Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:4246

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
13-10-2015
Datum publicatie
29-10-2015
Zaaknummer
200.169.785/01
Rechtsgebieden
Internationaal privaatrecht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bevoegdheid Nederlandse rechter. Verzoek man tot wijziging van de partneralimentatie. Vrouw woont met kind in de Verenigde Staten. Zijn partijen in convenant forumkeuze voor de Nederlandse rechter overeengekomen? Hof beantwoordt deze vraag ontkennend.

artikel 4 Verordening (EG) nr. 4/2009 van de Raad van 18 december 2008 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen, en de samenwerking op het gebied van onderhoudsverplichtingen (de Alimentatieverordening).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2016/18
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 13 oktober 2015

Zaaknummer: 200.169.785/ 01

Zaaknummer eerste aanleg: C/13/568880 / FA RK 14-5302 (RT/NW)

in de zaak in hoger beroep van:

[de man] ,

wonende te [woonplaats a] ,

appellant,

advocaat: mr. C.M. Lattmann-van der Heijde te Amsterdam,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats b] (Verenigde Staten van Amerika),

geïntimeerde,

advocaat: mr. M.M. van Maanen te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Appellant en geïntimeerde worden hierna respectievelijk de man en de vrouw genoemd.

1.2.

De man is op 8 mei 2015 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 11 februari 2015 van de rechtbank Amsterdam, met kenmerk C/13/568880 / FA RK 14-5302 (RT/NW).

1.3.

De vrouw heeft op 30 juni 2015 een verweerschrift ingediend.

1.4.

De zaak is op 12 augustus 2015 ter terechtzitting behandeld.

1.5.

Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- de advocaat van de vrouw.

1.6.

De vrouw is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting in hoger beroep verschenen.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn [in] 2004 gehuwd. Hun huwelijk is op 27 mei 2009 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 25 maart 2009 in de registers van de burgerlijke stand. Partijen zijn ouders van [naam minderjarige] , geboren te [woonplaats b] , Verenigde Staten van Amerika, [in] 2004.

[de minderjarige] heeft haar hoofdverblijf bij de vrouw in de Verenigde Staten van Amerika.

2.2.

Partijen zijn op 11 december 2008 een echtscheidingsconvenant overeengekomen, waarin onder meer het volgende is opgenomen:

Artikel 1. HET KIND

(…)

1.4.

De kosten van het kind worden geheel gedragen door de vrouw. De man betaalt een partneralimentatie en heeft daarnaast geen draagkracht om bij te dragen in de kosten van het kind Indien de hoogte van de partneralimentatie verminderd wordt of deze eindigt, zal de man een bijdrage gaan betalen in de kosten van het kind. Partijen zijn op basis van de huidige inkomsten en uitgaven overeengekomen dat deze bijdrage € 600,-- per maand zal zijn. Dit bedrag is een deel van de totale behoefte van [de minderjarige] van naar schatting $ 1.500,-- per maand tijdens haar verblijf in de Verenigde Staten, inclusief de kosten verbonden aan het bezoek van een childhoodcenter, kindergarten en private school. Indien de man onvoldoende draagkracht heeft om de bijdrage van € 600,-- te voldoen, en deze ook niet deels kan voldoen uit zijn vrije ruimte dan zullen partijen trachten in onderling overleg een ander bedrag vast te stellen. Indien partijen in onderling overleg niet tot overeenstemming komen, dan zal de meest gerede partij de rechter vragen een bijdrage vast te stellen. Partijen verklaren uitdrukkelijk dat deze rechter Nederlands recht dient toe te passen bij het vaststellen van de draagkracht van de man. Indien mogelijk zal het verzoek ook worden behandeld door een Nederlandse rechtbank. De bijdrage wordt onderworpen aan de wettelijke indexering als bedoeld in art. 1:402a BW, voor het eerst per 1 januari 2010.

(…)

Artikel 2. PARTNERALIMENTATIE

2.1

De man zal met ingang van 1 januari 2009 bijdragen in het levensonderhoud van de vrouw met een bedrag van € 1.300.- bruto per maand, welk bedrag bij vooruitbetaling maandelijks aan haar zal worden voldaan.”

2.3.

Bij de echtscheidingsbeschikking van 25 maart 2009 is bepaald dat voornoemd echtscheidingsconvenant aan de beschikking wordt gehecht en in de beschikking als herhaald en ingelast wordt beschouwd. Voorts is bepaald dat de man met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking een uitkering in het levensonderhoud van de vrouw dient te voldoen van € 1.300, - bruto per maand.

3 Het geschil in hoger beroep

3.1.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard om kennis te nemen van het verzoek van de man tot wijziging van de door hem aan de vrouw te betalen partneralimentatie.

De man had verzocht te bepalen, met wijziging van de beschikking van 25 maart 2009, dat de door hem te betalen partneralimentatie met ingang van 1 februari 2013 op € 620,- per maand wordt gesteld. Subsidiair had de man verzocht te bepalen dat de door hem te betalen partneralimentatie met ingang van 1 februari 2014 op nihil wordt gesteld en dat hij met ingang van 1 februari 2014 een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] zal voldoen van € 350,- per maand.

3.2.

De man verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, te bepalen dat de rechtbank Amsterdam bevoegd is kennis te nemen van zijn verzoek, met terugverwijzing van de zaak naar de rechtbank Amsterdam.

3.3.

De vrouw verzoekt, de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep, althans zijn beroep te verwerpen, cq zijn verzoek af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4 Beoordeling van het hoger beroep

4.1.

In hoger beroep dient te worden beoordeeld of de Nederlandse rechter bevoegd is kennis te nemen van het verzoek van de man tot wijziging van de door hem te betalen partneralimentatie.

Deze vraag beantwoordt het hof aan de hand van de Verordening (EG) nr. 4/2009 van de Raad van 18 december 2008 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen, en de samenwerking op het gebied van onderhoudsverplichtingen (hierna: de Alimentatieverordening).

Op grond van het bepaalde in artikel 3 (algemene bepalingen) van de Alimentatieverordening zijn, voor zover van belang, op het gebied van onderhoudsverplichtingen bevoegd:

a. a) het gerecht van de plaats waar de verweerder zijn gewone verblijfplaats heeft, of

b) het gerecht van de plaats waar de onderhoudsgerechtigde zijn gewone verblijfplaats heeft.

In artikel 4 Alimentatieverordening (met opschrift “forumkeuze”) is, voor zover van belang, bepaald dat partijen ter zake van geschillen die tussen hen zijn gerezen of zullen rijzen in verband met onderhoudsgeschillen overeen kunnen komen dat een gerecht of de gerechten van een lidstaat waar een van hen de gewone verblijfplaats of de nationaliteit heeft bevoegd is respectievelijk zijn.

Krachtens artikel 4 lid 3 is dit evenwel niet van toepassing op geschillen betreffende een onderhoudsverplichting jegens een kind dat jonger is dan 18 jaar.

4.2.

De man stelt in hoger beroep dat de rechtbank zich ten onrechte onbevoegd heeft verklaard. Hij voert hiertoe aan dat de Nederlandse rechter in het onderhavige geval rechtsmacht toekomt op grond van artikel 4 Alimentatieverordening, waarin de mogelijkheid van een forumkeuze is opgenomen. De man verwijst in dit verband naar artikel 1.4. van het door partijen op 11 december 2008 overeengekomen echtscheidingsconvenant, waarin zij volgens hem duidelijk een forumkeuze hebben opgenomen voor de Nederlandse rechtbank. De man stelt dat de vrouw bovendien de bevoegdheid van de Nederlandse rechter heeft aanvaard, hetgeen volgens hem blijkt uit haar email van 27 februari 2014, waarin zij onder meer heeft geschreven dat zij een Nederlandse advocaat in de arm heeft genomen.

De man stelt zich op het standpunt dat is voldaan aan het door partijen ondertekende convenant, waarin staat dat het verzoek indien mogelijk ook zal worden behandeld door een Nederlandse rechtbank. Uit alles blijkt immers dat het mogelijk is dat het verzoek door de Nederlandse rechtbank kan worden behandeld, aldus de man.

De man is voorts van mening dat de rechtbank ten onrechte heeft verzuimd partijen uit te nodigen voor een mondelinge behandeling, hetgeen de rechtbank op grond van artikel 5 van het procesreglement alimentatie wel had dienen te doen. De man heeft de rechtbank als gevolg daarvan geen nadere informatie kunnen verstrekken.

4.3.

De vrouw betwist de stellingen van de man. Volgens haar zijn partijen in het convenant geen forum overeengekomen. In artikel 1.4 staat slechts dat een Nederlandse rechter “indien mogelijk” zal worden aangezocht. Gebleken is dat dit niet mogelijk is, omdat de Nederlandse rechtbank op grond van de huidige regelgeving niet bevoegd is. Als het de bedoeling was geweest dat alléén de Nederlandse rechter bevoegd zou zijn om kennis te nemen van een geschil omtrent de alimentatie hadden partijen een uitdrukkelijk forumkeuzebeding moeten aangaan, hetgeen zij niet hebben gedaan.

De vrouw wijst er voorts op dat het door de man aangehaalde beding in het convenant is opgenomen in het artikel dat ziet op de bijdrage ten behoeve van [de minderjarige] . Op grond van artikel 4 lid 3 Alimentatieverordening is het niet mogelijk een forumkeuze te maken voor geschillen die betrekking hebben op kinderalimentatie. De man betaalt volgens de vrouw nu in wezen één bedrag aan partner- en kinderalimentatie, zodat ook de kinderalimentatie in geschil is.

Ook indien alleen de partneralimentatie in geschil zou zijn is de forumkeuze volgens de vrouw niet geldig. Ten tijde van het opstellen van het convenant waren partijen gebonden aan de EEX-Verordening. Daaruit volgt dat een rechtsgeldig gesloten forumkeuze een exclusieve bevoegdheid schept, tenzij partijen anders overeenkomen. Partijen hebben echter geen exclusieve bevoegdheid willen scheppen, aldus de vrouw.

De vrouw betwist voorts dat zij de bevoegdheid van de Nederlandse rechter zou hebben erkend, zoals de man stelt. Zij heeft contact opgenomen met een Nederlandse advocaat omdat de man al sinds februari 2012 niet meer de volledige alimentatie betaalde. De vrouw heeft in de VS advies ingewonnen over het innen van de achterstallige alimentatie. Vanwege de moeilijkheden en omdat de man in Nederland woonde heeft de vrouw ook contact gezocht met een Nederlandse advocaat. In dezelfde periode heeft de man het wijzigingsverzoek voor de alimentatie ingediend. De vrouw wilde de situatie graag buiten de rechter om oplossen en haar email moet dan ook in dit licht worden gelezen. Hoewel de vrouw betwist dat de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt is zij wel van mening dat de draagkracht van de man op grond van artikel 1.4 van het convenant naar Nederlands recht dient te worden bepaald. Het uitgangspunt van de vrouw was dat partijen er in onderling overleg uit zouden komen. Het enkele feit dat de vrouw een Nederlandse advocaat in de arm heeft genomen betekent niet dat zij de bevoegdheid van de Nederlandse rechter erkent.

4.4.

Het hof overweegt als volgt.

Voor zover de man een grief heeft gericht tegen de gang van zaken in eerste aanleg gaat het hof hieraan voorbij. Deze grief kan niet tot vernietiging van de bestreden beschikking leiden nu, wat er verder van die gang van zaken zij, het hoger beroep er mede toe dient fouten en omissies in eerste aanleg te herstellen. De man heeft in hoger beroep voldoende de mogelijkheid gehad om het hof van nadere informatie te voorzien en zijn standpunt toe te lichten.

4.5.

Aan het hof ligt ter beoordeling voor of de Nederlandse rechter in het onderhavige geval bevoegd is. Vast staat dat de vrouw en [de minderjarige] geen gewone verblijfplaats in Nederland hebben, zodat de Nederlandse rechter in ieder geval niet op grond van artikel 3 Alimentatieverordening rechtsmacht heeft. Beoordeeld dient derhalve te worden of de Nederlandse rechter aan een andere in hoofdstuk II van de Alimentatieverordening geregelde grondslag rechtsmacht kan ontlenen, in casu aan artikel 4 van de Alimentatieverordening.

4.6.

Het primaire verzoek van de man ziet op wijziging van partneralimentatie. Volgens de man houdt artikel 1.4 van het echtscheidingsconvenant (zoals geciteerd onder 2.2) een forumkeuze als bedoeld in artikel 4 lid 1 Alimentatieverordening in en ziet deze forumkeuze, zo begrijpt het hof de man, op alle geschillen betreffende de onderhoudsverplichting jegens de vrouw.

Het bepaalde onder 1.4 van het echtscheidingsconvenant handelt (onder meer) over de kosten (en de eventuele bijdrage van de man daarin) van [de minderjarige] . Alsdan is aan de orde of uit de strekking van het overeengekomene kan worden opgemaakt dat partijen bedoeld hebben dat hetgeen in 1.4 van het echtscheidingsconvenant is opgenomen aangaande de toepasselijkheid van Nederlands recht bij het vaststellen van de draagkracht van de man en behandeling van het verzoek indien mogelijk door de Nederlandse rechter, ook ten aanzien van (een wijziging van) de partneralimentatie geldt. Daarbij komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepaling mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

Het hof acht in dit verband van belang dat er in het door partijen overeengekomen convenant sprake is van een sterke verwevenheid van de partner- en kinderalimentatie. Partijen zijn -samengevat- overeengekomen dat de man de vrouw een bedrag aan partneralimentatie betaalt en dat de vrouw de kosten van [de minderjarige] draagt. Voorts vermeldt het convenant in artikel 2.2. dat de vrouw ten tijde van het sluiten daarvan geen inkomen had. Onder die omstandigheden kan niet anders geoordeeld worden dan dat in de overeengekomen partneralimentatie –materieel- een component aan kinderalimentatie ligt besloten. Daarbij komt dat partijen bij het opstellen van het convenant geen rekening lijken te hebben gehouden met de mogelijkheid van een wijziging van de partneralimentatie als gevolg van afgenomen draagkracht van de man. Partijen hebben in artikel 1.4. van het convenant (slechts) bepaald dat voor de situatie dat de hoogte van de partneralimentatie wordt verminderd of deze eindigt alsdan de man een bijdrage zal gaan betalen in de kosten van [de minderjarige] . In dat geval zal de man een bedrag van € 600,- per maand aan kinderalimentatie voor [de minderjarige] gaan betalen, tenzij hij onvoldoende draagkracht heeft om deze bijdrage te voldoen. De man heeft ter zitting in hoger beroep ter toelichting verklaard dat partijen bij de totstandkoming van het convenant beoogden af te spreken dat als er een wijziging van de alimentatie zou zijn de gewijzigde alimentatie op dezelfde (Nederlandse) wijze vastgesteld zou worden en dat partijen daarbij geen onderscheid hebben willen maken tussen de berekening van de partner- en kinderalimentatie. Tussen partijen is in hoger beroep ook niet in geschil dat de draagkracht van de man ook ter zake van de partneralimentatie naar Nederlands recht vastgesteld dient te worden.

Het hof is gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang beschouwd, van oordeel dat wat partijen in artikel 1.4. zijn overeengekomen aangaande een eventuele rechtsgang bedoeld is ook van toepassing te zijn op geschillen betreffende de onderhoudsverplichting van de man jegens de vrouw. In zoverre staat het bepaalde in artikel 4 lid 3 Alimentatieverordening niet daaraan in de weg.

4.7.

Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of het bepaalde in artikel 1.4 van het convenant “Indien mogelijk zal het verzoek ook worden behandeld door een Nederlandse rechtbank.” moet worden beschouwd als een forumkeuze (voor de Nederlandse rechter) als bedoeld in artikel 4 lid 1 Alimentatieverordening. Het hof beantwoordt deze vraag ontkennend. Ingevolge de laatste volzin van artikel 4 lid 1 Alimentatieverordening is een bij overeenkomst verleende bevoegdheid exclusief, tenzij partijen anders zijn overeengekomen. Uit het onderhavige beding valt evenwel niet af te leiden dat partijen met exclusiviteit de Nederlandse rechter als forum hebben willen aanwijzen. De stellingen van de man komen er evenwel op neer dat partijen met dit beding hebben bedoeld de Nederlandse rechter waar mogelijk bevoegd te maken en dat die mogelijkheid bestaat, nu artikel 4 lid 1 Alimentatieverordening die mogelijkheid biedt. Daarin kan het hof de man niet volgen. Ook bij de uitleg van dit beding komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepaling mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Nu echter de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter raakt aan de openbare orde, dient naar het oordeel van het hof een forumkeuzebeding zodanig te zijn geformuleerd dat over de betekenis daarvan tussen partijen geen gerede twijfel kan bestaan. In het onderhavige geval kan het beding, zoals de vrouw kennelijk meent, evenwel ook worden uitgelegd in die zin, dat indien de Nederlandse rechter op een buiten het convenant gelegen grondslag internationaal bevoegd is, de procedure in Nederland (en niet elders, zoals in de Verenigde Staten van Amerika) zal worden gevoerd. Daarbij komt dat partijen het convenant destijds hebben gesloten onder (juridische) begeleiding van een advocaat/ scheidingsbemiddelaar. Alles afwegend acht het hof onvoldoende aanknopingspunten aanwezig voor de conclusie dat partijen bedoeld hebben het beding het karakter te geven van een forumkeuzebeding.

4.8.

Tot slot overweegt het hof dat er evenmin sprake is van aanvaarding van de rechtsmacht van de Nederlandse rechter door de vrouw, nog daargelaten of dit een in de Alimentatieverordening geregelde bevoegdheidsgrondslag is. Het enkele feit dat de vrouw in haar email van 27 februari 2014 verklaart een Nederlandse advocaat in de arm te nemen is daartoe onvoldoende. Daar partijen het er over eens zijn dat de draagkracht in ieder geval naar Nederlands recht berekend moet worden lag het alleen al op die grond in de rede dat de vrouw een Nederlandse advocaat inschakelde.

4.9.

De conclusie is dat de Nederlandse rechter in deze zaak geen bevoegdheid toekomt. Het hof zal de beschikking waarvan beroep dan ook bekrachtigen.

4.10.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

5 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.V.T. de Bie, mr. M.J. Leijdekker en mr. P.J.W.M. Sliepenbeek in tegenwoordigheid van mr. E.E. Kraan als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 13 oktober 2015.