Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:4158

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
06-10-2015
Datum publicatie
29-10-2015
Zaaknummer
200.175.121/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Machtiging tot gesloten jeugdhulp, weigering hulpverlening, familiegroepsplan, artikelen 6.1.2 en 6.1.10 Jeugdwet.

Wetsverwijzingen
Jeugdwet 6.1.2 en 6.1.10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 6 oktober 2015

Zaaknummer: 200.175.121/ 01

Zaaknummer eerste aanleg: C/13/591073 / JE RK 15-876

in de zaak in hoger beroep van:

[…] ,

thans verblijvende in [a] te […] ,

appellant,

advocaat: mr. R.J.A. van den Munckhof te Amsterdam,

tegen

Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering,

gevestigd te Alkmaar,

geïntimeerde.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Partijen worden hierna respectievelijk [de minderjarige] en de GI genoemd.

1.2.

[de minderjarige] is op 17 augustus 2015 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 30 juli 2015 van de kinderrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kinderrechter), met kenmerk C/13/591073 / JE RK 15-876.

1.3.

De advocaat van [de minderjarige] heeft op 9 september 2015 – op verzoek van het hof – nadere stukken ingediend.

1.4.

De GI heeft op 11 september 2015 stukken ingediend.

1.5.

De zaak is op 14 september 2015 ter terechtzitting behandeld.

1.6.

Ter terechtzitting zijn verschenen:

- [de minderjarige] , bijgestaan door zijn advocaat;

- de gezinsmanager, vergezeld van een collega, namens de GI;

- [Y] (hierna: de moeder);

- [X] (hierna: de vader);

- de heer O. Ente, namens de Raad voor de Kinderbescherming regio Amsterdam, locatie Amsterdam (hierna: de Raad).

2 De feiten

2.1.

[de minderjarige] is geboren op [datum] 1997 uit het huwelijk van de moeder en de vader. Uit het huwelijk is tevens geboren [kind] , [in] 1999. De ouders zijn met het gezag over hen beiden belast. [kind] woont bij de ouders.

2.2.

Bij beschikking van de kinderrechter van 1 mei 2014 is [de minderjarige] onder toezicht gesteld voor de duur van één jaar. De ondertoezichtstelling is nadien verlengd tot de meerderjarigheid van [de minderjarige] .

2.3.

In het kader van de ondertoezichtstelling is bij beschikking van de kinderrechter van 20 maart 2015 een machtiging voor verblijf in gesloten jeugdhulp verleend, met ingang van 20 maart 2015 tot 1 mei 2015. Die machtiging is bij beschikking van de kinderrechter van 16 april 2015 verlengd tot 1 augustus 2015.

2.4.

Tot december 2014 is [de minderjarige] in behandeling geweest bij Jeugdzorg Plus van [a] , waarna hij thuis is geplaatst. Op 10 maart 2015 is [de minderjarige] in verzekering gesteld wegens (verdenking van) het stelen van een bromfiets, waarna hij op 13 maart 2015 (strafrechtelijk) geplaatst is in JJI [b] . [de minderjarige] is op 20 maart 2015, onder schorsing van de voorlopige hechtenis, (wederom) in [a] geplaatst, met een machtiging gesloten jeugdhulp.

2.5.

Bij de stukken in het dossier bevindt zich onder meer een instemmingsverklaring van een gedragswetenschapper als bedoeld in artikel 6.1.2. lid 6 Jeugdwet (hierna: de instemmingsverklaring) van 24 juli 2015.

3 Het geschil in hoger beroep

3.1.

Bij de bestreden beschikking is, op het daartoe strekkende verzoek van de GI:

- de machtiging om [de minderjarige] in gesloten jeugdhulp te doen opnemen en te doen verblijven met ingang van 2 augustus 2015 tot [datum] 2015 verlengd.

3.2.

[de minderjarige] verzoekt, naar het hof begrijpt, met vernietiging van de bestreden beschikking, het verzoek tot verlenging van de machtiging om hem in gesloten jeugdhulp te doen opnemen en te doen verblijven alsnog af te wijzen en om de GI te veroordelen in de kosten van beide instanties, één en ander, voor zover de wet het toelaat, uitvoerbaar bij voorraad.

3.3.

De GI heeft ter zitting in hoger beroep verzocht het door [de minderjarige] in hoger beroep verzochte af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4 Beoordeling van het hoger beroep

4.1.

Ingevolge artikel 6.1.2 Jeugdwet kan de kinderrechter op verzoek een machtiging verlenen om een jeugdige in een gesloten accommodatie te doen opnemen en te doen verblijven indien naar het oordeel van de kinderrechter jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van de jeugdige naar volwassenheid ernstig belemmeren en de opneming en het verblijf noodzakelijk zijn om te voorkomen dat de jeugdige zich aan deze jeugdhulp onttrekt of daaraan door anderen wordt onttrokken.

4.2.

Ter beoordeling aan het hof ligt voor of de kinderrechter terecht en op goede gronden machtiging heeft verleend om [de minderjarige] in een accommodatie voor gesloten jeugdhulp te doen opnemen en te doen verblijven en of deze gronden ook thans nog aanwezig zijn.

4.3.

[de minderjarige] heeft – samengevat – betoogd dat verblijf in een gesloten jeugdinrichting niet noodzakelijk is en bovendien zinloos en voert daartoe onder meer het volgende aan. Hij werkt niet mee aan enige vorm van behandeling en is ook niet voornemens dit te gaan doen. Het verblijf in [a] heeft daarom geen enkele zin. Hij heeft in [a] niets te doen, daar onder meer de schoollessen onder zijn niveau zijn. Hij kan niets anders doen dan computerspellen spelen en zijn tijd uitzitten en is afgesloten van de buitenwereld en regulier menselijk contact. Zijn verblijf in [a] werkt dan ook stagnerend op zijn ontwikkeling en is daarmee contraproductief en strijdig met zijn belang. De jeugdhulp heeft niet gewerkt en zal ook niet gaan werken, temeer nu de periode tot zijn meerderjarigheid zeer gering is. Indien de machtiging niet zou worden verlengd, is van een ‘beloning van zelfbepalend gedrag’ geen sprake, omdat hij al vanaf het begin van de uithuisplaatsing heeft aangegeven dat hij niet wenste mee te werken. In het midden kan blijven of bij hem sprake is van ernstige opgroei- en opvoedproblemen; onder de gegeven omstandigheden is een verlenging van de machtiging immers niet opportuun.

Hij wil graag terug naar huis en ook zijn ouders verlangen naar zijn terugkeer. Zodra hij weer thuis woont, zal hij zijn school weer oppakken en daarnaast gaan werken, aldus [de minderjarige] .

4.4.

De GI heeft – samengevat – aangevoerd dat [de minderjarige] in zijn ontwikkeling wordt bedreigd doordat er bij hem sprake is van ernstige opgroei- en opvoedproblematiek. [de minderjarige] onttrekt zich aan de geboden hulpverlening. Sinds zijn plaatsing in [a] op 20 maart 2015, weigert hij in gesprek te gaan met hulpverleners. Daar komt bij dat [de minderjarige] zowel fysiek als verbaal agressief is naar zijn groepsgenoten en de groepsleiding. Tijdens geplande overlegmomenten zijn zowel [de minderjarige] als zijn ouders niet aanwezig. Dit alles maakt dat behandeling en doorstroming naar een andere plaatsing stagneert. [de minderjarige] heeft forse gedragsproblematiek en daarnaast geen motivatie voor hulpverlening en verandering. Gelet op de forse gedragsproblematiek van [de minderjarige] en zijn rigide volharding om niet mee te werken aan het traject in [a] , is de kans van slagen in een open setting nihil. Gezien alle zorgen die al sinds het achtste levensjaar van [de minderjarige] aanwezig zijn, behoort plaatsing thuis niet tot de mogelijkheden. Beëindiging van de gesloten plaatsing is volgens de GI voor zowel [de minderjarige] als de maatschappij niet veilig.

4.5.

De Raad heeft ter zitting in hoger beroep geadviseerd de bestreden beschikking te bekrachtigen. De Raad heeft hierbij overwogen dat behandeling en hulpverlening voor [de minderjarige] noodzakelijk is en in zijn belang en dat hij deze dient te accepteren.

4.6.

De vader heeft ter zitting in hoger beroep onder meer verklaard dat hij wenst dat [de minderjarige] weer naar huis komt en dat hij thuis welkom is. [de minderjarige] heeft hem beloofd dat hij dan weer naar school zal gaan. De vader denkt dat [de minderjarige] zijn gedrag kan veranderen. Hij zou graag zien dat [de minderjarige] nog een laatste kans krijgt en hoopt dat er een goede behandeling voor [de minderjarige] wordt gevonden die ervoor kan zorgen dat hij goed gaat functioneren.

4.7.

Het hof overweegt als volgt.

Uit de stukken van het dossier en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is het volgende gebleken. Uit jeugdpsychiatrisch onderzoek van 15 oktober 2014, waarnaar ook de instemmingsverklaring verwijst, blijkt onder meer dat bij [de minderjarige] sprake is van een ernstige antisociale gedragsstoornis bij een laag-gemiddelde disharmonische intelligentie. Tevens is bij [de minderjarige] sprake van een beperkte gewetensfunctie. Reeds vanaf het achtste levensjaar van [de minderjarige] zijn er ernstige zorgen over zijn ontwikkeling en gedrag. In de thuissituatie heeft [de minderjarige] grensoverschrijdend en zelfbepalend gedrag laten zien. Hij hanteerde zijn eigen regels, luisterde niet naar zijn ouders en bleef tot laat in de nacht weg. Verder was hij niet gemotiveerd voor school en was sprake van veelvuldig schoolverzuim. De hulpverlening die sinds 2005 is ingezet, waaronder FFT, Project aan Huis, De Bascule, Spirit en Spoedhulp, heeft niet geleid tot een verbetering in het gedrag van [de minderjarige] en in de thuissituatie. Vanaf 2009 is [de minderjarige] meerdere keren met politie en justitie in aanraking gekomen voor onder meer brandstichting en diefstal. In de laatste periode dat [de minderjarige] bij zijn ouders verbleef, van december 2014 tot zijn inverzekeringstelling op 10 maart 2015, liet [de minderjarige] opnieuw zelfbepalend gedrag zien. Hij werkte niet mee met de hulpverlening, ging niet meer naar school en was ’s nachts vaak weg, zonder dat er enig zicht was op zijn activiteiten. Bovendien was hij fysiek agressief tegen zijn moeder en broer. Aan [de minderjarige] is in het kader van de strafzaken een jeugdreclasseringsmaatregel opgelegd (Toezicht en Begeleiding), die loopt van 10 december 2014 tot 9 december 2016.

[de minderjarige] is in het verleden meerdere keren uit huis geplaatst geweest en is op 20 maart 2015, nadat hij wegens verdenking van diefstal op 10 maart 2015 in verzekering was gesteld, opnieuw in [a] geplaatst. De diverse vormen van hulpverlening die in het verleden hebben plaatsgevonden, zowel ambulant als residentieel, hebben onvoldoende resultaat gehad. Sinds zijn huidige plaatsing in [a] hebben meerdere incidenten plaatsgevonden, waarbij [de minderjarige] zowel fysiek als verbaal dreigend is geweest naar de groepsleiding en zijn groepsgenoten. Het meest recente incident is van 8 september 2015, waarbij ook inboedel is vernield en de politie is ingeschakeld. [de minderjarige] weigert sinds zijn huidige verblijf in [a] zijn medewerking aan iedere vorm van hulpverlening en behandeling. Deze weigerachtige houding van [de minderjarige] is ook ter zitting in hoger beroep gebleken, waar [de minderjarige] heeft herhaald dat hij niet van plan is mee te werken aan behandelingen.

Gelet op al het voorgaande is het hof van oordeel dat bij [de minderjarige] ten tijde van de bestreden beschikking en ook thans sprake is van ernstige opgroei- en opvoedingsproblemen als bedoeld in artikel 6.1.2 lid 2 Jeugdwet die noodzaken tot jeugdhulp in de zin van de Jeugdwet en waarbij de opneming en het verblijf noodzakelijk zijn om te voorkomen dat [de minderjarige] zich aan deze jeugdhulp onttrekt of daaraan door anderen onttrokken wordt.

Het hof onderschrijft de conclusie van de gedragswetenschapper in de instemmingsverklaring, te weten dat de ernstige gedragsproblemen waar [de minderjarige] mee kampt, behandeld dienen te worden. Nu [de minderjarige] daarnaast weigert mee te werken aan de behandelingen die hem geboden worden en hij zich in de thuissituatie agressief heeft gedragen en zich aan ieder gezag onttrekt, is het hof van oordeel dat het noodzakelijk is dat deze behandeling in een gesloten jeugdinstelling plaatsvindt. De stelling van [de minderjarige] dat gesloten plaatsing geen zin heeft, nu hij hieraan toch niet meewerkt en de behandeling (tot zijn meerderjarigheid) nog maar van zeer korte duur zou zijn, maakt dit oordeel niet anders. Het hof is, met de kinderrechter, van mening dat het niet aan [de minderjarige] is om te besluiten of behandeling al dan niet nuttig en noodzakelijk is. Het betoog van [de minderjarige] dat hij is veranderd en dat bij beëindiging van de machtiging het in de thuissituatie bij zijn ouders weer goed met hem zal gaan, acht het hof, gezien de hiervoor genoemde omstandigheden en voorgeschiedenis niet aannemelijk.

4.8.

[de minderjarige] heeft nog betoogd dat de machtiging niet mag worden verlengd, voordat de familie van [de minderjarige] in de gelegenheid is gesteld om op grond van artikel 6.1.10 lid 2 Jeugdwet een familiegroepsplan op te maken. Het hof is van oordeel dat, gelet op bovengenoemde concrete bedreigingen in de ontwikkeling van [de minderjarige] en mede daarbij in aanmerking nemende de beperkte tijd die nog voor plaatsing en behandeling resteert, het niet in het belang is van [de minderjarige] om de mogelijkheid te bieden aan het netwerk van [de minderjarige] om een dergelijk plan op te stellen. De kinderrechter heeft dan ook, gelet op de bedoelde bedreigingen in de ontwikkeling van [de minderjarige] , op goede gronden afgezien van het bieden van deze mogelijkheid.

4.9.

Bovengenoemde leidt tot de conclusie dat de gronden voor de machtiging tot gesloten jeugdhulp ten tijde van de bestreden beschikking waren en ook thans nog aanwezig zijn, zodat de bestreden beschikking zal worden bekrachtigd.

5 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. C.E. Buitendijk, mr. H.A. van den Berg en mr. J.A. van Keulen in tegenwoordigheid van mr. H. Sapir als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 6 oktober 2015.