventueel reeds op grond van dat vonnis door de vrouw verbeurde dwangsommen. Voorts is de beschikking van de rechtbank van 19 maart 2014 alsnog uitvoerbaar bij voorraad verklaard, totdat in hoger beroep in de procedure over de hoofdverblijfplaats en de zorgregeling van de kinderen (zijnde de onderhavige procedure) een definitieve beslissing is genomen, en is de vrouw veroordeeld haar medewerking te verlenen aan het uitvoeren van de bij de tussenbeschikking vastgestelde voorlopige zorgregeling, op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag dat zij niet aan deze verplichting voldoet, met een maximum aan te verbeuren dwangsommen van € 5.000,-.

2.2.

Bij brief van 13 november 2014 heeft de vrouw een uitspraak van het Tribunal de Grande Instance de Lyon van 30 september 2014 in het geding gebracht. Bij die uitspraak is – kort gezegd – het verzoek van de man tot teruggeleiding van de kinderen naar Nederland afgewezen.

2.3.

Bij brief van 20 april 2015 heeft de man het hof medegedeeld dat de vrouw geen medewerking heeft verleend aan de eerste twee omgangsmomenten in december en februari 2015 en dat er evenmin Skype-contact tussen hem en de kinderen heeft plaatsgevonden, beide zoals bepaald in de tussenbeschikking.

3 Verdere beoordeling

Rechtsmacht

3.1.

De vrouw stelt zich in haar brief van 13 november 2014 – kort gezegd – op het standpunt dat het hof, gezien de hiervoor onder 2.2. genoemde uitspraak van de Franse rechter, zich in het onderhavige geding onbevoegd dient te verklaren. Daarnaast verzoekt de vrouw dat het hof zich alsnog onbevoegd verklaart ter zake van zijn beslissing in kort geding van 11 november 2014.

In zijn reactie van 2 december 2014 heeft de man zich op het standpunt gesteld dat het hof bevoegd is.

3.2.

Ter beoordeling ligt allereerst voor of het hof (thans nog) bevoegd is van het onderhavige geschil kennis te nemen.

Zoals het hof reeds heeft vastgesteld in de tussenbeschikking, verblijven de kinderen sinds maart/april 2014 bij de vrouw in Frankrijk. Van toepassing is de Verordening (EG) nr. 2201/2003 van 27 november 2003, PbEG 2003, L 338 (hierna: Brussel II-bis). Artikel 8 Brussel II-bis bepaalt dat, onder voorbehoud van het bepaalde in de artikelen 9, 10 en 12, ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid – onder welk begrip mede de vervangende toestemming voor verhuizing van een kind, diens hoofdverblijfplaats en het omgangrecht valt, zoals in de onderhavige procedure aan de orde (zie artikel 1 lid 2 Brussel II-bis) – bevoegd zijn de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt.

Het begrip “gewone verblijfplaats” in artikel 8 Brussel II-bis dient verordening autonoom te worden uitgelegd en moet volgens het Hof van Justitie van de Europese Unie aldus worden verstaan dat het de plaats is die een zekere integratie van het kind in een sociale en familiale omgeving tot uitdrukking brengt. Die plaats moet worden bepaald aan de hand van alle relevante feiten en omstandigheden van het geval. Ingevolge artikel 16 lid 1 sub a Brussel II‑bis wordt een zaak geacht aanhangig te zijn gemaakt in de zin van artikel 8 lid 1 Brussel II‑bis, op het tijdstip waarop het stuk waarmee het geding wordt ingeleid, wordt ingediend.

Ten tijde van zowel de indiening van het inleidend verzoekschrift van de vrouw op 26 november 2013 als van het zelfstandig verzoek van de man op 18 februari 2014 was de vrouw nog niet met de kinderen naar Frankrijk verhuisd en was zij met de kinderen woonachtig in Nederland, zodat de gewone verblijfplaats van de kinderen op dat moment in Nederland was gelegen. Het beroep van de vrouw op het bepaalde in artikel 9 Brussel II‑bis faalt, reeds omdat deze bepaling slechts ziet op verzoeken met betrekking tot (wijziging van) het omgangsrecht die binnen drie maanden na de feitelijke verhuizing van een kind zijn ingediend en deze bepaling de bevoegdheid van de rechter van de oorspronkelijke woonplaats van het kind gedurende die periode van drie maanden juist in stand houdt. Ook is van een zodanig nieuw verzoek in dit geval geen sprake.

Op grond van het bepaalde in artikel 8 Brussel II-bis komt derhalve aan de Nederlandse rechter nog steeds bevoegdheid toe. Ook overigens (bijvoorbeeld uit hoofde van het bepaalde in artikel 15 Brussel II-bis) bestaat naar het oordeel van het hof geen grond voor verwijzing van de zaak naar de Franse rechter.

Uit het voorgaande volgt dat het hof bevoegd is van het onderhavige geschil kennis te nemen.

Principaal hoger beroep

3.3.

Aan de orde zijn thans nog de door de rechtbank aan de vrouw verleende vervangende toestemming om met de kinderen naar Frankrijk te verhuizen, de hoofdverblijfplaats van de kinderen, de zorgregeling en de door de man verzochte dwangsom.

verhuizing

3.4.

De man handhaaft zijn standpunt dat een verhuizing naar Frankrijk niet in het belang van de kinderen is. De rechtbank heeft het belang van de kinderen om opgevoed en verzorgd te worden door beide ouders onvoldoende in ogenschouw genomen en het belang van de vrouw om met de kinderen naar Frankrijk te verhuizen ten onrechte zwaarder laten wegen dan zijn belang en dat van de kinderen.

Volgens de man heeft de vrouw de noodzaak om te verhuizen onvoldoende aannemelijk gemaakt. Hiertoe voert hij aan dat de vrouw ten tijde van de verhuizing beschikte over woonruimte in [a] en dat zij opnieuw in aanmerking kan komen voor een woning en een uitkering als zij weer in [a] komt wonen. Hij betwist dat hij de vrouw heeft onderdrukt en bedreigd en stelt dat van een sociaal isolement geen sprake was. De vrouw heeft niet aangetoond dat zij in Frankrijk snel een baan kan vinden of dat zij in Nederland geen werk kan vinden. Evenmin is gebleken dat de vrouw inmiddels een baan heeft in Frankrijk. Voorts heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat er door middel van telecommunicatie voldoende tussentijdse contactmogelijkheden zijn tussen hem en de kinderen. De man stelt dat sinds de verhuizing nauwelijks contact heeft plaatsgevonden tussen hem en de kinderen en dat de vrouw geen medewerking heeft verleend aan de door het hof bepaalde voorlopige zorgregeling, maar dat hij zelf driemaal naar Frankrijk is gegaan om de kinderen te kunnen zien. Evenmin heeft er Skype-contact tussen hem en de kinderen plaatsgevonden. De man vreest dat hij geen contact meer met de kinderen zal hebben, indien de vrouw met de kinderen in Frankrijk mag blijven, nu de vrouw zich nochtans niet heeft gehouden aan rechterlijke uitspraken en niet heeft meegewerkt aan het raadsonderzoek. Tenslotte stelt hij dat zijn ouderschap extreem wordt uitgehold.

3.5.

De vrouw handhaaft eveneens haar standpunt en stelt dat zij uit Nederland is vertrokken, omdat zij wederom door de man werd bedreigd en dat zij meende de benodigde toestemming daartoe te hebben met de beschikking van de rechtbank van 19 maart 2014. Zij betoogt verder dat de verhuizing noodzakelijk is en was, omdat zij in Nederland geen familie of vrienden heeft en zich door de constante bedreiging van de man onveilig voelt. Voorts kan zij vanwege haar slechte beheersing van de Nederlandse taal en het ontbreken van relevante werkervaring geen baan vinden in Nederland. Zij spreekt vloeiend Frans, heeft in Frankrijk een HBO-opleiding afgerond en aldaar bij een bank gewerkt, zodat zij verwacht daar eerder een baan op haar niveau te vinden. De communicatie tussen partijen verloopt slecht. De vrouw stelt dat het in Nederland niet goed ging met de kinderen en dat zij getuige zijn geweest van huiselijk geweld. In Frankrijk gaat het volgens de vrouw goed met de kinderen, zij hebben daar vriendjes en zij zijn telkens overgegaan naar de volgende klas. De vrouw stelt voorts dat zij in Frankrijk beschikt over een eigen woning, daar een baan heeft gehad en thans een uitkering voor haar en de kinderen ontvangt.

3.6.

De Raad heeft – ingevolge de tussenbeschikking – onderzoek verricht naar de situatie van de kinderen in Frankrijk, hun hoofdverblijfplaats en de gewenste zorgregeling. Uit het hiervoor onder 1.3 vermelde rapport blijkt dat de Raad zich onthoudt van advies ter zake, omdat tijdens het onderzoek onvoldoende actuele informatie is verkregen om weloverwogen advies uit te brengen. De Raad heeft tijdens het onderzoek de kinderen niet kunnen spreken en door de hulpverlenende instanties in Frankrijk is geen huisbezoek bij de vrouw afgelegd. De Raad acht het wel van groot belang dat partijen met elkaar in gesprek komen over de kinderen en over de uitvoering van de zorgregeling en acht (crossborder) mediation daartoe noodzakelijk. Daarnaast acht de Raad opvoedingsondersteuning in de opvoedsituatie van beide ouders nodig, zodat er meer zicht kan komen op hun beider opvoedingsvaardigheden. Ten slotte acht de Raad een informatieplicht van de verzorgende ouder naar de niet‑verzorgende ouder van belang met een frequentie van minimaal viermaal per jaar.

3.7.

Het hof overweegt als volgt. Ingevolge het bepaalde in artikel 1:253a Burgerlijk Wetboek dient de rechter in geschillen zoals het onderhavige omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag een zodanige beslissing te nemen als hem in het belang van de kinderen wenselijk voorkomt. Bij deze beoordeling dient de rechter de belangen van alle betrokkenen in aanmerking te nemen en tegen elkaar af te wegen. Het belang van de kinderen staat daarbij voorop en dient een overweging van de eerste orde te zijn. Dat neemt niet weg dat, afhankelijk van alle omstandigheden van het geval, andere belangen zwaarder kunnen wegen.

3.8.

Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting in hoger beroep van 8 september 2014 en 27 augustus 2015 is het volgende gebleken.

De vrouw heeft de Franse nationaliteit. Tot het huwelijk met de man in 2001 heeft zij in Frankrijk gewoond. Zij heeft in het jaar 2000 een hoger beroepsopleiding in Frankrijk afgerond en is aldaar in het bankwezen werkzaam geweest.

Hoewel de vrouw ruim twaalf jaar in Nederland heeft gewoond, waar ook de kinderen van partijen zijn geboren, acht het hof voldoende aannemelijk geworden dat de vrouw in Nederland in een sociaal isolement verkeerde. Zij had weinig tot geen directe familie in Nederland. De familieleden die in Nederland wonen, betreffen – naar de man zelf te kennen heeft gegeven – familieleden van de man. In Frankrijk wonen de moeder, broers en zussen van de vrouw, zodat zij aldaar een groter sociaal netwerk heeft.

Het hof acht mede gezien de omstandigheid dat de vrouw de cursus Nederlands niet heeft afgerond – voldoende aannemelijk dat de vrouw de Franse taal, die zij vloeiend spreekt, beter beheerst dan de Nederlandse en dat de vrouw in Frankrijk beter in staat zal zijn om een sociaal en professioneel netwerk op te bouwen. Gelet hierop en het feit dat zij in Frankrijk een HBO‑opleiding heeft afgerond, heeft de vrouw voorts voldoende aannemelijk gemaakt dat zij in Frankrijk betere kansen op de arbeidsmarkt heeft dan in Nederland. Niet in geschil is dat de vrouw vóór haar verhuizing naar Frankrijk een bijstandsuitkering ontving en derhalve op dat moment geen werk had in Nederland. Tegenover de gemotiveerde betwisting door de vrouw heeft de man onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de vrouw tijdens het huwelijk, althans sinds de geboorte van de kinderen, substantieel heeft gewerkt in Nederland. Weliswaar is ter zitting in hoger beroep gebleken dat de vrouw thans in Frankrijk wederom een uitkering voor haar en de kinderen ontvangt, doch zij heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat zij na haar verhuizing in 2014 gedurende drie maanden bij de Attijariwafa bank Europe heeft gewerkt. De stelling van de man dat de door de vrouw in dit verband overgelegde arbeidsovereenkomst vals zou zijn, is door de vrouw voldoende gemotiveerd betwist aan de hand van een tweetal door haar in het geding gebrachte salarisspecificaties.

Daargelaten of de vrouw medio maart 2014 wist of kon weten dat haar huurovereenkomst voor bepaalde tijd zou worden omgezet in een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd, heeft de vrouw, gelet op het voorgaande, haar belang om met de kinderen naar Frankrijk te verhuizen en haar persoonlijke noodzaak daartoe voldoende aannemelijk gemaakt. Bovendien staat vast dat de vrouw ten tijde van de verhuizing samen met de kinderen in Frankrijk over woonruimte beschikte, weliswaar inwonend bij de moeder van de vrouw, terwijl in ieder geval tot medio maart 2014 geen sprake was van een zekere en bestendige woonsituatie in Nederland.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, is het hof van oordeel dat het belang van de vrouw, en dat van de kinderen, bij een verhuizing naar Frankrijk, mede gelet op de nog jonge leeftijd van de kinderen en het feit dat de vrouw altijd de primaire verzorger is geweest van de kinderen, zowel tijdens als na het huwelijk van partijen, zwaarwegend is.

3.9.

Gebleken is voorts dat de vrouw thans in Frankrijk beschikt over een eigen woning in de nabijheid van de woning van haar moeder die indien nodig voor opvang van de kinderen kan zorgdragen. De man heeft niet betwist dat de vrouw voorafgaand aan de verhuizing reeds een geschikte school in Frankrijk had benaderd, waar de kinderen op 24 maart 2014 zijn ingeschreven. Hoewel de vrouw door haar plotselinge vertrek naar Frankrijk, waarbij de kinderen geen afscheid hebben kunnen nemen van de man, vriendjes en klasgenootjes, het belang van de kinderen daarbij onvoldoende in ogenschouw heeft genomen, heeft zij wat huisvesting, school en opvang van de kinderen betreft, de verhuizing voldoende voorbereid. Voorts blijkt uit het raadsrapport dat partijen tijdens het huwelijk eenmaal per jaar naar de grootmoeder moederszijde (mz) in Frankrijk gingen en dat de kinderen daardoor bekend waren met de omgeving aldaar.

3.10.

Tegenover het hiervoor vermelde belang van de vrouw staan het belang van de man en de kinderen bij onverminderd contact met elkaar, alsmede het belang van de man om als gezagdragende ouder bij hun verzorging en opvoeding betrokken te blijven en de kinderen in zijn directe omgeving te kunnen zien opgroeien en het belang van de kinderen om in hun vertrouwde omgeving te kunnen opgroeien.

3.11.

Gebleken is dat het gaat om kwetsbare kinderen. Vaststaat dat de kinderen in de vroegere gezinssituatie met partijen getuige zijn geweest van ruzies tussen hun ouders en dat zij kampten met gedragsproblemen toen zij nog in Nederland op school zaten. Blijkens het raadsrapport heeft de toenmalige leerkracht van [kind 2] in Nederland te kennen gegeven dat [kind 2] leek te reageren op de spanningen thuis, opstandig gedrag vertoonde en veel non‑verbaal ruzie maakte met andere kinderen. Wanneer [kind 2] in het weekend bij de man was geweest, had zij volgens de leerkracht weer moeite om zich aan te passen aan de regels op school en moest zij gecorrigeerd worden in haar gedrag. Volgens de leerkracht was de vrouw altijd erg betrokken bij de kinderen, maar de omstandigheid dat de vrouw erg gespannen was, had eveneens zijn weerslag op [kind 2] . Ook [kind 1] vertoonde gedragsproblemen. De vrouw heeft [kind 1] in 2013 aangemeld bij de GGD vanwege zijn agressieve gedrag, waarna hij de cursus “Piep zei de muis” heeft doorlopen.

Gebleken is echter dat het thans in Frankrijk goed gaat met de kinderen op school. De man heeft dit ter zitting in hoger beroep van 27 augustus 2015 ook erkend. Namens de vrouw is ter zitting verklaard dat de school haar heeft laten weten dat door de school aan de Raad is bericht dat het goed gaat met de kinderen op school. Zowel in het schooljaar 2013/2014 als in het schooljaar 2014/2015 zijn de kinderen overgegaan naar de volgende klas. De Franse leerkrachten van de kinderen in het schooljaar 2013/2014 hebben in de schoolrapporten vermeld dat de kinderen zich snel aangepast hebben aan hun nieuwe school en aldaar vriendjes en vriendinnetjes hebben. Hoewel de Raad slechts beperkt zicht heeft verkregen op de actuele situatie van de kinderen, heeft het hof geen, althans onvoldoende concrete aanwijzingen dat het niet goed zou gaan met de kinderen. De stelling van de man in dit verband dat de kinderen er tijdens zijn laatste bezoek aan hen in Frankrijk in juni 2015 onverzorgd uitzagen, acht het hof hiervoor onvoldoende. Evenmin heeft de man, in het licht van de gemotiveerde betwisting door de vrouw, voldoende onderbouwd dat de kinderen in Frankrijk een geïsoleerd leven zouden leiden.

Gelet op het vorenstaande bestaan onvoldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat de kinderen de gevolgen van de verhuizing, hoe ingrijpend ook, niet goed hebben kunnen verwerken. Het hof acht in dit verband nog van belang dat, zoals de Raad in zijn raadsrapport te kennen heeft gegeven, de vrouw ook in het verleden hulp heeft gezocht voor [kind 1] toen dat voor hem noodzakelijk was.

3.12.

Het belang van de man en de kinderen bij regelmatige omgang met elkaar is duidelijk en ook niet in geschil. De stelling van de man dat hij, in het geval het verzoek van de vrouw wordt toegewezen, beperkt wordt in zijn mogelijkheden om contact te hebben met de kinderen en om een grote rol in de verzorging en opvoeding van de kinderen te vervullen, acht het hof aannemelijk. Hierbij neemt het hof mede in aanmerking dat gebleken is dat de vrouw de door het hof bepaalde voorlopige zorgregeling niet is nagekomen. Daartegenover staat dat blijkens het raadsrapport de kinderen na het uiteengaan van partijen, in de periode van januari 2013 tot aan de verhuizing naar Frankrijk, overeenkomstig de hiervoor vermelde beschikking van de voorzieningenrechter van 9 januari 2013, tweemaal per maand gedurende een weekend bij de man hebben verbleven en de vrouw deze zorgregeling, ook naar zeggen van de man, merendeels is nagekomen. Verder is ter zitting van 27 augustus 2015 en uit het raadsrapport gebleken dat de man de kinderen driemaal in Frankrijk heeft bezocht en aldaar contact met hen heeft gehad bij de grootmoeder mz thuis of – met instemming van de vrouw – buitenshuis. Daarnaast heeft een aantal keren telefonisch contact tussen de man en de kinderen plaatsgevonden.

Onder deze omstandigheden acht het hof onvoldoende aannemelijk geworden dat de vrouw, zoals de man stelt, bij toewijzing van haar verzoek, contact tussen de man en de kinderen zal belemmeren. Hierbij wordt mede in aanmerking genomen dat in het verweerschrift alsmede ter zitting in hoger beroep van 27 augustus 2015 namens de vrouw is verklaard dat zij niet tegen omgang tussen de man en de kinderen in de vakanties is, maar dat zij gezien de aangifte door de man jegens haar van ontvoering, de kinderen niet naar Nederland durfde te brengen uit angst voor strafrechtelijke vervolging. Ook blijkens het raadsrapport heeft de vrouw telefonisch aan de raadsonderzoeker te kennen gegeven dat zij het contact tussen de man en de kinderen niet wil belemmeren. Nu het verzoek van de man tot teruggeleiding van de kinderen naar Nederland inmiddels is afgewezen, acht het hof voormelde vrees van de vrouw thans niet langer gegrond en gaat het hof ervan uit dat de vrouw haar toezeggingen gestand zal doen. Naar het oordeel van het hof worden hierdoor de gevolgen van de verhuizing voor de man en de kinderen verzacht.

3.13.

Op grond van al hetgeen hiervoor is overwogen en alle belangen tegen elkaar afwegend, is het hof van oordeel dat het belang van de vrouw en de kinderen om naar Frankrijk te verhuizen en verhuisd te blijven zwaarder weegt dan het belang van de man om toestemming aan de verhuizing te onthouden. De rechtbank heeft derhalve terecht vervangende toestemming aan de vrouw verleend om met de kinderen naar Frankrijk te verhuizen. De stelling van de man dat partijen nog geen ouderschapsplan hadden gemaakt en in de echtscheidingsprocedure evenmin over de verdeling van de zorg is beslist, maakt dit oordeel, gelet op voormelde belangenafweging, niet anders.

3.14.

Uit het voorgaande vloeit tevens voort dat het verzoek van de man om de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij hem te bepalen voor zover de vrouw niet in [a] woonachtig is, zal worden afgewezen. Zoals hiervoor overwogen, lag het zwaartepunt van de opvoeding bij de vrouw en hebben de kinderen ook sinds het uiteengaan van partijen bij haar verbleven. Daarbij komt dat niet is gebleken dat de vrouw als de verzorgende ouder, niet goed voor de kinderen heeft gezorgd of zorgt.

zorgregeling

3.15.

Het hof zal bij de vaststelling van een zorgregeling een zodanige beslissing nemen als hem in het belang van de kinderen wenselijk voorkomt.

Gelet op hetgeen hierboven is overwogen met betrekking tot de verhuizing, acht het hof de door de man zowel in eerste aanleg als in hoger beroep verzochte uitgebreide zorgregeling, te weten dat de kinderen wekelijks van donderdagavond tot maandagochtend, alsmede de helft van de schoolvakanties en feestdagen bij hem zullen verblijven, niet in het belang van de kinderen, die immers met de vrouw in Frankrijk zullen blijven wonen.

Mede in aanmerking genomen de leeftijd van de kinderen en het feit dat zij schoolgaand zijn, acht het hof het in het belang van de kinderen wenselijk de navolgende zorgregeling vast te stellen:

- in de kerstvakantie zullen de kinderen gedurende één week bij de man verblijven, waarbij de man hen zal ophalen en terugbrengen;

- in de voorjaarsvakantie zullen de kinderen gedurende één week bij de man verblijven, waarbij de man hen zal ophalen en terugbrengen;

- in de zomervakantie zullen de kinderen gedurende drie weken bij de man verblijven, waarbij de vrouw hen zal brengen en de man hen zal terugbrengen.

Voorts zal het hof bepalen dat de man en de kinderen eenmaal per twee weken op zondag om 18.00 uur Skype- en/of telefonisch contact met elkaar zullen hebben.

Het hof overweegt ten overvloede dat partijen in onderling overleg van deze regeling kunnen afwijken.

De vrouw heeft geen grief gericht tegen het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de reiskosten voor de internationale zorgregeling. Dat punt is derhalve in hoger beroep niet aan de orde.

3.16.

Weliswaar is gebleken dat de vrouw tot aan de verhuizing naar Frankrijk de door de voorzieningenrechter op 9 januari 2013 bepaalde zorgregeling voor het merendeel is nagekomen, maar daartegenover staat dat de vrouw na de verhuizing onvoldoende medewerking heeft verleend aan de voorlopig bepaalde zorgregeling. Het hof acht het derhalve geboden om een dwangsom te verbinden aan nakoming van de hierna vast te stellen zorgregeling, zoals door de man is verzocht. Het hof zal, in aanmerking genomen alle omstandigheden van het geval, de vrouw een dwangsom opleggen van € 250,- per dag dat zij na betekening van deze beschikking de zorgregeling niet nakomt, met een maximum aan te verbeuren dwangsommen van € 5.000,- per jaar.

3.17.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, ziet het hof onvoldoende aanleiding om uitvoerbaarverklaring bij voorraad aan deze beschikking te onthouden, zoals door de man subsidiair is verzocht. Dit verzoek van de man zal derhalve te worden afgewezen.

Incidenteel hoger beroep

3.18.

De vrouw heeft verzocht de bij vonnis van de voorzieningenrechter van 15 april 2014 opgelegde dwangsommen op te heffen, dan wel te verminderen.

Het hof volgt de man in zijn stelling dat de vrouw niet‑ontvankelijk dient te worden verklaard in haar incidenteel hoger beroep, nu dit verzoek niet de bestreden beschikking betreft, maar betrekking heeft op een beslissing die is genomen in een andere procedure dan de onderhavige.

Proceskosten

3.19.

De man betoogt dat de vrouw dient te worden veroordeeld in de kosten van het incidenteel hoger beroep. In dit verband voert hij aan dat het instellen van hoger beroep tegen een beslissing die in een andere procedure is genomen, geen enkele kans van slagen heeft en nodeloos procederen betreft. De vrouw heeft ter zitting in hoger beroep verzocht het verzoek tot proceskostenveroordeling af te wijzen.

Het hof is van oordeel dat de vrouw, nu zij – zoals hiervoor onder 3.18 is overwogen – met dit incidentele hoger beroep, onnodig een procedure heeft gevoerd, zij nodeloos kosten aan de zijde van de man heeft veroorzaakt. De vrouw zal derhalve worden veroordeeld in de kosten van het incidenteel hoger beroep. Het hof acht termen aanwezig om het aan salaris van de advocaat te liquideren bedrag te begroten op 2 punten (1 punt conclusie, ½ punt voor elke zitting, tarief II), en derhalve te waarderen op € 1.788,-.

5 Beslissing

Het hof:

in principaal hoger beroep:

vernietigt de beschikking waarvan beroep, voor zover het de daarbij bepaalde zorgregeling –

behoudens de reiskosten – betreft, en in zoverre opnieuw rechtdoende:

bepaalt de navolgende verdeling van de zorg- en opvoedingstaken:

- in de kerstvakantie zullen de kinderen gedurende één week bij de man verblijven, waarbij de man hen zal ophalen en terugbrengen;

- in de voorjaarsvakantie zullen de kinderen gedurende één week bij de man verblijven, waarbij de man hen zal ophalen en terugbrengen;

- in de zomervakantie zullen de kinderen gedurende drie weken bij de man verblijven, waarbij de vrouw hen zal brengen en de man hen zal terugbrengen;

daarnaast zullen de man en de kinderen eenmaal per twee weken op zondag om 18.00 uur Skype- en/of telefonisch contact met elkaar hebben;

veroordeelt de vrouw haar medewerking te verlenen aan het uitvoeren van de hiervoor bepaalde zorgregeling, op straffe van een dwangsom van € 250,- per dag dat zij na betekening van deze beschikking deze zorgregeling niet nakomt, met een maximum aan te verbeuren dwangsommen van € 5.000,- per jaar;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep voor het overige;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte;

in incidenteel hoger beroep:

verklaart de vrouw niet-ontvankelijk is het door haar ingestelde incidenteel hoger beroep;

veroordeelt de vrouw in de proceskosten van het incidenteel hoger beroep, aan de zijde van de man begroot op € 1.788,- aan salaris advocaat, en verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.N. van de Beek, mr. C.E. Buitendijk en mr. J. Kok in tegenwoordigheid van mr. J.H.M. Kessels als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 20 oktober 2015.