Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:4183

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
09-10-2015
Datum publicatie
22-10-2015
Zaaknummer
23-002815-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

art. 3 onder C Opiumwet

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-002815-14

datum uitspraak: 9 oktober 2015

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 1 juli 2014 in de strafzaak onder parketnummer 15/740046-12 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1973,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 24 augustus 2015, 25 augustus 2015, 27 augustus 2015 en 25 september 2015 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

feit 1:
zij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2006 tot en met 31 december 2009 te Sint Maarten, gemeente Harenkarspel en/of elders in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, althans (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad in haar, verdachtes, woning aan de [adres] te Sint Maarten een hoeveelheid hennepplant(en), in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, (telkens) zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

feit 2:
zij in of omstreeks de periode van 1 januari 2006 tot en met 25 februari 2011 te Sint Maarten, gemeente Harenkarspel en/of Heemstede en/of Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft/hebben zij, verdachte en/of haar mededader(s), een of meer voorwerp(en), te weten een of meer geldbedrag(en) en/of een of meer fiets(en) en/of een paardentrailer en/of een trekker en/of een of meer televisie(s) en/of andere vermogensbestanddelen verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, althans van een voorwerp, te weten dat/die geldbedrag(en) en/of die fiets(en) en/of die paardentrailer en/of die trekker en/of die televisie(s) en/of andere vermogensbestanddelen gebruik gemaakt, terwijl zij, verdachte en/of haar mededader(s) wist(en) dat bovenomschreven voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf (te weten de hennepteelt en/of hennephandel).

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in haar verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de rechtbank.

Partiële nietigheid van de inleidende dagvaarding

Ten aanzien van de onder 2 ten laste gelegde geldbedragen en vermogensbestanddelen

Met betrekking tot de geldigheid van de inleidende dagvaarding ziet het hof zich gesteld voor de vraag of deze wat betreft het ten laste gelegde medeplegen van (gewoonte-)witwassen voldoet aan de eisen die artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) stelt.

Op grond van artikel 261, eerste lid, Sv behelst de inleidende dagvaarding een opgave van het feit dat ten laste wordt gelegd, met vermelding omstreeks welke tijd en waar ter plaatse het feit begaan zou zijn. Het tweede lid voegt daaraan toe dat de inleidende dagvaarding tevens de vermelding behelst van de omstandigheden waaronder het feit zou zijn begaan. Bij de uitleg van deze bepaling moet voortdurend in het oog worden gehouden dat de vraag centraal staat of de verdachte zich op basis van de tenlastelegging goed kan verdedigen. De opgave van het feit moet duidelijk en begrijpelijk, niet innerlijk tegenstrijdig en voldoende feitelijk zijn. Bij de verdachte mag er - tegen de achtergrond van het strafdossier en het voorbereidend onderzoek - redelijkerwijs geen twijfel over bestaan welke specifieke gedragingen hem worden verweten.

Aan de verdachte is onder 2 betrokkenheid bij witwassen ten laste gelegd. In de feitelijke omschrijving is in de tenlastelegging opgenomen dat het volgens de officier van justitie bij de witgewassen voorwerpen gaat om geldbedragen en vermogensbestanddelen. Daarnaast zijn in meer concrete zin vermeld: fietsen, een paardentrailer, een trekker en een of meer televisies.

Voor een beoordeling van de duidelijkheid en begrijpelijkheid van de tenlastelegging is in dit geval van belang hetgeen de advocaat-generaal ter terechtzitting in hoger beroep heeft betoogd ter onderbouwing van haar vordering wat de bewezenverklaring betreft.

De advocaat-generaal heeft in haar requisitoir op grond van de stukken in het dossier inhoud en omtrekken van de tenlastelegging nader toegelicht. Daarbij heeft zij gewezen op geldstromen bestaand uit contante stortingen, op de in de tenlastelegging genoemde voorwerpen en op overige in het dossier genoemde voorwerpen die niet als zodanig in de tenlastelegging zijn opgenomen. Tegenover deze geldbedragen en overige voorwerpen staan geen legale inkomsten die geheel dan wel gedeeltelijk de verklaring kunnen vormen voor het feit dat het vermogen van de verdachte met die omvang is toegenomen, aldus de advocaat-generaal.

Het hof begrijpt dat de advocaat-generaal heeft beoogd te betogen dat de strafbare betrokkenheid van de verdachte bestaat in medeplegen nu zij mede heeft gewezen op betalingen verricht door de partner van de verdachte en op voorwerpen die primair dan wel mede in verband kunnen worden gebracht met deze partner.

Het hof stelt vast dat het strafdossier van de verdachte een onderdeel bevat met de benaming “Paragraaf 3 (witwassen)”. Dit maakt deel uit van het proces-verbaal van relaas. In deze paragraaf wordt verslag gedaan van de resultaten die zijn verkregen in het onderzoek naar het wederrechtelijk verkregen voordeel van de verdachte. In deze paragraaf wordt per verdachte in het onderzoek Echo de inhoud van zijn of haar verklaringen weergegeven ten aanzien van gedane uitgaven en stortingen. Voorts zijn opgenomen een overzicht van de legale inkomsten van de verdachte en een overzicht van gebleken stortingen van contante geldbedragen op een of meer bankrekeningen, beide voor zover het de ten laste gelegde periode betreft.

De tenlastelegging en het ter terechtzitting in hoger beroep door de advocaat-generaal ingenomen standpunt zijn, zo is het hof gebleken, gebaseerd op dit onderdeel van het proces-verbaal.

Voorts merkt het hof op dat de advocaat-generaal als standpunt heeft ingenomen dat de verdachte inkomsten heeft gehad die samenhangen met de hennepstekkenkwekerij in Beverwijk maar tegelijkertijd, ondanks het bestaan van deze concreet aan te duiden bron, een bewijsconstructie heeft voorgesteld die is gebaseerd op een redenering die, kort gezegd, vertrekt vanuit onverklaarbaar vermogen dat een witwasvermoeden oplevert waar de verdachte, gemeten aan in de rechtspraak ontwikkelde maatstaven, onvoldoende tegenover heeft gesteld.

Doordat de advocaat-generaal haar standpunt aldus heeft geformuleerd, begrijpt het hof dat de tenlastelegging tot stand is gekomen met als vertrekpunt het onderdeel van het dossier inhoudend de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Anders dan in de ontnemingsprocedure, waarin de rechter schattenderwijs de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel vaststelt en waarin het verkregen voordeel op aannemelijkheid wordt berekend en geschat, worden in een strafzaak waarin witwassen bewezen dient te worden verklaard, andere, in de zin van hogere, eisen gesteld aan precisie en concreetheid van hetgeen ten laste gelegd wordt en bewezen moet worden verklaard en van daaraan ten grondslag te leggen redengevende feiten en omstandigheden. Dit heeft verstrekkende gevolgen voor de bewijslastverdeling in de onderscheiden procedures en voor aan de proceshouding van een verdachte toelaatbaar te verbinden consequenties. Ook dit wordt weerspiegeld in de eisen die aan de tenlastelegging moeten worden gesteld.

In het licht van hetgeen hiervoor is overwogen is het hof van oordeel dat de tenlastelegging niet voldoet aan de eisen die artikel 261 Sv stelt. De in de tenlastelegging genoemde “geldbedragen” en “overige vermogensbestanddelen” zijn, mede bezien tegen de achtergrond van aard en inhoud van de stukken in het dossier, zoals in het voorgaande beschreven en getypeerd, te algemeen. De advocaat-generaal heeft weliswaar in haar requisitoir de relatie met de processtukken gelegd, op de wijze als hiervoor weergegeven, maar dit kan niet wegnemen dat de tenlastelegging in te sterke mate als een “zoekplaatje” moet worden gekarakteriseerd.

Dit klemt te meer nu aan de verdachte tevens ten laste is gelegd dat deze het witwassen heeft medegepleegd en hiervan bovendien een gewoonte heeft gemaakt. Daarmee is de beoordeling van de vraag welke gedragingen van de verdachte dan wel van een medeverdachte binnen het bereik van de tenlastelegging vallen verder gecompliceerd.

Dit staat aan een adequate en met het stelsel van strafvordering overeenstemmende procesvoering in de weg, zowel waar het de positiebepaling van de verdachte als waar het de rechterlijke beoordeling van het aan de verdachte gemaakte verwijt betreft.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de inleidende dagvaarding wat betreft feit 2 nietig dient te worden verklaard, voor zover het betreft de daarin opgenomen termen “geldbedragen” en “overige vermogensbestanddelen”.

Vrijspraak

Ten aanzien van de onder 2 ten laste gelegde fietsen, paardentrailer, trekker en televisie(s)

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 2 overigens is ten laste gelegd, zodat zij hiervan moet worden vrijgesproken. Het hof overweegt hiertoe dat medeverdachte en partner [medeverdachte 1] weliswaar heeft verklaard dat hij een aantal op de tenlastelegging genoemde voorwerpen met geld dat afkomstig was van hennepteelt heeft gekocht, maar dat niet is komen vast te staan dat de verdachte hiervan wetenschap had. De verdachte wordt derhalve van dit feit vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij in de periode van 1 januari 2006 tot en met 31 december 2009 te Sint Maarten, gemeente Harenkarspel, opzettelijk aanwezig heeft gehad in haar woning aan de [adres] te Sint Maarten een hoeveelheid hennepplanten.

Hetgeen onder 1 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het onder 1 bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de, in bijlage I bij dit arrest opgenomen, bewijsmiddelen zijn vervat.

Bewijsoverwegingen

De advocaat-generaal heeft betoogd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het medeplegen van het telen, bewerken en verkopen van hennep. Over de bewijsbaarheid van het impliciet subsidiair ten laste gelegde aanwezig hebben van hennepplanten heeft zij zich niet uitgelaten.

Namens de verdachte is betoogd dat onvoldoende kan worden vastgesteld dat de verdachte opzet had op de aanwezigheid van hennepplanten in de schuur achter haar woning en dat zij daarom van het onder 1 ten laste gelegde geheel moet worden vrijgesproken.

Het hof acht, anders dan de raadsman, voldoende bewijs voorhanden om het opzettelijk aanwezig hebben van hennepplanten bewezen te verklaren. Het hof overweegt hiertoe dat voor aanwezig hebben niet noodzakelijk is dat de verdovende middelen de verdachte toebehoorden of dat zij enige beschikkings- of beheersbevoegdheid ten aanzien van de verdovende middelen had. Voldoende is dat de onder de Opiumwet vallende middelen zich in de machtssfeer van de verdachte bevonden.

De gebezigde bewijsmiddelen houden het volgende in. In het proces-verbaal van verbalisant [verbalisant] van 25 februari 2012 wordt gerelateerd dat in de schuur die het dichtst bij de woning lag een ontmantelde hennepkwekerij werd aangetroffen. De politie trof vele voorwerpen aan die gebruikt plegen te worden ten behoeve van een hennepkwekerij zoals kratjes, isolatiemateriaal, transformatoren, ventilatoren, afzuigapparatuur, kunststof bakken, een dompelpomp en 350 plantenpotten. Ook trof de politie op verschillende plekken hennepresten aan. De politie concludeerde op grond van de aanwezige afzuiging dat van een grote hennepkwekerij sprake was geweest.

Voorts hebben de verdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] verklaard dat de verdachte wetenschap had van de hennepkwekerij achter haar woning en dat de kwekerij ongeveer vier jaren had gedraaid.

Op grond hiervan hecht het hof geen geloof aan de verklaring van de verdachte dat zij gedurende de gehele exploitatieperiode van vier jaren niets van de aanwezigheid van de hennepkwekerij in de schuur vlakbij haar woning heeft gemerkt. Het hof is van oordeel dat op grond van het voorgaande genoegzaam is komen vast te gaan dat de hennepplanten die op het erf bij de woning van de verdachte aanwezig waren zich binnen de machtssfeer van verdachte hebben bevonden. Het hof acht het onder 1 ten laste gelegde aanwezig hebben van hennep derhalve bewezen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen

De rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 en 2 bewezen verklaarde veroordeeld tot een taakstraf van 150 uren, subsidiair 75 dagen hechtenis, met aftrek van de tijd die in voorarrest is doorgebracht.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft gedurende vier jaren een hoeveelheid hennepplanten in de schuur achter haar woning aanwezig gehad. Hennep kan de voor de volksgezondheid schadelijke stof THC bevatten en is daarom door de wetgever op de bij de Opiumwet behorende lijst II gezet. Het hof rekent de verdachte dit aan.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 10 augustus 2015 waaruit blijkt dat verdachte niet eerder strafrechtelijk onherroepelijk is veroordeeld. Ten aanzien van de redelijke termijn overweegt het hof dat deze in eerste aanleg met ruim vijf maanden is overschreden, maar dat deze overschrijding van de redelijke termijn door de voortvarende behandeling in hoger beroep is gecompenseerd. Gezien deze compensatie is de procedure in feitelijke aanleg als geheel binnen de in acht te nemen termijn afgerond en bestaat geen grond om de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg in de strafmaat ten voordele van de verdachte mee te wegen.

Het hof acht, alles afwegende, een voorwaardelijke gevangenisstraf en taakstraf van na te melden duur en hoogte passend en geboden. Een lagere straf of andere strafmodaliteit doet naar het oordeel van het hof geen recht aan de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Het hof zal bij de straftoemeting afwijken van hetgeen de advocaat-generaal heeft gevorderd, omdat zij uitging van bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde feit en het hof het onder 1 ten laste gelegde bewezen verklaart.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart de dagvaarding ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde partieel nietig.

Verklaart, voor het overige, niet bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 80 (tachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.D.R.M. Boumans, mr. R.M. Steinhaus en mr. H.M.J. Quaedvlieg, in tegenwoordigheid van mr. M. Stam, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 9 oktober 2015.

[....]

[....]

[....]

[....]