Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:4257

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
13-10-2015
Datum publicatie
19-10-2015
Zaaknummer
200.162.989/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vordering door werkneemster verduisterde gelden in kort geding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/1970
AR-Updates.nl 2015-1047
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.162.989/01

zaaknummer rechtbank Noord-Holland : C/15/216136/KG ZA 14-382

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 13 oktober 2015

inzake

[appellante] ,

wonend te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,

appellante,

advocaat: mr. M.M.P.M. Lousberg te Amsterdam,

tegen

STICHTING BEHEER JAA TRAINING ORGANISATION,

gevestigd te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer,

geïntimeerde,

advocaat: mr. P.J. Bos te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellante] en JAA genoemd.

[appellante] is bij dagvaarding van 28 oktober 2014 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Haarlem (hierna: de voorzieningenrechter), van 3 oktober 2014, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen in kort geding tussen JAA als eiseres en [appellante] als gedaagde.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;

- memorie van antwoord, met producties.

Partijen hebben de zaak ter zitting van 22 juli 2015 door hun advocaten doen bepleiten. Zij hebben zich daarbij bediend van pleitnotities die zijn overgelegd.

Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellante] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en - uitvoerbaar bij voorraad - alsnog de vorderingen van JAA zal afwijzen met veroordeling van JAA in de kosten van het geding in beide instanties.

JAA heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis waarvan beroep, met veroordeling van [appellante] in de kosten van het geding in hoger beroep met rente.

Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

2 Feiten

De voorzieningenrechter heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.16 de feiten vastgesteld die hij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, komen de feiten neer op het volgende.

( i) JAA is een rechtspersoon die zich bezighoudt met het geven van trainingen op het gebied van veiligheid in de luchtvaart.

(ii) Directeur van JAA is [A] (hierna: [A] ). [A] verblijft voor zijn werkzaamheden met grote regelmaat in het buitenland en heeft in dat verband zo nu en dan contant geld nodig.

(iii) [appellante] is op 1 april 2009 in dienst getreden bij JAA in de Functie van ‘financial

manager/analyst/ business controller’. Voor haar werkzaamheden als business controller was [appellante] in het bezit van een bankpas met pasnummer [nummer] van de bankrekening [rekeningnummer] van JAA bij ABN AMRO Bank N.V. (hierna: ABN AMRO).

(iv) Op een door JAA als productie 16 in eerste aanleg overgelegd ‘overzicht pashistorie’ wordt vermeld dat er op 1 juli 2014 een nieuwe bankpas voor genoemd rekeningnummer is aangevraagd. Dit betreft de bankpas met pasnummer [nummer] . Uit het overzicht blijkt eveneens dat deze bankpas op 3 juli 2014 om 13:32:28 uur door [appellante] is geactiveerd.

( v) Op 5 juli 2014 is een bedrag van € 2.000,00 van voornoemde rekening opgenomen op het kantoor van ABN AMRO aan het Lorenplein 40 te Badhoevedorp met bankpas nummer [nummer] . Op 14, 17, 18 en 19 juli 2014 is steeds € 500,00 opgenomen bij ‘Bancosabadel! Santa Eulalia’ met bankpas nummer [nummer] .

(vi) Op 21 juli 2014 heeft [A] aangifte gedaan van verduistering in dienstbetrekking door [appellante] . Directe aanleiding hiervoor was dat een medewerkster van JAA had opgemerkt dat er contant geld was opgenomen met een bankpas van JAA bij een bank op het vakantieadres van [appellante] op [plaats] ( [land] ). (vii) JAA heeft vervolgens D.F.C. Wortelboer AA CB van VANDERLAANGROEP Audit B.V. (hierna: Vanderlaangroep ) opdracht gegeven om een accountantsonderzoek uit te voeren bij JAA over de periode 1 januari 2010 tot en met 29 juli 2014. In de beschrijving van de uitgevoerde werkzaamheden wordt in het ‘Rapport van feitelijke bevindingen inzake onderzoek naar verdachte transacties van medewerkster [appellante] ‘ van 18 augustus 2014 ,voor zover relevant, het volgende vermeld:

2. “Wij hebben over de betreffende periode onderzoek gedaan naar de bankrekening [rekeningnummer] op naam van Stichting Beheer JAA Organisation. Hierbij is gezocht naar:

a. Contante opnamen met pasnummer [nummer] en [nummer] , welke aan mevrouw [appellante] ter beschikking stonden;

b. Overboekingen naar rekening [rekeningnummer] op naam van mevrouw [appellante] , niet zijnde haar netto-salaris of reiskostenvergoeding;

c. Overboekingen naar rekening [rekeningnummer] :”

(viii) In de samenvatting van dit rapport zijn in hoofdstuk 6.3 de volgende bevindingen weergegeven:

Wij hebben geconstateerd dat een bedrag van tenminste € 385.869 aan contante opnamen, overboekingen naar mevrouw [appellante] en kasafstortingen/kruisposten niet op correcte wijze in de financiële

administratie zijn verantwoord.

BIJLAGE A € 850

BIJLAGE B € 36.051

BIJLAGE C € 62.400

BJJLAGE D € 74.150

BIJLAGE E € 66.520

BIJLAGE F € 96.372

BIJLAGE G € 49.526

-----------------------------

TOTAAL € 385.869

(ix) In bijlage A tot en met E bij het accountantsrapport zijn overzichten opgenomen

van de (pin)transacties aangaande bankrekening [rekeningnummer] in de jaren 2010 tot en met 2014, de wijze waarop deze zijn verwerkt in ‘Exact’(bankboek) en de bevindingen van de accountant ten aanzien daarvan. Het gaat hierbij om een totaalbedrag van € 239.970,45 dat niet op de juiste wijze in de administratie zou zijn verwerkt. Dat bedrag is (blijkens het accountantsrapport en de bijlagen A tot en met E daarbij) als volgt verwerkt in de grootboekadministratie:

  1. € 49.750,00 aan geldopnames als kruisposten.

  2. € 29.850,00 aan geldopnames welke direct als kosten zijn geboekt zonder dat daar facturen of andere boekstukken ten grondslag liggen.

  3. € 146.325,00 aan geldopnames die geboekt zijn als betalingen aan crediteuren, waarbij de indruk is gewekt dat het geld dat werd opgenomen contant (aan derden) werd voldaan.

  4. Een bankoverboeking van € 3.050,90 naar de bankrekening van [appellante]

met nummer [rekeningnummer] werd geboekt als diverse algemene

kosten, zonder dat er enige bescheiden in de administratie te vinden zijn.

Diverse bankoverboekingen naar de bankrekening van [appellante] met

nummer [rekeningnummer] in 2014 van in totaal € 12.464,52 werden geboekt als werden de betreffende bedragen betaald op de bedrijfsrekening van [Y] en als reiskosten in de grootboekadministratie opgenomen. In de administratie werden dubbele kosten opgenomen tegenover een enkele factuur.

vi. Een bankoverboeking naar bankrekening [rekeningnummer] op 20 mei

2014 van € 2.196,53 werd geboekt als ware deze gericht aan de

bedrijfsrekening van [Y] . Deze bankrekening staat echter niet op

naam van [Y] maar op naam van de echtgenoot van [appellante] .

( x) Als bijlage F is bijgevoegd een ‘Overzicht ontvangen debiteuren via kruisposten die niet zijn tegen geboekt’. Het gaat hierbij om contante, onverantwoorde debiteurenbetalingen voor een bedrag van € 96.732,43, welk bedrag volgens de administratie in kas had moeten zitten maar daarin niet werd aangetroffen.

(xi) Als bijlage G is ten slotte een overzicht bijgevoegd van alle transacties van de

bankrekening [rekeningnummer] van JAA naar bankrekening

[rekeningnummer] op naam van [appellante] in de jaren 2012 tot en met 2014. In totaal gaat het hierbij om een bedrag van € 49.525,78. Blijkens het accountantsrapport en bijlage G daarbij ontbraken vijf bankafschriften waarop mutaties van die aard te zien zijn in de administratie. In 2012 zijn deze mutaties op een tussenrekening geboekt. In de omschrijvingen zijn factuurnummers genoemd die niet in de administratie voorkomen.

(xii) De onder 2.6 bedoelde pintransactie van € 2.000,00 is opgenomen in bijlage E van het accountantsrapport met omschrijving ‘GEA NR:S1F297 05.07.14/17.09

LORENTZPLEIN 40 BADHOEVE, PAS [nummer] ‘.

(xiii) Van de overboekingen van JAA aan rekeninghouder [Y] met als

werkelijk begunstigde (het rekeningnummer van) [appellante] heeft JAA als productie 17 in eerste aanleg een aantal voorbeelden overgelegd.

(xiiv) Van de geldopnames met de bankpasnummer [nummer] in Badhoevedorp heeft

JAA een aantal bankafschriften overgelegd .

(xv) [appellante] is bij brief van de advocaat van JAA van 24 juli 2014 op staande voet

ontslagen. In die brief is haar tevens aangezegd dat zij schadeplichtig is jegens JAA.

(xvi) Bij vonnis in kort geding van 20 oktober 2014 zijn de vorderingen van [appellante] tot doorbetaling van loon c.a. afgewezen, op de grond dat de kort gedingrechter aannemelijk achtte dat het ontslag op staande voet in rechte stand zou houden.

3 Beoordeling

3.1

JAA heeft in deze procedure als voorziening in kort geding gevorderd dat [appellante] wordt veroordeeld tot betaling van:

- € 385.869,00 met wettelijke rente wegens verduistering;

- € 4.226,99 met wettelijke rente aan beslagkosten;

- € 21.156,85 met wettelijke rente wegens accountantskosten;

- de buitengerechtelijke kosten overeenkomstig het Besluit vergoedingen voor

buitengerechtelijke kosten met wettelijke rente.

JAA heeft aan haar vorderingen ten grondslag gelegd dat [appellante] haar positie van financial manager/analyst/bussiness controller stelselmatig heeft misbruikt door zich zonder toestemming van JAA grote sommen geld toebehorend aan JAA, zowel giraal als chartaal, toe te eigenen. JAA heeft ter nadere toelichting en cijfermatige onderbouwing van haar stellingen het rapport van Vanderlaangroep genoemd onder 2 (vii) in het geding gebracht.

3.2

[appellante] heeft de stellingen van JAA betwist en gesteld dat er sprake is van valse aantijgingen. [appellante] heeft meer in het bijzonder aangevoerd dat [A] vaak reizen maakte naar het buitenland en dat de door haar verrichte opnames van contant geld met een door JAA aan haar ter beschikking gestelde pinpas dienden om [A] daarbij telkens van het nodige contante geld te voorzien. Zij betwist dat zij opnames met een pinpas nummer [nummer] heeft gedaan stellende dat zij nimmer de beschikking heeft gehad over deze pinpas. De girale overboekingen naar haar bankrekening vloeiden voort uit de bereidheid van [A] om haar zo nu en dan bij te springen wanneer ze krap bij kas zat; daarvoor werden door [A] aangewezen facturen gebruikt. Deze betalingen kenden soms het karakter van een voorschot, maar meestal betrof het een extraatje. Het rapport van de accountant komt geen waarde toe nu het niet is opgesteld door een onafhankelijke accountant maar door een met [A] bevriende accountant, terwijl bovendien onderliggende stukken ontbreken, zodat het niet mogelijk is om te toetsen of de in het rapport genoemde gegevens kloppen, aldus steeds [appellante] . Zij vordert tevens veroordeling van JAA in de werkelijke proceskosten door haar begroot op € 3.600,-.

3.3

De voorzieningenrechter heeft de vordering tot betaling van het wegens verduisteringen door JAA gevorderde bedrag in zijn geheel toegewezen, overwegende dat hij, kort gezegd, het verweer van [appellante] dat zij al de door haar opgenomen contante bedragen ter beschikking heeft gesteld aan JAA volstrekt onaannemelijk achtte, evenals de verklaring van [appellante] voor de overboekingen naar haar eigen bankrekening. De stelling van [appellante] dat zij geen opnames heeft gedaan met de pinpas met nummer [nummer] heeft de voorzieningenrechter aangemerkt als onwaar. Aldus achtte de voorzieningenrechter de hoogte van de vordering van JAA op [appellante] in zeer hoge mate aannemelijk. Wettelijke rente is toegewezen vanaf de dag van de inleidende dagvaarding

De gevorderde beslagkosten zijn toewijsbaar geacht op grond van artikel 706 Rv.

De kosten van de ingeschakelde accountant kwamen, zo overwoog de voorzieningenrechter tot een bedrag van € 14.985,00 voor toewijzing in aanmerking, nu deze konden worden aangemerkt als kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid in de zin van artikel 6:96 lid 2 onder b BW. Wettelijke rente over de desbetreffende kosten is toegewezen vanaf veertien dagen na betekening van het vonnis.

De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten is afgewezen, nu JAA niet (voldoende onderbouwd) heeft gesteld dat zij deze kosten daadwerkelijk heeft gemaakt en dat die kosten betrekking hebben op meer dan gebruikelijke werkzaamheden ter voorbereiding van een rechtsgeding.

[appellante] is ten slotte in de proceskosten van JAA veroordeeld met wettelijke rente vanaf 14 dagen na betekening van het vonnis.

Tegen deze beslissingen en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [appellante] met haar grieven op.

3.4

De grieven hebben de kennelijke strekking te betwisten dat [appellante] zich het bedrag van € 385.869,00 op onrechtmatige wijze heeft toegeëigend. Geen specifieke grieven zijn gericht tegen de toegewezen bedragen ter zake van beslag- en accountantskosten. [appellante] heeft ter onderbouwing van haar grieven een aantal bevindingen uit het rapport van Vanderlaangroep van 18 augustus 2014 bestreden en daaraan de conclusie verbonden dat in ieder geval nader onderzoek dient plaats te vinden, waarvoor in kort geding geen plaats is, zodat de vorderingen van JAA alsnog dienen te worden afgewezen. Meer in het bijzonder heeft zij nogmaals betwist dat zij met bankpas nummer [nummer] gelden heeft opgenomen.

3.5

Het hof stelt voorop dat ten aanzien van de in deze zaak (een geldvordering in kort geding) aan te leggen maatstaf de voorzieningenrechter terecht heeft overwogen dat een dergelijke vordering slechts toewijsbaar is indien het bestaan en de omvang van de vordering voldoende aannemelijk zijn geworden en daarnaast sprake is van feiten of omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening vereist is, terwijl in de afweging van belangen van partijen het risico van onmogelijkheid tot terugbetaling mede betrokken dient te worden.

3.6

Vastgesteld kan worden dat JAA haar vordering tot betaling van een aanzienlijke geldsom door [appellante] in belangrijke mate heeft gebaseerd op de uitkomsten van het hiervoor reeds genoemde rapport van Vanderlaangroep..

Dit rapport kent een drietal componenten met betrekking tot de aan [appellante] toegeschreven verduisteringen van gelden. Allereerst gaat het om contante opnames door [appellante] met pinpassen nummers [nummer] respectievelijk [nummer] (Bijlagen A tot en met E).

Voorts gaat het om overschrijvingen naar bankrekeningen in beheer bij [appellante] dan wel haar echtgenoot ( Bijlage G)

Ten slotte gaat het om een kasverschil van € 96.372,00 (Bijlage F).

Het hof zal al deze componenten mede in het licht van het door [appellante] gevoerde verweer afzonderlijk bespreken.

De opnames met pinpassen

3.6.1

Aan de hand van de rapportage, meer in het bijzonder de bijlages A tot en met E kan worden vastgesteld wanneer en met welke pinpas contante opnames zijn gedaan in de jaren 2010 tot en met 2014. De opnames met de pinpas [nummer] zijn door [appellante] in feite niet betwist. Zij stelt wel dat meer mensen die pinpas konden gebruiken, maar zij heeft, anders dan op haar weg gelegen had, nagelaten aan te geven hoe dat feitelijk mogelijk was. Vaststaat immers dat [appellante] door de jaren heen steeds de beschikking heeft gehad over pinpasnummer [nummer] . De geldopnames waarvan een groot gedeelte overigens in haar woonplaats [woonplaats] heeft plaatsgevonden, mogen dan ook aan haar worden toegeschreven. [appellante] betoogt verder dat een groot gedeelte van de desbetreffende opnames is geschied teneinde [A] te voorzien van voldoende contant geld voor zijn buitenlandse reizen dan wel voor betaling aan derden vanwege bedrijfsfeesten, recepties en/of een bonus aan een schoonmaker. [A] heeft betwist dat het bij zijn reisgeld (telkens) om zulke hoge bedragen ging als door [appellante] contant werden opgenomen, terwijl hij verder heeft gewezen op de verantwoording van de door hem ontvangen contante bedragen in zijn reisdeclaraties. Dat laatste is door [appellante] niet weersproken. Bovendien heeft [appellante] onweersproken gelaten de stelling van JAA dat een groot gedeelte van de opnames hebben plaatsgevonden op tijdstippen dat [A] niet op reis ging of zich in het buitenland bevond. Stukken waaruit de beweerdelijke (andere) bestedingen door [appellante] ten behoeve van JAA zouden kunnen blijken zijn door de accountant blijkens diens rapportage niet aangetroffen. Verder zijn er bedragen opgenomen door [appellante] kort voordat zij zelf op reis ging. Voldoende aannemelijk is derhalve dat de bedragen door [appellante] met pinpas [nummer] zijn opgenomen aan haar ten goede zijn gekomen behalve voor zover die bedragenzijn verantwoord (bijvoorbeeld op de reisdeclaraties van [A] ) waarmee evenwel in de rapportage rekening is gehouden.

3.6.2

[appellante] heeft met grief 2 afzonderlijk aandacht gevraagd voor de beweerdelijke opnames met pinpas nummer [nummer] . Zij betwist de beschikking te hebben gehad over deze pinpas, terwijl zij ook ontkent deze te hebben aangevraagd of gebruikt.

Ter zitting in hoger beroep is aan [appellante] voorgehouden dat uit de pasinformatie verstrekt door de ABN AMRO (productie 16 bij pleitaantekeningen JAA in eerste aanleg) valt af te leiden dat de pas is opgehaald door [appellante] , waarbij zij een pincode heeft gekozen en zich heeft gelegitimeerd met haar paspoort. Desgevraagd heeft [appellante] verklaard dat zij nimmer haar paspoort kwijt is geweest en dat het in de desbetreffende informatie genoemde paspoortnummer het nummer is van het paspoort dat aan haar toebehoort. Deze gang van zaken leidt tot de conclusie dat voldoende aannemelijk is dat ook de met de pinpas nummer [nummer] contant opgenomen bedragen aan [appellante] ten goede zijn gekomen.

De bankoverschrijvingen

3.6.3

In de rapportage van Vanderlaangroep wordt in bijlage G een overzicht van de overboekingen van een depositorekening van JAA met nummer [rekeningnummer] naar rekening [rekeningnummer] van [appellante] gegeven. Volgens de accountant liggen hier óf geen facturen aan ten grondslag óf facturen zonder een reële betekenis. [appellante] heeft erkend dat voor zover het gaat om facturen op naam van [Y] daarmee door haar is geknoeid en dat zij de desbetreffende bedragen heeft ontvangen én behouden. Van de overige bedragen zegt zij niet te weten of deze op haar rekening zijn bijgeschreven, omdat zij de desbetreffende bankgegevens niet meer heeft. Een noemenswaardige betwisting kan het hof hierin niet lezen. Voldoende aannemelijk is dat met deze overschrijvingen gemoeide bedragen allemaal aan [appellante] ten goede zijn gekomen.

Het kasverschil

3.6.4

In voornoemde rapportage van Vanderlaangroep wordt becijferd dat in de loop der jaren een groot aantal bedragen door derden contant is betaald aan JAA, maar dat van het uitgeven van de desbetreffende bedragen, al dan niet via afstortingen, slechts in beperkte mate is gebleken. Daarmee is een bedrag gemoeid van € 96.372,43 dat na herberekening in kas zou moeten zitten van JAA maar in werkelijkheid ontbreekt. [appellante] betoogt dat de kas zich in een ander gebouw bevond dan waar zij werkte en dat als zij al betalingen moest verwerken in de kas, daar altijd iemand bij was. Van afstortingen door haar bij de bank is, zo heeft zij aangevoerd, nimmer sprake geweest.

Ter zitting in hoger beroep heeft [appellante] erkend dat zij verantwoordelijk was voor het beheer van de kas en dat zij uit hoofde van haar functie tenminste eenmaal per maand een controle daarop uitoefende. Een verklaring voor het ontbreken van een dergelijk groot bedrag in de kas heeft zij noch in eerste aanleg noch in hoger beroep kunnen geven, anders dan te betogen dat andere medewerkers mogelijk bedragen hebben verduisterd. Hoe dat dan in de loop der jaren zou zijn geschied, terwijl zij regelmatig controle uitoefende, heeft [appellante] niet verklaard. Aldus is ook het verweer op dit punt onvoldoende aannemelijk te achten, zodat er voorshands vanuit mag worden gegaan dat ook het hier bedoelde bedrag aan [appellante] persoonlijk ten goede is gekomen.

3.6.5

In meer algemene zin heeft [appellante] de rapportage van Vanderlaangroep nog aangevochten door te stellen dat zij bij gebrek aan onderliggende stukken niet de mogelijkheid heeft om de in het rapport neergelegde bevindingen te toetsen. Voorts heeft zij gesteld dat het niet goed valt te begrijpen dat het de accountant gezien al deze aan haar verweten gedragingen niet eerder is opgevallen dat er het nodige aan verantwoording in de boekhouding ontbrak. Zij verbindt hieraan de conclusie dat de rapportage geen juiste weergave vormt van de boekhouding.

Hoewel aan [appellante] kan worden toegegeven dat niet van iedere door de accountant beschreven handeling (opname of overboeking) een onderliggend stuk is bijgevoegd, moet worden opgemerkt dat [appellante] de wel beschreven handelingen in de bijlages A tot en met G op zichzelf niet heeft betwist. Voorts heeft zij toegegeven dat zij de mogelijkheid om aan de hand van haar eigen bankafschriften een en ander te controleren en haar betwisting aldus te onderbouwen, niet heeft benut. Ten slotte kan worden opgemerkt dat zij ook niet heeft verzocht om inzage in de onderliggende stukken dan wel om haar in staat te stellen een contra-expertise te laten uitvoeren. Daarnaast staat vast dat de boekhoudkundige gegevens die ten grondslag liggen aan de rapportage over de jaren 2013 en 2014 niet eerder voor de accountant beschikbaar waren, omdat deze gegevens nog niet door [appellante] waren aangeleverd op het moment van haar ontslag.

Tegen deze achtergrond en in aanmerking nemende hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van de drie componenten van de gestelde verduistering van gelden kan worden gezegd dat de door JAA ingebrachte rapportage ruim voldoende inzicht geeft in de aard en de omvang de aan [appellante] verweten gedragingen. Voor zover [appellante] nog heeft gesteld dat aan het rapport geen of nauwelijks waarde toekomt omdat het is opgemaakt door de huisaccountant, die tevens bevriend was met [A] , gaat het hof hieraan voorbij, al was het maar omdat een dergelijke aantijging geen steun vindt in enig door [appellante] aangedragen inhoudelijk punt van kritiek en deze op zichzelf niet afdoet aan de getrouwheid van de overgelegde rapportage.

3.6.6

De slotsom is dat de geldvordering van JAA voldoende aannemelijk is en dat JAA er belang bij heeft om over de zonder enige grond aan haar vermogen onttrokken gelden zo spoedig mogelijk weer te kunnen beschikken. Een restitutierisico is niet gesteld, noch is daarvan gebleken.

De grieven falen. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. [appellante] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding in appel.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van JAA begroot op € 5.113,00 aan verschotten en € 9.789,00 voor salaris, te vermeerderen met de wettelijke rente indien niet binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest aan de kostenveroordeling is voldaan;

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.H.F.M. Cortenraad, C.M. Aarts en A.M.A. Verscheure en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 13 oktober 2015.