Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:4210

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
12-10-2015
Datum publicatie
11-11-2015
Zaaknummer
23-001516-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 197 Sr. Toepassing 9a Sr. Het hof heeft niet kunnen vaststellen dat de gehele terugkeerprocedure is doorlopen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-001516-15

datum uitspraak: 12 oktober 2015

TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 8 april 2015 in de strafzaak onder parketnummer 13-701572-15 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats]) op [geboortedag] 1969,

adres: [adres],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Ter Apel te Ter Apel.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 28 september 2015 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1:
hij op of omstreeks 28 maart 2015 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een BMW stationwagen heeft weggenomen een Puma tas met inhoud, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking;

2:
hij op of omstreeks 28 maart 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat hij op grond van artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000, in elk geval op grond van enig wettelijk voorschrift, tot ongewenst vreemdeling was verklaard of terwijl tegen hem een inreisverbod was uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000, zulks terwijl tijdens het plegen van voornoemd misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een vroegere veroordeling van de verdachte/schuldige tot gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf, dat in kracht van gewijsde is gegaan.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere strafoplegging komt dan de politierechter.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1:
hij op 28 maart 2015 te Amsterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een BMW stationwagen heeft weggenomen een Puma tas met inhoud toebehorende aan [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], waarbij verdachte het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

2:
hij op 28 maart 2015 te Amsterdam als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist dat tegen hem een inreisverbod was uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000, zulks terwijl tijdens het plegen van voornoemd misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een vroegere veroordeling van de schuldige tot gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf, dat in kracht van gewijsde is gegaan.

Hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het aanwenden van een rechtsmiddel zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Bewijsoverweging ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

De raadsman van de verdachte heeft betoogd dat niet uit de wettige bewijsmiddelen de overtuiging kan volgen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal uit een auto en dat de verdachte een verklaring heeft gegeven voor zowel zijn aanwezigheid aldaar als voor het aantreffen van de tas onder hem.

Het hof overweegt als volgt.

Vast staat dat de verdachte kort na de diefstal in het bezit was van de uit de betreffende auto weggenomen tas. Van de auto was een ruit ingeslagen; de verdachte had een bloeddruppel aan een van zijn vingers. Voorts bevonden zich enkele glassplinters op zijn rechterschouder en was hij in het bezit van een schaar die geschikt is om bij auto-inbraken te gebruiken.

Tot slot leidt het hof uit de verklaring van een ter plaatste aanwezige getuige, afgelegd bij de raadsheer-commissaris op 16 juli 2015, af dat de verdachte vóór diens aanhouding met een tas uit de auto klauterde.

Bovenvermelde feiten en omstandigheden brengen het hof tot de (overtuiging en de) conclusie dat het de verdachte is geweest die de betreffende diefstal heeft gepleegd.

Dat, zoals de raadsman heeft aangestipt, niet is komen vast te staan dat bij de betreffende autokraak een schaar als die bij de verdachte is aangetroffen is gebruikt, doet aan de relevantie van het aantreffen van een dergelijk, voor braak geschikt, werktuig niet af.

Het hof acht, mede gelet op het voorgaande, de verklaring van de verdachte dat hij de tas op de grond heeft gevonden niet geloofwaardig, te minder nu hiervoor in het dossier geen enkel aanknopingspunt kan worden gevonden.

Het tot vrijspraak strekkende verweer wordt verworpen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

als vreemdeling in Nederland verblijven, terwijl hij weet, dat hij op grond van een wettelijk voorschrift tot ongewenste vreemdeling is verklaard.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 en 2 bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft een beslissing van de Nederlandse overheid, waarin hij tot ongewenst vreemdeling was verklaard, op grond waarvan hij verplicht was Nederland te verlaten, genegeerd en heeft zich hier te lande opgehouden terwijl hij wist dat dit hem niet was toegestaan. De verdachte heeft aldus het door de overheid gevoerde vreemdelingenbeleid doorkruist.

De raadsman heeft ter terechtzitting ten aanzien van het de verdachte onder 2 ten laste gelegde het verweer gevoerd dat de terugkeerprocedure zoals voorgeschreven in de zogeheten Terugkeerrichtlijn (richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven) niet geheel is doorlopen, waardoor tot strafoplegging niet kan worden overgegaan.

Het hof overweegt als volgt.

Het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf aan een tot ongewenst vreemdeling verklaarde onderdaan van een derde land in de zin van artikel 3, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn die, zonder geldige reden om niet terug te keren, illegaal in Nederland verblijft, is strijdig met de richtlijn indien de stappen van de in die richtlijn vastgelegde terugkeerprocedure nog niet zijn doorlopen, nu die strafoplegging de verwezenlijking van de met deze richtlijn nagestreefde doelstelling, te weten de invoering van een doeltreffend beleid van verwijdering en terugkeer van illegaal verblijvende onderdanen van derde landen, in gevaar kan brengen.

In een aanvulling op een bijlage van de Dienst Terugkeer en Vertrek (gevoegd bij het proces-verbaal van de Vreemdelingenpolitie van op 22 september 2015) is op 10 juli 2015 gerelateerd dat het vertrekdossier van de verdachte in behandeling is bij de Dienst Terugkeer en Vertrek.

In een aanvulling van 24 augustus 2015 is vermeld dat de aanvraag van een Laissez-Passer is afgesloten vanwege schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte van 27 juli 2015 tot 28 september 2015. Een nadere toelichting op het afbreken van die aanvraag ontbreekt echter. Onder deze omstandigheden heeft het hof niet kunnen vaststellen dat de gehele terugkeerprocedure is doorlopen.

Het verweer treft doel. Het hof zal dan ook bepalen dat voor het onder 2 ten laste gelegde geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan auto-inbraak waarbij hij een tas heeft weggenomen. Door te handelen heeft hij de eigendomsrechten van het slachtoffer aangetast, hem overlast bezorgd en bijgedragen aan gevoelens van onveiligheid.

Ter zake van dit feit slaat het hof bij het bepalen van de strafmaat ten nadele van de verdachte acht op het feit dat de verdachte blijkens een hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 16 september 2015 eerder ter zake van een soortgelijk vermogensdelict onherroepelijk is veroordeeld tot een gevangenisstraf. Mede daarom is er naar het oordeel van het hof geen ruimte voor oplegging van een andere strafmodaliteit dan een gevangenisstraf.

Het hof acht, alles afwegende, ter zake van het onder feit 1 ten laste gelegde, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op artikel 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Verklaart het onder 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Bepaalt dat ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Veroordeelt de verdachte ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) weken.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.J.I. de Jong, mr. F.M.D. Aardema en mr. J.G.B. Pikkemaat, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Schoutsen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 12 oktober 2015.

mr. F.M.D. Aardema en mr. J.G.B. Pikkemaat zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

[....]

.